Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:461

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
10-08-2017
Zaaknummer
200.191.189_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:1365
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3560
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3561
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:468
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

zorg- en contactregeling;

deskundigenonderzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 9 februari 2017

Zaaknummer: 200.191.189/01

Zaaknummer eerste aanleg:C/03/193223/FA RK 14-1961

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.C. van Heerd,

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Roermond van 17 februari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 mei 2016 heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en alsnog de door de vader gevraagde zorg- en contactregeling toe te wijzen dan wel een zorg- en contactregeling vast te stellen zoals het hof juist acht, subsidiair de raad in te schakelen om te komen tot een passende zorg- en contactregeling.

2.2.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 13 juni 2016, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans het hoger beroep van de vader af te wijzen als zijnde rechtens ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 januari 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. A.W.M. Mans (ter vervanging van mr. Joosten);

- de moeder, bijgestaan door mr. van der Linden;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer van [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

De GI is, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.3.2.

Deze zaak is ter zitting van het hof tegelijkertijd behandeld met de ter griffie ingeschreven zaak met nummer 200.198.003/01. Beide zaken worden bij afzonderlijke beschikking beslist.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de GI d.d. 20 juni 2016, ingekomen ter griffie op 21 juni 2016;

  • -

    de door de advocaat van de vader overgelegde productie 3;

  • -

    het V6 formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 3 januari 2017;

  • -

    het V6 formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 4 januari 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Tijdens het inmiddels ontbonden geregistreerd partnerschap van de moeder en de vader zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2007, te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2010, te [geboorteplaats] .

De vader heeft de kinderen erkend.

De moeder heeft het eenhoofdig gezag over de kinderen.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover in hoger beroep van belang - het verzoek van de vader tot een uitbreiding van de contactregeling met [minderjarige 2] afgewezen.

3.3.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan. De rechtbank overweegt ten onrechte dat het onduidelijk is waar de weerstand van [minderjarige 2] ten opzichte van zijn vader vandaan komt. De moeder geeft [minderjarige 2] geen ruimte om contact met de vader te hebben. Zij belast de kinderen met een negatief vaderbeeld. Dit heeft de raad ook aangevoerd. De door de moeder ingezette hulpverlening is niet voldoende voor het contactherstel tussen de vader en de kinderen. De moeder handelt in strijd met de rechten van het kind en de vader, mede neergelegd in verdragen (EVRM en IVRK). De rechtbank heeft het verzoek van de vader ten onrechte afgewezen.

3.5.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. De vader en de moeder hebben een veelbewogen verleden waarbij sprake was van fysiek en verbaal geweld van de vader jegens de moeder. Tijdens de relatie is de vader ook enkele malen gedetineerd geweest.

De kinderen hebben dit ook meekregen en dit heeft zijn weerslag op hen, vooral op [minderjarige 1] . De moeder ontkent dat zij de kinderen belast met een negatief vaderbeeld. De moeder heeft voor de kinderen speltherapie gestart die gericht is op het positief bijstellen van het negatieve vaderbeeld. De moeder is zelf ook gestart met EMDR-therapie. Zij is zich wel degelijk bewust van het belang van contact tussen de kinderen en de vader, maar zij is daar nu niet aan toe. Eerst moeten de kinderen en de moeder door middel van de therapieën van hun angsten afkomen.

3.6.

De GI heeft bij brief van 20 juni 2016 het volgende aangevoerd. De speltherapie is er

op gericht om het negatieve vaderbeeld van de kinderen terug te dringen. De moeder krijgt steeds meer besef dat zij haar negatieve beeld van de vader op de kinderen projecteert en heeft ook hulp gezocht gericht op haar eigen angsten en het verwerken van het verleden. De GI adviseert op dit moment dat de moeder in therapie moet gaan om haar eigen houding te veranderen, dat de speltherapie doorgang moet vinden en dat contact tussen de vader nu niet in het belang van [minderjarige 2] zou zijn. Eerst moeten de voorwaarden goed zijn en moet er gewerkt worden aan emotionele stabiliteit.

3.7.

De raad heeft ter zitting aangevoerd dat de moeder haar eigen angsten op de kinderen projecteert en dat zij moet leren om met de vader om te gaan. De kinderen waren nog erg jong toen de relatie tussen de ouders werd verbroken, zij kunnen de angsten voor de vader en het negatieve vaderbeeld dan ook niet zelf hebben ontwikkeld. Hierin speelt de moeder een rol. Het contact tussen de vader en de kinderen is van groot belang, het is een noodzaak voor kinderen om met beide ouders contact te hebben. Het benoemen van een forensisch mediator zou kunnen helpen om uit de impasse te geraken.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ter zitting in hoger beroep heeft het hof met partijen de mogelijkheid besproken om door deskundigen (forensische mediators) een zogenoemd ouderschapsonderzoek te laten doen naar de vraag of contact tussen de kinderen en de vader al of niet in het belang van de kinderen is.

Het ouderschapsonderzoek betreft een deskundigenbericht in de zin van artikel 194 e.v. Wetboek van Burgerlijk rechtsvordering (Rv). Beide partijen hebben ter zitting verklaard in te stemmen met en mee te werken aan zo’n ouderschapsonderzoek. Ook de raad heeft ter zitting aangegeven positief tegenover een ouderschapsonderzoek te staan.

3.8.2.

Partijen hebben ter zitting er mee ingestemd dat het hof de deskundigen zal aanwijzen en benoemen.

Het hof heeft bereid gevonden om als deskundigen op te treden:

mevrouw drs. M.A.J. Goossens en de heer A.J.G. Derikx, beiden gedragswetenschapper en werkzaam bij Rubicon Jeugdzorg te [kantoorplaats] , telefoon [netnummer + telefoonnummer] .

De bijeenkomsten die de deskundigen zullen beleggen zullen plaatsvinden ten kantore van Rubicon Jeugdzorg, [adres] te [postcode] [kantoorplaats] .

De partijen hebben er voorts mee ingestemd de vraagstelling aan de deskundigen aan het hof over te laten. Het hof wijst op het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv dat bepaalt dat partijen verplicht zijn aan het ouderschapsonderzoek mee te werken en dat wanneer partijen niet aan deze verplichting voldoen, het hof daaruit de gevolgtrekking kan maken die het hof geraden acht.

3.8.3.

Het hof zal tot deskundigen benoemen mevrouw drs. M.A.J. Goossens en de heer A.J.G. Derikx, voornoemd.

Het hof zal tevens een raadsheer-commissaris benoemen onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden. De deskundigen kunnen zich, indien daartoe aanleiding is, met de raadsheer-commissaris verstaan over het verloop en de voortgang van het onderzoek.

3.8.4.

De advocaten van partijen dienen de deskundigen binnen 14 dagen nadat deze beschikking is gegeven te voorzien van afschriften van de processtukken.

De deskundigen dienen eventuele nadere informatie die zij nodig hebben en die geen deel uitmaakt van de processtukken, bij de advocaten op te vragen.

De advocaat die informatie verschaft, dient een afschrift daarvan toe te zenden aan de

advocaat van de wederpartij.

De deskundigen wordt verzocht de verkregen informatie als bijlage bij het deskundigenrapport te voegen. Indien de deskundigen voor het onderzoek gebruik maken van informatie van derden, dienen zij daarvan melding te maken in het rapport.

Voorts overweegt het hof dat de deskundigen de partijen de gelegenheid dienen te geven opmerkingen te maken over het rapport en uit het deskundigenbericht dient te blijken dat dit is gebeurd.

3.8.5.

Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot 11 mei 2017 pro forma, teneinde het onderzoek door de deskundigen te laten plaatsvinden.

3.8.6.

Het hof verzoekt de deskundigen te rapporteren en te adviseren omtrent de volgende vragen:

  • -

    In hoeverre zijn de ouders in staat elkaar ruimte te bieden voor contact met de kinderen?

  • -

    Waar komt het negatieve vaderbeeld bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vandaan?

  • -

    In hoeverre hebben zij op dit moment (nog) angst voor hun vader?

  • -

    Is een contactregeling tussen de kinderen en de vader in het belang van de kinderen?

  • -

    Zo ja, op welke wijze zou het contact dan vorm moeten krijgen?

  • -

    In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de kinderen? En zo deze naar voren komen, welke zijn deze?

3.8.7.

De deskundigen dienen het hof schriftelijk te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek en - bij gebreke van overeenstemming - de door het hof gestelde vragen te beantwoorden en het hof zo mogelijk te adviseren omtrent de invulling van de contactregeling tussen de vader en de kinderen.

Na binnenkomst van het rapport van de deskundige zal het hof een afschrift van dat rapport toezenden aan de advocaten van partijen en ieder van hen de gelegenheid bieden daarop te reageren.

3.8.8.

Bij toepassing van de artikelen 195, 199 en 200 Rv komen de kosten van een dergelijk onderzoek in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In verzoekschriftprocedures bepaalt artikel 284 lid 1 Rv die bepalingen van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Indien het in het belang van de kinderen nodig is dat een ouderschapsonderzoek plaatsvindt, biedt deze bepaling het hof de ruimte de kosten van zo een onderzoek geheel of gedeeltelijk ten laste van het Rijk te brengen indien sprake is van geen of verminderde draagkracht aan de zijde van (een van) de ouders.

3.8.9.

Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak ten aanzien van de ouders aan dit criterium voldoet en zal derhalve bepalen dat de kosten van de deskundigen, tot een maximum bedrag van in totaal € 4.500,-, inclusief voorschotten en BTW, ten laste van het rijk zullen komen. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de totale kosten laatstgenoemd bedrag niet te boven zullen gaan. De deskundigen dienen te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief (of een gedeelte daarvan) van € 116,09 per uur, exclusief BTW.

4 De beslissing

Het hof:

benoemt tot deskundigen:

mevrouw drs. M.A.J. Goossens en de heer A.J.G. Derikx, gedragswetenschappers en beiden werkzaam bij Rubicon Jeugdzorg te [kantoorplaats] ;

bepaalt dat de kosten van de deskundigen ten laste zullen komen van 's Rijks kas, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 3.8.8. en 3.8.9. bepaalde;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden:

mr. M.C. Bijleveld- van der Slikke;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundigen zal zenden;

bepaalt dat de partij die het hoger beroep heeft ingesteld binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de processtukken ter beschikking van de deskundigen zal stellen;

bepaalt dat het de deskundigen vrij staat in het uit te brengen verslag al datgene op te merken wat naar hun inzicht dienstig kan zijn, óók indien dit niet rechtstreeks uit de opdracht voortvloeit;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat partijen door de deskundigen in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

bepaalt dat de deskundigen tijdig vóór, dan wel uiterlijk op 11 mei 2017 het hof schriftelijk zullen rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek;

verzoekt de deskundigen bij eventuele vertraging van het onderzoek de raadsheer-commissaris hierover tijdig schriftelijk, met afschrift aan partijen, te informeren onder vermelding van de oorzaak;

verzoekt de deskundigen een afschrift van de rapportage toe te zenden aan de advocaten van partijen, de raad en de stichting (indien en voor zover betrokken);

houdt in afwachting van het verloop en de resultaten van voornoemd deskundigenonderzoek iedere verdere beslissing aan tot 11 mei 2017 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, H. van Winkel en C.D.M. Lamers en is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2017.