Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4586

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
16/03516
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 7:15 Awb. Art. 7:2 Awb. Art. 7:3 Awb.

Hoorplicht voor een verzoek om een tegemoetkoming in de vergoeding van de kosten van bezwaar. Op een dergelijk verzoek moet in verband met gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht bij uitspraak op bezwaar worden beslist. Bij een verzoek om een tegemoetkoming in de vergoeding van de kosten van bezwaar dient belanghebbende, indien partijen van mening verschillen over de voor het verzoek relevante feiten, over het verzoek te worden gehoord, ook al wordt volledig tegemoet gekomen aan het materiele geschil.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2570
V-N 2018/3.1.1
Viditax (FutD), 01-11-2017
FutD 2017-2780
Viditax (FutD), 04-05-2018
JOM 2017/1164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03516

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

de heer [belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 15 juni 2016, nummer SHE 15/6332 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de uitspraak van de Heffingsambtenaar op het bezwaarschrift van belanghebbende inzake de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting, aanslagnummer [aanslagnummer] .

Onderzoek ter zitting

De zitting heeft plaatsgehad op 9 oktober 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar is toen verschenen en gehoord namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [A] .

Belanghebbende noch zijn gemachtigde is verschenen.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 23 oktober 2017, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Gronden

Ten aanzien van het geschil

1. Op 28 juli 2015 om 15:37 uur stond de auto van belanghebbende, een BMW met kenteken [kenteken 1] , geparkeerd op een parkeerplaats bij Winkelcentrum Woensel te Eindhoven. Deze locatie is door het college van Burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Bij controle is gebleken dat geen geldig parkeerbewijs voor de auto was geregistreerd. Op grond hiervan heeft de Heffingsambtenaar een naheffingsaanslag opgelegd.

2. Het tegen deze naheffingsaanslag gemaakte bezwaar is door de Heffingsambtenaar bij uitspraak gegrond verklaard. De Heffingsambtenaar heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:

‘Op grond van de in uw bezwaarschrift gegeven argumenten en de tot mij ter beschikking staande gegevens heb ik besloten, bij hoge uitzondering, de naheffingsaanslag te vernietigen.

Op het moment dat uw cliënt zijn voertuig digitaal gaat aanmelden wordt duidelijk aangegeven met welk kenteken hij zich aanmeldt. Hij dient zelf te controleren of de app voor Parkmobile ook daadwerkelijk voor het juiste kenteken is ingesteld én actief is bij het verlaten van het voertuig.

Ter informatie deel ik u mede, dat uw cliënt abusievelijk een letter in het kenteken heeft één verkeerde letter gebruikt. Het voertuig stond aangemeld met het kenteken [kenteken 2] in plaats van het juiste kenteken [kenteken 1] . Een volgende keer zal ik bij verkeerd digitaal aanmelden de aanslag handhaven. Ik verzoek uw cliënt dan ook dringend zijn gegevens, zoals deze staan geregistreerd bij Parkmobile, te controleren.’

3. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verzocht om een vergoeding op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand en verzocht om te worden gehoord op zijn bezwaar.

4. In hoger beroep zijn in geschil de volgende vragen:

Is belanghebbende in de bezwaarfase ten onrechte niet gehoord?

Zijn in bezwaar ten onrechte de op de zaak betrekking hebbende stukken niet verstrekt?

Heeft belanghebbende recht op een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar?

Vraag I

5. Het Hof is van oordeel, dat de Heffingsambtenaar belanghebbende voor de naheffingsaanslag niet hoefde te horen over de onjuiste vermelding van het kenteken in de app van Parkmobile. Nu de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar heeft vernietigd, omdat uit de door belanghebbende in het bezwaarschrift gegeven informatie volgde dat hij het kenteken van zijn auto onjuist had geregistreerd in de app van Parkmobile, mocht de Heffingsambtenaar op grond van artikel 7:3, aanhef, onderdeel e van de Awb ervan afzien belanghebbende te horen met betrekking tot de naheffingsaanslag.

6. Met betrekking tot het horen ten aanzien van het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar overweegt het Hof als volgt.

7. In artikel 7:15, derde lid, tweede volzin is bepaald, dat op het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar wordt beslist bij de beslissing op bezwaar. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht1 dient deze beslissing deel uit te maken van de uitspraak op bezwaar, omdat anders belanghebbende daartegen niet in beroep kan opkomen.2

8. In artikel 7:15, lid 2 van de Awb is bepaald dat een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar uitsluitend wordt verleend indien de naheffingsaanslag is vernietigd wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dit kader is van belang dat belanghebbende in het bezwaarschrift heeft gesteld dat hij aan zijn verplichting tot het voldoen van parkeerbelasting heeft voldaan door activering van een parkeeractie en als bewijs daarvan een afschrift van de registratie in Parkmobile heeft overgelegd. Indien dit juist zou zijn zou de naheffingsaanslag ten onrechte zijn opgelegd en was mogelijk de vernietiging van de naheffingsaanslag te wijten aan een aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid. Omdat partijen daarmee van mening verschilden over de voor de beoordeling van het verzoek relevante feiten is het Hof, anders dan de Rechtbank en mede gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, van oordeel dat de Heffingsambtenaar belanghebbende in bezwaar in beginsel had moeten horen ten aanzien van het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar.3 Immers, wanneer een belanghebbende tijdens de bezwaarfase niet wordt gehoord over de voor de beoordeling van dit verzoek relevante feiten wordt deze gedwongen in beroep te gaan bij de belastingrechter om alsnog het debat te kunnen voeren over dit verzoek. Deze omslachtige weg is belastend voor de Heffingsambtenaar, belanghebbende en de rechterlijke macht.

9. Nu uit de stukken blijkt, dat belanghebbende het kenteken van zijn auto onjuist heeft geregistreerd in de app, mocht de Heffingsambtenaar evenwel met overeenkomstige toepassing van artikel 7:3, aanhef, onderdeel b van de Awb het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar bij uitspraak op bezwaar afwijzen zonder belanghebbende over dit verzoek te horen.

Vraag II

10. Nu uit het vorenstaande volgt, dat de Heffingsambtenaar heeft mogen afzien van het horen van belanghebbende in bezwaar volgt daaruit dat de Heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken niet ter inzage hoefde te leggen (of hoefde te verstrekken). De inzage is immers gekoppeld aan het horen.4

Vraag III

11. Gelet op hetgeen reeds onder 2 is overwogen met betrekking tot de onjuiste registratie van het kenteken in de app van Parkmobile is de vernietiging van de naheffingsaanslag niet te wijten aan een aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid.

Ten aanzien van het griffierecht

12. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

13. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Slot

Gelet op al het vorenoverwogene moet worden beslist als bovenvermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2017.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 23 oktober 2017

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

2 Hof ’s-Hertogenbosch 20 maart 2015, nr. 12/00810, ECLI:NL:GHSHE:2015:979; 6 juli 2012, nr. 11/00582, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0728; 24 juni 2011, nr. 10/00803, ECLI:NL:GHSHE:2011:BS1093; 16 september 2010, nr. 08/00045, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP4013; 31 augustus 2006, nr. 05/00342, ECLI:NL:GHSHE:2006:BH4780; 8 juli 2005, nr. 03/02930, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU0605.

3 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2017, 16/00175, ECLI:NL:GHARL:2017:5155, r.o. 4.19 en 4.20.

4 Artikel 7:4 van de Awb.