Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4572

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
23-10-2017
Zaaknummer
200.112.877_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:2536
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:430
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

financiële afwikkeling tussen ex-samenwoners.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.112.877/01

arrest van 17 oktober 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.W. Kobossen te Nijmegen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.J.M. Goossens te Asten,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 25 juni 2013 en 10 februari 2015 in het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond onder zaaknummer 102955/HA ZA 10-602 gewezen vonnissen van 5 januari 2011 en 14 maart 2012.

9 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenarresten van 25 juni 2013 en 10 februari 2015;

  • -

    de deskundigenberichten van 11 juni 2015 en 14 juli 2015

  • -

    de akte na deskundigenberichten van de man;

  • -

    de akte na deskundigenberichten van de vrouw.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

10 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

10.1.

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenarresten van 25 juni 2013 en 10 februari 2015, met dien verstande dat in rechtsoverweging 7.5.1. van het tussenarrest van 10 februari 2015 per abuis de term ex-echtgenoten is gebruikt. Dit moet zijn: ex-samenwoners.

10.2.

In het tussenarrest van 10 februari 2015 heeft het hof aan de deskundige Swagemakers opgedragen een onderzoek te doen naar de (actuele) waarde van de twee schilderijen die zijn genoemd op pagina 9 van de memorie van grieven van de man, welke schilderijen thans in het bezit zijn van de vrouw.

Aan de deskundige Joldersma is opgedragen een onderzoek te doen naar de waarde per 1 juni 2008 van de overige inboedelzaken (inclusief hond) die in het bezit zijn van de vrouw (opgesomd op de pagina’s 9 tot en met 12 van de memorie van grieven van de man, met uitzondering van de vaatwasser) alsmede naar de waarde van het beamersysteem per dezelfde peildatum, welk beamersysteem in het bezit is van de man.

10.3.

De deskundige Swagemakers heeft de twee schilderijen, respectievelijk: Het meisje met gele haarband op het strand van [naam 1] en Stilleven met Charlie Chaplin beeldje van [naam 2] , getaxeerd op respectievelijk € 900,- en € 500,-, samen

€ 1.400,-.

De deskundige Joldersma heeft de door hem getaxeerde zaken, aanwezig bij de vrouw, getaxeerd op een totaalbedrag van € 8.185,- en het beamersysteem, aanwezig bij de man, op € 5.600,-.

Bij het rapport van Joldersma is een CD-ROM gevoegd met daarop foto’s van de getaxeerde zaken.

10.4.

De vrouw kan zich met de uitkomst van beide deskundigenrapporten verenigen.

De man vindt dat de deskundige Swagemakers de twee schilderijen te laag heeft gewaardeerd maar hij aanvaardt de uitkomst van dit deskundigenonderzoek, ook uit economische overwegingen.

De uitkomst van het deskundigenonderzoek van de deskundige Joldersma acht de man niet aanvaardbaar. Hij vindt dat de waarde van de zaken die aan de vrouw worden toegedeeld te laag zijn getaxeerd; de waarde van de zaken die aan hem worden toegedeeld vindt hij te hoog getaxeerd. Hij twijfelt aan de deskundigheid en objectiviteit van de deskundige Joldersma.

Wat de waardering van de aan de vrouw toe te delen zaken betreft wijst hij er op dat de taxatie van de deskundige niet in verhouding staat tot de aanschafwaarde en de verzekerde waarde.

Het hof acht dit laatstgenoemde argument ontoereikend om van de conclusies van het deskundigenbericht af te wijken. Van algemene bekendheid is dat de inboedel van een woning in het economisch verkeer slechts een geringe handelswaarde heeft, die niet in verhouding staat tot de prijs bij aankoop. Dat de verzekerde waarde van de inboedel hoger is dan de getaxeerde waarde is op zichzelf ontoereikend om te kunnen concluderen dat de conclusies van de deskundige onjuist zijn.

Wat de waarde van het beamersysteem betreft acht het hof de enkele verwijzing naar de opvatting van de specialist [specialist] ontoereikend om te kunnen concluderen dat de conclusies van de deskundige onjuist zijn.

10.5.

De man heeft ook nog bezwaar gemaakt tegen de alinea in het rapport van de deskundige Joldersma, luidende: Conform uitspraak Rechtbank (bedoeld is: Hof, opmerking Hof) de waarden gedestilleerd met terugwerkende kracht naar 2008, waarbij de fysieke schouwing oa bedoelt om items te visualiseren, staat anno 2015 plus aanwezigheid der items vast te stellen. De man maakt er bezwaar tegen dat de deskundige niet inzichtelijk maakt wat de betekenis is van de staat van de objecten anno 2015 voor de waarde anno 2008.

Hieromtrent overweegt het hof dat aan de man kan worden toegegeven dat het taalgebruik van de deskundige Joldersma niet uitblinkt in helderheid. Maar naar het oordeel van het hof kan de geciteerde alinea moeilijk anders worden uitgelegd dan dat de deskundige aan de hand van de actuele staat van de te taxeren zaken een inschatting heeft gemaakt van de waarde daarvan anno 2008. Niet valt in te zien dat deze methode van waardering onaanvaardbaar zou zijn, waarbij het hof opmerkt dat het in beginsel aan de deskundige is om te bepalen welke methode hij het meest geschikt acht om in een concreet geval zijn onderzoeksopdracht uit te voeren.

10.6.

De man stelt dat bij hem ernstige twijfel is ontstaan aan de deskundigheid en objectiviteit van de deskundige Joldersma. Hij voert daartoe twee argumenten aan: op de eerste plaats is hij niet in de gelegenheid geweest aanwezig te zijn bij de taxatie van de zaken die in het bezit zijn van de vrouw en op de tweede plaats heeft hij zich zeer geërgerd aan de door de deskundige gemaakte foto van twee op elkaar staande drinkmokken met respectievelijk de tekst ” [naam appellant] ” (de naam van de man) en de tekst “Zelfs de grootste eik is vroeger een eikel geweest”.

10.7.

Wat de bezichtiging buiten de man om betreft is het hof van oordeel dat het weliswaar in het algemeen gewenst is dat een taxateur beide partijen in de gelegenheid stelt bij een taxatie aanwezig te zijn, maar in dit geval, waarbij sprake is van een woninginventaris zonder bijzonderheden, acht het hof het niet onaanvaardbaar dat de man niet is uitgenodigd om bij de taxatie van de bij de vrouw in bezit zijnde zaken aanwezig te zijn. Al deze inboedelzaken zijn de man goed bekend en hij is in de gelegenheid geweest om commentaar te leveren op de taxatie.

Wat het tweede bezwaar van de man betreft is het hof van oordeel dat de actie van de deskundige Joldersma om de twee drinkmokken op een prominente manier te fotograferen zoals hij heeft gedaan, niet passend is voor een deskundige. Het hof acht dit echter ontoereikend om te concluderen dat de taxatie op zichzelf onjuist is en/of dat een nieuw deskundigenonderzoek noodzakelijk is.

10.8.

Al bij al ziet het hof onvoldoende aanleiding om af te wijken van de conclusies van de deskundigen. Het hof zal die conclusies volgen.

Dit betekent dat de roerende zaken die bij de vrouw in bezit zijn en aan haar worden toegedeeld een waarde vertegenwoordigen van € 1.400,- plus € 8.185,- = € 9.585,- De vrouw dient de helft van dit bedrag, dus € 4.792,50, aan de man te voldoen.

De beamerset die bij de man in bezit is en aan hem wordt toegedeeld heeft een waarde van

€ 5.600,-. De man dient de helft hiervan, dus € 2.800,- aan de vrouw te voldoen.

Hiermee slagen de grieven IV en V van de man gedeeltelijk. Onderdeel 5.3 van het dictum van het eindvonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven. Het hof zal ten aanzien van de gemeenschappelijke roerende zaken opnieuw recht doen.

10.9.

Omtrent de overige geschilpunten is al beslist in de tussenarresten van 25 juni 2013 en 10 februari 2015. Het gaat om de volgende beslissingen:

- wat de verdeling van de gemeenschappelijk woning betreft kan de beslissing van de

rechtbank niet in stand blijven. Partijen hebben ter comparitie bij het hof hieromtrent een

schikking bereikt die is weergegeven onder 7.2 van het tussenarrest van 10 februari 2015.

Het hof zal die schikking vermelden in het dictum;

- de beslissing van de rechtbank omtrent de verdeling van het gemeenschappelijk bosperceel

moet worden bekrachtigd;

- de beslissing van de rechtbank omtrent de geldvordering van de man ad € 150.000,- moet

worden bekrachtigd; zijn subsidiaire aanvullende eis op dit punt is niet toewijsbaar;

- de beslissing van de rechtbank tot veroordeling van de man om aan de vrouw bedragen te

betalen wegens door haar betaalde hypotheekrente voor de gemeenschappelijke woning

moet worden bekrachtigd, met dien verstande dat voor recht zal worden verklaard dat de

man een bedrag van € 6.786,79 in verrekening mag brengen;

- de beslissing van de rechtbank omtrent de door de vrouw gevorderde onderzoekskosten

naar de eventuele woonbestemming van het af te splitsen perceel moet worden vernietigd;

die vordering is niet toewijsbaar.

10.10.

In de aard en de uitkomst van de onderhavige procedure ziet het hof aanleiding de proceskosten ook in hoger beroep te compenseren.

11 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de onderdelen 5.1, 5.3 en 5.7 van het dictum van het eindvonnis van de rechtbank d.d. 14 maart 2012 en bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;

in zoverre deels opnieuw rechtdoende:

verstaat dat partijen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschappelijke woning met tuin aan de [adres] te [plaats] zijn overeengekomen zoals onder 7.2 van het tussenarrest van 10 februari 2015 is weergegeven;

deelt de roerende zaken die zijn vermeld op de pagina’s 9 tot en met 12 van de memorie van grieven van de man, met uitzondering van de vaatwasser, welke zaken in het bezit zijn van de vrouw, toe aan de vrouw onder de verplichting om aan de man een bedrag te voldoen van € 4.792,50;

deelt het beamersysteem dat in het bezit is van de man toe aan de man onder de verplichting om aan de vrouw een bedrag te voldoen van € 2.800,-;

verklaart voor recht dat de man een bedrag van € 6.786,79 in verrekening mag brengen met het door hem aan de vrouw te betalen bedrag ter zake van hypotheekrente;

wijst af het over en weer meer of anders gevorderde;

verklaart de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, C.A.R.M. van Leuven en

M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 oktober 2017.

griffier rolraadsheer