Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4569

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
200.223.071_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:8964
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gesloten uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 19 oktober 2017

Zaaknummer : 200.223.071/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/239542 / JE RK 17-1890

in de zaak in hoger beroep van:

[de minderjarige] ,

thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp Horizon te [verblijfplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [de minderjarige] ,

advocaat: mr. H.C. Ingelse,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Kerkrade,

zetelend te Kerkrade,

verweerster,

hierna te noemen: het college,

advocaat: mr. F.H. Kuiper.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [belanghebbende 1] (hierna te noemen: de vader);

- [belanghebbende 2] (hierna te noemen: de moeder).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 september 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 september 2017, heeft [de minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van het college alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 september 2017, heeft het college verzocht, uitvoerbaar bij voorraad, [de minderjarige] niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep althans dit beroep af te wijzen, met bekrachtiging van voormelde beschikking. Zo nodig onder verbetering van rechtsgronden.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 september 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [de minderjarige] , bijgestaan door mr. Ingelse;

- het college, vertegenwoordigd door de heer [de vertegenwoordiger namens het college] en bijgestaan door mr. Kuiper.

2.3.1.

De vader en de moeder zijn niet ter zitting verschenen, zoals voorafgaand was aangekondigd.

2.3.2.

Bij brief van 26 september 2017 heeft mr. Ingelse verzocht om [de minderjarige] voorafgaand aan de zitting van het hof te horen.

Ter zitting heeft de voorzitter [de minderjarige] voorgehouden dat het hof heeft begrepen dat dit verzoek was gedaan om [de minderjarige] in de gelegenheid te stellen om in afwezigheid van de ouders haar verhaal te kunnen doen, hetgeen [de minderjarige] heeft bevestigd. De voorzitter heeft [de minderjarige] vervolgens medegedeeld dat het hof voor inwilliging van dit verzoek in het onderhavige geval, gezien de afwezigheid van de ouders ter zitting, geen aanleiding ziet.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 september 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van mr. Ingelse d.d. 22 september 2017;

  • -

    de brief met één bijlage van mr. Ingelse d.d. 26 september 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van mr. Kuiper d.d. 27 september 2017;

  • -

    de ter zitting door mr. Ingelse overgelegde pleitnota, die mr. Ingelse gedeeltelijk heeft voorgedragen, namelijk met uitzondering van de alinea’s met nummers 1, 4 en 13.

3 De beoordeling

3.1.

[de minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] .

De ouders zijn met het gezag over [de minderjarige] belast.

3.2.

Bij beschikking van 10 mei 2017, bij beschikking van 24 mei 2017 en bij beschikking van 2 juni 2017 is ten aanzien van [de minderjarige] steeds een (spoed)machtiging tot gesloten jeugdhulp verleend, laatstelijk tot 7 september 2017.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend om [de minderjarige] met ingang van 7 september 2017 tot uiterlijk 3 december 2017 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp.

3.4.

Aanvankelijk verbleef [de minderjarige] bij Icarus te [verblijfplaats] . Op 18 augustus 2017 is [de minderjarige] overgeplaatst naar Horizon, locatie [locatie] , te [verblijfplaats] .

3.5.

[de minderjarige] kan zich met de voornoemde bestreden beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

[de minderjarige] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld bij brief van 22 september 2017, overgelegd bij voormeld V6-formulier van 22 september 2017 en zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – het volgende aan.

Het college heeft het verzoek tot verlening van de machtiging gesloten jeugdhulp verzonden op 2 augustus 2017. Dit betekent dat het verzoek op 3 of 4 augustus 2017 bij de rechtbank moet zijn ingediend. Door de griffie van de rechtbank is pas op 15 augustus 2017 de stempel “ingekomen” gezet. Het is niet aannemelijk dat het verzoek pas op die datum is binnengekomen. De bijlagen bij het verzoek zijn weliswaar van een latere datum, maar dat wordt verklaard door het feit dat die bijlagen later zijn verzonden. De kinderrechter had blijkens de wet in ieder geval binnen drie weken na de indiening van het verzoekschrift op het verzoek moeten beslissen, maar heeft dit pas op 4 september 2017 ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gedaan. De door de rechtbank genomen beslissing is daarom niet rechtsgeldig.

[de minderjarige] en [de vriend] zijn verliefd op elkaar. [de minderjarige] wil graag een leven opbouwen met [de vriend] , haar school afmaken en een normaal contact hebben met haar ouders. Ten onrechte wordt [de minderjarige] gezien als de bron van de problemen. Het zijn de ouders die het contact met [de vriend] verboden hebben. De ouders accepteren [de vriend] niet, enkel op grond van het feit dat hij een ‘buitenlander’ is. Dit moet worden meegewogen.

[de minderjarige] betwist al hetgeen de ouders over [de vriend] hebben verklaard, in het bijzonder dat hij een loverboy zou zijn en dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan bedreiging, verkrachting en mishandeling. De blauwe plekken bij [de minderjarige] zijn op onverklaarbare wijze ontstaan, hetgeen [de minderjarige] ook zo met haar ouders en dokter heeft besproken.

Er is geen sprake van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen, althans niet van zodanige problemen dat deze de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren.

De rechtbank heeft ten onrechte systeemproblematiek ten grondslag gelegd aan de toewijzing van het verzoek van het college. Deze grondslag blijkt niet uit de onderliggende stukken.

In de stukken wordt verwezen naar geruchten over [de vriend] , de omgang tussen [de minderjarige] en [de vriend] , de reactie van [de minderjarige] op de vrijheidsbeneming en het verbod om met [de vriend] om te gaan. Aan [de minderjarige] worden allerlei eisen gesteld en als zij daar niet aan voldoet, als zij haar boosheid uit over haar onterechte opsluiting of als zij de zorgen over [de vriend] wil wegnemen, wordt dit geïnterpreteerd als problematiek, bagatelliseren, ontkennen, wegloopgedrag en onttrekking aan het gezag. Goed gedrag van [de minderjarige] wordt gezien als sociaal wenselijk gedrag. [de minderjarige] betwist dat bij haar de diagnose ‘angststoornis NAO’ of ‘ouder-kindrelatieproblematiek’ is vastgesteld. De rechtbank heeft bovendien op onjuiste gronden vastgesteld dat [de minderjarige] (nog altijd) last heeft van agressieregulatieproblemen. In dit kader wordt ten onrechte verwezen naar het incident met het bekertje water. [de minderjarige] heeft zich, ondanks haar situatie, al maanden rustig gehouden. Ook de weigering van [de minderjarige] om zich te onderwerpen aan het gezag van de ouders en aan de voorwaarden van het veiligheidsplan (nadat [de minderjarige] door de ouders was voorgelogen over [de vriend] ), kan niet worden gekwalificeerd als een ernstig opgroei- of opvoedingsprobleem. Ter zitting van het hof wordt door het college gesteld dat gewerkt moet worden aan het loskomen van de afhankelijkheidsrelatie, hetgeen weer een nieuw argument is.

Er is geen behandeling van de gestelde problematiek in het vooruitzicht gesteld. De overplaatsing naar [verblijfplaats] in een groep met slachtoffers van loverboypraktijken was om het contact tussen [de minderjarige] en [de vriend] in de weg te staan. [de minderjarige] staat tot haar achttiende open voor hulpverlening, maar dan moet dat wel passend zijn. Gesloten jeugdhulp is noodzakelijk noch passend. [de minderjarige] ziet niet in waarom zij niet bijvoorbeeld in een pleeggezin of open groep geplaatst had kunnen worden. Enkel de verwachting dat zij bij gesloten jeugdhulp gebaat zou zijn, is onvoldoende grond om de vrijheidsbeneming te rechtvaardigen. De overheid dient op grond van artikel 3 lid 2 IVRK de jeugdige te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn en hiertoe alle passende maatregelen te nemen, waaraan op dit moment niet wordt voldaan.

Onderzoek dient plaats te vinden naar de schadelijke gevolgen van de vrijheidsbeneming, dit om te bepalen of deze opwegen tegen te behalen winst. Voortzetting van het verblijf van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp is schadelijk omdat [de minderjarige] dan haar opleiding niet verder kan volgen. Dit kan betekenen dat zij het schooljaar 2017/2018 opnieuw moet doen, of dat zij haar opleiding helemaal niet meer afrondt. De vrijheidsbeneming is voorts in strijd met artikel 37 sub b IVRK en artikel 5 EVRM. De inbreuk in [de minderjarige] ’s privéleven is in strijd met artikel 16 IVRK en artikel 8 EVRM.

Subsidiair geldt dat de rechtbank slechts een machtiging voor ten hoogste drie weken had behoren af te geven, dit om een eerder toetsingsmoment in te lassen. Nu lijkt men de gesloten jeugdhulp enkel te willen voortzetten, omdat [de minderjarige] nu eenmaal al gesloten zit.

Ten slotte voert [de minderjarige] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen grond is om [de vriend] te horen en dat de rechtbank haar beslissing ter zake mede heeft gebaseerd op e-mailberichten van de ouders van 23 augustus 2017 en 1 september 2017, waarvan [de minderjarige] geen kennis heeft gekregen.

Grief 1 heeft [de minderjarige] ter zitting niet gehandhaafd, zodat die grief geen bespreking meer behoeft.

3.7.

Het college voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – het volgende aan.

Reeds uit de bijlagen, die volgens het verzoekschrift gelijktijdig met het verzoekschrift zijn ingediend, blijkt dat het verzoek niet op 2 augustus 2017 is verstuurd. Bijlage 6 dateert namelijk van 8 augustus, de bijlagen 2 en 3 zijn niet eerder verzonden dan 9 augustus en bijlage 4 niet eerder dan 10 augustus 2017. Doorslaggevend is evenwel de stempel van de griffie met de datum van binnenkomst, zodat niet van belang is op welke datum het verzoek is verstuurd. Het verzoek is binnen de gemeente op 2 augustus 2017 administratief verwerkt, maar feitelijk pas op donderdag 10 augustus 2017 verstuurd. Gelet op de beperkte postverwerking en -bezorging op vrijdag(ochtend), in het weekend en op maandag, is het aannemelijk dat het verzoek pas op dinsdag 15 augustus 2017 ter griffie van de rechtbank is binnengekomen.

In februari 2017 is door gezondheidszorgpsycholoog en kind- en jeugdpsycholoog mevrouw [gezondheidszorgpsycholoog en kind- en jeugdpsycholoog] (Moventis) de diagnose angststoornis en ouder-kindrelatieproblematiek, alsmede agressieregulatieproblematiek gesteld, welke problematiek nog onverminderd aanwezig is. De gestelde diagnose wordt gedragen door meerdere deskundigen. [de minderjarige] blijft haar eigen verantwoordelijkheid ontkennen door de schuld van haar gedrag bij haar ouders en hulpverleners te leggen.

[de minderjarige] laat aangaande haar relatie met [de vriend] zeer vergaand zelfbepalend gedrag zien. Zij aanvaart het gezag van de ouders niet en zij vertoont vergaand oppositioneel gedrag. Hulpverlening wil [de minderjarige] alleen accepteren als dat in haar ogen passend is. Waar het volgens [de minderjarige] allemaal om draait is dat de ouders niet willen wat zij wil. Daarnaast is er sprake van wegloopgedrag en onvoldoende vermogen om tot zelfreflectie te komen. Bij Icarus werd gezien dat [de minderjarige] “schreeuwt, scheldt, om zich heen slaat, spuugt en zeer bedreigende opmerkingen naar de groepsleiding maakt wanneer gesproken wordt over de zorgen over de relatie met [de vriend].” Volgens drs. [registerpsycholoog kinder en jeugd] , Registerpsycholoog Kinder en Jeugd, – zie diens instemmingsverklaring d.d. 9 augustus 2017 – is zorgwekkend dat [de minderjarige] haar eigen identiteit afhankelijk maakt van een relatie die niet in balans is. Tegenover medewerkers van Icarus heeft [de minderjarige] , in een periode dat er weinig contact was met [de vriend] , gesproken over hetgeen zij heeft meegemaakt tijdens haar relatie met hem. Daarbij sprak zij over agressie, angst en onvrijwilligheid en heeft zij besloten om aangifte te doen van mishandeling door hem. Inmiddels tracht zij deze mishandeling weer goed te praten, althans te bagatelliseren.

De rechtbank heeft naar de mening van het college terecht en gemotiveerd overwogen dat en waarom een minder vergaande maatregel niet langer toereikend is en dat het een consequentie is van haar eigen houding en gedrag dat [de minderjarige] haar opleiding nu niet kan volgen, alsmede dat in verband met haar ontwikkeling een verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp nu voorrang dient te hebben op het volgen van een gewenste opleiding.

[de minderjarige] heeft genoeg kansen gehad om in een open groep aan de problemen te werken. Er is veel energie gestoken in het opstarten van een adequate behandeling, waarvoor diverse behandelplannen zijn opgesteld die telkens moesten worden bijgesteld, omdat [de minderjarige] zich niet aan de afspraken hield.

Vele toetsingsmomenten hebben al plaatsgevonden, zodat het inlassen door de rechtbank van een extra toetsingsmoment geen toegevoegde waarde zou hebben gehad.

Er is geen aanleiding om aan te nemen dat [de vriend] een loverboy is. De behandeling bij Horizon is echter gericht op het loskomen van de zorgwekkende afhankelijkheidsrelatie waarin [de minderjarige] zich bevindt. Vanwege de zorgen daarover, in combinatie met het feit dat [de vriend] [de minderjarige] bleef opzoeken bij Icarus, heeft men besloten tot een plaatsing van [de minderjarige] bij Horizon over te gaan.

Recent is een nieuw voorlopig plan opgesteld door Horizon, met de uitvoering waarvan men onmiddellijk is gestart. Horizon heeft een compleet behandelpakket ingezet waarbij, gezien de beperkte tijd die resteert tot het einde van het gesloten verblijf, de nadruk is gelegd op de meest essentiële elementen. Het doel is [de minderjarige] meer inzicht te geven, haar te leren op eigen benen te staan en haar technieken aan te leren om met vrijheden om te gaan en eigen doelen te verwezenlijken.

[de minderjarige] geeft nu aan zichzelf voortaan op de eerste plaats te zetten en vooral te willen werken aan het op eigen benen staan, maar het college heeft een ander beeld van de realiteit. Op 13 september 2017 heeft [de minderjarige] nog een klacht ingediend vanwege het feit dat zij [de vriend] niet mocht zien.

De rechtbank was vrij om te bepalen of zij [de vriend] wenste te horen. Uit de bestreden beschikking blijkt voorts niet dat de e-mailberichten van de ouders een rol hebben gespeeld in de besluitvorming.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

Formele aspecten

3.8.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jeugdwet (Jw) kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.

Hoger beroep [de minderjarige]

3.8.2.

Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden.

Op die grond komt aan [de minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.

Instemming ouders

3.8.3.

Een machtiging als hiervoor bedoeld kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.

De ouders, die belast zijn met het gezag over [de minderjarige] , hebben ingestemd met de opneming en het verblijf van [de minderjarige] in een instelling voor gesloten jeugdhulp, zo blijkt onder meer uit de instemmingsverklaring d.d. 7 augustus 2017 (bijlage bij het inleidend verzoekschrift).

Op grond van artikel 6.1.10. lid 1 aanhef en onder a Jw hoort de (kinder)rechter, alvorens een machtiging te verlenen, de jeugdige en degene die het gezag over de minderjarige uitoefent, tenzij de (kinder)rechter vaststelt dat een persoon niet bereid is zich te doen horen.

Bij e-mailbericht van 25 september 2017, overgelegd bij voormelde brief van mr. Kuiper d.d. 27 september 2017, hebben de ouders toegelicht waarom zij niet ter zitting van het hof zullen verschijnen. In dat e-mailbericht hebben de ouders verder verklaard dat zij van mening zijn dat de rechtbank een weloverwogen beslissing heeft genomen en dat zij hopen dat de bestreden beschikking in stand blijft.

Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 3 aanhef en sub c Jw, alsmede artikel 6.1.10 lid 1 aanhef en onder a Jw.

Verleningsbesluit

3.8.4.

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.

Het hof stelt vast dat een besluit als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 5 Jw bij het inleidend verzoekschrift is overgelegd. Het is voorts niet langer in geschil dat dit verleningsbesluit rechtsgeldig is.

Instemmingverklaring gedragswetenschapper

3.8.5.

Tevens behoeft op grond van artikel 6.1.2 lid 6 Jw het verzoek om een machtiging gesloten jeugdhulp de instemming van een gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

Het hof stelt vast dat een verklaring als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 6 Jw, opgesteld door drs. [registerpsycholoog kinder en jeugd] op 9 augustus 2017, die [de minderjarige] op 4 augustus 2017 heeft onderzocht, bij het inleidend verzoekschrift is overgelegd.

Termijnoverschrijding rechtbank?

3.8.6.

Ingevolge artikel 6.1.8 lid 4 Jw beslist de kinderrechter, indien het verzoek tot het verlenen van een machtiging betrekking heeft op een jeugdige die reeds in een gesloten accommodatie verblijft, in elk geval binnen drie weken na het indienen van het verzoekschrift.

Het hof is van oordeel dat in beginsel ervan uit dient te worden gegaan dat op ter griffie binnenkomende stukken steeds een griffiestempel wordt geplaatst met de datum waarop die stukken feitelijk zijn ingekomen. Het hof gaat er dan ook vanuit dat het inleidend verzoekschrift ter griffie van de rechtbank is ingekomen op 15 augustus 2017.

Het hof ziet in hetgeen door en namens [de minderjarige] is aangevoerd geen aanleiding om aan te nemen dat het inleidend verzoekschrift eerder is ingediend, namelijk – zoals zij stelt – op 3 of uiterlijk 4 augustus 2017. Hoewel het inleidend verzoekschrift gedateerd is op 2 augustus 2017, is het – in het licht van de door het college ter zitting van het hof gegeven toelichting – aannemelijk dat het inleidend verzoekschrift pas op 10 augustus 2017 door de desbetreffende ambtenaar bij de uitgaande post is gelegd, op 10 of 11 augustus 2017 daadwerkelijk met de uitgaande post is verstuurd en – gezien de beperkte postverwerking en -bezorging op vrijdag(ochtend), in het weekend en op maandag, pas op dinsdag 15 augustus 2017 ter griffie van de rechtbank is ingekomen.

Gezien het voorgaande concludeert het hof dat de rechtbank tijdig op het inleidend verzoek heeft beslist.

Horen [de vriend]

3.8.7.

De rechtbank heeft geen grond gezien om [de vriend] te horen. Niet gebleken is dat de rechtbank die beslissing heeft gebaseerd op de door [de minderjarige] genoemde e-mailberichten van de ouders. Voor zover [de minderjarige] met grief 17 beoogt het hof te verzoeken om [de vriend] alsnog te horen, gaat het hof aan dat verzoek voorbij. Ook het hof ziet geen aanleiding om [de vriend] te horen, te meer nu [de vriend] zijn verhaal heeft gedaan in een aan het hof gerichte brief. Het hof acht zich, mede gelet op die brief, voldoende geïnformeerd.

Inhoudelijke beoordeling

3.8.8.

Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:

a. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren, en

b. de opneming en het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

3.8.9.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof - na eigen beoordeling en waardering - overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten van artikel 6.1.2 lid 2 Jw.

3.8.10.

Het hof stelt voorop dat de rechtbank een uitvoerige omschrijving heeft gegeven van de situatie zoals die gold tot aan de bestreden beschikking, de problematiek van [de minderjarige] en (daarmee) de gronden waarop zij haar beslissing heeft gebaseerd. De rechtbank heeft uitgebreid gemotiveerd waarom de maatregel tot plaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp voldoet aan de eisen van doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. In hetgeen door en namens [de minderjarige] in hoger beroep is aangevoerd, ziet het hof geen grond om thans anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

Gezien de inhoud van de grieven en hetgeen in dat kader ter zitting naar voren is gebracht, wordt de nadruk gelegd op het volgende.

3.8.11.

Door en namens [de minderjarige] wordt betwist dat zij is gediagnosticeerd met een angststoornis NAO en ouder-kindrelatieproblematiek. Gesteld wordt dat ‘slechts’ sprake is van een situatie waarin de vriend van [de minderjarige] ( [de vriend] ) door haar ouders niet wordt geaccepteerd op basis van onjuiste aannames over hem en over de relatie die zij hebben. Door de oorzaak van het conflict (over [de vriend] ) tussen [de minderjarige] en haar ouders bij [de minderjarige] neer te leggen, gaan alle betrokken (zorg)professionals ten onrechte uit van de juistheid van deze aannames. [de minderjarige] meent dat het dan ook volkomen verklaarbaar is dat zij zich tegen de inmenging in haar relatie met [de vriend] en tegen haar vrijheidsberoving verzet.

3.8.12.

Het hof overweegt dat minderjarigen in de leeftijd van [de minderjarige] zich in de groei naar volwassenheid anders kunnen gaan opstellen in de relatie met hun ouders en zich in dat opzicht ook kritischer kunnen gaan uiten. Het is niet ongewoon dat meningsverschillen leiden tot (hoogoplopende) ruzies tussen ‘pubers’ en hun ouders.

In het geval van [de minderjarige] is het echter duidelijk dat er meer aan de hand is. [de minderjarige] enerzijds en haar ouders en de betrokken (zorg)professionals anderzijds staan lijnrecht tegenover elkaar. Vanaf december 2016 heeft de relatie met [de vriend] tot heftige escalaties geleid, met als gevolg een ontwricht gezinsleven en zodanig forse systeemproblematiek dat [de minderjarige] niet langer bij de ouders kon wonen. [de minderjarige] vertoonde bij agressiedoorbraken hysterisch gedrag. Zij is tweemaal, op 5 maart 2017 en 13 april 2017, in het vrijwillig kader in een crisisopvang geplaatst. Zij is daar herhaaldelijk weggelopen. Tijdens een schorsing van de machtiging gesloten jeugdhulp in juli 2017 – de gesloten plaatsing was toen nog bij Icarus – heeft [de minderjarige] zich niet aan de schorsingsvoorwaarden gehouden. Dit hoewel zij vooraf met deze voorwaarden had ingestemd. Zij is weer in contact gekomen met [de vriend] en twee nachten weggebleven. [de minderjarige] is opgepakt door de politie en teruggebracht naar Icarus. In het verslag van Icarus van 25 juli 2017 leest het hof: “Tijdens [de minderjarige] ’s plaatsing op De Nachtegaal wordt een meisje gezien met agressieregulatieproblemen. Deze doen zich voornamelijk voor wanneer er gesproken wordt over de zorgen die men heeft over [de minderjarige] in de relatie met het vriendje. [de minderjarige] schreeuwt, scheldt, slaat om zich heem. Spuugt en maakt zeer bedreigende opmerkingen naar groepsleiding. Zij is op deze momenten niet in staat zich door anderen of door zichzelf te laten kalmeren. Wanneer het vriendje van [de minderjarige] zich, tegen de afspraken in, op het terrein begeeft is er bij [de minderjarige] veel stress (hysterie en paniek) zichtbaar. Dit uit zich in agressie en boosheid.

De gedragswetenschapper drs. [registerpsycholoog kinder en jeugd] heeft in de instemmingsverklaring van 9 augustus 2017 opgemerkt dat zorgwekkend is dat [de minderjarige] haar eigen identiteit afhankelijk maakt van een relatie die niet in balans is.

3.8.13.

Het hof neemt voorts in overweging dat uit de uitlatingen van [de minderjarige] ter zitting van het hof blijkt dat zij de oorzaak van alle problemen volledig buiten zichzelf legt, namelijk bij (de houding en het handelen van) haar ouders en de hulpverlening c.q. de betrokken instanties. [de minderjarige] zegt dat zij zich slechts heeft verzet tegen het onrecht dat haar (en [de vriend] ) is aangedaan. Het voorgaande past bij het beeld van [de minderjarige] dat uit de stukken naar voren komt, waar is omschreven dat bij [de minderjarige] sprake is van fors zelfbepalend en oppositioneel gedrag, waarbij zij zich herhaaldelijk heeft onttrokken aan het gezag van de ouders en wegloopgedrag heeft vertoond en onvoldoende heeft laten zien tot zelfreflectie te kunnen komen.

Hierbij overweegt het hof nog dat niet is gebleken dat de ouders beschikken over onvoldoende pedagogische kwaliteiten of dat de ouders tekortschieten in de uitoefening van het gezag. De stelling van [de minderjarige] dat de ouders zich onfatsoenlijk hebben gedragen jegens [de vriend] en zich onwaarachtig hebben uitgelaten over hem, maakt het oordeel van het hof niet anders. Dat [de minderjarige] en haar ouders een verschillend beeld hebben van [de vriend] is immers een gegeven.

Gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden is duidelijk dat [de minderjarige] nu niet meer thuis kan wonen. Zowel de ouders als [de minderjarige] hebben er blijk van gegeven dit niet meer te willen.

3.8.14.

Door en namens [de minderjarige] is nog aangevoerd dat de gestelde angststoornis en ouder-kindrelatieproblematiek, de gestelde agressieregulatiestoornis, alsmede de incidenten en gedragingen van [de minderjarige] ieder op zich, dat wil zeggen afzonderlijk van elkaar beschouwd, niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Evenals de rechtbank en het college ter zitting, is het hof echter van oordeel dat het gaat om het totaalbeeld van de situatie en de problematiek zoals dat beeld uit de stukken en het verklaarde ter zitting naar voren komt. Dit beeld baart ernstige zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] . Deze zorgen zijn door de enkele stelling van [de minderjarige] ter zitting dat zij is veranderd en zichzelf nu wel op de eerste plaats zet, bij het hof niet weggenomen. Bovendien is aannemelijk dat, voor zover sprake is van een positieve ontwikkeling in de houding van [de minderjarige] , dit kan worden toegeschreven aan het feit dat zij al enige tijd in een gesloten kader verblijft.

3.8.15.

Evenals de rechtbank, is het hof van oordeel dat de hiervoor omschreven problemen in het systeem en de kindeigen problematiek van [de minderjarige] moeten worden gekwalificeerd als ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren, waarvoor jeugdhulp noodzakelijk is.

3.8.16.

Het hof stelt voorts vast dat [de minderjarige] zich aan de noodzakelijk geachte jeugdhulp onttrekt, zodat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp noodzakelijk zijn. Het hof wijst in dit kader op het gegeven dat [de minderjarige] talloze keren thuis en in de open setting is weggelopen en zij geen inzicht toont in haar eigen aandeel en in haar problematiek.

Het namens [de minderjarige] bepleite onderzoek naar de schadelijke gevolgen van een gesloten plaatsing laat het hof achterwege, omdat een minder verstrekkende maatregel, zoals plaatsing in een open setting, gezien het voorgaande nu niet tot de mogelijkheden behoort.

De resterende tijd in de gesloten setting dient te worden benut om [de minderjarige] stapsgewijs zelfstandig te maken en haar voor te bereiden op haar volwassenheid. Juist hiermee krijgt [de minderjarige] naar het oordeel van het hof de bescherming en de zorg die nodig zijn voor haar welzijn (artikel 3 lid 2 IVRK). Daartoe is gestart met de uitvoering van een concreet behandelplan, bij de opstelling waarvan rekening is gehouden met de korte tijd die resteert. Een verkorting van de termijn ligt in dat licht bezien niet in rede.

3.8.17.

De beperking van de vrijheid van [de minderjarige] en de inmenging in haar privéleven zijn, gelet het voorgaande, bij de wet voorzien, zij dienen een gerechtvaardigd doel en zijn noodzakelijk in een democratische samenleving. Het beroep van [de minderjarige] op de artikelen 37 sub b en 16 IVRK en de artikelen 5 en 8 EVRM faalt dan ook.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 september 2017;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, P.M.M. Mostermans en P. Vlaardingerbroek en is op 19 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. Brouwer-van de Put, griffier.