Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4563

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
200.222.123_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling ex artikel 350 lid 3 aanhef en sub c nu saniet een of meer van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door haar doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 19 oktober 2017

Zaaknummer : 200.222.123/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/15/421 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. M. Woisch te Sittard, gemeente Sittard-Geleen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 augustus 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 augustus 2017, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat haar schuldsaneringsregeling wordt verlengd.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Woisch,

  • -

    mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder,

  • -

    mevrouw [beschermingsbewindvoerder 1] in haar hoedanigheid van informante, hierna

te noemen: beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 1] ,

- mevrouw [collega van de beschermingsbewindvoerder ] in haar hoedanigheid van informante (collega van de beschermingsbewindvoerder), hierna te noemen: [collega van de beschermingsbewindvoerder ] .

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 10 augustus 2017;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 15 september 2017;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 18 september 2017;

- de ter zitting door de advocaat van [appellante] overgelegde stukken, te weten: een viertal sollicitatiebewijzen van [appellante] , alle gedateerd 12 september 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit hetgeen door de beschermingsbewindvoerder en [collega van de beschermingsbewindvoerder ] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren is gebracht blijkt dat zij beiden bekend zijn met het hoger beroep dat [appellante] heeft ingesteld en dat de bewindvoerder in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt (mede bij monde van [collega van de beschermingsbewindvoerder ] ), om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

Bij vonnis van 9 juni 2015 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 13 juni 2017 tussentijds beëindigd, nu [appellante] een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door haar doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis, aldus de rechtbank.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.2. De saniet is op de hoogte van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling. De saniet heeft namelijk bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling een formulier met de regels daarvan ondertekend. Thans blijkt echter dat, ondanks een verhoor bij de rechter-commissaris van 23 augustus 2016 en een waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris van 22 februari 2017, kernverplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling, zoals de informatie- en sollicitatieplicht, niet althans onvoldoende zijn nagekomen. De saniet belooft wel steeds om informatie aan te leveren, maar deze wordt uiteindelijk niet verstrekt. Van de saniet wordt, gelet op artikel 327 juncto artikel 105 van de Faillissementswet, verwacht dat niet alleen alle inlichtingen worden verschaft die door de bewindvoerder of rechter-commissaris worden gevraagd, maar ook die inlichtingen waarvan de saniet weet of behoort te weten dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Deze spontane inlichtingenplicht is niet (in voldoende mate) nagekomen.

2.3.

Daarnaast wist de saniet, althans behoorde te weten, dat een saniet, om aan de sollicitatieverplichting te voldoen, maandelijks tenminste vier sollicitaties dient te verrichten en kopieën daarvan aan de bewindvoerder dient te versturen. De saniet heeft echter slechts

een enkele keer bewijsstukken van sollicitaties overgelegd aan de bewindvoerder. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de saniet in voldoende mate heeft gesolliciteerd.”

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Zowel [appellante] als haar beschermingsbewindvoerder heeft van de rechtbank géén oproep ontvangen voor de tussentijdse beëindigingszitting. [appellante] is van mening dat het gerechtshof het vonnis van rechtbank Limburg, locatie Maastricht van 22 augustus 2017 dient te vernietigen en dat de zaak dient te worden terugverwezen naar de rechtbank. Zij heeft immers het recht om gehoord te worden in eerste aanleg. Dat haar een instantie is ontnomen is voor [appellante] onaanvaardbaar.

[appellante] erkent vervolgens dat zij bij aanvang van de schuldsaneringsregeling nauwelijks heeft gesolliciteerd. Dit kan haar echter niet worden toegerekend. Zij had continue last van vervelende buurtbewoners. Hierdoor durfde [appellante] zelfs niet meer haar huis te verlaten. Door deze spanningen was zij niet in staat om te solliciteren. De bewindvoerder is van meet af aan op de hoogte gehouden over deze schrijnende situatie. De problemen met betrekking tot de woonsituatie waren zelfs aanleiding om haar de eerste drie maanden van de schuldsaneringsregeling vrij te stellen van haar sollicitatieplicht om orde op zaken te stellen. Op 23 augustus 2016 is [appellante] gehoord door de rechter-commissaris waarbij zij is gewezen op haar informatieplicht. De praktijk heeft ook uitgewezen dat zij daar daadwerkelijk deugdelijk opvolging aan heeft gegeven, zij stelde de bewindvoerder maandelijks op de hoogte van haar sollicitaties. Bij emailbericht van 26 januari 2017 ontving [appellante] van de bewindvoerder het vierde verslag. Blijkens dat verslag heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris verzocht om [appellante] voor een periode van zes maanden te ontheffen van haar sollicitatieplicht zodat zij haar huidige contract kon uitbreiden. [appellante] heeft daar verder niets meer over vernomen en verkeerde in de veronderstelling dat zij niet hoefde te solliciteren. Bij brief van 22 februari 2017 ontving zij echter geheel onverwachts een waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris, inhoudende dat zij niet voldeed aan haar informatieplicht. Bij emailbericht van 13 juni 2017 heeft de bewindvoerder het vijfde verslag toegezonden. Volgens de bewindvoerder zou [appellante] onvoldoende hebben gesolliciteerd en geïnformeerd. [appellante] was echter van mening dat zij gedurende de vijfde verslagperiode niet hoefde te solliciteren, omdat zij in de veronderstelling was door de rechter-commissaris te zijn vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Dit zodat zij haar contract kon proberen uit te breiden omdat het vinden van een andere werkgever om het restant aan uren aan te vullen onmogelijk leek door haar onregelmatige werkdagen. Slechts voor zover zou worden aangenomen dat [appellante] wel zou zijn tekortgeschoten in haar sollicitatieplicht, dan kan dat gelet op bovengenoemde omstandigheden niet aan haar worden toegerekend: zij was immers telkens in de veronderstelling dat zij gedurende de vijfde verslagperiode was vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Het wordt [appellante] tevens verweten dat zij de bewindvoerder onvoldoende (proactief) zou informeren. Bij gebrek aan wetenschap kan zij slechts betwisten dat zulks het geval zou zijn. De beschermingsbewindvoerder droeg maandelijks zorg voor het deugdelijk aanleveren van alle financieel relevante informatie. [appellante] wist niet beter dan dat zij de bewindvoerder moest informeren als er daadwerkelijk iets was om haar te informeren. Zij heeft altijd naar eer en geweten gehandeld en was ervan overtuigd dat ze wel degelijk had voldaan aan haar informatieplicht. Voor zover het hof de mening is toegedaan dat [appellante] toerekenbaar tekort zou zijn geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, is zij van mening dat deze gelet op de bijzondere aard en geringe betekenis buiten beschouwing dienen te blijven conform artikel 354 lid 1 Fw. Voor zover het hof van oordeel is dat de tekortkoming wel aan haar kan worden toegerekend verzoekt [appellante] , mede gelet op de bijzondere aard van het onderhavige geval, dat de schuldsaneringsregeling wordt verlengd, meer in het bijzonder ten aanzien van de informatie- en sollicitatieplicht. [appellante] zal de vermeende tekortkoming in deze verplichtingen alsdan rechttrekken.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] geeft aan dat zij de bewindvoerder na de uitspraak in eerste aanleg niet meer van informatie heeft voorzien omdat zij in de veronderstelling was dat dat niet meer nodig was, althans geen toegevoegde waarde meer zou hebben. Voorts benadrukt [appellante] dat zij binnen haar parttime functie zeer wisselende werktijden had en bovendien ook een aanzienlijke reistijd. Dit maakte het voor haar lastig om aanvullend te solliciteren. [appellante] dacht bovendien dat zij vanaf het moment dat de bewindvoerder bij de rechter-commissaris om een nieuwe vrijstelling van de sollicitatieplicht had verzocht niet meer aanvullend hoefde te solliciteren, althans ze had naar eigen zeggen niet begrepen dat dit wel moest. Voorts geeft [appellante] desgevraagd aan haar verzoek aan het hof om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank omdat zij niet behoorlijk voor de beëindigingszitting aldaar zou zijn opgeroepen, te handhaven. Tevens geeft [appellante] aan dat zij inmiddels bij haar werkgever is vertrokken omdat deze gewerkte uren niet zou hebben uitbetaald omdat [appellante] binnen die gewerkte uren de productienorm niet zou hebben gehaald. Daarnaast stelt [appellante] dat zij via haar huisarts heeft verzocht om een onderzoek teneinde vast te stellen of en zo ja in welke mate zij lijdt aan ADD. Indien dit het geval is zouden medicijnen er wellicht voor kunnen zorgen dat zij haar zaken, waaronder haar verplichtingen in het kader van de schuldsaneringsregeling, beter zou kunnen overzien. Omdat een en ander is gebeurd na de beëindiging van haar schuldsaneringsregeling heeft [appellante] dit niet aan de bewindvoerder gemeld.

3.7.

De bewindvoerder heeft in haar brief - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] werd niet aangetekend opgeroepen, de oproep werd door de rechtbank per reguliere post verstuurd zodat niet kan worden gecontroleerd of deze al dan niet werd ontvangen. De beschermingsbewindvoerder werd niet opgeroepen, ook dat werd telefonisch door de griffie aan de bewindvoerder bevestigd. De opmerking dat [appellante] niet op de hoogte zou zijn gesteld met betrekking tot de tussentijdse beëindigingsprocedure kan de bewindvoerder echter niet plaatsen. Uit bij de brief gevoegde emailberichten blijkt immers dat zowel [appellante] als de beschermingsbewindvoerder door de bewindvoerder middels die e-mails zijn geïnformeerd over haar voordracht met betrekking tot de tussentijdse beëindiging. In het kader van de informatieverplichting merkt de bewindvoerder op dat de ontbrekende financiële stukken voor de eindzitting alsnog door de beschermingsbewindvoerder werden verstrekt. In het dossier zijn de financiële stukken voorhanden tot en met juli 2017. De beschermingsbewindvoerder heeft toegezegd (weer) periodiek voor het aanleveren van de benodigde gegevens te zorgen. Met betrekking tot de sollicitatieverplichting schrijft de bewindvoerder het volgende. [appellante] werd naar aanleiding van het aanvangsverslag voor drie maanden ontheven van de inspanningsverplichting. De actieve sollicitatieverplichting werd derhalve vanaf oktober 2015 van toepassing. Zoals [appellante] ook heeft erkend werd de eerste (aangetoonde) sollicitatie verricht in maart 2016, derhalve pas vijf maanden later. [appellante] gaat vervolgens in september 2016 parttime aan het werk, maar dat is pas nadat de bewindvoerder haar middels verslag 3 wederom wees op het verzuim met betrekking tot het nakomen van de verplichtingen en na het verhoor op de rechtbank in augustus 2016. Vanaf die tijd heeft zij parttime gewerkt maar werden er onvoldoende (aanvullende) inspanningen aangetoond. De laatste aangetoonde verrichte sollicitaties dateren van begin oktober 2016. Verder geeft [appellante] aan dat zij in de veronderstelling was dat de ontheffing van de sollicitatieverplichting in verslagperiode 5 van toepassing was, maar tot op heden werden er ook geen verrichte inspanningen vanaf 13 juni 2017 aangetoond. Als er al sprake zou moeten zijn van een verlenging van de looptijd dan had het volgens de bewindvoerder op de weg van [appellante] gelegen om in de achterliggende verslagperiode haar motivatie (periodiek) aan te tonen. Bij het gebrek aan informatie over de verrichte inspanningen in de achterliggende periode blijkt haar motivatie echter ook niet. Feit blijft dat er onvoldoende (aanvullende) inspanningen dan wel (privé) omstandigheden waardoor zij niet in staat zou zijn om aan deze verplichting te voldoen, werden aangetoond. De ontheffing door de rechter - commissaris werd niet verlengd waardoor deze verplichting ongewijzigd van toepassing bleef. [appellante] was voldoende van deze verplichting op de hoogte, vooral ook aangezien er reeds een verhoor op de rechtbank had plaatsgevonden én zij van de rechtbank nog een waarschuwingsbrief heeft ontvangen op 22 februari 2017.

3.8.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder benadrukt dat het [appellante] , mede naar aanleiding van het verhoor door de rechter-commissaris, toch inmiddels genoegzaam duidelijk zou moeten zijn wat er van haar in het kader van de op haar rustende informatie- en sollicitatieplicht wordt verlangd. Indien dit toch niet duidelijk zou zijn geweest dan had het volgens de bewindvoerder nadrukkelijk op de weg van [appellante] gelegen om bij de bewindvoerder te rade te gaan, hetgeen evenwel nimmer is gebeurd. Daarbij komt dat de door [appellante] nu bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde sollicitatiebewijzen ook allemaal van een en dezelfde datum zijn, 12 september 2017. Ook dit geeft maar weinig blijk van iemand die periodiek en met enige regelmaat aan het solliciteren is. Desgevraagd geeft de bewindvoerder aan dat de ontstane boedelachterstand inmiddels is ingelopen. Gelet op de vele kansen die [appellante] inmiddels heeft gekregen en onbenut heeft gelaten, dit in combinatie met het feit dat [appellante] de bewindvoerder na de beëindiging van haar schuldsaneringsregeling in het geheel niet meer heeft geïnformeerd en in al die tijd slechts op één dag sollicitaties heeft verricht, acht de bewindvoerder het verlengen van de schuldsaneringsregeling maar weinig zinvol en derhalve ook niet in de rede liggen.

3.9.

[collega van de beschermingsbewindvoerder ] heeft bij gelegenheid van de zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat ook zij, evenals haar collega beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 1] , niet wist dat [appellante] de bewindvoerder, gelet op het door [appellante] ingestelde hoger beroep, ook na beëindiging van haar schuldsaneringsregeling nog had dienen te informeren. Voorts stelt ook zij vast dat [appellante] onvoldoende (aanvullend) heeft gesolliciteerd, maar stelt zij dat hier wel een aantal verklaringen voor zijn. Zo is [appellante] chaotisch van karakter waardoor zij bepaalde zaken niet goed overziet en soms zelfs in het geheel vergeet, maakte zij mede vanwege de lange reistijd lange werkdagen zodat het vinden van een tweede arbeidsbetrekking die hierop aansloot nagenoeg onmogelijk zou zijn geweest en was zij belast met de zorg voor haar zieke moeder. Daardoor kunnen volgens zowel [collega van de beschermingsbewindvoerder ] als de beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder 1] de geconstateerde en erkende tekortkomingen [appellante] ook niet, althans niet ten volle, worden aangerekend.

3.10.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.10.1.

Het hof is allereerst van oordeel dat de omstandigheid dat [appellante] in eerste aanleg niet is gehoord- zelfs indien daarvan, zoals in haar visie, sprake is geheel buiten haar toedoen – niet maakt dat het hof de zaak kan terugverwijzen naar de rechtbank. Het hof zal dat dan ook niet doen hoewel daarom is verzocht. Het hof verwijst hierbij naar de navolgende jurisprudentie van de Hoge Raad op grond waarvan het hof aanneemt dat ook in het geval als het onderhavige het in zoverre verliezen van de mogelijkheid in twee instanties te worden gehoord geaccepteerd moet worden, nu in ieder geval ten aanzien van het gehoord worden het door [appellante] gestelde euvel in eerste aanleg door de mondelinge behandeling in hoger beroep is hersteld.

Het hof verwijst hierbij naar een uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:96, verwijzend naar ECLI:NL:HR:2009:BK0857, NJ 2010/581) waarbij met betrekking tot het appelprocesrecht in insolventiezaken onder meer is bepaald dat door het hoger beroep tegen een einduitspraak in beginsel de gehele zaak, zoals zij voor de eerste rechter diende, naar de hogere rechter wordt overgebracht ter beslissing door deze. Deze regel brengt mee dat de hogere rechter zich niet deels aan deze hem opgedragen taak mag onttrekken door een gedeelte van de beslissing van het aan zijn oordeel onderworpene over te laten aan de rechter die zijn oordeel over de zaak reeds heeft gegeven. Onverkorte toepassing van deze regel brengt weliswaar mee dat in een aantal gevallen een substantieel gedeelte van het geschil tussen partijen slechts in één feitelijke instantie zal worden berecht, doch nu die gevallen zich niet met behulp van een duidelijk en in de praktijk eenvoudig te hanteren criterium laten onderscheiden, dient voormelde regel steeds toepassing te vinden, met uitzondering evenwel van de gevallen waarin de appelrechter een uitspraak van de rechter in eerste aanleg vernietigt, waarbij deze zich onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen, hetzij wegens ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, hetzij op grond van het bepaalde in art. 1022 lid 2 Rv., hetzij uit hoofde van het onderwerp van het geschil. Met deze uitzonderingen kan op één lijn worden gesteld het geval waarin in eerste aanleg ten onrechte ontslag van instantie is verleend en waarin dus de rechter op louter processuele gronden eveneens niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tussen de betrokken partijen is toegekomen, aldus de Hoge Raad in die zaak.

3.10.2.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, te beoordelen of er bij [appellante] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door haar doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

3.10.3.

Vaststaat dat [appellante] , temeer nu zowel zij als haar beschermingsbewindvoerder en [collega van de beschermingsbewindvoerder ] zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nadrukkelijk en bij herhaling hebben erkend, de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatie- en (aanvullende) sollicitatieplicht, ondanks herhaalde aansporingen en waarschuwingen van zowel de bewindvoerder als de rechter-commissaris, structureel niet naar behoren is nagekomen. Indien [appellante] , zoals door haar is aangedragen, de strekking en reikwijdte van voornoemde verplichtingen niet steeds volledig heeft doorgrond, had het naar het oordeel van het hof nadrukkelijk op haar weg gelegen om al dan niet via haar beschermingsbewindvoerder contact met haar bewindvoerder op te nemen teneinde een nadere uiteenzetting dan wel toelichting te verzoeken. Zulks is evenwel nimmer geschied. [appellante] heeft ondanks herhaalde waarschuwingen van haar bewindvoerder en een verhoor en waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris volhard in het geheel naar eigen inzicht invulling geven aan de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, waaronder bijvoorbeeld haar aanname dat voor haar, nu door de bewindvoerder bij de rechter-commissaris om een vrijstelling van de sollicitatieplicht was verzocht en zij nog in afwachting was van de uitkomst van dit verzoek, deze verplichting al niet meer zou gelden. [appellante] had naar het oordeel van het hof beter moeten weten en de tekortkomingen kunnen haar dan ook worden toegerekend.

3.10.4.

Daar komt bij dat [appellante] na de tussentijdse beëindiging van haar schuldsaneringsregeling en met het oog op het door ingestelde hoger beroep – en hetgeen in dat kader is aangevoerd - ook maar weinig blijk heeft gegeven van een wending ten goede in die zin dat zij toen, daarbij ondersteund door een beschermingsbewindvoerder en door [collega van de beschermingsbewindvoerder ] , in elk geval geacht moet worden te hebben geweten wat er in het kader van de schuldsaneringsregeling van haar werd verwacht. Dat de bewindvoerder en [collega van de beschermingsbewindvoerder ] stellen hiervan ook onvoldoende doordrongen te zijn geweest, maakt niet dat zij en [appellante] het niet hadden behoren te weten. [appellante] heeft in voornoemde periode, welke tot aan de dag van de zitting in hoger beroep op de dag af zes weken beslaat, maar viermaal, en daarbij bovendien allemaal op dezelfde dag, te weten 12 september 2017, aantoonbaar (aanvullend) gesolliciteerd. Bovendien heeft zij de bewindvoerder gedurende voornoemde periode ook niet geïnformeerd met betrekking tot een aantal voor de schuldsaneringsregeling van belang zijnde ontwikkelingen zoals het op eigen initiatief niet verlengen van haar arbeidsovereenkomst en het aanvragen van een diagnoseonderzoek met betrekking tot de door haarzelf veronderstelde aanwezigheid van een ADD stoornis. Het moge zo zijn dat [appellante] op basis van een eigen inschatting in de veronderstelling verkeerde dat zij haar bewindvoerder na de tussentijdse beëindiging van haar schuldsaneringsregeling niet meer hoefde te informeren, doch dit had zij naar het oordeel van het hof met het oog op het door haar ingestelde hoger beroep, waarbij zij nota bene om een verlenging van de schuldsaneringsregeling verzoekt, eerst bij haar bewindvoerder dienen te verifiëren, hetgeen zij niet heeft gedaan. Ook hier heeft [appellante] weer geheel naar eigen inzicht en zonder enige afstemming met haar bewindvoerder gehandeld. Het hof is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [appellante] niet kunnen worden verweten (vgl. HR 12 juni 2009, NJ 2009, 270).

3.10.5.

Nu, doordat zij bekend is, althans redelijkerwijs geacht wordt bekend te zijn met de verplichtingen in het kader van de wettelijke schuldsanering - in welk verband het hof mede naar de processtukken verwijst - en doordat zij daarnaast bij herhaling door zowel de bewindvoerder als de rechter-commissaris op haar tekortkomingen alsmede het belang van een juiste nakoming van de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting is gewezen, de geconstateerde tekortkomingen [appellante] kunnen worden verweten en het bovendien om meerdere verwijtbare tekortkomingen gaat acht het hof geen termen aanwezig om de duur van de schuldsaneringsregeling van [appellante] te verlengen. Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat het oordeel van de rechtbank dat de schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds dient te worden beëindigd ook bij een beoordeling naar dit moment gehandhaafd dient te blijven.

3.11.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2017.