Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4538

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
200.198.974_01 200.198.975_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie;

Verdeling;

Rechtsvordering: tussentijds hoger beroep interlocutoir

ECLI:NL:RBZWB:2017:6706 C/02/299019 FA RK 15-3023 23-10-2017 Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-Hertogenbosch

Afdeling civiel recht

Zaaknummers: 200.198.974/01 en 200.975/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/299019 FA RK 15-3023

beschikking van de meervoudige kamer van 19 oktober 2017

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.A.M. van Weely,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.M.C. Dumoulin.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 24 mei 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2016, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) en voor zover het betreft de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de verdeling van de woning, de auto en een lening van de ouders van de vrouw, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

1. te bepalen dat de man vanaf de dag dat de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, 12 augustus 2016, € 1.346,- netto per maand dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, althans een zodanig hogere of lagere bijdrage als het hof juist acht;

Uitsluitend voor zover uw Hof de overwegingen en beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de gemeenschappelijke niet-inboedelgoederen beschouwt als een deelbeschikking zodat tussentijds beroep openstaat:

II. de man te veroordelen om binnen één week na betekening van de in deze te wijzen beschikking de overeenkomst tot opdracht te tekenen, waarbij toestemming wordt gegeven

aan een door de vrouw aan te wijzen makelaarskantoor om de echtelijke woning, staande en

gelegen aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [plaats] , voor de door de

makelaar geadviseerde vraagprijs te koop aan te bieden, waarbij geldt dat de door deze

makelaar gemaakte kosten voor de helft voor de man zullen worden voldaan;

III. de man te veroordelen om ingeval een koopovereenkomst tot stand is gekomen ter zake de verkoop van de hiervoor onder II vermelde woning deze koopovereenkomst binnen één week na ontvangst van het verzoek daartoe van de makelaar te ondertekenen;

IV. de man te veroordelen om, ingeval een koopovereenkomst tot stand is gekomen ter zake de hiervoor onder II vermelde woning het transport hiervan dient plaats te vinden bij de door de kopers ingeschakelde notaris, op een door de notaris aangegeven tijdstip te verschijnen

- waarbij de man door de notaris uiterlijk één week voor de voorgestelde transportdatum

schriftelijk zal zijn uitgenodigd- en de notariële akte van levering te ondertekenen;

V. te bepalen dat de man indien hij in gebreke blijft met nakoming van één of meer van de

handelingen hiervoor onder II t/m IV vermeld, de vrouw wordt gemachtigd om namens de

man de opdracht aan de makelaar, de koopovereenkomst en de transportakte te tekenen;

VI. de man te veroordelen om de makelaar en potentiële kopers op eerste afroep toegang te

verschaffen tot de hiervoor onder II vermelde woning, waarbij de man verplicht is ‘als een

goed huisvader’ er voor zorg te dragen dat de woning netjes en ordentelijk is opgeruimd, dit

- zo nodig- ter beoordeling door de makelaar;

VII. de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- aan de vrouw voor

iedere dag dat hij niet (volledig) voldoet aan hetgeen hiervoor is opgenomen onder II t/m VI,

VIII. althans een zodanige beslissing te nemen, in ieder geval inhoudende dat verkoop van de

hiervoor onder II vermelde woning op korte termijn zonder dat daaraan door de man opnieuw voorwaarden worden verbonden, te realiseren;

IX. de man te veroordelen om, na transport van de woning, zijn aandeel in de restschuld aan de ouders van de vrouw te voldoen uit zijn helft van de overwaarde op de hiervoor onder II

vermelde woning;

X. de waarde van de auto per peildatum vast te stellen op € 28.684,- en te bepalen dat dit bedrag bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld of verrekend, althans op dit punt een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht;

XI. de schuld aan de ouders van de vrouw, aangegaan voor een vakantie naar Griekenland, per peildatum vast te stellen op € 1.225,17 en te bepalen dat de man de helft van dit bedrag dient te voldoen, althans op dit punt een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht.

Bij de hierna te brief van 26 april 2017 van de advocaat van de vrouw aan het hof heeft de vrouw haar verzoek vermeerderd en verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 12 augustus 2017 tot aan de datum waarop de woning aan een derde of aan de man is geleverd, een bedrag van de helft van 4% van een twaalfde deel van de overwaarde per maand zal betalen als vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning, althans met ingang van een datum en met een percentage van de overwaarde als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 november 2016, heeft de man verzocht de vrouw in haar verzoeken niet ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen.

Tevens heeft de man hierbij incidenteel appel ingesteld uitsluitend voor zover het betreft de partneralimentatie en de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de verdeling van de woning, en de bestreden beschikking te vernietigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

1. te bepalen dat de man geen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is verschuldigd, primair omdat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken, subsidiair, omdat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage en, meer subsidiair, omdat de man geen draagkracht heeft,

2. subsidiair: bij toewijzing van een onderhoudsbijdrage te bepalen dat deze bijdrage eindigt twee jaar na de echtscheiding dan wel twee jaar na de echtscheiding op nihil wordt gesteld

althans een beslissing aangaande de onderhoudsverplichting te nemen die het hof juist acht..

3. te bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan de levering haar onverdeelde helft van de echtelijke woning van partijen aan de man tegen de door makelaar [makelaar 1] vastgestelde waarde van € 210.000,- dan wel een nader door het hof te bepalen waarde, waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld op de woning en recht heeft op de helft van overwaarde, door binnen één week na eerste verzoek een (onherroepelijke) volmacht tot levering ten kantore van de transporterende notaris te ondertekenen en te bepalen dat deze beschikking bij gebreke van de ondertekening en/of medewerking na verloop van de termijn in de plaats treedt van die ondertekening en/of medewerking, althans een beslissing met betrekking tot de woning te nemen die het hof juist acht.

Bij de hierna te noemen brief van 20 april 2017 van de advocaat van de man aan het hof heeft de man zij verzoek vermeerderd en verzochte te bepalen dat het saldo op de Chinese rekening van de vrouw per peildatum wordt verdeeld.

2.3.

Bij verweerschrift in het incidenteel appel heeft de vrouw verzocht:

I. de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door hem verzochte af te wijzen, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

II. de man te veroordelen om aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de helft van de kosten van de taxatie door [makelaardij] Makelaardij te [vestigingsplaats] , te vermeerderen met de wettelijke rente, voor zover mogelijk, indien deze kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking, althans

een zodanig deel van deze kosten te vergoeden als uw hof juist;

III. de man te veroordelen om aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de kosten van de school, de eigen bijdrage van de zorgverzekeraar en de kosten van de

zomervakantie, alles ten behoeve van [de minderjarige] , te vermeerderen met de wettelijke rente, voor

zover mogelijk, indien deze kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking, althans een zodanig deel van deze kosten te vergoeden als het hof juist;

en voorts in het principaal en het incidenteel appel:

IV. de man te veroordelen om aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, alles evenzeer te vermeerderen met de

wettelijke rente, voor zover mogelijk, indien deze kosten niet zijn voldaan binnen veertien

dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking.

2.3.

Deze zaken zijn ter griffie van het hof geadministreerd onder zaaknummer 200.198.974/01 (partneralimentatie) en 200.198.975/01 (verdeling huwelijksgemeenschap). De zaken zijn gevoegd, zij zijn gezamenlijk behandeld en zij worden gezamenlijk beslist.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 mei 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door de beëdigd tolk de heer Y.M. Zahou.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 22 april 2016;

  • -

    het journaalbericht van de zijde van de man van 20 april 2017 met als bijlage de brief met bijlagen van de advocaat van de man aan het hof van 20 april 2017, ingekomen ter griffie op 20 april 2017;

  • -

    het journaalbericht van de zijde van de vrouw d.d. 26 april 2017 met als bijlage de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw van 26 april 2017 aan het hof, ingekomen ter griffie op 28 april 2017;

  • -

    het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 17 juli 2017, ingekomen ter griffie op 17 juli 2017;

  • -

    het journaalbericht van de zijde van de man van 19 juli 2017, met als bijlage het faxbericht van de advocaat van de man aan het hof van 19 juli 2017, ingekomen ter griffie op 19 juli 2017.

3 De beoordeling

In de beide zaken in het principaal en incidenteel appel

3.3.

Partijen zijn op 24 december 2008 te Nanning (Volksrepubliek China) gehuwd.

3.4.

Uit een eerder huwelijk van de vrouw en haar ex-echtgenoot de heer [ex-echtgenoot] , is geboren:

- [de minderjarige] , op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (Volksrepubliek China).

De man heeft [de minderjarige] niet erkend. De vrouw is belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] staat onder toezicht van de Stichting Jeugdbescherming Brabant te [vestigingsplaats] (tot 19 november 2017). [de minderjarige] was aanvankelijk uit huis geplaatst bij de man, doch sinds 27 november 2016 heeft [de minderjarige] het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.5.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 12 augustus 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.5.2.

Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de partneralimentatie afgewezen.

De rechtbank heeft voorts op een aantal onderdelen van de verdeling van de huwelijksgemeenschap voorgenomen beslissingen in de overwegingen weergegeven maar in het dictum is terzake de verdeling nog geen enkele beslissing opgenomen. De rechtbank heeft iedere beslissing met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap aangehouden tot 21 februari 2017, zulks in afwachting van het bericht van partijen omtrent de uitkomst van hun overleg ter zake de verdeling van de inboedelgoederen.

Ontvankelijkheid

3.6.

Naar het geldende procesrecht wordt het wettelijk verbod om hoger beroep in te stellen tegen een tussenbeschikking doorbroken in een geval zoals het onderhavige waarin tussen dezelfde partijen meer verzoeken ter beoordeling stonden en de in eerste aanleg oordelende rechter aan een gedeelte van het geschil door een uitdrukkelijk dictum een einde heeft gemaakt (in dit geval met betrekking tot de partneralimentatie), maar voor een ander gedeelte een tussenbeschikking (in dit geval met betrekking tot een deel van de verdeling van de huwelijksgemeenschap) wees. In een zodanig geval moet worden aangenomen dat tussentijds beroep tegen de beschikking, ook wat betreft het interlocutoire gedeelte daarvan (in dit geval met betrekking tot een deel van de verdeling van de huwelijksgemeenschap), steeds mogelijk is. Partijen zijn ontvankelijk zowel in hun verzoeken met betrekking tot de partneralimentatie als in hun verzoeken met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Met betrekking tot de partneralimentatie

Lotsverbondenheid

3.7.1.

Het meest vertrekkende verweer van de man betreft het ontbreken van lotsverbondenheid tussen partijen. De man heeft, verkort weergegeven, gesteld dat de vrouw hem (en [de minderjarige] ) stelselmatig heeft mishandeld, hetgeen als zodanig grievend is te beschouwen dat het betalen van partneralimentatie in redelijkheid niet van de man kan worden gevergd.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

3.7.2.

Het hof overweegt het navolgende.

Artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft de wettelijke basis voor het vaststellen van een door een gewezen echtgenoot aan de andere gewezen echtgenoot te betalen onderhoudsbijdrage. Bij de beantwoording van de vraag of aan één der gewezen echtgenoten ten laste van de ander een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de onderhoud verzoekende echtgenoot. Daarbij geldt als criterium of er feiten en omstandigheden zijn in verband waarmee van een gewezen echtgenoot in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd tot het levensonderhoud van de ander bij te dragen. Grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten ten opzichte van de andere kan tot de conclusie leiden dat aan iedere lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten – welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van de onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 1:157 BW – een einde is gekomen. In een zodanig geval kan worden geoordeeld dat betaling van een uitkering tot levensonderhoud in redelijkheid niet kan worden gevergd. In het algemeen geldt dat bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, terughoudendheid dient te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van zo’n beëindiging dan wel matiging. Voorts dient bedacht te worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen of te beëindigen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, heeft overwogen dat de omstandigheden in deze zaak en de gevolgen van de spanningen tussen partijen niet kunnen worden geduid als grievend gedrag dat tot gevolg heeft dat de lotsverbondenheid tussen partijen onherroepelijk is verbroken, zodat er de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw door het gedrag van de vrouw niet is geëindigd.

Ingangsdatum

3.8.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Het hof bepaalt de ingangsdatum voor de door de man te betalen partneralimentatie, alle omstandigheden in aanmerking genomen, naar redelijkheid en billijkheid op de datum van deze beschikking (19 oktober 2017).

Behoefte van de vrouw

3.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw

€ 1.329,- netto per maand bedraagt (niveau 2015). Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de vrouw met ingang van 1 januari 2016 € 1.346,28 netto per maand en met ingang van 1 januari 2017 € 1.374,55 netto per maand.

Behoeftigheid van de vrouw

3.10.1.

De man heeft gesteld dat de vrouw ook in hoger beroep onvoldoende heeft aangetoond welke inspanningen zij verricht om aan betaalde arbeid te komen. De man is van mening dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.

3.10.2.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vrouw, van Chinese afkomst, thans 38 jaar is en de Nederlandse taal nauwelijks beheerst. Via de sociale dienst en via Baanbrekers heeft de vrouw (onbetaald) fabriekswerk gedaan. De vrouw heeft gesteld dat zij solliciteert, hetgeen zij ook verplicht is gelet op haar bijstandsuitkering, dat zij via een cursus Nederlandse les heeft gevolgd maar dat de taal nog steeds een barrière vormt en dat zij hoopt om op enig moment als tolk te kunnen gaan werken.

Weliswaar heeft de vrouw in China werkervaring opgedaan als assistent manager en heeft zij in de verkoop gewerkt, doch gelet op de voormelde omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de vrouw thans nog niet in staat is om door middel van het verrichten van arbeid in haar levensonderhoud te voorzien. Het hof merkt daarbij op dat de vrouw alles in het werk dient te stellen om te blijven solliciteren en betaald werk te vinden teneinde in haar levensonderhoud te voorzien.

Draagkracht van de man

3.11.

De vrouw heeft gesteld dat de draagkracht van de man toereikend is om een alimentatie te betalen van 1.346,- netto per maand. De man heeft dat gemotiveerd betwist.

3.12.

Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens.

3.12.1.

De man heeft een fiscaal loon van € 46.724,- blijkens de jaaropgaaf 2016 van [de vennootschap] te [vestigingsplaats] . In fiscale zin houdt gaat het hof uit van een aftrekbare hypotheekrente van € 9.030,- per jaar en een eigenwoningforfait van € 1.575,- per jaar (WOZ-waarde bedraagt in 2017 € 210.000,-), de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

Met betrekking tot het draagkrachtloos inkomen van de man houdt het hof rekening met:

- het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent;

- € 752,30,- per maand ter zake hypotheekrente;

- € 376,- per maand ter zake premie levensverzekering;

- € 95,- per maand ter zake forfaitaire eigenaarslasten;

- € 110,- per maand ter zake premie ziektekostenverzekering (basis en aanvullend). De man heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, zijn stelling dat met een bedrag van € 147,- rekening moet worden gehouden, niet, althans niet voldoende onderbouwd;

- € 32,- per maand ter zake verplicht eigen risico,

te verminderen met in de bijstandsnorm begrepen € 40,- aan nominale premie;

- € 325,- aan rente en aflossing op een lening bij de ouders van de vrouw in China, aangegaan onder meer ten behoeve van de echtelijke woning. Het hof gaat ervan uit dat partijen de partneralimentatie in onderling overleg opnieuw berekenen zodra de schuld aan de ouders van de vrouw is voldaan.

Het hof houdt voorts conform het Rapport Alimentatienormen gedurende een periode van een jaar rekening met advocaatkosten van € 114,- per maand. Het hof gaat ervan uit dat partijen met ingang van 19 oktober 2018 de partneralimentatie in onderling overleg opnieuw kunnen berekenen.

De door de man opgevoerde kosten van [de minderjarige] vervallen (hetgeen overigens ook geldt voor de door de vrouw gestelde ‘pleegouder’ vergoeding voor [de minderjarige] ) nu [de minderjarige] eind november 2016 feitelijk het hoofdverblijf bij de vrouw heeft gekregen.

Het hof houdt ten slotte geen rekening met de kosten van omgang nu de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling bij de bestreden beschikking heeft aangehouden.

3.13.

Bovenstaand inkomen van de man leidt, rekening houdend met voormelde fiscale aspecten en de verschuldigde inkomstenbelasting, tot een netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.966,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en daarvan deel uitmakende gewaarmerkte draagkrachtberekening.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man met ingang van de datum van deze beschikking een draagkrachtruimte van € 550,- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van partneralimentatie. Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit fiscaal voordeel, heeft de man de draagkracht om met ingang van de datum van deze beschikking € 557,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde draagkrachtberekening. Daarmee is de grens van de draagkracht van de man bereikt.

Limitering partneralimentatie

3.14.1.

De man heeft gesteld dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij binnen afzienbare tijd in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw heeft deze stelling van de man gemotiveerd betwist.

3.14.2.

Hert hof overweegt het navolgende.

Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW heeft, nu het huwelijk van partijen meer dan vijf jaar heeft geduurd, in beginsel als uitgangspunt te gelden dat de verplichting van de man tot het verstrekken van levensonderhoud aan de vrouw van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het derde lid van dat artikel geeft de rechter de bevoegdheid om op verzoek van één van de echtgenoten voorwaarden te verbinden aan de alimentatieverplichting en/of de duur ervan te limiteren. Een zodanige rechterlijke limitering heeft een definitief karakter in die zin dat het de aanspraken van de onderhoudsgerechtigde – behoudens het in artikel 1:401 lid 2 BW omschreven uitzonderlijke geval – definitief doet eindigen na afloop van de gestelde termijn. Om die reden worden er hoge eisen gesteld aan de motivering van een (verzoek tot) limitering. In het algemeen is vaststelling van de onderhoudsverplichting voor een bepaalde termijn redelijk indien met voldoende zekerheid en op goede gronden mag worden verwacht dat de onderhoudsgerechtigde na afloop van de voor de alimentatie bepaalde termijn op voor hem passende wijze in zijn eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

Het hof is van oordeel dat de door de man gestelde omstandigheden, die door de vrouw ter zitting gemotiveerd zijn betwist en waaraan het hof met betrekking tot de behoeftigheid van de vrouw (grotendeels) voorbij is gegaan, niet zodanig bijzonder zijn dat limitering gerechtvaardigd is. Voorshands is niet met voldoende zekerheid vast te stellen of de vrouw binnen afzienbare termijn in staat zal zijn volledig in haar levensonderhoud te voorzien.

Het hof wijst het verzoek van de man tot limitering dan af.

Met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap

De woning

3.15.

Partijen zijn ter zitting in eerste aanleg overeengekomen dat een makelaar van [makelaardij] makelaardij zou worden ingeschakeld voor een bindende taxatie van de echtelijke woning aan de [adres] te [plaats] . Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de heer [makelaar 2] van [makelaardij] makelaardij op de afgesproken dag aanwezig was en de woning heeft getaxeerd. Uit hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht leidt het hof niet af dat er goede gronden aanwezig zouden zijn om aan de vakbekwaamheid en de objectiviteit van de heer [makelaar 2] te twijfelen, evenmin aan de wijze waarop de taxatie heeft plaatsgevonden (ook al zou daarbij niet in de Engelse taal zijn gesproken en ook al zou de vrouw niet steeds bij de taxatie aanwezig zijn geweest). Nu de heer [makelaar 2] de woning heeft getaxeerd op een waarde van € 210.000,- en het een bindende taxatie betreft, stelt het hof de waarde van de woning conform deze taxatie op € 210.000,-.

3.16.

De man heeft gesteld dat hij het eerste recht heeft om de woning op zijn naam te doen stellen en dat hij financieel in staat is de woning voor de getaxeerde waarde van € 210.000,- over te nemen. De vrouw heeft dit niet betwist. De woning dient aan de man te worden toegedeeld, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld op de woning. Indien blijkt dat de vrouw niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden ontslagen, zal de woning alsnog moeten worden verkocht.

Voorts overweegt het hof dat de vrouw dient mee te werken aan de levering van de woning aan de man. De vrouw heeft recht op de helft van de overwaarde, hetgeen erop neer komt, zoals de man onbetwist heeft gesteld, dat de vrouw recht heeft op de helft van de aan de hypotheek gekoppelde hypotheekverzekering bij Argenta.

Het hof is verder van oordeel dat de kosten van de overdracht van de woning, nu deze aan de man wordt toegedeeld, integraal voor rekening van de man dienen te komen.

Het verzoek van de man als geformuleerd in zijn incidenteel appel onder 3, dient te worden toegewezen. Hetgeen de vrouw in principaal appel heeft verzocht onder II. tot en met VIII. dient vooralsnog te worden afgewezen.

3.17.

De vrouw heeft (aanvullend) verzocht de man te veroordelen om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, de helft van de kosten van de taxatie door [makelaardij] Makelaardij te [vestigingsplaats] , te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de vrouw te voldoen. Het hof heeft uit de stukken en het verhandelde ter zitting begrepen dat ieder van partijen reeds de helft van de taxatiekosten heeft voldaan. Het hof ziet geen goede grond om die omstandigheid thans nog te wijzigen en de man alsnog met de helft van de taxatiekosten te belasten.

Dit (aanvullend) verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen.

3.18.

Het hof ziet voorts geen aanleiding om het verzoek van de vrouw met betrekking tot de schuld aan de ouders van de vrouw in China aangegaan ten behoeve van onder andere de echtelijke woning van partijen, zoals geformuleerd onder IX. in het petitum, toe te wijzen nu de hypotheekschuld even groot is als de getaxeerde waarde van de woning en er geen sprake is van een overwaarde als door de vrouw bedoeld. Dat laat onverlet dat de man draagplichtig blijft met betrekking tot zijn aandeel in deze schuld.

3.19.

Ten slotte heeft de vrouw nog verzocht te bepalen dat de man de helft van 4% van een twaalfde deel van de overwaarde per maand als vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning dient te betalen. Dit verzoek dient eveneens te worden afgewezen nu de hypotheekschuld even groot is als de getaxeerde waarde van de woning en er geen sprake is van een overwaarde als door de vrouw bedoeld.

De auto

3.20.1.

De vrouw heeft gesteld dat de waarde van de auto op de peildatum (8 mei 2015) op een bedrag van € 28.684,- dient te worden gesteld en dat dit bedrag bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld of verrekend.

De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist.

3.20.2.

Het hof overweegt dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto, een Mazda 6 met kenteken [kenteken] , is verkocht conform de waarde van de auto op dat moment ad € 10.000,- en dat de opbrengst van de auto in de gemeenschap is gevloeid. Terecht en op goede gronden heeft de rechtbank geoordeeld dat er ten aanzien van de auto niets meer te verdelen of te verrekenen is. Het verzoek van de vrouw onder X. dient te worden afgewezen.

De lening bij de ouders van de vrouw (vliegtickets naar en hotel in Griekenland)

3.21.

Het hof overweegt dat de vrouw ook in hoger beroep niet heeft aangetoond dat er sprake is van een lening van haar ouders op dit punt. Terecht en op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, heeft de rechtbank overwogen dat de door de vrouw gestelde, en door de man betwiste, lening bij ouders in verband met de reis naar Griekenland niet in de verdeling dient te worden betrokken.

Chinese bankrekening

3.22.

De man heeft gesteld dat de vrouw in China een rekening heeft die in de verdeling dient te worden betrokken. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting verklaard dat de rekening 50/50 kan worden verdeeld. Gelet op het verhandelde ter zitting dient het verzoek van de man te worden toegewezen in die zin dat de man per peildatum (8 mei 2015) recht heeft op de helft van het saldo van de Chinese rekening ten name van de vrouw.

Kosten van [de minderjarige]

3.23.

De vrouw heeft nog verzocht de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen de kosten van de school, de eigen bijdrage van de zorgverzekeraar en de kosten van de zomervakantie, alles ten behoeve van [de minderjarige] . De man is niet de vader van [de minderjarige] , er bestaat tussen [de minderjarige] en de man geen familierechtelijke relatie. Van een stiefouderschap waarbij [de minderjarige] ook deel uitmaakt van een gezinsvorm is geen sprake meer. Het hof overweegt dat de rechtsgrond voor het verzoek van de vrouw ontbreekt, zodat het betreffende verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen.

Proceskosten

3.24.

De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn. Het hof ziet geen reden om in deze af te wijken van hetgeen ter zake gebruikelijk is. Het verzoek van de vrouw om de man te in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente, dient te worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 24 mei 2016, uitsluitend voor zover het betreft de afwijzing van de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 19 oktober 2017 op € 557,- per maand, de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen,

en bepaalt, voor het eerst rechtdoende in het hoger beroep, inzake de verdeling van de huwelijksgemeenschap, voor zover aan het hof voorgelegd, als volgt:

de vrouw dient haar medewerking te verlenen aan de levering aan de man van haar onverdeelde helft van de echtelijke woning van partijen aan de [adres] , [postcode] [plaats] , uitgaande van de door [makelaardij] makelaardij getaxeerde waarde van de gehele woning ad € 210.000,-, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld op de woning en dat de vrouw daartegenover recht heeft op de helft van de waarde van de spaarverzekering, gekoppeld aan de hypotheek bij Argenta, een en ander doordat de vrouw binnen twee weken na eerste verzoek een (onherroepelijke) volmacht tot levering ten kantore van de transporterende notaris ondertekent, en dat bij gebreke van ondertekening en/of medewerking binnen die termijn de beschikking van dit hof in de plaats treedt van die ondertekening en/of medewerking;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.A.R.M. van Leuven en C.L.M. Smeets bijgestaan door de griffier en is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.