Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4536

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
20-001251-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:3603, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte ter zake van - kort gezegd - het medeplegen van een zestal gewapende overvallen op cafetaria's en ter zake van diefstal in vereniging van een auto en kentekenplaten, tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001251-16

Uitspraak : 19 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

25 april 2016 in de strafzaak met parketnummer 03-700148-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is verdachte ter zake van – kort weergegeven – diefstal in vereniging van een personenauto door middel van braak en/of verbreking (feit 1 primair), diefstal in vereniging van kentekenplaten (feit 2), diefstallen voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld in vereniging gepleegd (feiten 3 primair, 4 primair, 5, 6 en 8 primair) en diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld in vereniging gepleegd in eendaadse samenloop begaan met medeplegen van afpersing (feit 7) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en het beslag.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De benadeelde partijen [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] hebben hun vorderingen in hoger beroep gehandhaafd. De vorderingen van benadeelde partijen ’ [cafetaria 6] en [slachtoffer 6] duren van rechtswege voort in hoger beroep voor zover zij door de rechtbank in eerste aanleg zijn toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf voor kortere duur dan is opgelegd door de rechtbank. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 6] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] gerefereerd aan het oordeel van het hof en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij ’ [cafetaria 6] bepleit dat de post “kassalade” slechts kan worden toegewezen tot een bedrag van € 94,95 en dat de benadeelde partij ten aanzien van de post “gemiste omzet” à € 60,-- niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

1.

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft:

 de door de rechtbank aangehaalde wetsartikelen;

 de kwalificatie van het onder 7 bewezen verklaarde. Deze behoort te luiden:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

in eendaadse samenloop begaan met

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

 de beslissing op de vordering van de benadeelde partij ’ [cafetaria 6] en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregel;

 en met dien verstande dat het hof bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] is uitgegaan van het per

1 januari 2011 gewijzigde criterium als bedoeld in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, in die zin dat niet-ontvankelijkverklaring wordt uitgesproken, nu de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

2.

Daarnaast behoeft de bewijsvoering, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen. De bewezenverklaring door de rechtbank komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen1.

Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359 lid 3 Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte, zoals blijkt uit de hieronder weergegeven verklaring, het bewezen verklaarde heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit.

Elk der bewijsmiddelen wordt telkens slechts gebezigd tot bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2017, voor zover inhoudende:

Het is juist dat ik op 15 maart 2015 in de gemeente Herzogenrath (Duitsland) tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heb weggenomen een personenauto (Volkswagen Golf, kenteken [kenteken 1] ), toebehorende aan een ander dan aan mij of mijn mededader, waarbij ik en mijn mededader het weg te nemen goed onder ons bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Het is juist dat ik op 15 maart 2015 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heb weggenomen kentekenplaten ( [kenteken 2] ), toebehorende aan [slachtoffer 1] .

Het is juist dat ik op 17 maart 2015 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heb weggenomen een kassa met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [cafetaria 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit

het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [slachtoffer 2] , en

het dreigend roepen: "Overval, overval".

Het is juist dat ik op 19 maart 2015 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heb weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [cafetaria 2] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Het is juist dat ik op 20 maart 2015 te Hoensbroek, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heb weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of [cafetaria 3] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit

het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [slachtoffer 5] , en

het dreigend roepen: "Overval, kassa open, doe kassa open".

Het is juist dat ik op 20 maart 2015 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heb weggenomen een kassa met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [cafetaria 4] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] .

Het is juist dat ik op 21 maart 2015 in de gemeente Voerendaal tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heb weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 9] en/of [cafetaria 5] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 10] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en met het oogmerk om mij en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 10] heb gedwongen tot afgifte van een kelnersbeurs met inhoud, toebehorend aan [slachtoffer 9] en/of [cafetaria 5] , welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit

het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [slachtoffer 10] , en

het dreigend roepen: “Geld, geld, papiergeld!”.

Het is juist dat ik op 22 maart 2015 in de gemeente Meerssen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heb weggenomen een kassalade met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 11] en/of [cafetaria 6] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit

het richten van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op voornoemde [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] , en

het dreigend roepen: "Geef mij geld, geef mij geld, maak de kassa open!" en/of "Ik wil het geld uit de kassa!".

  • -

    een geschrift, te weten een Strafanzeige d.d. 15 maart 2015, dossierpagina 775.

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 15 maart 2015, pagina’s 79 en 80.

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 18 maart 2015, pagina’s 92 en 93.

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] d.d. 20 maart 2015, pagina 128.

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] d.d. 20 maart 2015, pagina 130.

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] d.d. 21 maart 2015, pagina’s 162 en 163.

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] d.d. 21 maart 2015, pagina’s 198 en 199.

  • -

    processen-verbaal van verhoor aangever van [slachtoffer 8] en [slachtoffer 7] d.d. 21 maart 2015, pagina’s 206, 207-208 en 211.

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 10] d.d. 22 maart 2015, pagina’s 228 en 229.

  • -

    een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 11] d.d. 22 maart 2015, pagina’s 267 en 268.

  • -

    proces-verbaal van verhoor getuige van [slachtoffer 13] d.d. 23 maart 2015, pagina 273.

3.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht de mogelijkheid te bezien of de oplegging van een gevangenisstraf met een voorwaardelijk deel tot de mogelijkheden behoort. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht een gevangenisstraf op te leggen die vele jaren lager is dan de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf, meer subsidiair bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf aansluiting te zoeken bij de vordering van de officier van justitie in eerste aanleg, te weten 7 jaar gevangenisstraf.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het hof ook acht geslagen op het pro justitia rapport van GZ-psycholoog drs. B.Y. van Toorn van 28 augustus 2015 en de over verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten van 18 juni 2015 en 29 november 2016.

Verdachte heeft zich samen met een ander in het korte tijdsbestek van nog geen week schuldig gemaakt aan een zestal gewapende overvallen op cafetaria’s. Het wapen dat zij hebben gebruikt is niet gevonden, maar uit de verklaringen van [medeverdachte] blijkt dat zij er in de bossen proefschoten mee gelost hebben en dat het derhalve een echt wapen is geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke overvallen hiervan vaak nog jaren last ondervinden, ook in hun dagelijks functioneren. Dat dit in onderhavige zaak ook het geval is, blijkt uit de onderbouwing van de benadeelde partijen bij hun vordering tot vergoeding van de immateriële schade. De verdachte heeft zich echter uitsluitend laten leiden door eigen gewin. Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Voor het bepalen van de duur van de gevangenisstraf neemt het hof het landelijke oriëntatiepunt straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, tot uitgangspunt. Gelet daarop zou voor een overval op een winkel waarbij licht geweld/bedreiging is toegepast een gevangenisstraf voor de duur van

2 jaren per overval passend zijn. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zestal overvallen.

Als strafverhogende factoren heeft het hof rekening gehouden met de volgende omstandigheden. Verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten begaan in vereniging met een ander, waarbij de mededader degene was die zich ten tijde van de overvallen heeft bediend van een vuurwapen dat hij op de slachtoffers heeft gericht. Verdachte en zijn mededader zijn berekend te werk gegaan. Zij hebben ruim voor de overvallen maskers aangeschaft met het enkele doel deze te gebruiken voor criminele doeleinden, zoals overvallen en/of inbraken. Kort voor de overvallen hebben verdachte en zijn mededader zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een auto en kentekenplaten, welke gestolen auto (voorzien van de gestolen kentekenplaten) zij vervolgens hebben gebruikt als vervoermiddel naar en vanaf de plaatsen van de overvallen.

Het hof zou aldus kunnen komen tot een hogere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd en door de rechtbank is opgelegd.

Ten voordele van verdachte heeft het hof evenwel rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte openheid heeft gegeven ten aanzien van het bewezen verklaarde en er blijk van heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. Ook de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, te weten de leeftijd van verdachte, de situatie van verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde overvallen en de huidige situatie van verdachte, heeft het hof in het voordeel van de verdachte laten meewerken.

Het hof ziet in al het vorenstaande geen aanleiding om te bepalen dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een kortere duur dan is gevorderd door de advocaat-generaal en is opgelegd door de rechtbank.

Vordering van de benadeelde partij ' [cafetaria 6]

De benadeelde partij ' [cafetaria 6] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 714,43, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij bestaat uit de navolgende posten:

 het gestolen geldbedrag uit de kassa ad € 519,30;

 de vervanging van de meegenomen kassalade ad € 114,89;

 de gemaakte reiskosten ad € 20,24 en

 gemiste omzet ad € 60,00.

De verdediging heeft bepleit dat het hof de post met betrekking tot de vervanging van de kassalade slechts zal toewijzen tot een bedrag van € 94,95, nu in het gevorderde bedrag ook de BTW is meegenomen, terwijl de benadeelde partij deze als bedrijf zijnde kan terugvragen aan de belastingdienst. Voorts heeft de verdediging bepleit dat het hof de benadeelde partij ten aanzien van de post “gemiste omzet” niet-ontvankelijk zal verklaren, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij ' [cafetaria 6] als gevolg van verdachtes onder 8 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. Met de verdediging is het hof van oordeel dat de schadepost “vervanging kassalade” slechts kan worden toegewezen tot een bedrag van € 94,95, nu de benadeelde partij als bedrijf zijnde de BTW kosten kan terugvragen aan de belastingdienst. Het hof zal dientengevolge het overige gedeelte van deze schadepost afwijzen. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de schadepost “gemiste omzet” geheel toewijsbaar is, evenals de posten “reiskosten” en “weggenomen geldbedrag”. Verdachte is tot vergoeding van die schade, te weten in het totaal € 694,49, vermeerderd met de wettelijke rente, gehouden.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 55, 57, 63, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij ’ [cafetaria 6] en de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ' [cafetaria 6] ter zake van het onder 8 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 694,49 (zeshonderdvierennegentig euro en negenenveertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd ' [cafetaria 6] , ter zake van het onder 8 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 694,49 (zeshonderdvierennegentig euro en negenenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 19 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2015048852, gesloten d.d. 9 juni 2015, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 801.