Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4472

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
17-10-2017
Zaaknummer
200.199.657_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.199.657/01

zaaknummer rechtbank : C/03/211008/ FA RK 15-3083

beschikking van de meervoudige kamer van 20 juli 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. T.G.M. Scheers te Roermond,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.C.H. Poelman te Brunssum.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 14 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 14 september 2016 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 14 juni 2016.

2.2

De vrouw heeft op 3 november 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 16 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 17 mei 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 17 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 18 mei 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 18 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 18 mei 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 22 mei 2017 met bijlage, ingekomen op 23 mei 2017.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 30 mei 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook is verschenen mevrouw [Betreuerin] , in haar hoedanigheid van “Betreuerin” ten aanzien van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de vrouw, De “Betreuerin” is bijgestaan door een tolk in de Duitse taal, de heer R.B. Schmitt. De advocaat van de vrouw heeft desgevraagd ter zitting medegedeeld dat zij tevens de “Betreurin” vertegenwoordigt.

2.5

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen een journaalbericht van de advocaat van de man van 2 juni 2017 met bijlagen op 6 juni 2017 en een journaalbericht van de advocaat van de vrouw van 7 juni 2017 met bijlagen op 7 juni 2017.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Het huwelijk van partijen is op 7 juli 2015 ontbonden door echtscheiding.

3.3

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 1998 (hierna: [minderjarige] ).

3.4

Bij beschikking van 23 april 2015 heeft de rechtbank Limburg (Roermond) bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) van de vrouw € 236,- per maand zal voldoen. Deze alimentatie bedraagt thans ingevolge de wettelijke indexering € 244,09 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van 23 april 2015, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 oktober 2015 bepaald op € 532,- per maand.

4.2

De grieven van de man zien op zijn draagkracht. De man verzoekt de beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen € 150,- per maand, kosten rechtens.

4.3

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat bij “Bestellung” van het Ambtsgericht Kempen van 8 juli 2015 een “Betreuerin” in de persoon van de eerdergenoemde mevrouw [Betreuerin] is benoemd, die geacht wordt de “Vermögenssorge” van de vrouw waar te nemen. Deze Duitse benoeming acht het hof vergelijkbaar met de Nederlandse onderbewindstelling als opgenomen in Titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zodat het hof in het vervolg van deze beschikking uit praktisch oogpunt zal spreken over “bewind”, daar waar vorenbedoelde “Vermögenssorge” is bedoeld.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de bij beschikking van 23 april 2015 vastgestelde partneralimentatie in verband met gewijzigde omstandigheden niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

Ingangsdatum

5.2

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum, zijnde 1 oktober 2015, is niet in geschil, zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Hoogte van de behoefte vrouw

5.3

De behoefte van de vrouw aan de door de rechtbank bij de bestreden beschikking vastgestelde partneralimentatie is niet in geschil en staat daarmee vast.

Draagkracht van de man

5.4

De draagkracht van de man tot het betalen van de bij de bestreden beschikking vastgestelde partneralimentatie ad € 532,- per maand is in geschil. De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om méér dan € 150,- per maand aan partneralimentatie te voldoen. De vrouw betwist dat.

5.5

Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens.

Inkomen man

2015

Uit de nader door de man overgelegde aangifte IB 2015 blijkt dat de man in dat jaar een fiscaal jaarinkomen heeft genoten ad € 36.532,-, derhalve aanzienlijk hoger dan het inkomen ad € 33.266,- waarvan de rechtbank voor dat jaar is uitgegaan.

2016

De man stelt zich op het standpunt dat hij, vanwege de omstandigheid dat hij afhankelijk is van een inkomen uit de uitzendsector, geen zekerheid heeft over de uren die hij kan werken en dat hij evenmin zekerheid heeft omtrent vergoedingen bij uitval wegens ziekte en of werkeloosheid. De man stelt dat hij over 2016 veel uitval heeft (gehad), waardoor zijn inkomen in dat jaar lager zal zijn dan in 2015. Dit brengt met zich dat hij minder draagkracht beschikbaar heeft voor betaling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw, aldus de man.

Uit de nader door de man overgelegde aangifte IB 2016 blijkt dat hij in dat jaar een fiscaal inkomen heeft genoten van € 30.559,-. Daarnaast heeft de man ter zitting naar voren gebracht dat hij in 2016 een week of drie geen inkomen heeft genoten, maar welbewust, vanwege de papieren rompslomp die dit met zich brengt, voor die periode geen WW-uitkering heeft aangevraagd. Het hof is van oordeel dat deze keuze van de man niet voor rekening van de vrouw dient te komen en zal het fiscaal inkomen van de man corrigeren en aldus verhogen met € 1.403,-, zijnde 75% van 3 x (€ 30.559,- : 49), zodat het hof voor wat betreft 2016 zal uitgaan van een fiscaal jaarinkomen ad € 31.692,-.

2017

Aan de man kan worden toegegeven dat zijn inkomen, gelet op de aard van het uitzendwerk, aan fluctuatie onderhevig is. Nu de man echter ter zitting desgevraagd heeft aangegeven niet te kunnen voorspellen wat zijn inkomen in 2017 zal zijn, ziet het hof aanleiding om de man in 2017 eenzelfde inkomen toe te schatten als het inkomen dat hij over 2016 heeft genoten. Het hof is van oordeel dat de man – gelet ook op zijn inkomsten in 2015 – in staat moet zijn om een dergelijk inkomen te blijven genereren. Aldus gaat het hof ook in 2017 uit van een fiscaal inkomen ad € 31.692,-.

De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, waarmee het hof bij de berekening van de draagkracht van de man over 2016 en 2017 rekening zal houden.

Lasten van de man

Normbedrag Participatiewet

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

Ter zitting heeft de man gesteld dat de door de vrouw gestelde uitkering van de levensverzekering ten bedrage van € 38.829,52 niet in contanten aan hem is geschied, maar dat deze uitkering rechtstreeks in mindering is gebracht op de hypotheekschuld. De vrouw heeft daar tegenover gesteld dat dit met zich brengt dat dit de hypotheekrente vermindert, alsook dat de man geen premie levensverzekering meer verschuldigd is, hetgeen de man ook heeft erkend. Mede uit de nader ingekomen stukken is gebleken dat de hypotheeklasten van de man per 27 december 2015 lager zijn geworden, in die zin dat de man met ingang van die datum maandelijks nog € 212,08 aan (aftrekbare) hypotheekrente betaalt en dat de premie aflossing/levensverzekering ad € 107,- per maand met ingang van die datum is komen te vervallen.

Het hof houdt aldus rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

€ 307,- aan hypotheekrente tot 27 december 2015;

€ 212,08 aan hypotheekrente met ingang van 27 december 2015;

€ 107,- aan hypotheekrenteaflossing/premie levensverzekering tot 27 december 2015;

€ 95,- aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten.

Ziektekosten

Het hof houdt rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

€ 111,- aan basispremie ZVW, als zijnde onbetwist;

€ 31,25 (2015) respectievelijk € 32,08 (2016 en 2017) aan verplicht eigen risico. Weliswaar heeft de rechtbank rekening gehouden met een verplicht eigen risico ad € 30,- en is hier niet tegen gegriefd, doch het hof ziet aanleiding om rekening te houden met het wettelijk verplicht eigen risico, dat voor 2015 is vastgesteld op € 375,- en voor 2016 en 2017 op

€ 385,- op jaarbasis;

minus € 39,- (2015 en 2016), respectievelijk € 40,- (2017), zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Rente en aflossing schulden

De man is van mening dat rekening gehouden dient te worden met schulden die zijn ontstaan in verband met het houden van een hennepplantage in de voormalige echtelijke woning waarvoor hij is veroordeeld. Aan de man is in dit kader een boete opgelegd ad € 750,-, welke boete hij – zoals blijkt uit de door hem overgelegde rekeningafschriften – in 2016 in drie termijnen heeft voldaan. Voorts heeft de man in het kader van deze strafrechtelijke procedure advocaatkosten moeten maken ten bedrage van € 1.923,90, welke kosten eveneens in 2016 in maandelijkse termijnen geheel zijn voldaan.

De man wenst voorts dat rekening gehouden wordt met de bij de strafrechtelijke veroordeling opgelegde ontnemingsvordering ad € 8.000,-. De man stelt dat hij met ingang van 1 januari 2017 maandelijks aan de staat een betaling van € 200,- voldoet ter inlossing van deze vordering.

Tot slot heeft de man naar voren gebracht dat rekening gehouden dient te worden met de gelden – zijnde € 5.000,- in totaal – die hij van zijn zus heeft geleend, althans met de maandelijkse aflossing hiervan ad € 150,-. De man heeft ter zitting naar voren gebracht dat deze gelden niet zijn opgegaan aan kosten die rechtstreeks voortvloeien uit bedoelde strafrechtelijke procedure, maar dat hij daarmee onder andere de energieleverancier en kosten van levensonderhoud heeft voldaan.

De vrouw betwist, en acht het niet geloofwaardig, dat de man gelden heeft geleend van zijn zus. Daartoe voert zij aan dat zij eerst ter zitting heeft vernomen dat deze gelden niet gebruikt zijn voor het aflossen van de schulden die voortvloeien uit de strafrechtelijke veroordeling en dat de man bovendien tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het al dan niet aflossen van deze vermeende lening.

De vrouw betwist niet het bestaan van de boete ad € 750,-, de advocaatkosten ad € 1.923,90 en de ontnemingsvordering ad € 8.000,-, maar zij acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat rekening gehouden wordt met deze schulden, omdat aan deze schulden criminele activiteiten ten grondslag liggen. De vrouw kan zich er niet mee verenigen dat zij via een verminderde partneralimentatie meebetaalt aan de kosten die voortvloeien uit de strafrechtelijke veroordeling van de man. Te meer niet, nu de vrouw van de illegale activiteiten van de man niet op de hoogte is geweest en zelf in die strafrechtelijke procedure is vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is van oordeel dat de man volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd dat hij gelden van zijn zus heeft geleend zodat reeds daarom geen rekening kan worden gehouden met een daaruit voortvloeiende aflossingsverplichting. De man heeft geen geldleningsovereenkomst overgelegd en de door de man overgelegde handgeschreven betalingsbewijzen die zien op de aflossing van deze lening, acht het hof, in het licht van de door de vrouw gemotiveerde betwisting, onvoldoende om daarmee rekening te houden.

Ten aanzien van de boete, de advocaatkosten in de strafrechtelijke procedure en de ontnemingsvordering, is het hof van oordeel dat hiermee rekening gehouden dient te worden nu deze schulden voortvloeien uit gebeurtenissen in de huwelijkse periode. Nu de man de boete (€ 750,-) en de advocaatkosten (€ 1.923,90) in hun geheel in 2016 heeft voldaan, ziet het hof aanleiding om in 2016 rekening te houden met een maandelijkse aflossing van

€ 222,83, zijnde 1/12 (€ 750,- + € 1.923,90).

Ten aanzien van de ontnemingsvordering is het hof van oordeel dat met de door de man gestelde – en door de vrouw niet betwiste – betalingen ad € 200,- vanaf 1 januari 2017 rekening zal worden gehouden, nu de man met ingang van die datum betalingen is gaan verrichten.

Het hof houdt aldus rekening met de navolgende maandelijkse aflossingen:

€ 222,83 met ingang van 1 januari 2016 tot 1 januari 2017;

€ 200,- met ingang van 1 januari 2017.

Vaststelling van de alimentatie

5.6

Het hof houdt bij de vaststelling van de partneralimentatie er rekening mee dat de man

€ 155,- per maand ten behoeve van [minderjarige] voldoet, van wie inmiddels is gebleken dat zij bij de man woont en een studie volgt.

2015

Zoals uit het bovenstaande blijkt, ziet het hof voor wat betreft 2015 geen aanleiding om van een relevant hoger draagkrachtloos inkomen uit te gaan dan waarvan de rechtbank is uitgegaan. Dit leidt ertoe dat de beslissing van de rechtbank wat betreft de bijdrage in 2015 in stand dient te blijven, temeer nu de man in 2015 zelfs een hoger arbeidsinkomen blijkt te hebben genoten dan waarvan de rechtbank is uitgegaan.

2016 en 2017

5.7

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 2.075,- per maand (2016) respectievelijk € 2.083,- per maand (2017), waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten:

de hiervóór genoemde toepasselijke heffingskortingen;

- het eigenwoningforfait, welk forfait het hof conform de rechtbank bepaalt op € 1.522,-;

- de hypotheekrente betreffende de woning van de man.

5.8

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 693,- per maand (2016) respectievelijk € 711,- per maand (2017). Vervolgens houdt het hof rekening met het toepasselijke draagkrachtpercentage voor een alleenstaande van 60% (€ 416,- in 2016 en € 427,- in 2017). Hierop in mindering strekt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding c.q. kosten van studie en levensonderhoud van [minderjarige] ad € 155,-, zodat de man een draagkracht heeft van

€ 261,- per maand (2016) respectievelijk € 272,- per maand (2017) om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

5.9.

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit te realiseren fiscaal voordeel, heeft de man de draagkracht om € 437,- per maand (2016) respectievelijk € 459,- per maand (2017) te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Met het betalen van deze onderhoudsbijdrage is de grens van de draagkracht van de man bereikt.

5.10

Nu het hof de onderhoudsverplichting met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum heeft verlaagd, dient het hof aan de hand van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard.

Het hof is van oordeel dat, voor zover de man vanaf 1 januari 2016 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de onder 5.9 vermelde bijdrage, van de vrouw, gelet op het feit dat zij een uitkering ontvangt die gelijk te stellen is met Participatiewet en het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt. In dit oordeel heeft het hof tevens betrokken dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw vermogen heeft.

6 De slotsom

in het hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 14 juni 2016, voor zover het betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud met ingang van 1 januari 2016, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 23 april 2015 voor zover het betreft de door de man met ingang van 1 januari 2016 te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en bepaalt dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen:

€ 437,- per maand met ingang van 1 januari 2016 tot 1 januari 2017;

€ 459,- per maand met ingang van 1 januari 2017, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 1 januari 2016 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 14 juni 2016 voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.A.M. Scheij en A.M.M. Hompus, bijgestaan door de griffier, en is op 20 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.