Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:44

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
200.197.840_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding.

Vordering opheffing beslag ook in hoger beroep toegewezen.

Misbruik van recht bij handhaving beslag wegens gebrek aan belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.197.840/01

arrest van 10 januari 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. A.W.M. Mans te Venlo,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.J. Arentshorst te Deventer,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 augustus 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 juli 2016, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/222879 KG ZA 16-328)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met twee grieven en producties;

  • -

    de memorie van antwoord met twee producties.

Vervolgens heeft de zaak op de rol gestaan voor beraad partijen en hebben beide partijen aangegeven dat arrest kan worden gewezen. Twee weken later dienden partijen, voor zover nodig, nog te fourneren. Op diezelfde datum heeft [appellante] een brief van een deurwaarder gedeponeerd en de akte van depot bij de stukken gevoegd. Het hof heeft op die rol een datum voor arrest bepaald. Het gedeponeerde stuk, eerder aangekondigd als de later nog toe te zenden productie B, zal bij de beoordeling niet worden meegenomen nu het te laat bij de stukken is gevoegd en [geïntimeerde] niet in de gelegenheid is geweest om erop te reageren.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

- [geïntimeerde] en [appellante] zijn gewezen echtelieden. Tijdens het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2005 de thans nog minderjarige [minderjarige] geboren.

- Bij beschikking van 18 juni 2007 (zaak-/rolnummer 86253 FA RK 07/995) heeft de rechtbank Zutphen bij wege van voorlopige voorziening bepaald dat [geïntimeerde] een bijdrage in de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige van € 259,00 per maand aan [appellante] dient te betalen. De rechtbank heeft daarnaast verstaan dat [geïntimeerde] de rente en aflossing van € 832,00 per maand op de hypothecaire lening en van € 600,00 per maand op de persoonlijke lening zal betalen.

- [geïntimeerde] heeft geen uitvoering gegeven aan wat hem bij voornoemde beschikking is opgedragen en wat van hem op grond van die beschikking werd verwacht. [appellante] heeft zich vervolgens tot de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen gewend. Deze heeft bij vonnis in kort geding van 5 oktober 2007 (zaak-/rolnummer 87568 / KG ZA 07-2016) bij wege van voorlopige voorziening, voor zover thans van belang, [geïntimeerde] bevolen over te gaan tot betaling van de aflossing en rente van de hypothecaire lening en de persoonlijke lening op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per maandbedrag (met een maximum van

€ 20.000,00) waarmee [geïntimeerde] achterstallig is met de betaling van voornoemde aflossing en rent. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellante] van elk bedrag gelijk aan het bedrag dat door de hypotheekverstrekker dan wel de kredietverstrekker bij [appellante] wordt geïnd.

- Bij beschikking van 12 december 2007 (zaak-/rolnummer 86280 FA RK 07/1006) heeft de rechtbank Zutphen de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover thans van belang, bepaald dat [geïntimeerde] vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand een bijdrage van € 750,00 per maand in het levensonderhoud van [appellante] en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen een bijdrage van € 400,- per maand dient te voldoen.

- De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand op 26 februari 2008.

- Nadat [geïntimeerde] een betalingsachterstand heeft laten ontstaan, heeft [appellante] meerdere malen executoriaal derdenbeslag laten leggen op het loon van [geïntimeerde] , laatstelijk op 13 mei 2016 onder Roostervakschool B.V. te [vestigingsplaats] . In het beslagexploot is, voor zover thans van belang, het navolgende opgenomen:

‘(…) beslagvrije voet in euro’s: 875,43 Per maand

Uit krachte van de in executoriale vorm uitgegeven grosse van een Vonnis in kort geding op

5 oktober 2007 en uit krachte van de in executoriale vorm uitgegeven grosse van een Vonnis op 18 juni 2007 door de Rechtbank te Zutphen gewezen/uitgevaardigd in de zaken van verzoekende partij als (schuld)eisers en beslagene voornoemd als gedaagde/schuldenaar, houdende veroordeling van beslagene om aan verzoekende partij te betalen de hieronder vermelde bedragen, welke executoriale titels bij exploot van 11 oktober 2007, 17 oktober 2007 aan beslagene zijn betekend met gelijktijdig bevel om binnen twee dagen nadien aan de inhoud daarvan te voldoen, waaraan geen gevolg is gegeven; (...)

(...) zulks om te komen tot verhaal van de vorderingen van verzoek(st)er op de beslagene voornoemd, tot een beloop van de navolgende bedragen:

[vordering 1]

Hoofdsom € 12.888,00

Executiekosten € 976,54

Dwangsommen € 5.000,00

Subtotaal € 18.864,54

In mindering betaald € 13.929,17

Totaal € 4.935,37

[vordering 2]

Hoofdsom € 18.600,91

Executiekosten € 462,99

Alimentatie tot mei 2016 € 103.764,67

Alimentatie vanaf mei 2016 € p.m.

Subtotaal € 122.828,57

In mindering betaald € 41.472,79

Totaal € 81.355,78

Totaal generaal behoudens p.m. . € 86.291,15

Vermeerderd met de kosten van dit proces-verbaal, als hieronder vermeld

onverminderd verdere rente, en verdere reeds gemaakte en nog te maken kosten en verschotten van executie en die om daartoe te geraken, waaronder begrepen eventuele verdeelkosten en waarvan zonodig opgave zal worden verstrekt; (...).

- [appellante] heeft voornoemd beslagexploot op 3 juni 2016 aan [geïntimeerde] doen

betekenen.

-Als productie bij de conclusie van antwoord/ eis in reconventie is een recenter overzicht gevoegd, sluitende op € 90.338,78, na aftrek van hetgeen in mindering is voldaan, in totaal € 41.472,79.

- Op 14 juli 2016 heeft [geïntimeerde] een verzoek bij deze rechtbank ingediend tot limitering dan wel nihilstelling van de partneralimentatie, tot wijziging van de kinderalimentatie

en tot vaststelling dan wel wijziging van de zorg- en contactregeling. Niet is gebleken dat de rechtbank op dit verzoek reeds heeft beslist (wel is het verweerschrift als productie bij de memorie van antwoord in deze zaak overgelegd).

3.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in kort geding gevorderd:

Primair:

- schorsing van de executie van de beschikkingen van de rechtbank Zutphen van 18 juni 2007 en 12 december 2007 en het vonnis in kort geding van 5 oktober 2007;

- opheffing van het op 13 mei 2016 ten laste van [geïntimeerde] gelegde executoriaal loonbeslag;

- [appellante] te verbieden om ter zake de onderhavige kwestie opnieuw executiemaatregelen te treffen, waaronder het opnieuw leggen van executoriaal beslag, dit op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat [appellante] in gebreke blijft aan dit verbod te voldoen;

Subsidiair:

- het treffen van zodanige voorzieningen ten aanzien van de executie en executiemaatregelen als de voorzieningenrechter in goede justitie voorkomt;

Primair en subsidiair:

- veroordeling van [appellante] tot betaling van de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht en het voornemen van zijn werkgever om de arbeidsrelatie te beëindigen, in een noodtoestand zal komen te verkeren indien de executie van de beschikkingen van 18 juni 2007 en 12 december 2007 en het kort geding vonnis van 5 oktober 2007 wordt voortgezet en dat [appellante] om die reden misbruik maakt van haar executierecht. Dit misbruik rechtvaardigt, aldus [geïntimeerde] , zowel de schorsing van de executie als de opheffing van het in verband met de beschikking van 18 juni 2007 en het vonnis in kort geding van 5 oktober 2007 gelegde executoriale loonbeslag, dit laatste mede vanwege de omstandigheid dat de te verhalen vorderingen reeds zijn verjaard en voldaan.

3.2.3.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.4.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd, overwogen dat [appellante] door de beschikkingen en het vonnis in kort geding te executeren geen misbruik van haar recht maakt en is de door [geïntimeerde] gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging afgewezen. De voorzieningenrechter heeft voorts het door [appellante] ten laste van [geïntimeerde] uit hoofde van het beslagexploot van 13 mei 2016 gelegde executoriale derdenbeslag opgeheven. De voorzieningenrechter heeft in dat verband, kort gezegd, overwogen dat niet aannemelijk is dat de vordering die [appellante] uit hoofde van de onderhavige executoriale titels heeft het al op grond van eerder executoriale derdenbeslagen afgedragen bedrag van

€ 41.472,79 overschrijdt, zodat zij thans geen belang meer heeft bij handhaving van het op 13 mei 2016 gelegde executoriale derdenbeslag op het loon van [geïntimeerde] en misbruik maakt van recht maakt door het beslag desondanks te handhaven. Het door [geïntimeerde] gevorderde verbod tot het nemen van executiemaatregelen heeft de voorzieningenrechter ten slotte eveneens afgewezen.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] tot opheffing van het beslag, waardoor het beslag herleeft, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3.5.

Het hof zal de twee grieven van [appellante] gezamenlijk behandelen. De grieven zijn enkel gericht tegen de opheffing van het onder de werkgever van [geïntimeerde] gelegde derdenbeslag van 13 mei 2016. De grieven houden in dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat er aan de zijde van [appellante] geen belang meer bestaat bij handhaving van het op 13 mei 2016 gelegde executoriaal derdenbeslag op het loon van [geïntimeerde] en dat [appellante] door handhaving van het beslag misbruik maakt van haar recht, zodat het beslag dient te worden opgeheven. [appellante] voert in dit kader aan dat, anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld, de eerdere executoriale derdenbeslagen wél tot verhaal strekten van hetgeen [geïntimeerde] uit hoofde van de beschikking van 12 december 2007 verschuldigd is, zodat er nog wel degelijk openstaande vorderingen op [geïntimeerde] zijn uit hoofde van de beschikking van 18 juni 2007 en het vonnis in kort geding van 5 oktober 2007. [appellante] is gelet daarop van mening dat het haar vrijstond om executiemaatregelen te treffen, zoals zij heeft gedaan in de vorm van het executoriale derdenbeslag van 13 mei 2016, en dat zij dus geen misbruik heeft gemaakt van haar recht.

[geïntimeerde] heeft het voorgaande bestreden.

3.6.

Het hof overweegt als volgt.

3.6.1.

Voor opheffing van een executoriaal beslag kan aanleiding zijn indien een beslaglegger misbruik zou maken van zijn executiebevoegdheid. Van een dergelijk misbruik kan sprake zijn indien enerzijds de beslaglegger geen redelijk belang heeft bij voortzetting van de executie en de beslagene anderzijds door de executie onredelijk wordt gedupeerd. Thans dient de vraag te worden beantwoord of [appellante] een redelijk belang heeft bij handhaving van het onder de (huidige) werkgever van [geïntimeerde] gelegde executoriaal derdenbeslag van 13 mei 2016.

3.6.2.

Het hof stelt vast dat blijkens het beslagexploot het beslag enkel strekt ten verhaal van hetgeen [geïntimeerde] op grond van de beschikking van 18 juni 2007 en het kortgedingvonnis van 5 oktober 2007 aan [appellante] is verschuldigd en dus niet van hetgeen is verschuldigd uit hoofde van de beschikking van 12 december 2007, punt 6 appeldagvaarding.

3.6.3.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis vastgesteld dat [geïntimeerde] aan [appellante] op grond van de beschikking van 18 juni 2007 ter zake van een bijdrage in de verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen een totaal bedrag van € 1.770,00 en op grond van het kort geding vonnis van 5 oktober 2007 ter zake van achterstallige aflossingen en rente een totaal bedrag van € 15.335,00 is verschuldigd, hetgeen neerkomt op een totaal bedrag van € 16.889,00. Hiertegen is door [geïntimeerde] geen grief gericht, zodat het hof hiervan eveneens zal uitgaan. Voorts is niet in geschil dat op grond van eerdere door [appellante] gelegde derdenbeslagen ten laste van [geïntimeerde] een totaal bedrag van € 41.472,79 is afgedragen aan [appellante] , welk bedrag het eerstgenoemde bedrag ruimschoots overschrijdt.

3.6.4.

Uit het bij conclusie van antwoord/ eis in reconventie overgelegde overzicht van de deurwaarder blijkt dat [appellante] , gelet op de genoemde bedragen, haar vordering vrijwel uitsluitend baseert op verschuldigde partner- en kinderalimentatie uit hoofde van de beschikking van 12 december 2007 vanaf oktober 2007. Van de beschikking voorlopige voorzieningen wordt slechts genoemd, uit 2007, te voldoen drie maal € 259,- (= € 777,-). Aangenomen moet worden dat hetgeen is betaald (€ 41.472,79) eerst in mindering strekt op de oudste vordering, zodat er – volgens de stellingen van [appellante] zelf - uit hoofde van beschikking en het vonnis waarvoor beslag is gelegd, geen vordering resteert.

3.6.5.

In de toelichting op haar grief stelt [appellante] dat de voorzieningenrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat niet is gebleken dat eerdere executoriale beslagen wel strekten tot verhaal van hetgeen [geïntimeerde] verschuldigd is uit hoofde van de beschikking van 12 december 2007. In het midden kan worden gelaten wat er zij van andere beslagen. In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter alleen het door [appellante] op 13 mei 2016 gelegde executoriale beslag opgeheven. Deze beslissing is juist omdat er, volgens de stellingen van [appellante] in deze procedure, geen vorderingen (meer) bestaat uit hoofde van de beschikking van 18 juni 2007 en het vonnis van 5 oktober 2007. [appellante] heeft mitsdien geen belang bij handhaving van dit beslag.

3.6.6.

Het hof is dan ook met de voorzieningenrechter van oordeel dat [appellante] reeds hierom geen belang meer heeft bij handhaving van het ten laste van [geïntimeerde] op 13 mei 2016 gelegde executoriale loonbeslag en dat zij door dat beslag desondanks te handhaven misbruik maakt van haar recht.

Gelet hierop kan ook in hoger beroep in het midden worden gelaten in hoeverre de vorderingen van [appellante] inmiddels zijn verjaard.

3.8.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven van [appellante] falen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep. Het hof begroot deze kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op

€ 314,00 aan griffierecht en op € 894,00 aan salaris advocaat (1 punt (memorie van antwoord (maal tarief II).

3.9.

De door [geïntimeerde] gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen op de hierna te volgen wijze.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 314,00 aan griffierecht en op € 894,00 aan salaris advocaat,

en

voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en

bepaalt dat voornoemde proceskosten binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

en

verklaart voornoemde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, A.J. Henzen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 januari 2017.

griffier rolraadsheer