Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4364

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-10-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
20-000819-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zinloos geweld, openlijke geweldpleging (art. 141 Sr). Geen onrechtmatige staande houding of aanhouding. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000819-17

Uitspraak : 12 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 maart 2017 in de strafzaak met parketnummer 02‑800141-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [plaats] op [datum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van 885 euro, bestaande uit 385 euro materiële schade als gevolg van het verbruikte eigen risico bij de zorgverzekering en 500 euro immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken en de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Breda, met een ander of anderen op of aan de openbare weg, Haven, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever] , welk geweld bestond uit:

  • -

    het meerdere malen, althans eenmaal met kracht (in/tegen het gezicht) slaan en/of stompen en/of

  • -

    het (met kracht) naar de grond trekken van die [aangever] voornoemd en/of

  • -

    het meerdere malen, althans eenmaal met kracht schoppen en/of trappen tegen het lichaam;

subsidiair:
hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [aangever] heeft mishandeld door die [aangever] voornoemd:

  • -

    meermalen te slaan en/of te stompen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam en/of

  • -

    meermalen (met kracht) naar de grond te trekken en/of

  • -

    meermalen (met kracht) te schoppen en/of te trappen tegen het lichaam.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 26 februari 2017 te Breda, met anderen op of aan de openbare weg, Haven, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever] , welk geweld bestond uit:

  • -

    het meerdere malen met kracht slaan en

  • -

    het (met kracht) naar de grond trekken en

  • -

    het meerdere malen met kracht schoppen tegen het lichaam.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

1. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 26 februari 2017 (pg. 4-5), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever]:

Ik doe aangifte van mishandeling. Op zondag 26 februari 2017, iets na 04.30 uur, liep ik over de Haven te Breda ter hoogte van [naam] . Ineens werd ik door 6 á 7 man aangevallen. Ik werd geslagen en geschopt over mijn hele lichaam. Door deze klappen en trappen voelde ik pijn. Ik heb hierdoor een bloedneus en –lip en ben buiten bewustzijn geweest.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 februari 2017 (pg. 6-7), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:

Op 26 februari 2017, omstreeks 04.39 uur, werd door collega [verbalisant 3] , belast met cameraobservatie, doorgegeven dat een persoon werd mishandeld door meerdere personen. De persoon werd mishandeld voor een eetgelegenheid genaamd [naam] , gevestigd aan de Haven te Breda. Ik fietste op dat moment op de Vismarktstraat te Breda en ben ter plaatse gegaan. Ik hoorde dat collega [verbalisant 3] doorgaf dat de daders van de mishandeling van de Haven wegrenden in de richting van de Haagdijk.

Ik ben vervolgens via de “Hoge Brug” de Prinsenkade opgereden in de richting van de Haagweg. Ik zag vanaf de Prinsenkade meerdere personen de Haagweg (het hof begrijpt: Haagdijk) oprennen en hoorde dat collega [verbalisant 3] doorgaf dat de daders vanaf de Prinsenkade de Haagweg (het hof begrijpt: Haagdijk) oprenden. Ik zag op dat moment twee personen, de hierna te noemen verdachte [medeverdachte] en [verdachte] , vanaf de Haagweg (het hof begrijpt: Haagdijk) de Prinsenkade op kwamen rennen. Ik zag dat de verdachten in mijn richting kwamen gerend. Ik zag dat de verdachten stopten met rennen, kennelijk op het moment dat zij mij aan zagen komen rijden over het trottoir langs de Prinsenkade.

Ik riep de verdachten aan dat zij moesten blijven staan. Ik zag dat zij gehoor gaven en bleven staan. Ik zag en hoorde dat verdachte [verdachte] kennelijk buiten adem was en hijgde. Ik zag dat de verdachte [verdachte] was gekleed in een zwart T-shirt met korte mouwen en een donkere broek. Ik zag dat verdachte [medeverdachte] gekleed was in een grijs trainingsjack. Ik vroeg collega [verbalisant 3] of zij mij kon bevestigen of de verdachten voldeden aan het signalement van de betrokken verdachte van de gepleegde mishandeling. Ik hoorde dat de verdachten inderdaad konden worden aangemerkt als verdachten van de gepleegde mishandeling. Hierop werden de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] aangehouden.

Verdachte: [verdachte] , geboren op [datum] te [plaats] .

Het hof heeft daar waar in voormeld relaas van verbalisant [verbalisant 1] meermalen de straatnaam Haagweg is genoemd die straatnaam gelezen als Haagdijk, nu het hof ambtshalve bekend is met het feit dat de Haagdijk in Breda enerzijds via de Tolbrug in verbinding staat met de Haven en anderzijds kruist met de Prinsenkade en de Haagweg in het verlengde van de Haagdijk ligt. Het hof gaat dan ook uit van een kennelijk vergissing en dat, indien en voor zover nodig, daar waar in voormeld proces‑verbaal de Haagweg wordt genoemd Haagdijk moet worden gelezen.

3. Het proces-verbaal aanhouding d.d. 26 februari 2017 (pg. 22), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:

Op zondag 26 februari 2017, omstreeks 04.40 uur, hield ik op de Prinsenkade te Breda als verdachte aan: [verdachte] , geboren op [datum] te [plaats] .

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 februari 2017 (pg. 10-11), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:

Op 26 februari 2017 bekeek ik camerabeelden van een mishandeling / openlijke geweldpleging, waarbij de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] zijn aangehouden. Ik zie op de beelden het volgende:

Ik zie dat een manspersoon rechts van een groep personen staat. Ik herken deze persoon als zijnde de verdachte [verdachte] . Ik zie dat de verdachte tegenover een manspersoon staat die met zijn rug richting de verdachte staat. Het is mij ambtshalve bekend dat de jongen die met de rug naar de verdachte toe staat, de aangever is. Ik herken de locatie als zijnde de Haven in Breda. Het is mij ambtshalve bekend dat de persoon voor eetgelegenheid [naam] staat. Ik zie dat de verdachte [verdachte] vervolgens met zijn rechterhand tegen de rechterkant van het gezicht van de jongen slaat. Ik zie direct hierna dat de verdachte beide armen om de aangever heen slaat en ik zie dat de verdachte de aangever met kracht naar de grond toe werkt. Ik zie dat de verdachte direct hierna met zijn rechterhand meerdere malen op de aangever slaat, terwijl de aangever op de grond ligt. Vervolgens zie ik dat de verdachte een tweetal passen achteruit neemt en dat hij met zijn rechterbeen met kracht tegen de aangever schopt. Ik zie dat de aangever nog steeds op de grond ligt. Ik zie dat meerdere mensen zich bemoeien met de vechtpartij. Ik zie dat al deze personen zich tegen de aangever keren en ik zie dat de personen geweld toepassen op de aangever. Ik zie dat door meerdere personen wordt geslagen en geschopt richting de aangever. Ik zie dat de aangever door de personen meerdere malen geraakt worden.

Ik zie dat er een manspersoon richting de vechtende groep komt lopen. Ik herken deze man als zijnde de verdachte [medeverdachte] . Ik zie dat de camera bijgedraaid moet worden omdat de groep vechtende personen zich verplaatst richting de rechterkant van de straat. Ik zie dat er vervolgens nog steeds wordt gevochten. Ik zie vervolgens dat verdachte en verdachte [medeverdachte] weglopen in de richting van de Haagdijk te Breda. Ik zie dat de verdachte [verdachte] een donkere broek draagt en een zwart t-shirt met korte mouwen. Ik zie dat de verdachte [medeverdachte] een grijs jack draagt.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

i. onrechtmatige aanhouding

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, omdat sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting. De enkele omstandigheid dat de verdachte over straat rende was immers onvoldoende reden om een vermoeden van schuld op te baseren. Voorts vond de staande houding niet plaats voor het doel genoemd in artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering, maar om een signalement te vergelijken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] (pg. 8 van het procesdossier), die was belast met het cameratoezicht voor de horeca van het centrum van Breda, blijkt dat zij op 26 februari 2017 omstreeks 04.38 uur op de camera die was gericht op De Haven, voor eetcafé [naam] zag dat er werd gevochten door een groep van meerdere personen en dat hierbij één persoon klappen en schoppen van meerdere personen ontving. Zij gaf dit door aan de collega beveiliger die de politie collega’s in de binnenstad waarschuwde en positioneerde. Voorts gaf zij het signalement door van een van de personen die het slachtoffer aanviel en sloeg en schopte. Zij zag dat de verdachten wegrenden en zich verspreiden. Zij zag voorts een vijftal mannen naar rechts lopen en ter hoogte van de lage brug in de richting van de Haagdijk wegrennen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] (pg. 6 van het procesdossier), lid van het bike-team, blijkt dat omstreeks 04:39 uur door collega [verbalisant 3] werd doorgegeven dat er een persoon werd mishandeld door meerdere personen voor eetgelegenheid [naam] aan de Haven te Breda en dat de daders vanaf de Haven wegrenden in de richting van de Haagdijk. Hij is ter plaatse gegaan en zag twee personen waaronder, naar later bleek, de verdachte vanaf de Haagweg de Prinsenkade op kwamen rennen. Beiden waren buiten adem. De verdachte werd staande gehouden en, nadat verbalisant [verbalisant 3] had bevestigd dat hij voldeed aan het signalement van de betrokken verdachten van de mishandeling, aangehouden.

Het hof is van oordeel dat op grond van deze objectieve en concrete feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende verdenking voor betrokkenheid van de verdachte bij een strafbaar feit voortvloeide waarvoor zijn staande houding en daaropvolgende aanhouding gerechtvaardigd was. Het verweer van de verdediging wordt mitsdien verworpen. De enkele omstandigheid dat de verdachte, anders dan door verbalisant [verbalisant 3] kennelijk eerder was doorgegeven, bij zijn aanhouding zwarte in plaats van lichte dan wel witte sneekers droeg, maakt dit niet anders, te minder nu de verdachte voor het overige voldeed aan het opgegeven signalement.

ii. bewijs

Het hof overweegt voorts als volgt. Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat op 26 februari 2017 een vechtpartij plaatsvond aan de Haven te Breda, waarbij de aangever mishandeld werd door meerdere personen. Deze vechtpartij werd door het observatieteam via camera’s live gezien en een zich in de nabijheid bevindende agent van het bike-team werd hiervan in kennis gesteld. Deze zag vrijwel onmiddellijk twee personen komen rennen uit richting van de plek van de vechtpartij, zoals doorgegeven door het observatieteam. Bij controle bleek het signalement van de verdachte overeen te komen met dat van een van de daders zichtbaar op de beelden.

Onder deze omstandigheden, in het bijzonder de zeer korte tijdspanne tussen de melding (04.39 uur) en de aanhouding (04.40 uur), de richting van waaruit de verdachte en [medeverdachte] gerend kwamen, de omstandigheid dat hun kleding gelijk was aan de door het observatieteam waargenomen kleding, waaronder een donker T-shirt met korte mouwen dat verdachte droeg, is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte de persoon is die betrokken was bij de vechtpartij en die te zien is op te beelden als de persoon die als eerste het slachtoffer sloeg en naar de grond toe heeft getrokken.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de beelden duidelijk zijn en dat die geen aanleiding geven te veronderstellen dat sprake is van een persoonsverwisseling. Zo is op de camerabeelden geen andere persoon zichtbaar met een donker T-shirt met korte mouwen. De discrepantie tussen de beschrijving van de kleur van de schoenen zoals de verdachte die droeg en de kleur van de schoenen zichtbaar op de beelden, acht het hof een kennelijk verkeerde waarneming dan wel onjuiste verbalisering en leidt niet tot een ander oordeel.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tijdens carnaval. Naar het oordeel van het hof is dit geweld een toonbeeld van zinloos geweld. Het slachtoffer werd immers ogenschijnlijk zonder enige aanleiding van achteren aangevallen door de verdachte, naar de grond toegetrokken en vervolgens, toen hij weerloos op de grond lag, door een groep mannen, waaronder verdachte, meermalen geslagen en geschopt. Het hof kan niet anders oordelen dan dat sprake is van laakbaar en uitermate laf gedrag van onder meer de verdachte.

Voorts heeft het hof in aanmerking genomen de omstandigheid dat verdachte geen verantwoording heeft afgelegd voor dat gedrag en aldus kennelijk geen enkele verantwoordelijkheid daarvoor neemt.

Uit de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting blijkt dat voor soortgelijke feiten in de regel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden wordt opgelegd. In onderhavige zaak ziet het hof geen enkele aanleiding om daar van af te wijken. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat dit zinloos geweld voor veel onrust en tot toenemende gevoelens van onveiligheid in de maatschappij leidt.

Het hof heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, hierin bestaande dat hij een baan, vrouw, kinderen en een huurhuis heeft alsmede dat hij blijkens het hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 25 juli 2017 niet eerder is veroordeeld ter zake soortgelijke feiten. Hoewel een gevangenisstraf mogelijk zeer nadelige gevolgen voor de verdachte zal hebben, weegt dat naar het oordeel van het hof niet op tegen de ernst en lafheid van onderhavig feit.

Het hof zal de verdachte dan ook veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest. Naar het oordeel van het hof kan aldus niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd, omdat daarin de ernst van het feit onvoldoende tot uitdrukking komt.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij [aangever] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet‑ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft kennelijk bedoeld zich in hoger beroep opnieuw te voegen.

Het hof heeft geconstateerd dat de vordering geheel niet onderbouwd is middels facturen, medische informatie of anderszins. De gestelde schade is zodoende niet vast te stellen. Schorsing van de behandeling van de zaak ter nadere onderbouwing van die vordering acht het hof een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom in zijn vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet echter wel aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Gelet op de aard en impact van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. Het hof kan en zal de immateriële schade schatten naar billijkheid. Het schat deze op 750 euro en zal derhalve aan de verdachte ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot dit bedrag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Verklaart de benadeelde partij [aangever] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Aldus gewezen door:

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. C.M. Hilverda, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier,

en op 12 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. C.M. Hilverda is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Baronie, DAP de Baronie, registratienummer PL2000-2017044614, afgesloten d.d. 26 februari 2017 (doorgenummerde pagina's 1 tot en met 37). Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.