Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4363

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
200.181.024_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenlevingsovereenkomst; geldlening; verhuisvergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.181.024/01

arrest van 10 oktober 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. E.E. Frenken te Boxmeer,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. P.A. Groenhuis te Breda,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 januari 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer 3682734 CV 14-7818 gewezen vonnis van 17 juni 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 12 januari 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie op 3 maart 2016;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het bij H12-formulier van 7 juni 2017 door de advocaat van de man toegezonden “productieoverzicht” met productie 26;

  • -

    het pleidooi, waarbij de advocaat van de man pleitnotities heeft overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In rov. 3.1. van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

6.1.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad die op 19 mei 2013 is geëindigd. Partijen hebben op die datum een daartoe strekkende verklaring ondertekend.

Uit de relatie van partijen is de thans nog minderjarige [minderjarige] geboren.

6.1.2.

Op 22 juli 2010 hebben partijen een samenlevingsovereenkomst gesloten.

In de samenlevingsovereenkomst is, voor zover rechtens relevant, opgenomen:

“(…)

2. Draagplicht van de kosten van de huishouding

1. De kosten van de gemeenschappelijk gevoerde huishouding moeten door beide partners worden betaald naar evenredigheid van hun inkomens. Voor zover die inkomens ontoereikend zijn, komen die kosten ten laste van de inkomsten uit vermogen, naar evenredigheid van die inkomsten. Voor zover ook die inkomsten ontoereikend zijn, komen die kosten ten laste van de vermogens, naar evenredigheid van die vermogens

Een en ander geldt niet, voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.

2. Wanneer een van de partners meer heeft betaald dan waartoe deze volgens het in het vorige lid bepaalde verplicht was, ontstaat geen recht om het teveel betaalde terug te vorderen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen (...).

12. Einde van de samenleving anders dan door overlijden (...)

2. Als de redelijkheid dit gebiedt, is de [man] verplicht een financiële bijdrage van een duizend vijfhonderd euro (€ 1.500,00) te leveren aan de verhuis- en herinrichtingskosten van [de vrouw] (...).”

6.1.3.

Gedurende de samenleving bewoonden partijen de woning die enkel eigendom was van de man. De man heeft de aan de hypothecaire lening verbonden rente voldaan.

6.2.1.

De man heeft de vrouw in rechte betrokken. Hij heeft in conventie ter zake van de financiële afwikkeling in verband met de beëindiging van de samenleving tussen partijen, samengevat, gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem een bedrag van (per saldo) € 5.806,60.

6.2.2.

De vrouw heeft in reconventie, samengevat, gevorderd, de man te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 1.500,-- ter zake van verhuis- en inrichtingskosten.

6.3.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep:

in conventie, de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van € 2.498,21, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

in reconventie de man veroordeeld om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 21 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

in conventie en in reconventie de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

De man kan zich niet verenigen met het vonnis en hij is daarvan in hoger beroep gekomen.

Op 3 maart 2016 is een comparitie na aanbrengen ten overstaan van het hof gehouden. Partijen hebben bij deze comparitie geen overeenstemming bereikt.

6.4.

De man heeft in hoger beroep tien grieven aangevoerd. De man heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog volledig toewijzen van zijn vordering en het volledig afwijzen van de vordering van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties.

6.5.

De grieven van de man betreffen:

  • -

    de schuld van de vrouw aan de man ter zake geldlening (grief 1);

  • -

    de kosten van de accountant en notaris (grieven 2 en 3);

  • -

    het door de vrouw aan de man terug te betalen bedrag (grief 4);

  • -

    de verhuisvergoeding (grieven 5 en 9);

  • -

    de proceskosten (grieven 6, 7 en 10).

Grief 8 is een veeggrief die naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis heeft. Deze grief behoeft derhalve geen bespreking.

Schuld ter zake geldlening (grief 1)

6.6.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering ad € 1.700,-- ter zake van geldlening heeft afgewezen.

De man heeft aan de vrouw een bedrag van € 10.661,11 alsmede een bedrag van € 1.916,-- geleend. Na de bespreking van 23 mei 2013 waarin werd vastgesteld dat de lening die de vrouw bij de man had volledig is terugbetaald, is gebleken dat de vrouw ten onrechte een bedrag van € 1.700,-- (de conform afspraak aan de man toekomende belastingteruggaaf over 2009) heeft aangemerkt als terugbetaling van de lening.

6.7.

De vrouw erkent de lening van € 10.661,11, doch stelt dat deze volledig door haar is afgelost. Zij betwist de lening van (afgerond) € 1.916,--, stellende dat het hier gaat om kosten van de huishouding, die ingevolge art. 2 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst (rov. 6.1.2.), niet voor verrekening in aanmerking komen.

6.8.

Het hof overweegt als volgt.

6.8.1.

Uit het door de man als prod. 8 bij inleidende dagvaarding overgelegde overzicht van de geldlening blijkt dat de vrouw in de jaren 2009 tot en met 2012 vrijwel maandelijks bedragen heeft overgemaakt (in genoemd overzicht vermeld onder het kopje ‘aflossing’). De in het overzicht vermelde bedragen, waaronder een bedrag van € 1.700,-- (op 27 oktober 2010), corresponderen met de bedragen die in de transactieoverzichten van [bank] Telebankieren (overgelegd als prod. 23 en 24 bij memorie van grieven) zijn aangeduid als ‘aflossing lening’. Voor zover de man heeft gesteld dat, achteraf bezien, het hiervoor genoemde bedrag van € 1.700,-- niet een aflossing op de lening is, aangezien dit bedrag de hem toekomende belastingteruggaaf over 2009 ad € 1.689,-- betreft, volgt het hof hem daarin niet. Voor de vraag of op de lening is afgelost, is de herkomst van de middelen immers niet relevant. Of de man vervolgens ter zake de belastingteruggaaf 2009 een vorderingsrecht heeft jegens de vrouw maakt geen deel uit van de rechtsstrijd tussen partijen, zodat het hof aan een beoordeling daarvan niet toekomt.

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw ter zake geldlening aan de man het op het overzicht vermelde totaalbedrag van € 12.578,11 heeft betaald. Nu hiermee beide door de man gestelde leningen zijn afgelost, komt de man geen vorderingsrecht jegens de vrouw ter zake van geldlening meer toe. De eerste grief faalt derhalve.

Het hof komt, gelet op het voorgaande, niet toe aan de beoordeling van de door de vrouw betwiste lening ad € 1.916,54.

6.8.2.

Voor zover de vrouw (onder verwijzing naar de als productie 23 overgelegde transactieoverzichten van [bank] Telebankieren) heeft verzocht de helft van hetgeen zij zonder recht of titel op de gezamenlijke rekening van partijen heeft overgemaakt, aldus onverschuldigd heeft betaald, te weten een bedrag van € 1.917,--, te verrekenen met de vorderingen van de man, gaat het hof daaraan voorbij nu de vrouw daartoe geen vordering heeft ingesteld en verrekening bij wege van verweer niet kan slagen omdat de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (art. 6:136 BW).

Kosten accountant en notaris (grieven 2 en 3)

6.9.1.

Grief 2 keert zich tegen rov. 3.16 van het bestreden vonnis. Daarin oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken dat de vrouw aan de accountant, respectievelijk partijen aan de notaris opdracht hebben gegeven tot het verrichten van werkzaamheden, maar dat ervan moet worden uitgegaan dat de ouders van de man die opdrachten hebben verleend. Grief 3 keert zich tegen rov. 3.17 waarin de rechtbank, samengevat, heeft geoordeeld dat er van een overeenkomst van geldlening ter zake van de kosten van de accountant en notaris geen sprake is.

Volgens de man zijn de werkzaamheden van de accountant en de notaris betaald door de ouders van de man. Het betreft een lening van de ouders aan partijen, die partijen moeten terugbetalen. De man heeft het geleende bedrag volledig terugbetaald aan zijn ouders. Derhalve moet de vrouw de kosten van de accountant (€ 764,15) en de helft van de kosten van de notaris ((685,84:2=) € 342,92) aan hem betalen (mvg, pt. 21 t/m 26). De rechtbank heeft dan ook ten onrechte zijn daartoe strekkende vordering afgewezen.

6.9.2.

De vrouw voert hiertegen, samengevat, het volgende aan.

De vrouw heeft nimmer afgesproken dat zij de kosten van de accountant en de notaris aan de ouders van de man zou betalen. Zij betwist de inhoud van de als productie 10 in eerste aanleg ingebrachte overeenkomst/verklaring (die eerst na de beëindiging van de samenleving tussen partijen is opgesteld) dienaangaande uitdrukkelijk. In geen van de tientallen financiële overzichten die door de moeder van de man betreffende de financiën van partijen zijn opgemaakt, zijn de kosten van de accountant en notaris (als lening) opgenomen. Voor zover deze kosten al reëel zouden zijn, vallen deze onder de kosten van de huishouding, als bedoeld in art. 2.2 van de samenlevingsovereenkomst (rov. 6.1.2.).

Ter bescherming van het inkomen en vermogen van de man bemoeiden de ouders van de man zich in grote mate met de financiële zaken van partijen. De vrouw werd zoveel mogelijk gecontroleerd en beperkt in het doen van huishoudelijke uitgaven. Onder de dreiging dat de schenkingsconstructie met betrekking tot de woning van de man stopgezet zou worden, werd zij gedwongen haar medewerking te verlenen aan de diensten van de accountant en notaris. De vrouw zelf heeft daartoe de opdracht niet gegeven. Zij heeft ook nimmer de beschikking gekregen over haar administratie en correspondentie bij de accountant en de notaris. Alle stukken, alsook haar DigiD code, waren in het bezit van de ouders van de man.

6.9.3.

Het hof overweegt als volgt.

6.9.4.

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of zij voor de kosten van de accountant (ter zake van de aangiftes IB 2009 tot en met 2012) en de notaris (ter zake van samenlevingsovereenkomst en testamenten) een lening bij de ouders van de man zijn aangegaan, ter zake waarvan de man thans, omdat hij de lening bij zijn ouders heeft afgelost, een regresvordering heeft op de vrouw. De vraag in hoeverre al dan niet sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht, waarbij de vrouw als opdrachtgever moet worden beschouwd, behoeft derhalve geen beantwoording.

6.9.5.

Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat partijen voor wat betreft de kosten van de accountant en van de notaris een lening bij de ouders van de man zijn aangegaan. De vrouw heeft die stelling van de man voldoende gemotiveerd betwist en bewijs van die stelling heeft de man niet aangeboden. Het door de man gedane algemene bewijsaanbod (“De man biedt tot slot bewijs aan van al zijn stellingen”) passeert het hof met inachtneming van vaste jurisprudentie hieromtrent (zie o.m. ECLI:NL:HR:2004:AO7817, 2014:3075 en 2015:3009) als onvoldoende specifiek.

Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat, hoewel de moeder van de man de financiën van de vrouw nauwgezet administreerde, de kosten (van geldlening) ter zake de accountant en de notaris niet zijn opgenomen in de maandelijks door haar opgemaakte financiële overzichten. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de man desgevraagd ter zake van de gestelde overeenkomst van geldlening niet heeft kunnen aangeven waarom partijen het geld moesten lenen en onder welke voorwaarden de geldlening zou zijn aangegaan. Van die voorwaarden blijkt ook niets uit de verklaring van de ouders waarop de man zich beroept (het betreft overigens een verklaring die alleen is ondertekend door de ouders van de man en niet door de vrouw, terwijl die verklaring pas na de beëindiging van de samenleving tussen partijen is opgesteld).

Het hof neemt verder ook nog het volgende in aanmerking. Ter zitting is gebleken dat, waar de vrouw voorheen altijd zelf haar aangiftes IB verzorgde, het tijdens de samenwoning van partijen de gang van zaken was dat de moeder van de man maandelijks een overzicht opmaakte ter zake van de financiën van de vrouw, welk overzicht zij daarna met de onderliggende stukken afgaf bij de (ook zakelijk bij de familie van de man betrokken) accountant, die de belastingaangiften voor partijen verzorgde. De accountant stuurde zijn factuur naar de ouders van de man, die door hen ook werd voldaan. De door de vrouw ontvangen belastingteruggaven diende de vrouw over te maken naar de bankrekening van de man. Het hof stelt aldus vast dat het door de accountant ten behoeve van de vrouw opstellen van de aangiftes IB vooral, zo niet uitsluitend, ten doel had een belastingbesparing voor de man te bereiken. Alleen de man had er profijt van; de vrouw zelf had er geen (financieel) belang bij.

De grieven 2 en 3 falen derhalve.

Conclusie (grief 4)

6.10.

Nu de grieven 1, 2 en 3 falen, blijft het door de rechtbank in rov. 3.23. vastgestelde bedrag ad € 2.498,21 dat de vrouw aan de man moet betalen, ongewijzigd. De daartegen gerichte grief 4 van de man faalt eveneens.

Verhuisvergoeding (grieven 5 en 9)

6.11.1.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte de verhuisvordering van de vrouw ad € 1.500,-- heeft toegewezen. De man voert hiertoe, kort samengevat, het volgende aan.

De vrouw heeft op geen enkele wijze gesteld noch onderbouwd waarom de redelijkheid als genoemd in art. 12.2. van de samenlevingsovereenkomst (rov.6.1.2.) gebiedt dat aan haar verhuis- en inrichtingskosten dienen te worden betaald. Gezien de omstandigheden was een dergelijke vergoeding juist niet op zijn plaats. Partijen hebben immers overeenstemming bereikt over een aanzienlijk deel van de inboedel die de vrouw mocht meenemen en uit niets blijkt dat de vrouw verhuiskosten heeft gemaakt (laat staan ter hoogte van € 1.500,--) of daartoe genoodzaakt was.

6.11.2.

De vrouw voert hiertegen, samengevat, het volgende aan.

De vrouw was genoodzaakt op korte termijn te verhuizen en kosten te maken. Zij heeft de woning na inschakeling van de politie in verband met de dreiging van huiselijk geweld op 7 juni 2013 definitief verlaten. Op 1 juli 2013 is zij naar een tijdelijke woning (anti-kraak) in [plaats 1] verhuisd, vervolgens op 2 september 2013 naar een appartement en kort daarna naar een eengezinswoning (in dezelfde straat) in [plaats 2] . Het bedrag van € 1.500,-- is geen bovenmatig bedrag en kan naar algemene ervaringsregels worden gezien als een beperkte tegemoetkoming in de werkelijke kosten die een verhuizing met zich pleegt te brengen.

6.11.3.

De man heeft niet betwist dat de vrouw door het einde van de samenleving drie maal heeft moeten verhuizen. In die situatie acht het hof het redelijk dat de man de op art. 12 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst gebaseerde financiële bijdrage van € 1.500,-- levert aan de verhuis- en herinrichtingskosten. Dat bedrag komt het hof ook niet bovenmatig voor. Dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een aanzienlijk deel van de inboedel die de vrouw mocht meenemen, waarop de man zich beroept, betekent niet dat zij daarmee is overbedeeld (en daarmee geen recht meer zou hebben op de vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten), noch dat zij daarmee een volledige inboedel had (en dus niets meer hoefde aan te schaffen), terwijl de man er ook aan voorbij gaat dat herinrichtingskosten, meer omvatten dan alleen de kosten van een inboedel. Dat partijen de bedoeling hebben gehad dat er alleen een verplichting tot vergoeding bestond indien de vrouw van de kosten een precieze administratie bijhield, blijkt nergens uit. Het feit dat een vast bedrag is afgesproken, ten slotte, duidt op het forfaitaire karakter van de vergoeding, dat meebrengt dat de vrouw niet hoeft te bewijzen dat de omvang van de verhuiskosten de forfaitaire vergoeding rechtvaardigt.

De grieven 5 en 9 falen.

Proceskosten (grieven 6,7 en 10)

6.12.

De man heeft gevorderd de vrouw te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben met elkaar samengewoond. De proceskosten zullen daarom, gelet op het bepaalde in art. 237 Rv juncto 353 Rv, worden gecompenseerd. In hetgeen de man heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding af te wijken van dit in geschillen tussen voormalig levensgezellen gebruikelijke uitgangspunt. Het hof zal dan ook dienovereenkomstig beslissen in die zin dat ieder van partijen in hoger beroep de eigen kosten draagt. De op de proceskosten gerichte grieven van de man falen.

6.13.

Nu alle grieven falen, dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten van dit hoger beroep tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, P.P.M. van Reijsen en A.R. Autar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 oktober 2017.

griffier rolraadsheer