Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4287

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2017
Datum publicatie
27-10-2017
Zaaknummer
16/00241 en 16/00242
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1438, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:764
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is strafrechtelijk vervolgd als lid van een vermeend crimineel samenwerkingsverband (telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren en/of aanwezig hebben van een middel (hennep) als bedoeld op lijst II van de Opiumwet). Hij is te dier zake bij vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. Belanghebbende heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend. Ten tijde van het onderzoek ter zitting van het Hof was nog geen aanvang gemaakt met het hoger beroep in de strafzaak van belanghebbende.

Het Hof oordeelt dat belanghebbende voor het jaar 2012 de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw niet heeft gedaan en dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Uit het feit dat sprake is van een aanzienlijk negatief netto-privé concludeert het Hof dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting, zowel absoluut als relatief, aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, en dat belanghebbende wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. De schatting door de Inspecteur van een verzamelinkomen van € 100.000 aan niet verantwoord inkomen kan als redelijk worden beschouwd. Het Hof acht belanghebbende niet geslaagd in het op hem rustende (tegen)bewijs. Dit geldt ook voor de aanslag Zvw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2577
Viditax (FutD), 27-10-2017
FutD 2017-2714
Viditax (FutD), 25-05-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00241 en 16/00242

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 4 maart 2016, nummers BRE 15/4161 en 15/4162 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende hierna te noemen aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een verzamelinkomen van € 100.000 (hierna: de aanslag IB/PVV), alsmede een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet naar een bijdrage-inkomen van € 50.064 (hierna: de aanslag Zvw), welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

De Rechtbank heeft het beroep tegen de aanslag Zvw ongegrond verklaard, het beroep tegen de aanslag IB/PVV gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar ter zake vernietigd en de aanslag IB/PVV verminderd tot één berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 85.000.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank voor zover het de gegrondverklaring van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 betreft. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 22 mei 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde, de heer [A] , advocaat te [woonplaats] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B] en [C] en mevrouw [D] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met mevrouw [E] (hierna: echtgenote) en woont samen met zijn echtgenote en hun dochter in [woonplaats] . In het verleden heeft belanghebbende op het woonwagenkamp aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: het woonwagenkamp) gewoond.

2.2.

In het jaar 2012 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van nihil. In 2012 heeft belanghebbende aan toeslagen ontvangen: huurtoeslag € 1.633, zorgtoeslag € 1.419 en kindertoeslag € 927, totaal € 3.979. De echtgenote heeft over 2012 aangifte IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van € 6.585, zijnde loon uit dienstbetrekking. De Inspecteur heeft de aangifte IB/PVV van de echtgenote 2012 gecorrigeerd met € 1.220 en het verzamelinkomen van de echtgenote vastgesteld op
€ 7.805.

2.3.

In 2012 is door de politie onder de naam ‘ [F] ’ een onderzoek ingesteld naar strafbare feiten die zouden worden gepleegd op het woonwagenkamp. Het betrof een onderzoek naar een crimineel samenwerkingsverband dat hennep zou telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen en zou vervoeren (hierna: de handel in hennep).

2.4.

Op 1 mei 2012 is belanghebbendes auto, kenteken [kenteken] , door de politie gecontroleerd. In de auto is toen aangetroffen een liter Cana PK, een groeimiddel dan wel opbrengst verhogend middel.

2.5.

Op 22 januari 2013 heeft een doorzoeking van het woonwagenkamp plaatsgevonden, waarbij in de schuur van [adres 1] 8, 12 personen werden aangetroffen die op dat moment bezig waren met het knippen van hennepplanten. Bij deze doorzoeking is bij een van de bewoners van het woonwagenkamp een bedrag van € 400.000 aan contanten aangetroffen. Bij de inval is onder andere [G] als verdachte aangehouden en verhoord. Volgens het proces-verbaal van verhoor (PV-nr. [nummer] ) heeft zij onder meer verklaard dat belanghebbende om de 8 weken aan de [adres 1] met planten is langs geweest en dat belanghebbende met een huurbus kwam.

2.6.

Het onder 2.3 vermelde onderzoek is uiteindelijk uitgemond in een strafrechtelijke vervolging van de leden van het vermeende criminele samenwerkingsverband. Bij vonnis van 21 november 2014 heeft de Rechtbank Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2014:7115, wettig en overtuigend bewezen geoordeeld dat belanghebbende 1. op tijdstippen in de periode van 1 januari 2012 tot en met 22 januari 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft geteeld en/of bewerkt een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; 2. in de periode van 1 januari 2012 tot en met 22 januari 2013 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen waartoe behoorden: belanghebbende, [H] , [J] , [K] , [L] , [M] , [N] , en [AA] , welke organisatie telkens tot oogmerk had het plegen van misdrijven, als genoemd in de Opiumwet, namelijk het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, af te leveren, verstrekken of vervoeren en/of het aanwezig hebben van een middel als bedoeld op lijst II van de Opiumwet.

De Rechtbank Oost-Brabant heeft geoordeeld dat de criminele organisatie panden zocht die gehuurd konden worden en geschikt waren voor de hennepteelt. De mensen die feitelijk voor de planten zorgden, werden door anderen binnen het samenwerkingsverband begeleid en van adviezen voorzien. Voorts werd de groei van de planten gecontroleerd. De kwekers werden betaald voor de oogst.

Binnen de criminele organisatie hield belanghebbende zich volgens de Rechtbank Oost-Brabant bezig met het begeleiden, en betalen van kwekers, het doorgeven van het benodigde aantal knippers alsmede het tijdstip waarop de planten zouden arriveren, het vervoer van de geoogste hennepplanten en het contact met mogelijke afnemers

In het vonnis is onder de bewijsmiddelen op p. 51 het volgende vermeld:

Verklaring [EE] afgelegd bij de rechter-commissaris 3 april 2014

Ik heb die hennepkwekerij in mijn woning opgericht, ingericht en onderhouden. Ik heb daartoe € 12000 euro geleend van [R] . (…) Hij heeft mij verteld hoe de belichting moest en om hoeveel tijd planten water moesten hebben. (…) Hij was mijn vraagbaak. (…) [belanghebbende] had de sleutel van mijn huis en kwam af en toe kijken (…). Hij hield een beetje toezicht op de kwekerij. Er is een keer geoogst en die oogst is opgehaald door een mij onbekend persoon. (…) Ik heb voor die oogst € 16.000 ontvangen van [R] en heb dus € 4000,- in totaal overgehouden.”

In het vonnis is onder de bewijsmiddelen op p. 49 vermeld:

“Op donderdag 7 februari 2013 werd verdachte [AA] gehoord.

Hij verklaarde dat er in zijn hennepkwekerij op de 1e verdieping van het kantoor 300 planten groeiden (…)

Verder verklaarde hij in zijn woning in [S] 80 planten te hebben gehad, en de 80 planten te hebben verkocht

Op vrijdag 8 februari 2013 werd verdachte [AA] voor de derde maal gehoord.

Hij verklaarde dat de inrichting van de plantage in de [adres 2] hem geld gekost heeft en dat hij hennep te vroeg heeft verkocht vanwege de inval in de [adres 2] ”

2.7.

Belanghebbende is door de Rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend. Ten tijde van het onderzoek ter zitting van het Hof was nog geen aanvang gemaakt met het hoger beroep in de strafzaak van belanghebbende.

2.8.

De Belastingdienst heeft aan de hand van informatie afkomstig uit het strafrechtelijke onderzoek ‘ [F] ’ met betrekking tot belanghebbende een fiscale rapportage, met als datum 9 april 2013 (het fiscale rapport), samengesteld. In het rapport is vermeld dat belanghebbende in het bezit is van een mobiele telefoon met het nummer [telefoonnummer 1] . Verder staat in het rapport vermeld dat uit de opgenomen en afgeluisterde gesprekken c.q. sms-berichten is gebleken dat belanghebbende contact heeft gehad met [T] ( [telefoonnummer 2] ) en [V] . In het rapport heeft de Belastingdienst onderstaande bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek vastgelegd waarbij zowel de achternaam van belanghebbende als ook zijn roepnaam ‘ [R] ’ is gebruikt.

“- Op 14 oktober 2012 stuurt [R] een SMS naar [T] ( [telefoonnummer 2] ) met de

tekst: ‘5 november 15 mensen 7 uur’;

- Op 30 oktober 2012 belt [V] maar [R] en deelt hem mede dat [X] onderweg is en dat hij ( [V] ) geld voor [R] heeft meegegeven.(…);

- [R] heeft datums doorgegeven (5 november 2012 en 4 januari 2013) aan [T] die vervolgens deze datums heeft doorgegeven aan de ‘knippers’;

- Belastingplichtige heeft ook telefonisch contact gehad met ene [AA] . Uit

afgeluisterde telefoongesprekken tussen [R] en [AA] kan worden afgeleid dat [AA] een of meerdere hennepkwekerijen van [R] onderhoudt;

- Op 6 november 2012 belt [R] met [V] met de vraag of [V] ‘die dikke even 400 euro kan geven’ omdat hij dat gisteren is vergeten. [V] zegt dat dat goed is. (…);

- Op 11 november 2012 belt [T] naar [R] met de vraag ‘of hij het nog aan iemand gegeven had in de stad?’ [BB] [Hof: [R] ] zegt dat hij het aan [CC] heeft gegeven voor haar. Verder wordt een afspraak over datum tijd en aantal mensen bevestigd voor de 20e;

- Op 15 november 2012 krijgt belastingplichtige een SMS van ene [DD] (ook een verdachte in dit strafrechtelijk onderzoek) met de tekst: ‘ik kom morgen vroeg de geld haale oke’.;

- Op 16 november heeft [R] telefonisch contact met ene [EE] , [adres 3] 1 in [woonplaats] . Op deze locatie wordt op 5 december 2012 een hennepkwekerij opgerold.;

- Op 17 november 2012 belt [R] naar [AA] met instructies dat er vandaag alleen water gegeven mag worden, want daarna moet de vloer droog zijn omdat er dan zaken verplaatst moeten worden. Op maandag moet [AA] naar de garage gaan om alles uit het stopcontact te halen (de conversatie is in een soort van Engels). Daarna volgt een discussie of ene [FF] al dan niet mee moet komen maar dat kost alleen maar extra geld. Want ze moeten er toch zelf mee gaan rijden.;

- Op dezelfde dag wordt nogmaals met [AA] gebeld. [R] vraagt ‘of ze mooi zijn’ en [AA] zegt dat ‘voor de ‘door’ wel en achter veel kleiner’ en dat het ‘beter is dan de laatste keer’. Dat dacht [R] al want toe hij ze twee â drie weken geleden zag, vond hij ze al mooier dan dat ze geweest waren. Verder zegt [AA] dat de voeding ‘veel beter is en thuis ook’. [AA] heeft nog wat tasjes nodig en een spuitbus, [R] gaat morgen de tasjes kopen.;

- [R] belt met [V] hij wil samen met [V] op woensdag ‘daar naar toe’ want ‘hij wil het effe goed schoonmaken’. [V] vindt dat goed en [R] zal [V] ophalen op de gebruikelijke tijd.;

- Op 19 november 2012 stuurt [AA] een SMS naar [R] met de tekst: ‘ben ik in de garage ok’;

- Op 19 november 2012 wordt de Ford Transit op naam van [AA] waargenomen op het adres [adres 2] 3 in [GG] . Na het betreden van het pand blijkt deze ingericht te zijn als een garage. In het pand wordt op de eerste verdieping een hennepkwekerij aangetroffen waarbij opviel dat de planten aan de voorzijde hoger waren dan die aan de achterzijde. Stroom was illegaal afgetapt.;

- Op 19 november 2012 belt [R] met [AA] en deelt hem mede dat de politie in de kwekerij is. [AA] zegt dat hij daar naar toe gaat. Een half uur later belt [AA] terug en vertelt dat hij in de garage is geweest en dat de politie hem ( [AA] ) nog terug zal bellen.;

- Op 19 november 2012 stuurt [R] een SMS aan [V] met de tekst: ‘Politie bij kieth’.;

- Een halve minuut later belt [V] met [R] . Vraag of het ‘thuis of daar’ was. Antwoord: ‘daar’. Dat ‘thuis’ zou zich op 100 meter daar vanaf bevinden. Ze vinden het beiden raar dat de inval zo laat op de avond heeft plaatsgevonden.

- Een kwartier later belt [V] weer met [R] . [AA] is gaan kijken en het klopt. [V] komt morgen naar [R] toe.;

- Op 20 november 2012 belt [R] met [T] over de inval van gisterenavond.;

- Op 22 november 2012 belt [R] met [AA] . Er is brand geweest in een pand aan de

[adres 4] 25 in [GG] . [AA] zegt ‘ja maar, ik er alles uitgehaald’ en ‘gisteren’. Waarop [R] zegt: ‘O dat is dan een probleem minder hè’. Verder geeft [AA] aan dat de spullen eraf moeten, vandaag of vanavond. [R] zegt dat ze nog een week moeten wachten want dan kunnen ze het beter verkopen en hebben ze een probleempje minder.;

- Op 25 november 2012 belt [R] met [AA] . [AA] zegt dat ‘ze eraf moeten in [S] ’. Want ze zijn van Essent langs geweest en hebben de meter meegenomen. Verder zegt [AA] dat als ze in [S] komen dan hebben we een grote ellende. [R] antwoordt dat hij gaat proberen om het voor hem zo snel mogelijk te doen.

- Op 26 november 2012 stuurt [R] een SMS aan [CC] (mede verdachte in dit

strafrechtelijk onderzoek) met de tekst: ‘Hebben jullie tijd hel snel 3 man 80 stuks woensdag’;

- [R] wordt gebeld door [T] . [R] vraagt of ze morgen of woensdag tijd heeft. Woensdag kan ze niet maar morgen wel. Hij wordt verzocht contact met [CC] op te nemen.”

2.9.

Als bijlage 17 bij het verweerschrift in hoger beroep heeft de Inspecteur een vermogensvergelijking over het jaar 2012 gevoegd. In de vermogensvergelijking zijn de inkomsten en de uitgaven over het jaar 2012 weergegeven. Per saldo resteert een negatief netto-privé van € 23.966,80, dat wil zeggen dat belanghebbende en diens echtgenote in 2012 € 23.966,80 meer hebben uitgegeven dan aan netto-inkomsten zijn ontvangen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft belanghebbende voor het jaar 2012 de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw gedaan?

II. Is de aanslag IB/PVV 2012 tot het juiste bedrag opgelegd?

III. Is de aanslag Zvw 2012 tot het juiste bedrag opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat vraag I bevestigend moet worden beantwoord en de vragen II en III ontkennend, in die zin dat de aanslagen tot een te hoog bedrag zijn opgelegd. De Inspecteur is van mening dat vraag I ontkennend dient te worden beantwoord en de vragen II en III bevestigd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Voor zover van belang is ter zitting door partijen, zakelijk weergegeven, het volgende opgemerkt.

Belanghebbende

  • -

    Veel is onduidelijk. Belanghebbende ontkent iedere betrokkenheid bij het criminele samenwerkingsverband. Belanghebbende heeft op het woonwagenkamp gewoond, maar komt daar enkel nog bij mensen op de koffie die hij uit het verleden kent. Belanghebbende denkt in hoger beroep te worden vrijgesproken.

  • -

    Belanghebbende heeft wel adviezen verstrekt aan [EE] over het opzetten en onderhouden van een hennepkwekerij, maar is geen lid van het criminele samenwerkingsverband. De verklaring van [EE] is onbetrouwbaar.

  • -

    [AA] heeft niets verklaard over belanghebbendes medewerking aan het criminele samenwerkingsverband.

  • -

    Mevrouw [G] heeft wisselend, ook belastend, verklaard over belanghebbende; zij veegt haar eigen straatje schoon.

  • -

    Belanghebbende heeft juist aangifte gedaan; hij heeft geen cent verdiend.

  • -

    De door de Inspecteur gemaakte schatting is er één waar je vele kanten mee uit kunt; niet duidelijk is waarom belanghebbende ter zake van bepaalde kwekerijen 50% van de opbrengst krijgt toegerekend. Belanghebbende meent dat je uit moet gaan van 5%.

  • -

    In het BOOM-rapport wordt rekening gehouden met bepaalde aftrekposten, dat doet de Inspecteur niet.

  • -

    Jegens belanghebbende is geen ontnemingsvordering ingesteld.

  • -

    Belanghebbende en diens echtgenote hebben wel rond kunnen komen van zijn inkomen en de toeslagen; de Inspecteur rekent met standaardbedragen en niet met de werkelijke bedragen.

Inspecteur

- Het toerekenen van 70% aan belanghebbende van de opbrengsten uit de kwekerijen van [AA] en [EE] lijkt veel, maar belanghebbende moet bewijzen dat het minder is; dat is het gevolg van omkering van de bewijslast.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en, naar het Hof begrijpt, primair tot vernietiging van de aanslag, subsidiair vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zfw naar een verzamelinkomen c.q. bijdrage-inkomen dat niet meer bedraagt dan 1% van de opbrengst van het samenwerkingsverband en meer subsidiair vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zfw naar een verzamelinkomen, zoals de Rechtbank dat heeft bepaald.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep, gegrondverklaring van het incidentele hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag IB/PVV en vaststelling van de aanslag IB/PVV naar een verzamelinkomen van € 100.000.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De Inspecteur heeft het aan belanghebbende, als deelnemer aan een crimineel samenwerkingsverband, toe te rekenen inkomen uit de handel in hennep voor het jaar 2012 bepaald op € 153.020. Genoemd bedrag is als volgt samengesteld:

Opbrengsten van de hennepkwekerijen op de adressen [adres 2] 3 en [adres 5] 25 te [GG] (kwekerijen [AA] ) en [adres 3] 1 te [woonplaats] (kwekerij [EE] )

De Inspecteur baseert zich voor wat betreft de opbrengsten die zijn gegenereerd middels de kwekerijen van [AA] en [EE] op het fiscale rapport. Ingevolge dit rapport is met deze kwekerijen, na aftrek van kosten, een opbrengst behaald van € 182.394,60, waarbij de volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:

  • -

    [adres 2] 3: vijf oogsten en 297 hennepplanten per oogst;

  • -

    [adres 5] 25: vijf oogsten en 80 hennepplanten per oogst;

  • -

    [adres 3] 1: één oogst en 340 hennepplanten.

Voor wat betreft het omrekenen van de oogsten naar een opbrengst is gebruik gemaakt van de informatie uit het rapport Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM-rapport). Daarbij is de opbrengst per plant bepaald op 28,2 gram, de prijs per kilogram op
€ 3.280 en kosten per plant € 4,39. Uitgaande van de informatie bedraagt de opbrengst per locatie:

  • -

    [adres 2] 3: 297 planten x 28,2 gram = 8,37440 kilogram; 8,37440 kilogram x € 3.280 = € 27.471,31; 5 oogsten x € 27.471,31 = € 137.356,56. Af: 1.930 planten x € 4,39 =
    € 8.473. Totale opbrengst 5 oogsten: € 137.356,56 - € 8.473 = € 128.883,56.

  • -

    [adres 5] 3: 80 planten x 28,2 gram = 2.256 kilogram; 2,256 kilogram x € 3.280 =
    € 7.399,68; 5 oogsten x € 7.399,68 = € 36.998,40. Af: 520 planten x € 4,39 = € 2.283. Totale opbrengst 5 oogsten: € 36.998,40 - € 2.283 = € 34.715,40.

  • -

    [adres 3] 1: 340 planten x 28,2 gram = 9,588 kilogram; 9,588 kilogram x € 3.280 =
    € 31.448,64. Af: 340 planten x € 4,39 = € 1.493.

Totale opbrengst 1 oogst: € 31.448,64 - € 1.493 = € 29.955,64.

De totale opbrengst van De [adres 2] 3, [adres 5] 25 en [adres 3] 1 bedraagt vóór knipkosten: € 128.883,56 + € 34.715,40 + € 29.955,64 = € 193.554,60.

De totale knipkosten zijn bepaald op (1.930 + 520 + 340 =) 2.790 x € 4 = € 11.160.

Van de totale opbrengst vóór knipkosten heeft de Inspecteur 70 % toegerekend aan belanghebbende, alsmede de knipkosten van € 11.160, derhalve € 124.328.

De resterende 30 % van de totale opbrengst vóór knipkosten zijn toegerekend aan [AA] ( [adres 2] 3 en [adres 5] 25) en [EE] ( [adres 3] 1).

Overige opbrengsten

Naast genoemd bedrag van € 124.328 heeft de Inspecteur nog een bedrag van € 28.692 toegerekend (totaal derhalve € 153.020), zijnde 5 % van de overige opbrengsten die door het criminele samenwerkingsverband zouden zijn gegenereerd. Het betreffen de opbrengsten uit de panden ‘ [HH] ’ en ‘ [N] ’. Het percentage van 5% stamt uit het ‘ [F] ’-rapport. Ingevolgde dat rapport worden de overige opbrengsten die door het criminele samenwerkingsverband zouden zijn gegenereerd verdeeld over 12 personen, naar rato van de veronderstelde rol die zij binnen het criminele samenwerkingsverband vervulden.

4.2.

Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2012 heeft de Inspecteur evenwel niet het in 4.1 genoemde bedrag van € 124.328 + € 28.692 = € 153.020 in aanmerking genomen als belastbaar inkomen uit werk en woning, maar een bedrag van € 100.000.

Vraag I: Heeft belanghebbende voor het jaar 2012 de vereiste aangiften gedaan?

4.3.

De vraag of door belanghebbende voor het jaar 2012 de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw zijn gedaan is van belang met het oog op het bepaalde in artikel 27e, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelasting (hierna: AWR). Die bepaling luidt (tekst 2012) voor zover hier van belang:

‘Indien de vereiste aangifte niet is gedaan (…), verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.’.

Ingevolge artikel 27j, lid 2, AWR (tekst 2012) is het bepaalde in artikel 27e AWR van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Het bepaalde in artikel 27, lid 2, AWR impliceert dat in het geval van het niet doen van de vereiste aangiften, de bewijslast voor belanghebbende wordt omgekeerd en verzwaard.

4.4.

Voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (zie HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47).

4.5.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2012 aangiften IB/PVV en Zvw gedaan naar een verzamelinkomen van nihil. Rekening houdend met het door echtgenote genoten inkomen en de ontvangen toeslagen heeft de Inspecteur door middel van een vermogensvergelijking een negatief netto-privé van bijna € 24.000 berekend (bijlage 17 bij het verweerschrift in hoger beroep), hetgeen betekent dat belanghebbende en zijn echtgenote bijna € 24.000 meer hebben uitgegeven dan aan inkomen is genoten. De Inspecteur trekt daaruit de conclusie dat belanghebbende ten minste bijna € 24.000 aan inkomen niet heeft verantwoord.

4.5.1.

Voor het negatieve netto-privé heeft belanghebbende geen afdoende verklaring gegeven. In de reactie op het incidentele hoger beroep wordt geen woord gewijd aan het negatieve netto-privé en ter zitting heeft belanghebbende enkel aangegeven wél rond te kunnen komen van het door zijn echtgenote genoten inkomen en van de toeslagen. Belanghebbende klaagt er voorts over dat de Inspecteur heeft gerekend met standaardbedragen en dat niet is uitgegaan van de daadwerkelijk uitgegeven bedragen.

4.5.2.

Naar het oordeel van het Hof bedraagt het negatieve netto-privé minimaal het door de Inspecteur berekende bedrag van bijna € 24.000. Bedacht dient te worden dat de Inspecteur slechts een heel beperkt zicht heeft gehad op de door belanghebbende gedane privé-uitgaven. Voor zover die uitgaven zijn geschat – dit betreffen de autokosten en kosten van boodschappen en kleding – heeft de Inspecteur zich gebaseerd op de gegevens van het NIBUD. Belanghebbende heeft niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de autokosten en de kosten van boodschappen en de kleding tot een te hoog bedrag in aanmerking zijn genomen.

4.5.3.

Het Hof is van oordeel dat het negatieve netto-privé van bijna € 24.000 moet worden verklaard uit niet verantwoord inkomen uit handel in hennep en dat anders dan belanghebbende ter zitting heeft verklaard het niet zo is dat hij geen cent heeft verdiend. Redengevend voor dat oordeel zijn de volgende feiten en omstandigheden:

- belanghebbende heeft ervaring met het telen van hennep, zo heeft hij zelf verklaard in zijn hoger beroepschrift;

- uit de afgeluisterde telefoongesprekken en opgenomen sms-berichten, welke zijn opgenomen in het fiscale rapport, concludeert het Hof dat belanghebbende betrokkenheid had bij het criminele samenwerkingsverband dat zich bezig hield met de handel in hennep;

- door de politie is bij belanghebbende op 1 mei 2012 een liter Cana PK aangetroffen, zijnde, naar de politie onbestreden heeft gesteld, een voedingsmiddel voor hennep;

- [G] heeft verklaard dat belanghebbende om de 8 weken aan de [adres 1] met planten is geweest en dat belanghebbende met een huurbus kwam;

- niet in geschil is dat [AA] en [EE] een hennepkwekerij hadden;

- belanghebbende heeft verklaard wetenschap te hebben van de hennepkwekerijen van [AA] en [EE] en betrokkenheid daarbij te hebben gehad door af en toe eens naar de planten te gaan kijken en ter plaatse adviezen te verstrekken;

- in 2012 hebben [AA] en [EE] elk ten minste één oogst gerealiseerd;

- [EE] heeft verklaard dat hij voor de oogst € 16.000 ontvangen heeft van belanghebbende;

- De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis van 21 november 2014 geoordeeld dat belanghebbende in de periode van 1 januari 2012 tot en met 22 januari 2013 lid was van een criminele organisatie, die, kort gezegd, zich bezig hield met de handel in hennep.

4.5.4.

Met inachtneming van het overwogene in 4.5.3 is het Hof van oordeel dat op basis van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk is geworden dat belanghebbende tot een bedrag van ten minste bijna € 24.000 inkomen heeft verzuimd aan te geven, met als gevolg dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting, zowel absoluut als relatief, aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, en dat belanghebbende wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven. Uit het vorenstaande volgt dat voor het jaar 2012 de vereiste aangiften IB/PVV en Zvw niet zijn gedaan en dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard.

4.5.6.

Vraag I dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag II. Is de aanslag IB/PVV 2012 tot het juiste bedrag opgelegd?

4.6.

Het feit dat de vereiste aangifte IB/PVV voor het jaar 2012 niet is gedaan en omkering en verzwaring van de bewijslast plaatsvindt, laat onverlet dat de aanslag waartegen het beroep is gericht moet zijn gebaseerd op een redelijke schatting door de Inspecteur. De aanslag mag niet willekeurig worden vastgesteld en van de Inspecteur wordt verwacht dat hij de aanslag met feitelijke stellingen onderbouwt.

4.6.1.

Voor de wijze waarop de Inspecteur tot de schatting van belanghebbendes inkomen is gekomen, verwijst het Hof naar het overwogene in 4.1.

4.6.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur onvoldoende heeft aangedragen met betrekking tot de betrokkenheid van belanghebbende bij de hennepkwekerijen in de panden ‘ [HH] ’ en van de panden ‘ [N] ’ om te kunnen oordelen dat het redelijk is om aan belanghebbende inkomsten van die kwekerijen toe te rekenen. De Rechtbank laat het bedrag van € 28.692 om die reden buiten beschouwing. Voor wat betreft het aandeel van de opbrengsten die aan belanghebbende toe te rekenen zouden zijn uit de kwekerijen van [AA] en [EE] acht de Rechtbank het percentage van 70 te hoog. De Rechtbank oordeelt een toe te rekenen aandeel van 50% van de opbrengsten aan belanghebbende wel redelijk. Ervan uitgaande dat de overige uitgangspunten waarop de berekening is gebaseerd, redelijk zijn, acht de Rechtbank een schatting van € 85.000 aan niet verantwoord inkomen redelijk.

4.6.3.

Het Hof acht de uitgangspunten waarop de Inspecteur de berekening van de totale netto opbrengsten heeft gebaseerd redelijk. Dat betekent dat de kwekerijen van [AA] en [EE] in 2012 netto € 182.394 hebben opgebracht en de panden ‘ [HH] ’ en ‘ [N] ’ respectievelijk € 202.658 en € 371.186, derhalve in totaal € 756.238. Zulks is overigens door belanghebbende niet weersproken.

4.6.4.

De Rechtbank Oost-Brabant is in haar vonnis van 21 november 2014 uitgegaan van een crimineel samenwerkingsverband bestaande uit 8 personen. Naar het oordeel van de Rechtbank Oost-Brabant was de positie van belanghebbende binnen het samenwerkingsverband lastig te duiden. Zo heeft de Rechtbank Oost-Brabant de verhouding tussen belanghebbende en de hoger in de organisatie staande [JJ] en [M] niet kunnen vaststellen. Wel heeft de Rechtbank Oost-Brabant vastgesteld dat belanghebbende in meer dan één opzicht belangrijk was binnen de organisatie, dat hij een sturende en controlerende rol had ten aanzien van de kwekerijen van [AA] en [EE] en dat hij diverse keren zorgde voor het vervoer van de geoogste planten naar de knipperij. In het strafdossier is hij prominent in beeld.

4.6.5.

Gegeven het feit dat de positie van belanghebbende binnen het criminele samenwerkingsverband niet goed is vast te stellen, gaat het Hof er van uit dat belanghebbende een ‘gemiddelde’ rol heeft gespeeld: hij was niet een leider, maar ook niet enkel een uitvoerder. Uitgaande van die ‘gemiddelde’ rol laat het zich naar het oordeel van het Hof niet goed denken dat belanghebbende 70% (Inspecteur) dan wel 50% (Rechtbank) van de (netto) opbrengsten van de kwekerijen van [AA] en [EE] heeft genoten. Veeleer is aannemelijk dat belanghebbende, uitgaande van de ‘gemiddelde’ rol 1/8 van de totale opbrengsten heeft genoten. Het Hof zal daar dan ook van uit gaan. De aan belanghebbende toe te rekenen opbrengsten bedragen alsdan € 756.238 x 1/8 = € 94.529.

4.6.6.

Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2012 is de Inspecteur uitgegaan van een verzamelinkomen van € 100.000, waarbij het gehele verzamelinkomen dient te worden beschouwd als niet verantwoord inkomen uit de handel in hennep. Afgezet tegen de redelijke schatting van € 94.529 die het Hof heeft berekend, kan niet worden gezegd dat de schatting van de Inspecteur van € 100.000 als onredelijk kan worden bestempeld, wat er ook zij van de wijze waarop de Inspecteur diens schatting heeft berekend.

Al met al is het Hof dan ook van oordeel dat de schatting door de Inspecteur van € 100.000 aan niet verantwoord inkomen als redelijk kan worden beschouwd.

4.6.7.

Het Hof is gehouden het hoger beroep ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Onder de term ‘blijken’ moet in dit verband worden verstaan: ‘overtuigend aantonen’. Het Hof acht belanghebbende niet geslaagd in het op hem rustende (tegen)bewijs. Belanghebbende heeft niet meer aangevoerd dan dat hij geen deel heeft uitgemaakt van het criminele samenwerkingsverband en dat hij het door de Inspecteur gecorrigeerde inkomen niet heeft genoten. Dat is onvoldoende.

4.6.8.

Vraag II dient bevestigend te worden beantwoord.

Vraag III. Is de aanslag Zvw 2012 tot het juiste bedrag opgelegd?

4.7.

De aanslag Zvw voor het jaar 2012 is naar het maximum bijdrage-inkomen van € 50.064 opgelegd.

4.7.1.

Ook voor wat betreft de aangifte Zvw voor het jaar 2012 is de vereiste aangifte niet gedaan. Ook voor deze aangifte heeft te gelden dat de Inspecteur het bijdrage-inkomen in redelijkheid dient te schatten. Op dezelfde gronden als voor de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 oordeelt het Hof dat de schatting van het niet verantwoorde inkomen door de Inspecteur, wat er ook zij van de wijze waarop deze de schatting heeft berekend, als redelijk kan worden beschouwd. Omdat het bijdrage-inkomen voor het jaar 2012 gemaximeerd is tot € 50.064 heeft de Inspecteur terecht dat bedrag als grondslag voor de aanslag aangemerkt.

4.7.2.

Ook voor wat betreft de aanslag Zvw 2012 geldt dat het Hof gehouden is het hoger beroep ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Op dezelfde gronden als voor de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 is niet gebleken dat de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag Zvw 2102 onjuist is.

4.7.3.

Vraag III dient bevestigend te worden beantwoord.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en het incidentele hoger beroep gegrond. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep ongegrond verklaren.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    verklaart het incidentele hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 6 oktober 2017 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, M. Harthoorn en S. Bosma, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.