Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4266

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
10-10-2017
Zaaknummer
200.207.552_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6696
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling grootouders en kinderen.

Ontvankelijkheid: het hof acht de grootouders ontvankelijk in het door hun ingestelde hoger beroep. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de moeder dat de band tussen de grootouders en de kinderen door tijdsverloop is verbroken.

Inhoudelijke beoordeling: Het hof is van oordeel dat de rechtbank de verzoeken van de grootouders om een omgangsregeling vast te stellen terecht heeft afgewezen.

Het hof oordeelt dat er voldoende gronden zijn om de omgang tussen de grootouders en de kinderen te ontzeggen nu dit ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van zowel de kleinkinderen althans omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van de kleinkinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2017/94
JPF 2017/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 5 oktober 2017

Zaaknummer: 200.207.552/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/265297 / FA RK 13-3239

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant 1] ,

en

[appellante 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de grootouders vaderszijde, verder te noemen de grootouders,

advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Köller.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 25 oktober 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 januari 2017, hebben de grootouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de oorspronkelijke verzoeken alsnog toe te wijzen, althans een zodanige contactregeling vast te stellen als het hof in het belang van de minderjarigen wenselijk acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 maart 2017, heeft de moeder verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de grootouders alsnog niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de grootouders, bijgestaan door mr. Maat-Oldenhof;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Köller;

  • -

    Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 24 mei 2017. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlage van de moeder d.d. 3 juli 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlage d.d. 10 augustus 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van de moeder met de heer [vader] (hierna: de vader), zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] .

De vader is op 19 februari 2013 overleden.

3.2.

De grootouders hebben de rechtbank verzocht een omgangsregeling tussen hen en bovengenoemde kinderen vast te stellen, zoals in het verzoekschrift in eerste aanleg is weergegeven.

3.3.

Bij beschikking van 4 december 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, de raad verzocht te rapporteren en te adviseren omtrent - kort gezegd - de (on)mogelijkheden en (on)wenselijkheden van omgang tussen de grootouders en de kinderen. In afwachting van dat advies en het rapport heeft de rechtbank iedere verdere beslissing aangehouden.

3.4.

Bij de beschikking van 28 mei 2014 heeft diezelfde rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat er voorlopig omgang zal zijn tussen de grootouders en de kinderen, waarbij er zou worden toegewerkt naar een omgangsregeling van een dag of een dagdeel per maand, gedurende zes maanden na aanvang van het eerste bezoekcontact, zulks via omgangsbegeleiding in het Omgangshuis Zeeland, op een door de omgangsbegeleiding nader te bepalen wijze.

3.5.

Bij beschikking van 10 december 2014 is de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot opschorting van de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring van de beschikking van 28 mei 2014. De verdere behandeling is, in afwachting van de beslissing inzake het door de moeder ingestelde hoger beroep, aangehouden en verwezen naar de familiekamerrol van dinsdag 7 april 2015.

3.6.

Bij beschikking van dit hof van 9 april 2015 heeft het hof, voor zover van belang, de beschikking van 28 mei 2016 bekrachtigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat er voorlopig omgang zal zijn en heeft partijen verwezen naar het Omgangshuis Zeeland.

3.7.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de grootouders afgewezen.

3.8.

De grootouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

De grootouders voeren, kort samengevat, het volgende aan.

In de eerste plaats stellen zij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet in het belang van de minderjarigen is dat zij omgang met hun grootouders hebben.

Het is volgens de grootouders juist in het belang van de kinderen om in de gelegenheid te worden gesteld om hun achtergrond te leren kennen en dat zij in de gelegenheid worden gesteld om de relatie die zij met hun grootouders hebben gehad, te continueren en in de loop van de tijd te verdiepen.

De belangen van de grootouders zijn erin gelegen de band met hun kleinkinderen te handhaven en te herstellen en hun grootouderrol te vervullen. Het belang van de moeder is erin gelegen dat de situatie met [minderjarige 1] hanteerbaar blijft.

Hoewel de moeder het contact tussen de kinderen en de grootouders als een belasting en een bedreiging beschouwt menen zij dat dit juist een kans is die ook een verrijking kan betekenen.

Voorts heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat de orthopedagoge, [orthopedagoge] , die thuisondersteuning biedt als neutrale partij van Juvent, feitelijk heeft vastgesteld dat er in het kader van kindeigenproblematiek te veel aan de hand was om een contact succesvol te laten zijn. Volgens de grootouders werkt zij in opdracht van de moeder en ziet zelfs zij perspectief voor verbetering.

De forse onwil van de moeder - om de mogelijkheden te onderzoeken om de grootouders deelgenoot van het opgroeien van hun kleinkinderen te laten zijn - is volgens de grootouders de enige vaststaande contra-indicatie.

In de tweede plaats voeren de grootouders aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij de moeder en de kinderen rust dienen te gunnen.

Zij hebben dit, op verzoek van de moeder, reeds in een eerder stadium gedaan en ook nadat de inleidende procedure is gestart zijn de grootouders daar aan tegemoet gekomen.

Als de moeder een einde aan de strijd zou willen maken dan zou zij hebben meegewerkt aan alle geboden ondersteuning en zouden de grootouders een beperkt contact met hun kleinkinderen hebben. Het is volgens de grootouders vaderzijde de moeder die een drempel heeft neergelegd om de stap naar contact te bemoeilijken en aansluitend meent zij nu dat die drempel de reden moet zijn om helemaal van het contact af te zien. Om die reden kan de overweging dat de grootouders de moeder rust moeten gunnen de beslissing niet dragen.

In de derde plaats hebben de grootouders gesteld dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator heeft afgewezen. Het is de moeder niet gelukt om haar belangen te ontvlechten van de belangen van haar kinderen en naar het inzicht van de grootouders is het daarom van belang dat er een partij in de procedure de mogelijkheid heeft om de belangen van de minderjarigen te behartigen. Deze persoon kan vanuit zijn of haar professionele achtergrond een analyse kunnen maken van de situatie, van de belastbaarheid van de kinderen en van de (on)mogelijkheden om te komen tot een (opbouw van een) contactregeling. Nu het Juvent niet gelukt is om de moeder tot het inzicht te brengen dat haar belangen niet een op een gelijk zijn aan die van de kinderen, ligt het voor de hand om de kinderen in de procedure een eigen stem te geven.

De rechtbank had, gelet op de voorgeschiedenis, moeten motiveren waarom zij in deze kwestie geen bijzondere curator hebben willen benoemen.

Tot slot hebben de grootouders verklaard dat zij bereid zijn om tot iedere contactregeling te komen die het hof in het belang van de minderjarigen acht.

3.9.1.

Ter zitting hebben de grootouders daaraan toegevoegd dat zij graag iets willen betekenen voor de moeder. Zij begrijpen dat het voor haar heftige jaren moeten zijn. De moeder verhindert echter dat er een onafhankelijke derde naar de situatie kan kijken; er is bijvoorbeeld niets bekend over [minderjarige 2] en er geldt geen contra-indicatie ten aanzien van haar.

Een bijzondere curator zou een inschatting kunnen maken van de belangen van de moeder en de kinderen. Dit hoeft niet een extra belasting te betekenen en bovendien zou een inschatting van een derde het begrip van de grootouders kunnen vergroten. Het is voor hun afschuwelijk om zonder contact met de kleinkinderen te moeten leven; zij kunnen zich er niet bij neerleggen.

3.10.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan. Zij heeft begrip voor de situatie van de grootouders en het leed dat zij doormaken door het plotselinge verlies van hun zoon. Extra pijnlijk is het dat zij hun kleinkinderen niet hebben kunnen zien in de afgelopen drieënhalf jaar en dat dit ook in de voorzienbare toekomst niet mogelijk is.

Hoewel de moeder dit heel erg vindt, ligt haar prioriteit bij de kinderen. De contacten tussen grootouders en de kinderen is voor de kinderen te belastend en levert schade op voor hun gezonde ontwikkeling. De moeder wijst ter onderbouwing van haar stelling op bewijsstukken van de bij de kinderen betrokken deskundigen die allen stellen dat extra prikkels nu voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en hiermee voor [minderjarige 2] en de rest van het gezin van moeder schadelijk zijn. De moeder stelt de belangen van de kinderen boven het belang van de grootouders.

De moeder vreest naast alle zorgen over het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen ook dat de grootouders de kinderen zien als een vervanging van hun overleden zoon. De druk die door hen op de kleinkinderen zal worden gelegd zal te groot zijn. Ook zien zij zichzelf als vervanger van de vader, dit volgt uit hun inleidende verzoek waarbij zij om een weekendregeling verzoeken.

Onjuist is dat de moeder niet mee wil werken. Er is hier sprake van ernstige kindeigenproblematiek waarbij de ontkenning van de problemen of het minder maken van de problemen door de grootouders een extra belemmering vormt. Zij hebben hun eigen visie, trekken op basis daarvan hun eigen plan, nemen de moeder niet serieus en diskwalificeren haar als gezag dragende ouder.

Ook de ernstig verstoorde relatie tussen de moeder en grootouders is een belemmering voor het vaststellen van een omgangsregeling. Deze verstoorde relatie, in combinatie met het wantrouwen en de onterechte aanname van de grootouders dat de moeder de vader in het leven van de kinderen wegpoetst, maakt dat de moeder ernstig vreest dat grootouders bij contacten grote druk op de kinderen zullen leggen en dat zij hierdoor in een loyaliteitsconflict zullen raken.

De moeder meent dat aan de ontzeggingscriteria van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan en dat de rechtbank terecht de verzoeken van de grootouders heeft afgewezen. De door de grootouders opgeworpen grieven slagen derhalve niet.

3.10.1.

Ter zitting heeft de moeder daaraan toegevoegd dat zij de samenleving met haar partner heeft verbroken omdat dit teveel prikkels opleverde voor [minderjarige 1] ; zij woont nu alleen met de kinderen.

De ontwikkeling van [minderjarige 1] is ongunstig. Dit leidt bij de moeder tot een grote druk maar ook bij [minderjarige 2] . Bij [minderjarige 2] uit zich dit in met name fysieke klachten (buikpijn). Zij volgt een training om met deze spanningen om te kunnen gaan.

De moeder heeft verder haar baan moeten opzeggen om de hele dag bij [minderjarige 1] te kunnen zijn. [minderjarige 1] verwerkt nu pas het overlijden van zijn vader en dit zorgt ervoor dat hij heel angstig is en de moeder continue nodig heeft. Eind maart 2017 is hij uitgevallen op school. Hij was niet leerbaar, alle prikkels waren te veel, en hij moest thuis tot rust komen. Zijn dagbesteding bestaat nu uit het spelen van games en voetbal. Hij komt bijna de deur niet uit en kan bezoek niet aan. Er is derhalve geen sprake van een normale gezinssituatie.

Op dit moment krijgt hij twee keer in de week psychologische hulp. Hij is echter niet toe aan de volgende stap. Er komt een ambulant begeleider om hem voor te bereiden om weer aan het onderwijs deel te nemen, het tijdsverloop daarvan is echter nog onduidelijk.

Volgens de moeder zou de door de grootouders aangeboden hulp moeten bestaan uit het staken van de juridische procedures.

De moeder ziet verder niet in op welke manier een bijzondere curator zal leiden tot meer begrip bij de grootouders. Verder ervaart de moeder weinig begrip van de grootouders. Zij probeert de kinderen zo goed mogelijk op te voeden.

3.11.

Namens de raad is ter zitting aangevoerd dat er is sprake van een schrijnende situatie.

Duidelijk is dat het hier gaat om de situatie waarbij beide kinderen last hebben van spanningen. Er is veel energie nodig om de dagelijkse basale zaken op orde te krijgen. Daarbij is er geen ruimte voor enig contact met de grootouders. Dit volgt ook uit het recente bericht van de psychologenpraktijk Klavertje Vier; er is zoveel aan de orde in het gezin dat er geen mogelijkheden bestaan voor lijfelijk contact.

Niet blijkt dat het in de toekomst niet mogelijk kan zijn. De raad acht het van belang dat het tempo van de kinderen gevolgd wordt. Wellicht kan er, wanneer er vragen door de grootouders beantwoord kunnen worden, voor worden gezorgd dat dit onder begeleiding gebeurt.

3.12.

Het hof oordeelt als volgt.

Ontvankelijkheid

3.12.1.

In de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 4 december 2013 is door de rechtbank vastgesteld dat de grootouders in een nauwe persoonlijke betrekking tot de kinderen staan.

De stelling van de moeder, zoals verwoord in haar verweerschrift alsmede aangevuld ter zitting, is dat er door tijdsverloop daarvan geen sprake meer is en de grootouders niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun beroep.

De grootouders hebben deze stelling gemotiveerd betwist.

3.12.2.

Ten aanzien van de stelling van de moeder dat de band tussen de grootouders en de kinderen door tijdsverloop is verbroken, overweegt het hof als volgt.

De onderhavige procedure is een vervolg op de procedure van de voornoemde uitspraak van 4 december 2013 (zie ook de chronologische opsomming van de voorliggende procedures bij zowel de rechtbank als het hof onder rechtsoverwegingen 3.3. tot en met 3.7.) waarin de rechtbank reeds in een eerder stadium heeft vastgesteld dat er sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking.

De enkele omstandigheid dat gedurende enige tijd geen omgang plaats heeft gevonden, mede omdat de moeder hiervoor geen toestemming verleende, is niet voldoende om eenmaal bestaand family life te verbreken. Slechts beschouwd in samenhang met andere, zwaarwegende, feiten en omstandigheden kan een dergelijk tijdsverloop een factor vormen bij het beantwoorden van de vraag of eenmaal bestaand family life nadien is verbroken. Hiervan is in deze zaak echter niet gebleken. Het verzoek van de moeder aan het hof om nogmaals in dit stadium van de procedure opnieuw te beoordelen of er sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM, zal derhalve door het hof worden afgewezen.

De verwijzing van de moeder ter zitting naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 december 2016, (ECLI:NL:RBNNE:2016:5694) maakt niet dat het hof tot een ander oordeel komt.

Het hof is van oordeel dat de grootouders ontvankelijk zijn in de onderhavige procedure.

Inhoudelijke beoordeling

3.12.3.

Ingevolge artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.12.4.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof, na eigen beoordeling en waardering, overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de rechtbank de verzoeken van de grootouders terecht heeft afgewezen. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

3.12.5.

Uit de door de moeder in de onderhavige procedure overgelegde stukken, waarbij het hof in het bijzonder verwijst naar de brief van 1 augustus 2017 van de psycholoog drs. M. van der Voort Maarschalk van de Psychologenpraktijk Klavertje Vier, die betrokken is als behandelaar bij een maatwerktraject ter bevordering van het welzijn van [minderjarige 1] , volgt de ernst van de autistische beperking van [minderjarige 1] . Naast ASS problematiek te weten PDD –NOS is er bij hem ADHD vastgesteld, gebruikt hij hiervoor dagelijkse medicatie Risperdal en is hij van een zeer moeilijk lerend niveau.

Hij heeft een trauma opgelopen ten gevolge van het overlijden van de vader en ook was de scheiding van de ouders een zeer ingrijpende levenservaring. Ondanks eerdere psychologische behandeling in de vorm van rouwverwerking kan en wil hij niet praten over de dood van de vader.

In de dagelijkse verzorging heeft hij veel ondersteuning nodig die de moeder verzorgt. Verder is hij meerdere keren van school veranderd. Hij heeft specifieke ondersteunings-behoeften in het onderwijs zoals 1 op 1 begeleiding en een persoonlijke binding met de leerkracht in een kleinschalige leeromgeving.

Uit deze brief volgt voorts dat [minderjarige 1] de onverwachte bezoeken van de grootouders bij voetbaltrainingen niet kan hanteren. Hij kan niet omgaan met deze onvoorspelbaarheid vanwege de bestaande co morbiditeit en de huidige onmogelijkheid te spreken over het verlies van zijn vader. Deze ontmoetingen hebben bij hem veel spanning, woede en frustratie gebracht en hem het plezier en de ontspanning die hij kon vinden in deze hobby ontnomen.

De psycholoog heeft aangegeven dat een gedwongen omgangsregeling met zijn grootouders bij [minderjarige 1] , gezien zijn diagnoses, onherroepelijk leiden tot groot onbegrip, woede uitbarstingen, hoogoplopende spanning, angsten en frustraties. Het is daarbij een reële uitkomst dat de psychologische behandeling en het maatwerktraject richting re-integratie naar school volledig vastloopt, onuitvoerbaar en onhaalbaar wordt.

Een dergelijke ontmoeting met grootouders dient vooralsnog uitgesteld te worden. Een mogelijke heroverweging kan plaatsvinden indien [minderjarige 1] meer stabiel is op gedragsniveau, persoonlijk functioneren en handelen, meer stabiel functioneert op onderwijsgebied en het verlies van de vader meer verwerkt heeft. Daarbij is het van belang dat zijn eigen motivatie leidraad kan zijn, hij zelf behoefte ervaart aan de omgang met de grootouders en een dergelijke omgangsregeling niet opgelegd wordt.

Ieder contact nu forceren zal onvermijdelijk leiden tot toenemende angst en spanning en tot ontwrichting van de huidige gezinssituatie leiden.

Ter zitting van het hof is daarnaast gebleken dat de thuissituatie door de problematiek van [minderjarige 1] in de afgelopen periode ingrijpend is gewijzigd. De moeder heeft de samenwoning met haar partner moeten verbreken aangezien dit voor te veel prikkels bij [minderjarige 1] zorgde. Verder heeft zij haar baan op moeten zeggen om 24 uur per dag [minderjarige 1] bij te kunnen staan.

Zijn problematiek is verslechterd en hij gaat sinds maart 2017 hierdoor niet meer naar school. Zijn dagbesteding is verder beperkt. De gezinssituatie wordt in zodanige mate beïnvloed door de problematiek van [minderjarige 1] dat [minderjarige 2] daar ook onder lijdt. De spanningen leiden bij haar met name tot fysieke klachten.

Het voorgaande maakt dat er naar het oordeel van het hof, welk oordeel eveneens is gebaseerd op het door de raad ter zitting gegeven advies, voldoende gronden zijn om de omgang tussen de grootouders en de kinderen te ontzeggen nu dit ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] althans omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van beide kinderen.

3.12.6.

Het verzoek van de grootouders om over te gaan tot de benoeming van een bijzondere curator wijst het hof af. Afgezien van de vraag of er in deze onderhavige situatie een grondslag is te vinden om op grond van artikel 1:250 BW een bijzondere curator te benoemen, acht het hof dit - mede gegeven de complexe gezinssituatie waar reeds de nodige hulpverlening aanwezig is op verschillende gebieden in het kader van het maatwerktraject van [minderjarige 1] - niet in het belang van de kinderen.

3.12.7.

Ter zitting van het hof is gebleken dat de grootouders vaderzijde een sterke behoefte aan contact met hun kleinkinderen hebben, waarbij het onverwachte verlies van hun zoon, de vader van deze kinderen, een grote rol speelt. Gebleken is dat op dit moment dat lijfelijk contact met de kleinkinderen niet mogelijk is.

Door de raad is ter zitting voorgesteld of het wellicht een mogelijkheid is voor de moeder om de grootouders schriftelijk op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in het leven van de kinderen. De moeder heeft zich, na een korte schorsing van de mondelinge behandeling, bereid verklaard om de grootouders twee keer per jaar informatie toe te zenden met betrekking tot de kinderen, mits de grootouders beloven dat zij deze informatie niet zullen gebruiken om op bepaalde plaatsen te verschijnen om de kinderen te kunnen zien. Dit zou een terugval kunnen betekenen.

De grootouders vaderzijde hebben ter zitting van het hof toegezegd dat zij aan deze voorwaarde tegemoet zullen komen.

Ter zitting is derhalve afgesproken dat de moeder de grootouders, binnen een maand na deze beschikking of wel voor 5 november 2017, via haar advocaat zal informeren en dat de advocaat van de moeder de informatie zal doorsturen naar de advocaat van de grootouders. Vervolgens zal de moeder de grootouders, indien gewenst via de betreffende advocaten, twee keer per jaar informeren.

3.13.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 25 oktober 2016;

verstaat dat de moeder de grootouders twee keer per jaar over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] schriftelijk zal informeren, waarbij het hof voor de verdere uitvoering verwijst naar rechtsoverweging 3.12.7.;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, M.J. van Laarhoven, C.L.M. Smeets en is op 5 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.