Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:424

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
200.179.517_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Het voordeel uit een inruilregeling met de werkgever (autodealer) blijft bij de beoordeling van de omvang van het loon buiten beschouwing. Het missen ervan is geen bijzondere omstandigheid die het ontslag kennelijk onredelijk maakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0147
AR 2017/716
AR 2017/717
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.179.517/01

arrest van 7 februari 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M. Stroes te Maastricht,

tegen

Garage [garage] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. S. Dassen te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 oktober 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 26 augustus 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3055259/CV EXPL 14-5578)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven d.d. 12 januari 2015 met 9 producties, waarbij [appellant] zijn eis heeft gewijzigd;

  • -

    een akte rectificatie zijdens [appellant] d.d. 12 januari 2015, waarbij het procesdossier van de eerste aanleg met producties is gecompleteerd;

  • -

    de memorie van antwoord d.d. 22 maart 2016 met één productie, genummerd 14;

  • -

    de akte van [geïntimeerde] d.d. 19 april 2016 met één productie, genummerd 15.

Nadat een verzoek om nog schriftelijk te mogen pleiten was afgewezen, heeft [appellant] arrest verzocht. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis, met inachtneming van bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [geïntimeerde] exploiteert een garagebedrijf.

  2. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1956. Ten tijde van het na te melden ontslag was [appellant] 57 jaren oud en bijna 22 jaar in dienst van [geïntimeerde] (vanaf 4 november 1991).

  3. [appellant] heeft laatstelijk bij [geïntimeerde] gewerkt in de functie van verkoper. Het laatstgenoten salaris bedroeg € 1.735,88 bruto, vermeerderd met een provisie van gemiddeld € 110,= bruto per maand, bij een dienstverband van 60,53%.

  4. [geïntimeerde] heeft op 2 mei 2013 een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV. Na tegenspraak door [appellant] is de ontslagvergunning verleend op 28 mei 2013. [geïntimeerde] heeft de arbeidsovereenkomst met [appellant] vervolgens bij brief van 29 mei 2013 opgezegd met ingang van 1 september 2013. Daarbij is aan [appellant] geen vergoeding uitbetaald.

3.2.1.

Nu [appellant] in de memorie van grieven een nieuw petitum formuleert, volstaat het hof voor wat betreft de inhoud van de vordering in eerste aanleg met een verwijzing naar r.o. 3.1 van het vonnis waarvan beroep.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

De opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen hem en [geïntimeerde] (verder: het ontslag) is kennelijk onredelijk geschied, omdat een te grote discrepantie bestaat tussen het met het ontslag gediende belang van [geïntimeerde] en de gevolgen van het ontslag voor [appellant] , waarbij in aanmerking moet worden genomen dat bij het ontslag geen voorziening is getroffen om die gevolgen voor hem te ondervangen (gevolgencriterium).

Voorst heeft [geïntimeerde] nagelaten om bij de eindafrekening de openstaande verlofuren (volledig) uit te betalen.

Ten slotte stelt [appellant] dat [geïntimeerde] een tussen partijen gemaakte afspraak over het terugkopen van de door [appellant] gereden demonstratieauto niet nakomt, als gevolg waarvan hij een schade lijdt die bestaat uit het verschil tussen de door [geïntimeerde] te betalen koopsom en de inruilwaarde van de auto in het economisch verkeer.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het eindvonnis van 26 augustus 2015 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd en zijn eis gewijzigd. [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  1. zal bepalen/verklaren voor recht dat het aan [appellant] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is;

  2. aan [appellant] , ten laste van [geïntimeerde] , een vergoeding zal toekennen ter hoogte van € 85.000,=, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen billijke vergoeding, te betalen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest en, indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van de uitspraak;

  3. [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling, binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest, van een bedrag van € 450,92 terzake vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging daarover vanaf de datum van dagvaarding, tot aan de dag van de algehele voldoening, indien het bedrag niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan;

  4. [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.364,97 netto, in ieder geval tot betaling van een bedrag van € 2.300,= netto terzake het niet nakomen van de autoregeling zoals die tussen partijen gold, één en ander binnen14 dagen na dagtekening van het arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na dagtekening van het arrest tot aan de dag van de algehele voldoening, indien het bedrag niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan;

  5. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, eventuele beslagkosten daaronder begrepen, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het arrest en, indien voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen het dagtekening van het arrest.

3.4.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep de verschuldigdheid van een bedrag van € 450,92 wegens openstaande verlofuren erkend en, onder overlegging van een betalingsbewijs, aangevoerd dat dit onderdeel van het gevorderde is voldaan. Tegen het overige gevorderde heeft [geïntimeerde] ook in hoger beroep verweer gevoerd. Het hof zal daar bij de beoordeling van de grieven nader op ingaan.

3.5.

Grief I is gericht tegen de inhoud van de vordering in eerste aanleg, zoals die door de kantonrechter is geformuleerd. [appellant] heeft geen belang bij deze grief, nu hij in hoger beroep zijn vordering opnieuw heeft geformuleerd, zoals hiervoor aangehaald in r.o. 3.3.

3.6.

De grieven II tot en met IV en grief VI zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het gegeven ontslag niet kennelijk onredelijk is en de daartoe gegeven motivering. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen. In onderling verband gelezen, leggen deze grieven het geschil met betrekking tot de aard van het ontslag in zijn volle omvang aan het hof voor.

3.7.1.

[appellant] vordert een schadevergoeding op grond van het bepaalde in artikel 7:681, lid 1 BW. Hij legt daaraan ten grondslag dat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in verhouding tot het daarmee gediende belang van [geïntimeerde] . Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [appellant] in eerste aanleg en in hoger beroep gewezen op de navolgende omstandigheden:

  1. de duur van het dienstverband (22 jaar);

  2. het goed functioneren tijdens het dienstverband;

  3. zijn leeftijd, 57 jaar ten tijde van het ontslag;

  4. zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (55-65%);

  5. het ontbreken van een opleiding;

  6. de (mede als gevolg van de voorgaande omstandigheden) slechte arbeidsmarktpositie van [appellant] ;

  7. het ontstaan van een pensioenschade van € 3.781,42 per jaar aan ouderdomspensioen;

  8. inkomensverlies, waaronder gemist voordeel van een tussen partijen geldende autoregeling;

  9. het ontbreken van enige vergoeding of andere voorziening om makkelijker een andere baan te vinden, zoals scholing, outplacement, coaching, etc.;

  10. het zeer laat informeren van [geïntimeerde] omtrent de (financiële) toestand van haar bedrijf;

  11. de weigering van een eindgesprek en de afgifte van een getuigschrift;

  12. het verzwijgen tegenover het UWV van de omstandigheid dat de moedermaatschappij van [geïntimeerde] financieel voordeel geniet uit de verhuur van de showroom aan Basic Fit.

[appellant] begroot het door hem als gevolg van het ontslag geleden nadeel op € 346.070,72. Gelet op de omvang van dat nadeel is [appellant] van mening dat een vergoeding van € 85.000,= billijk is. Anders dan [geïntimeerde] stelt, is haar financiële situatie niet van dien aard dat zij dit bedrag niet zou kunnen betalen (grief VI). Ook de moedermaatschappij van [geïntimeerde] kan daarin bijdragen, aldus [appellant] .

3.7.2.

[geïntimeerde] heeft hiertegen het navolgende tot verweer aangevoerd. Als gevolg van de financiële crisis van 2008 zijn de verkoopcijfers teruggelopen, totdat in 2013 een verlies werd geleden van € 303.447,=. Zij heeft hierdoor moeten reorganiseren, waarbij de arbeidsovereenkomsten met drie medewerkers, waaronder [appellant] , zijn beëindigd.

Er bestaat geen verband tussen de arbeidsomstandigheden bij [geïntimeerde] en de arbeidsongeschiktheid van [appellant] . Hij was al gedeeltelijk arbeidsongeschikt toen hij bij [geïntimeerde] in dienst trad. Ook de overige door [appellant] aangevoerde omstandigheden leveren – bezien in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad - geen grond op om te oordelen dat het ontslag kennelijk onredelijk is geweest.

3.8.

Het hof overweegt op dit punt als volgt.

Het hof stelt voorop dat het opzeggen van een arbeidsovereenkomst op zich niet onredelijk of onrechtmatig is. Dat een arbeidsovereenkomst wordt opgezegd, met alle gevolgen van dien, kan elke werknemer overkomen. Dat een werknemer (financieel) nadeel ondervindt van de opzegging van een arbeidsovereenkomst levert daarom op zich nog geen reden op om de werkgever aansprakelijk te achten voor de vergoeding van dat nadeel. Voor het geval waarin bij de opzegging in het geheel geen vergoeding is toegekend heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 12 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK4472 inz. Rutten/Breed) overwogen dat voor het aannemen van de kennelijke onredelijkheid van een dergelijke opzegging sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geheel of ten dele voor rekening van de werkgever dienen te komen. Het is aan de werknemer om te stellen dat het hem gegeven ontslag kennelijk onredelijk is en dit te onderbouwen met feiten en omstandigheden die een dergelijke kwalificatie kunnen rechtvaardigen.

3.9.

Onweersproken is dat de bedrijfseconomische toestand van [geïntimeerde] van dien aard was dat een reorganisatie voor het voortbestaan van [geïntimeerde] noodzakelijk was. Daarmee is het belang van [geïntimeerde] bij de opzegging gegeven. Dat belang weegt zwaar.

[appellant] heeft er bij memorie van grieven op gewezen dat het grootste bestanddeel van de schulden van [geïntimeerde] bestaat uit een negatieve rekening-courantverhouding met de moedermaatschappij van [geïntimeerde] , [beheer] Beheer B.V., welke vennootschap niet de intentie heeft om de schuld op te eisen. Anders dan [appellant] bij memorie van grieven opmerkt, wil dat echter niet zeggen dat [geïntimeerde] deze schuld niet hoeft terug te betalen. Bovendien betekent de omstandigheid dat de moedermaatschappij vooralsnog geen aanspraak maakt op aflossing van de schuld in rekening-courant niet dat zij (ook) verplicht is om de schuldpositie in rekening-courant verder op te laten lopen door bij te dragen in de kosten die voor [geïntimeerde] voorvloeien uit de reorganisatie. Hetgeen [appellant] ter toelichting op grief VI heeft aangevoerd doet daarom niet af aan het gewicht van het belang van [geïntimeerde] .

3.10.1.

De door [appellant] onder 1, 2 en 3 aangevoerde omstandigheden zijn niet bijzonder: zij gelden voor alle met [appellant] vergelijkbare oudere werknemers met relatief lange dienstverbanden. Tezamen met de als 4 en 5 genoemde omstandigheden rechtvaardigen zij de aanname dat de kansen van [appellant] op de arbeidsmarkt slecht zijn, zoals aangevoerd onder 6.

3.10.2.

Ook de omstandigheid dat [appellant] een inkomensverlies en pensioenschade lijdt levert op zich geen bijzondere omstandigheid in de zin van het aangehaalde arrest op. Het genoten inkomen overtreft het voor de vaststelling van een WW-uitkering in acht te nemen maximum dagloon niet. Naast een te ontvangen WW-uitkering behoudt [appellant] aanspraak op zijn WAO-uitkering.

De omstandigheid dat [appellant] mogelijk een voordeel genoot uit een met de werkgever getroffen autoregeling voor een ter beschikking gestelde demonstratieauto levert ook geen bijzondere grond op om te oordelen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. De regeling komt er globaal op neer dat [appellant] jaarlijks voor eigen rekening een auto kon kopen zonder dat hij op de waarde van die auto hoefde af te schrijven, in combinatie met een tegemoetkoming voor een prijsstijging van de auto en kosten voor door hem betaalde verzekering en belasting. Het betreft dus een regeling die van toepassing is op tussen partijen te sluiten koopovereenkomsten. Gesteld noch gebleken is dat een hierdoor genoten voordeel ooit fiscaal als inkomen is belast. Het hof is van oordeel dat een dergelijk voordeel (net als genoten reiskostenvergoedingen) bij de beoordeling van het inkomensverlies geen rol spelen als bijzondere omstandigheid die van invloed is op de kwalificatie van het ontslag.

3.10.3.

Naar vaste rechtspraak, hiervoor al aangehaald, levert de enkele omstandigheid dat bij het ontslag geen vergoeding is aangeboden geen bijzondere omstandigheid op die het ontslag kennelijk onredelijk maakt. [geïntimeerde] was al enkele jaren verliesgevend en had eind 2013 een negatief eigen vermogen van ruim 1,8 miljoen euro. Los van de rekening-courantverhouding met de moedermaatschappij bedroeg de schuldenlast ongeveer € 437.500,=, waarvan ongeveer € 287.500,= kortlopend aan de bank en aan handelscrediteuren. Daar tegenover stond een bedrag van € 34.500,= aan handelsdebiteuren en € 5.000,= aan liquide middelen. De liquiditeitspositie van [geïntimeerde] stond daarmee ernstig onder druk. Eén van de maatstaven voor de beoordeling van de vraag of een onderneming in staat is om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen is gelegen in het quick ratio, de verhouding tussen enerzijds de vlottende activa minus de voorraden en anderzijds de kortlopende schulden. Naarmate deze verhouding groter is dan 1 is de kans dat een onderneming niet aan haar verplichtingen op korte termijn kan voldoen kleiner. Het quick ratio van de onderneming van [geïntimeerde] bedroeg per ultimo 2013 niet meer dan 0,03, een waarde die een ernstige indicatie vormt voor het bestaan van een toestand waarin de onderneming niet langer in staat is om aan haar kortlopende verplichtingen te voldoen. Zelfs indien men daarbij de rekening-courantverhouding (“schulden aan groepsmaatschappijen” ad € 1.689.716,=) buiten beschouwing laat, blijft het quick ratio steken op 0,17. Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde jaarstukken 2013 voldoende blijkt dat [appellant] financieel niet in staat was om voor de drie vertrekkende werknemers naast het inachtnemen van de wettelijke opzegtermijnen nog een verdere financiële voorziening te treffen.

3.10.4.

Ten aanzien van de omstandigheden waaronder het ontslag is aangezegd en gegeven overweegt het hof het navolgende.

In het tijdstip van kennisgeving van het voornemen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen (10) kan geen grond zijn gelegen voor het aannemen van kennelijke onredelijkheid. Met de kantonrechter is het hof bovendien van oordeel dat [appellant] als verkoper (met inzicht in de inkoop- en verkoopprijzen) moet hebben kunnen zien aankomen dat het slecht ging met het bedrijf. Ook acht het hof niet aannemelijk dat inspanningen op het gebied van coaching of een outplacementtraject de kansen van [appellant] op de arbeidsmarkt in relevante mate zouden hebben verhoogd. Dat er binnen het concern waartoe [geïntimeerde] behoort passende functies voorhanden waren waar hij op herplaatst had kunnen worden, is door [appellant] niet geconcretiseerd gesteld en is ook niet gebleken.

Dat [geïntimeerde] zou hebben geweigerd om aan [appellant] een getuigschrift af te geven (11) vindt zijn weerlegging in de door [appellant] zelf bij dagvaarding in het geding gebrachte productie 14.

3.10.5.

De verhuur van de showroom aan Basic Fit heeft plaatsgevonden in 2014. De vraag of het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is dient te worden beoordeeld naar het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigde. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] per 1 september 2013 al op de hoogte was van het feit dat de showroom van de onderneming zou kunnen worden verhuurd aan Basic Fit. Uit de bij memorie van grieven als productie 8 overgelegde tekst uit de jaarstukken 2013 blijkt dat deze huurder pas begin 2014 is gevonden. Deze omstandigheid kan daarom niet meewegen bij de beoordeling van de kwalificatie van het ontslag.

3.11.

De slotsom luidt dat de door [appellant] aangevoerde omstandigheden noch elk voor zich, noch in onderling verband bezien, gronden opleveren om te oordelen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Dit betekent dat de omvang van de gevorderde vergoeding verder geen beoordeling meer behoeft. De grieven II tot en met IV en grief VI kunnen niet slagen.

3.12.1.

Grief V is aangevoerd ter onderbouwing van de vordering tot betaling van € 12.364,97 netto, althans € 2.300,= netto terzake het niet nakomen van de autoregeling. Ten aanzien van die regeling volgt uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd het navolgende. [geïntimeerde] stelde [appellant] jaarlijks in staat om, tegen betaling van de inkoopprijs, een nieuwe auto aan te schaffen. Bij aankoop van de nieuwe auto nam [geïntimeerde] de auto van [appellant] terug tegen de door [appellant] bij aankoop betaalde prijs en leverde zij daarvoor aan [appellant] de nieuwe auto. Als dat een auto van hetzelfde type was, maar de inkoopprijs van de auto was gestegen, werd die prijsstijging als korting op de door [geïntimeerde] te betalen koopsom in mindering gebracht. Daarnaast ontving [appellant] van [geïntimeerde] een vergoeding voor de door hem betaalde motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremie. Bij memorie van grieven heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van een verplichting om zijn auto terug te kopen. Het terug(ver)kopen van de auto is inmiddels niet meer mogelijk is, omdat hij de auto onderhands heeft verkocht. De auto was gekocht voor € 25.364,97 en bij verkoop heeft hij er € 13.000,= voor ontvangen, € 10.064,97 minder dan de aankoopsom. Met de prijskorting die hij mocht verwachten bij aankoop van een nieuwe auto, € 2.300,=, begroot [appellant] zijn schade in totaal op € 12.364,97. [appellant] stelt – zo begrijpt het hof – dat die schade het gevolg is van het niet nakomen van een tussen partijen gesloten overeenkomst (de autoregeling).

3.12.2.

Het hof merkt op dit punt het navolgende op.

[appellant] vordert, na wijziging van eis bij memorie van grieven, het genoemde bedrag als vergoeding voor schade die hij heeft geleden door een tekortschieten van [geïntimeerde] in de nakoming van een tussen partijen gemaakte afspraak. Die schade is het saldo van het bedrag dat [geïntimeerde] hem voor de auto had moeten betalen en de opbrengst die hij stelt gerealiseerd te hebben. Impliciet berust de vordering van [appellant] dus op de stellingname dat [geïntimeerde] onder de gegeven omstandigheden verplicht zou zijn om tegen betaling van de aankoopsom plus een vergoeding voor de prijsstijging daarvan de auto van [appellant] terug te kopen. [geïntimeerde] betwist het bestaan van een dergelijke verbintenis.

3.12.3.

Het hof is van oordeel dat in rechte niet is gebleken van het bestaan van een verplichting voor [geïntimeerde] om bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst de auto van [appellant] tegen betaling van een contant bedrag terug te kopen. De standpunten van partijen ten aanzien van de regeling komen in zoverre met elkaar overeen dat beiden aangeven dat het terugkopen van de auto van [appellant] telkens gebeurde in samenhang met de aankoop door hem bij [geïntimeerde] van een nieuwe auto tegen inkoopprijs. Door [appellant] is niet gesteld dat hij zijn auto aan [geïntimeerde] heeft aangeboden onder gelijktijdig verzoek om hem tegen de gebruikelijke condities een nieuwe auto te leveren. Voor zover [appellant] de auto aan [geïntimeerde] heeft aangeboden om een bedrag in contanten te ontvangen, zonder aankoop van een nieuwe auto, heeft [appellant] niet gesteld dat de autoregeling waar hij zich op beroept voorziet in een dergelijke verplichting voor [geïntimeerde] . Daarmee heeft hij zijn vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd.

Ook het subsidiair gevorderde bedrag van € 2.300,= is niet toewijsbaar, omdat een korting ter hoogte van een prijsstijging slechts gegeven werd bij aankoop van een nieuwe auto. In rechte is niet gesteld dat [appellant] een nieuwe auto bij [geïntimeerde] heeft gekocht. Grief V faalt.

3.13.

Grief VII behoeft verder geen bespreking meer, nu [geïntimeerde] de verschuldigdheid van een vergoeding voor openstaande verlofuren heeft erkend en door overlegging van een betalingsbewijs bij akte d.d. 19 april 2016 ook afdoende heeft aangetoond dat zij op op 29 maart 2016 dienaangaande een bedrag van € 490,52 heeft overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de advocaat van [appellant] . Het gevorderde bedrag en de daarover gevorderde rente zijn met dat bedrag afdoende gedekt.

3.14.

Nu de grieven I tot en met VII niet slagen, faalt ook grief VIII, welke is gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in hoger beroep grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 5.213,= aan griffierecht en op € 1.631,= aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, R.J.M. Cremers en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 februari 2017.

griffier rolraadsheer