Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4218

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-10-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
20-003796-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Inrijden op agent. De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto meerdere stoptekens van de politie genegeerd en is doorgereden. Evenals de rechtbank acht het hof bewezen dat de agent moest wegspringen om een aanrijding te voorkomen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de agent dodelijk zou treffen en is sprake van een poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2017/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003796-16

Uitspraak : 4 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 5 december 2016 in de strafzaak met parketnummer

02-700107-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Wat betreft de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast is (ten aanzien van feit 1 subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd. Voorts is zowel primair als subsidiair bepleit dat de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 4 juli 2016 te Middelburg als bestuurder van een voertuig (personenauto Nissan 100nx) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk opsporingsambtenaar [aangever] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- ( een) stopteken(s) gegeven door die [aangever] heeft genegeerd en/of

- ( vervolgens) (veel) gas heeft (bij)gegeven en/of (met hoge, althans aanzienlijke, snelheid) is afgereden op en/of in de richting van die [aangever] ,

waarbij/waardoor die [aangever] opzij/weg moest springen (teneinde een aanrijding/botsing met het door verdachte bestuurde voertuig te voorkomen),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1.
subsidiair
hij op of omstreeks 4 juli 2016 te Middelburg [aangever] , opsporingsambtenaar bij de politie Zeeland-West-Brabant, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een voertuig (personenauto Nissan 100nx) (met hoge, althans aanzienlijke, snelheid) afgereden op en/of in de richting van die [aangever] , waarbij/waardoor die [aangever] opzij/weg moest springen (teneinde een aanrijding/botsing met het door verdachte bestuurde voertuig te voorkomen);

2.
hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 4 juli 2016 te Middelburg (telkens) opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens bijlage II van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, gedaan door een ambtenaar [aangever] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd het door hem, verdachte, bestuurde voertuig te doen stoppen, hieraan geen gevolg te geven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 4 juli 2016 te Middelburg als bestuurder van een voertuig (personenauto Nissan 100nx) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk opsporingsambtenaar [aangever] van het leven te beroven, met dat opzet

- stoptekens gegeven door die [aangever] heeft genegeerd en

- met aanzienlijke snelheid is afgereden op die [aangever] ,

waardoor die [aangever] opzij moest springen teneinde een aanrijding met het door verdachte bestuurde voertuig te voorkomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2.

hij op 4 juli 2016 te Middelburg (telkens) opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens bijlage II van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, gedaan door een ambtenaar [aangever] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd het door hem, verdachte, bestuurde voertuig te doen stoppen, hieraan geen gevolg te geven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn oordeel op onderstaande bewijsmiddelen en (bewijs)overwegingen, in onderling verband en samenhang bezien. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het bewijs 1

1. Het proces-verbaal aangifte, opgemaakt d.d. 5 juli 2016, dossierpagina’s 20-22, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [aangever] :

Op 4 juli 2016, omstreeks 23.00 uur, bevond ik mij in uniform gekleed, naast een opvallend dienstvoertuig op de Roozenburglaan te Middelburg. We stonden verkeerscontrole te doen op een goed verlichte plaats. We hadden ons opvallend dienstvoertuig aan de linkerzijde van de Roozenburglaan geparkeerd, met de neus van

ons voertuig in de richting van het Goudend. We hoorden uit de richting van het Goudend te Middelburg een auto aankomen rijden, waarvan de bestuurder met het gas van zijn voertuig speelde. We hoorden dat deze auto niet een normale uitlaat had en dat deze auto veel lawaai maakte. Ik wilde deze auto laten stoppen. Ik liep van de stoep de rijbaan op. Ik gaf de tegemoetkomende bestuurder ruimschoots van te voren een stopteken conform bijlage II van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Tevens hield ik mijn zaklamp met in werking zijnde verlichting in de richting van

deze bestuurder. Ik stond opdat moment schuin voor ons dienstvoertuig op de

weg. Ik zag dat deze bestuurder naar links ging om mij te passeren. Ik zag dat deze

bestuurder dit deed op ongeveer 50 meter voor mij. Ik gaf weer een stopteken conform bijlage II van het Rvv 1990. Ik zag dat deze bestuurder niet reageerde. Ik liep vervolgens nog verder de rijbaan op, zodat ik recht voor deze bestuurder zijn auto kwam te staan. Ik zag dat deze bestuurder met onverminderde snelheid in mijn richting gereden kwam. Ik zag dat deze bestuurder recht op mij afreed.

Ik verwachtte dat deze bestuurder zou stoppen, maar toen hij zo dicht genaderd was, zag ik dat de bestuurder met zijn armen zwaaiende bewegingen maakte van ‘ga weg’. Ik moest op het laatste moment wegspringen om mijn leven te redden, zodat ik niet door deze bestuurder aangereden zou worden. Ik schrok er heel erg van dat deze bestuurder zonder vaart te minderen op mij inreed. Als ik niet was weggesprongen, had deze bestuurder mij aangereden. Ik schat de snelheid van deze bestuurder op ongeveer 50 km/u. Ik zag dat deze auto was voorzien van het kenteken [nummer] , kleur van de auto wit, merk Nissan.

Toen ik later aan het bureau van politie kwam, heb ik in onze politiesystemen het kenteken opgevraagd. Volgens de gegevens van de RDW, bleek dat de auto op naam is gesteld van: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1981, wonende [adres] .

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 5 juli 2016, dossierpagina 23, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als bevindingen van verbalisant [naam] :

Op 4 juli 2016, omstreeks 23:00 uur, bevond ik mij gekleed in politie-uniform, belast met surveillance, op de openbare weg de Roozenburglaan te Middelburg. De Roozenburglaan te Middelburg is gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Middelburg en valt binnen een 30 kilometerzone. Ik had zojuist een bromfietsster staande gehouden ter controle op de juiste naleving van de wegenverkeerswet. Ik hoorde verderop in de straat een personenauto aankomen. Ik zag dat deze personenauto van uit de Vrijlandstraat de Roozenburglaan in kwam rijden. Ik zag dat het een witte personenauto betrof. De personenauto trok enorm mijn aandacht door het geluid dat deze produceerde en de manier waarop de bestuurder gas gaf.

Ik zag dat mijn collega [aangever] positie in nam voor ons dienstvoertuig en de bestuurder van de opvallende witte personenauto een stopteken gaf. Ik zag dat op dat moment de afstand tussen de witte personenauto en mijn collega nog erg groot was. Ik zag dat mijn collega met zijn zaklamp in de richting van de witte personenauto scheen. Ik zag dat de witte personenauto inmiddels wat meer links op de weg was gaan rijden.

Ik zag dat mijn collega midden op de weg ging staan en nogmaals een stopteken gaf aan

de bestuurder. Ik zag dat de witte personenauto geen snelheid minderde en nu recht op mijn collega afreed. Ik zag dat de bestuurder van de personenauto naar mijn collega gebaarde dat hij aan de kant moest gaan. Ik zag dat mijn collega naar links sprong om niet door de personenauto geraakt te worden. Als mijn collega niet was weggesprongen was hij zeker weten geraakt door de witte personenauto. De personenauto had nooit meer op tijd stil kunnen staan en remde ook totaal niet af. Ik zag dat het kenteken vande personenauto [nummer] betrof.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt d.d. 6 juli 2016, dossierpagina’s 25-26, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik werd op 4 juli 2016 omstreeks 23:15 uur op de Roozenburglaan te Middelburg

aan de kant gezet door de politie omdat ik zonder verlichting reed op mijn scooter. Toen zag en hoorde ik dat er een witte kabaalauto aan kwam rijden. Ik hoorde luid motorgeluid; er werd meerdere malen gas gegeven en weer losgelaten.

Ik zag dat een agent de rijbaan op liep en de scheen met zijn zaklamp richting de naderende auto. De agent maakte zwaaiende bewegingen om de auto aan de kant te zetten. Ik zag en hoorde dat de bestuurder van de auto gas bij gaf. Het ging toen heel snel. Ik hoorde de agent iets roepen van: "Hee". Ik zag dat de agent aan de kant sprong. Hij sprong richting de politieauto. Als de agent was blijven staan op de rijbaan waar hij stond had de auto hem zeker weten geraakt. De auto remde niet af.

4. Het proces-verbaal van getuigenverhoor bij de rechter-commissaris te Middelburg, opgemaakt d.d. 5 september 2016, los opgenomen in het dossier, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [getuige] :

Op 4 juli 2016 stond ik met mijn scooter op de stoep, met twee agenten. Ik hoorde een auto met behoorlijk veel lawaai aankomen. De agent stapte op de weg. Hij stond daar te zwaaien met zijn zaklamp in de richting van de auto.

De auto van de politie stond meer tegen de stoep aan. De agent met de zaklamp ging op korte afstand voor de politieauto midden op de weg staan. Die auto kwam eraan rijden en gaf gas bij. Dat kon ik horen. De agent gaf een schreeuw en sprong aan de kant. De agent stond op de as van de weg. Hij sprong in mijn richting, naar de stoep.

5. Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, opgemaakt d.d. 5 juli 2016, dossierpagina’s 13-14, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik heb een Nissan 100 NX, zonder APK. Ik reed gisterenavond (het hof begrijpt: 4 juli 2016) een rondje door de wijk. Ik reed over de Vrijlandstraat rechtsaf de Roozenburglaan te Middelburg op. Ik reed 40 tot 50 km per uur. Ik zag op de Roozenburglaan dat de politie bezig was om iemand aan te houden. Dat was aan de rechterzijde van de weg. Ik zag toen iemand, een politieagent, de weg op lopen. Ik zag dat hij met een zaklamp in mijn richting scheen. Op dat moment besefte ik dat ik werd staande gehouden. Ik week naar links uit. Ik zag toen dat de agent nog een stap opzij naar links deed. Ik heb op dat moment gas gegeven.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, bij gebrek aan voldoende overtuigend bewijs. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte op geen enkel moment de intentie heeft gehad om agent [aangever] aan te rijden. De verdachte zag genoeg ruimte om [aangever] te passeren en heeft dat ook gedaan. Volgens de raadsman hebben agent [aangever] , verbalisant [naam] en de getuige [getuige] niet eenduidig verklaard. Zo bevatten hun verklaringen discrepanties omtrent de plek waar [aangever] zich op de rijbaan heeft bevonden. Van een aanmerkelijke kans op de dood dan wel op zwaar lichamelijk letsel van [aangever] is geen sprake geweest nu er voor de verdachte, gelet op de positie van [aangever] op de rijbaan, voldoende ruimte was om hem te passeren.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof ziet in hetgeen door de raadsman is aangevoerd omtrent de verklaring van aangever [aangever] , de verklaring van de getuige [getuige] en de bevindingen van verbalisant [naam] geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud ervan. De door de raadsman aangehaalde verschillen zijn van ondergeschikt belang en doen niet af aan het gegeven dat de verklaringen c.q. bevindingen op de essentiële onderdelen met elkaar overeenkomen. Alle drie de genoemde personen geven in eigen bewoordingen aan dat agent [aangever] zich op de rijbaan bevond, een stuk van de stoep af. Ieder heeft verklaard over zijn waarnemingen vanuit zijn/haar eigen positie op/aan de openbare weg.

Het hof bezigt de verklaring van aangever [aangever] , de verklaring van de getuige [getuige] en de bevindingen van verbalisant [naam] tot het bewijs, op de wijze zoals hier boven is weergegeven.

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, stelt het hof vast dat verbalisant [aangever] samen met zijn collega [naam] op 4 juli 2016 bezig was met een verkeerscontrole op de Roozenburglaan te Middelburg, toen verdachte kwam aanrijden in zijn personenauto, merk Nissan 100nx. Verdachte reed ten minste 40 km/u en dus minimaal 10 km/u harder dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 km/u. Hij reed daarmee met een (te) hoge snelheid, te meer nu hij zijn snelheid ook verder niet heeft aangepast aan de omstandigheden ter plaatse die werden bepaald door een verkeerscontrole.

[aangever] heeft verdachte meermalen een stopteken gegeven. Deze stoptekens negeerde verdachte, ondanks dat hij de verbalisant zag en besefte dat hij werd staande gehouden. Verdachte remde niet, reed recht op [aangever] af en gebaarde bovendien naar de verbalisant dat hij aan de kant moest gaan. [aangever] moest vervolgens opzij springen om te voorkomen dat hij door de verdachte werd aangereden.

Aan het door de verdediging gevoerde verweer dat er voldoende ruimte was om [aangever] te passeren en dat deze dus niet opzij hoefde te springen, gaat het hof - evenals de rechtbank - voorbij. Zowel [aangever] als zijn collega [naam] verklaren dat verdachte recht op [aangever] afreed. Beiden verklaren daarnaast dat, wanneer [aangever] niet opzij was gesprongen, hij door verdachte zou zijn aangereden. Dit wordt bevestigd door de getuige [getuige] . Zij heeft bij de politie verklaard dat als de agent was blijven staan op de rijbaan waar hij stond, de auto hem zeker weten had geraakt.

De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of de verdachte, door te handelen als hiervoor omschreven, heeft getracht [aangever] opzettelijk van het leven te beroven en dus of sprake is van een poging tot doodslag.

Zoals hiervoor is vastgesteld, is verdachte met een snelheid van ten minste 40 km/u, zonder te remmen, recht op [aangever] afgereden waarbij [aangever] aan de kant moest springen om niet aangereden te worden. Dit deed verdachte, terwijl hij agent [aangever] op de rijbaan zag staan en zag dat deze hem staande wilde houden. Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer een personenauto met deze snelheid in aanrijding komt met een persoon, het de aanmerkelijke kans met zich brengt dat die persoon dodelijk letsel oploopt. Het kan niet anders zijn dan dat ook de verdachte zich van deze kans bewust is geweest. Een bevestiging van die wetenschap van de verdachte ziet het hof, evenals de rechtbank, in de gebaren die de verdachte richting [aangever] heeft gemaakt. Door desalniettemin zo, met die snelheid en zonder te remmen, op [aangever] af te rijden, heeft verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [aangever] dodelijk zou treffen.

Het hof is derhalve van oordeel dat verdachte opzet – in de zin van voorwaardelijke opzet – heeft gehad [aangever] van het leven te beroven.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat met het oog op zijn persoonlijke omstandigheden aan hem een dusdanige straf zal worden opgelegd dat een detentie wordt beperkt tot maximaal de duur van de voorlopige hechtenis. Bij een langer durende onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de verdachte alles kwijtraken wat hij heeft opgebouwd. Voorts is aangevoerd dat de verdachte volledig heeft meegewerkt aan het reclasseringstoezicht dat hem in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgelegd en zich heeft aangemeld bij Forensische Zorg Zeeland. Onder toezicht van de reclassering heeft de verdachte zich in positieve zin ontwikkeld.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de verdediging bepleit en evenmin als door advocaat-generaal gevorderd, omdat daarin de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, onvoldoende tot uitdrukking komt.

Het bewezen verklaarde houdt in dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, gepleegd jegens een politieambtenaar in functie. Verdachte is met zijn auto zonder te remmen recht op politieagent [aangever] afgereden. Dat [aangever] het er levend van af heeft gebracht, is niet aan verdachte te danken maar aan de eigen reactie van [aangever] , die op tijd opzij is gesprongen.

Met zijn handelen heeft verdachte geen respect getoond voor de persoonlijke integriteit en gezondheid van [aangever] en bovendien bijzonder onverantwoord verkeersgedrag vertoond. Dit geldt te meer nu hij, bij het afrijden op [aangever] , meerdere stoptekens van de agent negeerde. Het handelen van verdachte heeft voorts grote impact op [aangever] gehad, zoals ook blijkt uit de toelichting op de namens hem ingediende vordering tot schadevergoeding.

Bij zijn oordeel omtrent de aard en omvang van de op te leggen straf betrekt het hof voorts dat de maatschappij van politiemedewerkers verwacht dat zij optreden in gevaarlijke situaties. Zij verdienen om die reden bijzondere bescherming, om te voorkomen dat zij bij de uitoefening van hun functie van strafbaar handelen slachtoffer worden. Naar het oordeel van het hof dient dit tot uitdrukking te komen in de op te leggen straf.

Doorgaans wordt als uitgangspunt voor de straftoemeting bij een voltooide doodslag een gevangenisstraf voor de duur van tenminste 8 jaar genoemd. Nu het in deze strafzaak gaat om een poging daartoe, komt daarop een derde deel in mindering. Het hof houdt daarnaast rekening met de omstandigheid dat het bij de bewezenverklaring van feit 1 geoordeeld heeft dat sprake is van opzet in voorwaardelijke zin en niet van boos opzet om politieagent [aangever] van het leven te beroven.

Bij het bepalen van de strafmaat wordt voorts rekening gehouden met de inhoud van het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 augustus 2017. Daaruit volgt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is geweest ter zake van verkeersdelicten. Voorts heeft het hof in het kader van de straftoemeting kennis genomen van de stukken van Reclassering Nederland, waaronder het voortgangsverslag van 6 juli 2017. De reclasseringswerker sluit daarin aan bij het eerder uitgebrachte rapport van 22 september 2016, waarin wordt geadviseerd om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een meldplicht en een behandelverplichting (ambulante behandeling) als bijzondere voorwaarden.

Gelet op het bovenstaande acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 24 maanden, waarvan 18 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Indachtig het advies van de reclassering zullen aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, te weten een meldplicht en het zich houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als die aanwijzingen onderzoek en behandeling bij Forensische Zorg Zeeland of soortgelijke ambulante forensische zorginstelling inhouden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde aan de verdachte voorts de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen, voor de duur van 2 jaren.

Beslag

De in beslag genomen Nissan 100nx, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is blijkens de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 6 juli 2016 reeds aan verdachte teruggegeven. Nu het procesdossier ook overigens geen lijst van inbeslaggenomen voorwerpen bevat, acht het hof geen termen (meer) aanwezig om over het beslag te beslissen.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij [aangever] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 480,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen en in hoger beroep onverminderd gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [aangever] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden en dat verdachte gehouden is die schade te vergoeden.

Het hof heeft geen reden om eraan te twijfelen dat het onrechtmatige handelen van de verdachte grote impact heeft gehad op de benadeelde partij [aangever] . Voor het hof is voldoende aannemelijk dat er sprake is van schade in immateriële zin. Het hof acht een smartengeldvergoeding zoals gevorderd redelijk en billijk. Het hof zal de vordering integraal toewijzen, met een beslissing omtrent de kosten als hierna vermeld.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 184 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat hij zich zal laten onderzoeken of behandelen bij Forensische Zorg Zeeland of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling en dat hij zich daartoe binnen uiterlijk zeven dagen na het onherroepelijk worden van deze uitspraak zal melden bij Reclassering Nederland te Middelburg en zich daarna gedurende de volledige proeftijd zal blijven melden bij de reclassering, zo lang en zo frequent als de reclassering dat noodzakelijk acht.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 480,00 (vierhonderdtachtig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 480,00 (vierhonderdtachtig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aldus gewezen door

mr. F. van Es, voorzitter,

mr. R.A.T.M. Dekkers en mr. F.P.E. Wiemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos en mr. C. Karsdorp, griffiers,

en op 4 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hierna opgenomen voetnoten wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het eindproces-verbaal van de Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, Dienst Regionale Recherche (ZB), registratienummer PL2000-2016172015, gesloten op 28 juli 2016 en op ambtseed opgemaakt door [naam] , hoofdagent van politie, doorgenummerde dossierpagina’s 1 t/m 50, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften.