Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4214

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
200.190.165_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:566
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van een notariële akte die niet is bestemd om de rechtspositie van niet bij de totstandkoming betrokken derden (mede) te regelen. Haviltex.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.190.165/01

arrest van 3 oktober 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. A.M.B.J. Derks-Höppener te Geleen,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna: [geintimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. R.H.J.G. Borger te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 juni 2016 in het hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg zittingsplaats Roermond van 20 januari 2016, onder zaaknummer 4325622/ CV EXPL 15-7419 gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geintimeerden c.s.] als gedaagden. Het hof zet de nummering van het tussenarrest voort.

5 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

5.1

Dit blijkt uit:

- het voornoemde tussenarrest, waarbij een comparitie van partijen na aanbrengen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 2 augustus 2016, waarbij partijen geen minnelijke schikking hebben bereikt,

  • -

    de memorie van grieven van [appellante] met drie grieven,

  • -

    de memorie van antwoord van [geintimeerden c.s.] .

5.2

Na gevraagd arrest, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de bovenvermelde stukken, die genoemd in het tussenarrest en die van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1

Het hof gaat uit van de navolgende feiten:

  1. [eigenaar 1] en [eigenaar 2] (hierna: [eigenaren c.s.] ) waren eigenaar van het registergoed [registergoed] te [postcode] [plaats] , kadastraal [plaats] [sectieletter] [sectienummer 1] en [sectieletter] [sectienummer 2] (hierna: de woning).

  2. [eigenaren c.s.] sloten met makelaar [appellante] een overeenkomst waarbij [appellante] zich verbond tot het verrichten van makelaarsdiensten bij de verkoop van de woning tegen een door [eigenaren c.s.] te betalen makelaarscourtage.

  3. [eigenaren c.s.] sloten met [geintimeerden c.s.] een overeenkomst waarbij [eigenaren c.s.] de woning aan [geintimeerden c.s.] verkochten tegen een te betalen koopprijs van € 187.000,-- kosten koper. De daarvan opgemaakte koopakte is gedateerd op 12 september 2014, door [eigenaren c.s.] ondertekend op 19 september 2014 en door [geintimeerden c.s.] ondertekend op 3 oktober 2014.

  4. Toen de koopovereenkomst voor de woning werd gesloten, was het [eigenaren c.s.] , [appellante] en [geintimeerden c.s.] bekend dat de woning als gevolg van een eerder daarin ontdekte hennepkwekerij van het elektriciteitsnet was afgesloten.

  5. De akte van levering van de woning is op 1 december 2014 verleden voor notaris mr. [notaris] te [standplaats] (hierna: de notaris).

  6. De door [eigenaren c.s.] op grond van hun makelaarsovereenkomst aan [appellante] verschuldigde makelaarscourtage bedroeg € 3.800,--.

  7. [eigenaren c.s.] , [geintimeerden c.s.] , [appellante] en de notaris ondertekenden op 1 december 2014 een schriftelijke depotovereenkomst. Die akte duidt [eigenaren c.s.] als partij 1 en [geintimeerden c.s.] als partij 2 aan en vermeldt:

De notaris houdt een gedeelte van de verkoopopbrengst ad € 3.800,00 van voormeld registergoed, onder zijn berusting wegens het feit dat er op dit moment geen deugdelijk functionerende electriciteitsaansluiting in het verkochte aanwezig is, partijen genoegzaam bekend.
Partijen 1 en 2 verkrijgen ten gevolge hiervan een voorwaardelijke vordering op de notaris.
Partijen zijn overeengekomen dat het bedrag van € 3.800,00 toekomt aan partij 1 indien op 15 december 2014 om 18.00 uur een deugdelijk functionerende electriciteitsaansluiting in het verkochte aanwezig is en kan worden gebruikt.
Partij 1 zal alsdan de door hem verschuldigde courtage aan makelaar voldoen en de notaris kan de courtage rechtstreeks aan makelaar betalen.
Indien op 15 december 2014 om 18.00 uur geen deugdelijk functionerende electriciteitsaansluiting aanwezig is en gebruikt kan worden dan komt het bedrag van € 3.800,00 toe aan partij 2, de makelaar verklaart in dat geval afstand te doen van haar recht op betaling van de courtage.

Omdat de reguliere elektriciteitsaansluiting van de woning niet vóór 15 december 2014 kon worden gerealiseerd, regelde [appellante] een tijdelijke (nood)voorziening zodat de woning op die datum over een deugdelijk functionerende elektriciteitsaansluiting zou kunnen beschikken. [geintimeerden c.s.] hebben die voorziening echter geweigerd.

Conform de daartoe door [eigenaren c.s.] en [geintimeerden c.s.] verstrekte opdracht betaalde de notaris het depotbedrag van € 3.800,-- op 9 september 2015 aan (de advocaat van) [geintimeerden c.s.] .

6.2

Bij het bestreden vonnis is, samengevat, afgewezen de inleidende vordering van [appellante] dat [geintimeerden c.s.] hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van € 3.800,-- en van de proceskosten, allebei te vermeerderen met wettelijke rente. Bij dat vonnis is [appellante] in de proces- en nakosten veroordeeld, te vermeerderen met wettelijke rente. Het bestreden vonnis is deels uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6.3

[appellante] komt met drie grieven tegen het bestreden vonnis op. Met grief I zegt [appellante] dat de kantonrechter haar vordering ten onrechte heeft afgewezen. Door grief II keert [appellante] zich tegen de handelwijze van de kantonrechter dat eerst werd overwogen dat de notaris wellicht duidelijkheid kan geven over de juiste uitleg van de depotakte, maar vervolgens met voorbijgaan aan haar gedane bewijsaanbod is beslist dat de vordering van [appellante] wegens onvoldoende onderbouwing niet toewijsbaar is. Door grief III zegt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten een redelijke belangenafweging te maken. Mede gezien de toelichting van [appellante] en de daarop door [geintimeerden c.s.] gegeven reactie, leggen partijen hun geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal beslissen op de in dit hoger beroep door [appellante] geformuleerde vordering en de door de devolutieve werking van het hoger beroep ter beoordeling voorliggende verweren van [geintimeerden c.s.] .

6.4

In hoger beroep concludeert [appellante] in hoofdlijn dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geintimeerden c.s.] alsnog hoofdelijk zullen veroordelen tot betaling van € 3.809,-- en van de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente.

Onder weerspreking van de grieven concluderen [geintimeerden c.s.] dat het hof [appellante] in haar beroep niet-ontvankelijk zal verklaren althans haar vorderingen zal afwijzen, het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellante] zal veroordelen in de proceskosten van de beide instanties en de nakosten.

6.5

Hoewel [geintimeerden c.s.] concluderen tot veroordeling van [appellante] in (ook) de proceskosten van de eerste aanleg, is nog geen sprake van een incidenteel hoger beroep. [geintimeerden c.s.] verduidelijken niet dat zij tegen die proceskostenbeslissing opkomen, formuleren in zoverre ook geen incidentele grief en maken ook overigens niet kenbaar met welke bezwaren zij tegen dat oordeel zouden willen opkomen en op welke gronden hun bezwaren dan zouden rusten.

6.6.1

Voor zover [appellante] € 3.809,-- aan hoofdsom vordert, begrijpt het hof dat als een kennelijke verschrijving. [appellante] verlangt van [geintimeerden c.s.] een hoofdsom van € 3.800,-- en legt hieraan in hoofdlijn het navolgende ten grondslag.

6.6.2

Primair verwijt [appellante] aan [geintimeerden c.s.] een tekortkoming in de nakoming van de tussen [eigenaren c.s.] , [appellante] en [geintimeerden c.s.] gesloten depotovereenkomst, meer in het bijzonder hun daaruit voortvloeiende verplichting om de notaris opdracht te geven tot betaling van de makelaarscourtage aan [appellante] . Toen de reguliere elektriciteitsaansluiting pas later dan voorzien bleek te kunnen worden gerealiseerd, zorgde [appellante] met de geregelde tijdelijke voorziening tijdig in een deugdelijk functionerende elektriciteitsaansluiting. Omdat daarmee de opschortende voorwaarde voor haar recht op uitbetaling van het depotbedrag was vervuld, komt het depotbedrag op grond van de depotovereenkomst aan [eigenaren c.s.] toe en had dat als makelaarscourtage aan [appellante] moeten worden uitbetaald. Dat [geintimeerden c.s.] hun medewerking aan die noodvoorziening als schadebeperkende maatregel weigerde, doet hieraan volgens [appellante] niet af.

6.6.3

Subsidiair verwijt [appellante] aan [geintimeerden c.s.] onrechtmatig handelen door haar op tijd geregelde tijdelijke voorziening te weigeren en niet mee te werken aan schadebeperkende maatregelen.

6.7

[geintimeerden c.s.] voeren in hoofdlijn het navolgende verweer.

[appellante] is niet als makelaar van [geintimeerden c.s.] bij de koopovereenkomst opgetreden en [geintimeerden c.s.] zijn haar courtage niet contractueel verschuldigd.

Omdat de woning van het elektriciteitsnet was afgesloten en [geintimeerden c.s.] van Enexis aanvankelijk geen informatie kregen over de (her)aansluiting, wilden [geintimeerden c.s.] van de koop afzien. Omdat [appellante] hen verzekerde dat (her)aansluiting direct na levering kon worden gerealiseerd, sloten [geintimeerden c.s.] de koopovereenkomst toch. Toen Enexis hen vervolgens aangaf dat de (her)aansluiting wel eens twee maanden na levering van de woning zou kunnen vergen, lieten [geintimeerden c.s.] binnen de wettelijke bedenktijd aan [appellante] weten alsnog van de koop af te willen zien. [geintimeerden c.s.] lieten de koop toch doorgaan toen [appellante] op de laatste dag van de bedenktermijn aangaf dat de notaris € 5.000,-- van de betaalde koopsom in depot zou houden en aan [geintimeerden c.s.] zou (terug)betalen als de reguliere (her)aansluiting niet direct na levering zou zijn gerealiseerd. [geintimeerden c.s.] vertrouwden er op dat de daarvan door [appellante] opgestelde aanvullende bijlage onderdeel van de koopovereenkomst zou gaan uitmaken, maar kort voor de levering bleek [eigenaren c.s.] met die aanvullende bijlage niet bekend te zijn en die niet te accepteren. Daarmee dreigde de levering van de woning spaak te lopen, maar uiteindelijk werd de depotovereenkomst gesloten om uit de impasse te komen. Overtuigd dat de reguliere (her)aansluiting uiterlijk op 15 december 2014 zou zijn gerealiseerd, heeft [appellante] daar haar courtage op ingezet. Omdat zowel [eigenaren c.s.] als [geintimeerden c.s.] vonden dat het depotbedrag volgens de depotovereenkomst uiteindelijk niet aan [appellante] maar aan [geintimeerden c.s.] toekomt, gaven zij de notaris opdracht om dat bedrag naar [geintimeerden c.s.] over te maken. Bekend met de tussen partijen gemaakte depotovereenkomst betaalde de notaris dat bedrag ook terecht als afgesproken gefixeerde vergoeding voor dubbele woonlasten aan [geintimeerden c.s.] uit, aldus [geintimeerden c.s.] .

6.8

Voor zover [appellante] haar vordering baseert op een door [geintimeerden c.s.] gepleegde onrechtmatige daad, verwijt zij [geintimeerden c.s.] globaal en in slechts algemene termen dat [geintimeerden c.s.] haar op tijd geregelde tijdelijke voorziening weigerden en niet meewerkten aan die schadebeperkende maatregel. Hoewel dat op haar weg had gelegen, concretiseert [appellante] echter niet althans onvoldoende dat en hoe [geintimeerden c.s.] daarmee inbreuk zouden hebben gemaakt op welk haar toekomend recht, anders dan uit hoofde van een overeenkomst. Nu [appellante] evenmin verduidelijkt dat en hoe [geintimeerden c.s.] anders dan uit hoofde van een overeenkomst zouden hebben gehandeld in strijd met enige voor hen geldende wettelijke verplichting of in strijd met hetgeen hen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, spitst dit geding zich toe op de door [appellante] aan [geintimeerden c.s.] verweten tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst.

6.9

[geintimeerden c.s.] ontkennen met recht dat zij een makelaarsovereenkomst met [appellante] hadden. Voor zover zij echter betwisten enige contractuele verhouding met [appellante] te hebben, zien [geintimeerden c.s.] er evenwel aan voorbij dat [appellante] haar vordering baseert op de depotovereenkomst waarbij ook [appellante] partij is. Waar [geintimeerden c.s.] menen met [eigenaren c.s.] als verkrijgers van een voorwaardelijke vordering op de notaris daarbij de enige (twee) partijen te zijn, miskennen zij dat (ook) [appellante] de depotovereenkomst heeft (mee)gesloten en de depotakte heeft (mee)ondertekend en dat de depotovereenkomst niet alleen voor [eigenaren c.s.] en [geintimeerden c.s.] maar ook voor [appellante] bindend (afspraken omtrent) hun rechten, verplichtingen en/of handelwijze vastlegt.

6.10

Hoewel zij niet de enige partijen bij de depotovereenkomst zijn, beperkt dit geding zich tot de rechtsverhouding tussen [appellante] en [geintimeerden c.s.] op basis van die overeenkomst. Niet in geschil is dat het depotbedrag van € 3.800,-- op grond van de depotovereenkomst uiteindelijk aan slechts één van hen toekomt en door de notaris ook aan slechts één van hen moest worden uitgekeerd. [appellante] meent dat het depotbedrag ten onrechte aan [geintimeerden c.s.] is uitgekeerd en haar toekomt. [appellante] licht toe dat de woning op 15 december 2014 om 18.00 uur met de door haar geregelde tijdelijke voorziening een deugdelijk functionerende elektriciteitsaansluiting in de zin van de depotovereenkomst zou hebben gehad, maar dat [geintimeerden c.s.] die voorziening ten onrechte weigerden en nalieten de notaris opdracht te geven om het depotbedrag aan [appellante] uit te betalen. [geintimeerden c.s.] weerspreken dat en betogen dat de notaris het depotbedrag terecht aan hen heeft uitgekeerd omdat de woning toen niet over de bij de depotovereenkomst afgesproken reguliere (her)aansluiting op het elektriciteitsnet beschikte.

6.11

Voor zover [appellante] meent dat haar voorwaardelijke aanspraak op uitbetaling van het depotbedrag onvoorwaardelijk werd door de vervulling van de in de depotakte opgenomen voorwaarde dat de woning op 15 december 2014 om 18.00 uur over een deugdelijk functionerende elektriciteitsaansluiting had kunnen beschikken, kan daaraan niet afdoen dat [geintimeerden c.s.] de door [appellante] geregelde tijdelijke voorziening heeft geweigerd. Als blijkt dat met die door [appellante] geregelde tijdelijke voorziening de opschortende voorwaarde zou zijn vervuld, hadden [geintimeerden c.s.] immers belang bij de niet-vervulling van de voorwaarde en waar zij de vervulling dan hebben belet, verlangen redelijkheid en billijkheid dat de voorwaarde dan als vervuld geldt. In geschil is echter of die door [appellante] gestelde voorwaarde is overeengekomen, althans hoe de depotovereenkomst in zoverre moet worden uitgelegd.

6.12

Niet in geschil is dat de woning met de door [appellante] geregelde tijdelijke voorziening op 15 december 2014 om 18.00 uur wel over een deugdelijk functionerende elektriciteitsaansluiting als zodanig zou hebben beschikt, maar niet over een reguliere (her)aansluiting op het elektriciteitsnet. [appellante] maakt aanspraak op het door de notaris aan [geintimeerden c.s.] uitgekeerde depotbedrag, waarbij het partijdebat zich toespitst op de uitleg van de depotovereenkomst, meer in het bijzonder op de in de depotakte opgenomen passages dat het depotbedrag van € 3.800,-- aan [appellante] toekomt en moet worden uitbetaald als in de woning op 15 december 2014 om 18.00 uur

een deugdelijk functionerende electriciteitsaansluiting (…) aanwezig is en kan worden gebruikt

terwijl dat bedrag aan [geintimeerden c.s.] toekomt en [appellante] verklaart afstand te doen van haar recht op courtage als dan

geen deugdelijk functionerende electriciteitsaansluiting aanwezig is en gebruikt kan worden.

Het gaat dus in het bijzonder om de kwestie wat in het kader van de depotovereenkomst moet worden verstaan onder een op het bewuste tijdstip in de woning aanwezige deugdelijk functionerende elektriciteitsaansluiting. [appellante] verdedigt de uitleg dat daarmee werd gedoeld op enige dan gerealiseerde deugdelijk functionerende elektriciteitsaansluiting, terwijl [geintimeerden c.s.] menen dat een dan gerealiseerde reguliere (her)aansluiting op het elektriciteitsnet werd bedoeld.

6.13.1

Als het standpunt van [appellante] juist is, heeft [appellante] als ware gerechtigde op het depotbedrag verhaal op [geintimeerden c.s.] die het depotbedrag dan zonder recht ontving. Het hof oordeelt het standpunt van [geintimeerden c.s.] echter juist en overweegt daartoe het navolgende.

6.13.2.

De depotovereenkomst heeft niet alleen de overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.

6.13.3

Voor de uitleg van de depotovereenkomst kan van belang zijn dat hiervan de depotakte is opgemaakt. Naar de letter genomen komt het depotbedrag volgens die akte uiteindelijk aan [appellante] toe bij enige op het genoemde tijdstip aanwezige deugdelijk functionerende elektriciteitsaansluiting. De bewoordingen lijken er niet op te duiden dat daarmee een reguliere elektriciteitsaansluiting werd bedoeld.

De depotakte is een notariële akte, maar deze is hier niet bestemd om de rechtspositie van niet bij de totstandkoming betrokken derden (mede) te regelen. Anders dan bij laatstbedoelde notariële akten doorgaans het geval is, ligt daarom een uitleg van de depotakte naar objectieve maatstaven (waarbij groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van gebezigde bewoordingen) niet zonder meer voor de hand.

Hoewel de in de depotakte gebezigde tekst een aanwijzing kan vormen, is die tekst niet doorslaggevend voor de uitleg van de depotovereenkomst. Naast de taalkundige betekenis van de in de akte gebezigde bewoordingen komt het vooral aan op de zin die de bij de totstandkoming betrokken partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen, op wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten en op de betekenis die zij redelijkerwijs aan die akte mochten toekennen.

6.13.4

Volgens [appellante] is bij het sluiten van de depotovereenkomst gedwaald omtrent de (on)mogelijkheid tijdig een reguliere elektriciteitsaansluiting voor de woning te kunnen realiseren en had [geintimeerden c.s.] er toen slechts belang bij om op de leverdatum te kunnen beschikken over elektriciteit. Deze omstandigheden tasten de geldigheid van de depotovereenkomst niet aan en zeggen vrijwel niets over de toenmalige partijbedoelingen. Ook de onweersproken omstandigheid dat de kosten voor de aansluiting van de woning op het elektriciteitsnet volgens artikel 6.1 van de met [eigenaren c.s.] gesloten koopovereenkomst voor rekening van [geintimeerden c.s.] komen, biedt onvoldoende steun voor de door [appellante] verdedigde uitleg. Hoewel de door [appellante] geregelde tijdelijke voorziening voorzienbaar tot extra kosten bovenop die voor de reguliere (her)aansluiting zou leiden, is niet gesteld of gebleken dat over die extra kosten afspraken zijn gemaakt of zelfs maar is gesproken. Dat de depotovereenkomst voor die extra kosten geen bijzondere voorziening geeft en partijen daarover bij het sluiten van die overeenkomst zelfs niet hebben gesproken, wijst er veeleer op dat de bij de totstandkoming betrokken partijen dergelijke extra kosten voor een slechts tijdelijke voorziening destijds niet voorzagen omdat zij alleen het oog hadden op de reguliere (her)aansluiting van de woning op het elektriciteitsnet. Dit verbaast ook niet waar het partijen destijds ook bekend was dat de woning als gevolg van een eerder daarin ontdekte hennepkwekerij van het elektriciteitsnet was afgesloten en de gesprekken in dat kader plaatsvonden.

Dat ook [appellante] zelf ten tijde van het sluiten van de depotovereenkomst alleen oog had voor de reguliere (her)aansluiting van de woning op het elektriciteitsnet, vindt bevestiging in de zeer kort daarvoor op 27 november 2014 tussen [appellante] en [geintimeerden c.s.] nog gewisselde e-mailcorrespondentie over de door [appellante] opgestelde aanvullende bijlage waarin was voorzien dat de notaris € 5.000,-- van de betaalde koopsom in depot zou houden en aan [geintimeerden c.s.] zou (terug)betalen als de reguliere (her)aansluiting niet direct na levering zou zijn gerealiseerd. Dat die bijlage uiteindelijk geen onderdeel van de met [geintimeerden c.s.] gesloten koopovereenkomst is gaan uitmaken, laat onverlet dat ook [appellante] als opsteller daarvan blijkens die bijlage toen het oog had op een via Enexis voor de woning te realiseren

aansluiting van kabel en meterkast (…) en het plannen van een afspraak voor de aansluiting

terwijl de notaris ondertussen een bedrag in depot zou moeten houden

tot het moment dat er daadwerkelijk door de energiemaatschappij stroom geleverd is en klaar voor gebruik.

Ook de nadien namens [appellante] aan [geintimeerden c.s.] geschreven brief van 11 december 2014 bevestigt dat [appellante] zelf ten tijde van het sluiten van de depotovereenkomst alleen het oog had op de reguliere (her)aansluiting van de woning op het elektriciteitsnet. In die brief schreef [appellante] immers dat zij op 1 december 2014 akkoord is gegaan met de in de depotakte neergelegde afspraak in de veronderstelling dat Enexis tijdig de reguliere (her)aansluiting zou realiseren, maar toen die veronderstelling later onjuist bleek

een niet voorziene situatie [hof: ontstond] die volgens ons vraagt om schadebeperkende maatregelen.

Juist omdat de klaarblijkelijk beoogde reguliere (her)aansluiting volgens haar onverwacht niet tijdig zou kunnen worden gerealiseerd, schreef [appellante] in diezelfde brief van [geintimeerden c.s.] te verlangen dat zij vanwege de onmogelijkheid om tijdig de beoogde definitieve (her)aansluiting te realiseren, voor het vervolg zouden moeten meewerken aan

ons back-up plan.

Of [appellante] dat achteraf inderdaad van [geintimeerden c.s.] mocht en mag verlangen, is een andere kwestie dan de hier te beoordelen uitleg van de depotovereenkomst. Voor de uitleg van de depotovereenkomst is hier met name relevant dat ook [appellante] zelf blijkens die brief van 11 december 2014 ten tijde van het sluiten van de depotovereenkomst slechts het oog had op de reguliere (her)aansluiting van de woning op het elektriciteitsnet.

6.14

Naast de door haar voorgestane uitleg, concretiseert [appellante] verder niet althans onvoldoende met feiten dat en waarom sprake zou zijn van zodanige omstandigheden dat [geintimeerden c.s.] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de depotovereenkomst niet zouden mogen verwachten dan wel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [geintimeerden c.s.] op grond van de depotovereenkomst aanspraak maken op het aan hen uitbetaalde depotbedrag. Ook voor zover [appellante] meent dat een belangenafweging moet worden gemaakt, verduidelijkt [appellante] niet althans onvoldoende welke (feitelijke of rechts)grond dan welke verbintenis zou hebben doen ontstaan.

6.15

Nu [appellante] overigens geen feiten stelt die tot een ander oordeel leiden, komt bewijslevering niet aan de orde. Dat [appellante] aanbiedt de notaris te laten verklaren over zijn interpretatie van de depotakte, belet niet dat het hof de depotakte zelfstandig uitlegt. Op basis daarvan komt het hof tot de slotsom dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen, [appellante] als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen en de door [geintimeerden c.s.] verlangde nakosten als onweersproken toerwijzen. Het hof beslist als volgt.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerden c.s.] op € 314,-- aan griffierecht en op € 1.264.-- aan salaris advocaat;

en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

wijst het meer of anders in hoger beroep gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en J.R. Sijmonsma en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 oktober 2017.

griffier rolraadsheer