Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4213

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2017
Datum publicatie
04-10-2017
Zaaknummer
200.175.830_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:3478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg echtscheidingsconvenant.

Vennootschap onder firma (voormalig) echtgenoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5132
JPF 2018/42 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.175.830/01

arrest van 3 oktober 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna: de man

advocaat: mr. A.C.M. Kitslaar te 's-Hertogenbosch, voorheen mr. A.J. Exterkate,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna: de vrouw

advocaat: mr. D.S. Teitler te Nijmegen, voorheen mr. P.J. Willard,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 21 juni 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer 3698758/CV EXPL 14-13109 gewezen vonnis van 29 april 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 21 juni 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de comparitie van partijen op 23 november 2016;

  • -

    de pleitnota van mr. Kitslaar.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op deze, de hiervóór in rov. 2 genoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) Partijen hebben sinds begin jaren ’80 een affectieve relatie gehad.

b) Op 1 januari 1988 hebben zij de vof Assurantiekantoor [assurantiekantoor] opgericht.

c) Op 29 januari 1990 zijn partijen in Las Vegas (VS) gehuwd, in gemeenschap van goederen.

d) Partijen hebben op 11 februari 2010 een echtscheidingsconvenant gesloten. Daarin staat het volgende:

“(…)

4.3.

Partijen hebben samen een assurantiekantoor in de vorm van een VOF. Verkoop van de in de VOF aanwezige assurantieportefeuille achten partijen op dit moment niet verstandig. Partijen hebben daarom besloten de VOF na echtscheiding voort te zetten. Het vermogen in de VOF blijft dus onverdeeld waaronder begrepen het onroerend goed en de daarop rustende hypotheekschuld.

Het Firmantencontract Assurantiekantoor [assurantiekantoor] van 12 februari 1988 blijft van kracht. In aanvulling daarop hebben partijen de volgende afspraken gemaakt:

a. Partijen zullen beide [beiden, hof] hun best blijven doen om op een constructieve wijze met elkaar samen te werken. Beide partijen vinden het belangrijk dat 1 dag per week gezamenlijk op kantoor wordt doorgebracht.

(…)

4.10.

Gedurende de huwelijkse periode heeft de man een erfenis ontvangen van zijn vader.

Hoewel in het testament een uitsluitingsclausule is opgenomen en de erfenis dus niet tot de gemeenschap van goederen behoort, is de man bereid om onder voorwaarden zijn erfdeel met de vrouw te delen en wel als volgt:

- de vrouw ontvangt de helft van het aandeel van de man in het spaargeld ad € 3600,00 en zij heeft dat bedrag inmiddels ontvangen

- de vrouw ontvangt de helft van het aandeel van de man in het ouderlijk huis, mits de VOF op 1 januari 2012 nog bestaat. De waarde is dan 1/3 deel van de verkoopopbrengst na aftrek van de hypotheekschuld, makelaarskosten en overige kosten of 1/3 van de overwaarde indien het huis aan een van de erfgenamen wordt toegedeeld. De man zal dat bedrag na verkoop onverwijld aan de vrouw voldoen.

- de vrouw ontvangt de helft van de huurvergoeding die de man van zijn zus ontvangt wegens het gebruik van het huis.

- de vrouw voldoet de helft van de aan de man opgelegde aanslag successierecht als zij ook de helft van het aandeel van de man in het huis ontvangt. Zo niet, dan vindt naar rato een correctie plaats en betaalt de man het teveel betaalde bedrag onmiddellijk terug. De vrouw ontvangt een kopie van de aanslag.

- Voorzover fiscaal mogelijk geven partijen gedurende de onverdeeldheid van het huis, ieder de helft van het aandeel van de man in het huis op als BOX 3 vermogen.

(…)”

e) Op 23 maart 2010 heeft de rechtbank Arnhem de echtscheiding uitgesproken.

f) De echtscheidingsbeschikking is op 21 april 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

g) Na de echtscheiding hebben partijen de vof voortgezet.

h) Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Oost-Nederland van 22 maart 2013 is bepaald dat de man bij wijze van voorschot op het erfdeel van het ouderlijk huis van de vader van de man een bedrag van € 20.000,- aan de vrouw dient te voldoen. De man heeft dit bedrag aan de vrouw betaald.

i. i) Partijen hebben op 18 oktober 2013 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin staat onder meer:

“PARTIJEN (…) NEMEN IN AANMERKING DAT: (…)

b. partijen sinds medio 2011 van mening zijn dat de samenwerking tussen hen dient te worden beëindigd in verband met de verslechterde verstandhouding tussen partijen;

c. partijen buiten rechte hebben getracht tot overeenstemming te komen terzake de beëindiging van de samenwerking, maar dit toen niet is gelukt;

d. [de man] daarom [de vrouw] heeft gedagvaard (…) en tussen partijen thans een procedure loopt bij de rechtbank Limburg (…) hierna te noemen: “de Procedure” [de man heeft de vrouw daarin op 3 april 2012 gedagvaard en ontbinding van de vof gevorderd (inl. dv., pt. 1.3.3; cva in conv/eis in reconv., pt. 10), hof]

e. partijen tijdens de procedure [Procedure, hof] de gesprekken c.q. onderhandelingen over beëindiging van de samenwerking weer hebben opgepakt en deze onderhandelingen hebben geleid tot overeenstemming en zij de tussen hen gemaakte afspraken schriftelijk wensen vast te leggen in onderhavige overeenkomst (…).

EN VERKLAREN EN KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

1. Ontbinding en voorzetting [voortzetting, hof] van de onderneming van de Vennootschap

1.1

De Vennootschap en het tussen partijen bestaande firmantencontract d.d. 1 januari 1988 wordt geacht met wederzijds goedvinden van partijen per 22 november 2013 of zoveel eerder of later als partijen uitdrukkelijk overeenkomen, te zijn ontbonden (…).

(…)

14. Finale kwijting

(…)

14.2

Partijen zullen onverwijld na ontbinding van de Vennootschap [de Procedure] intrekken cq doorhalen (…).”

j) De man heeft het aandeel van de vrouw in de vof overgenomen en hij zet de onderneming voort, sinds 31 januari 2014.

6.2.

De man is het niet eens met het kort gedingvonnis (rov. 6.1 sub h). Hij wil het bedrag van € 20.000,- dat hij ter uitvoering van het vonnis heeft betaald terug. Daarom heeft hij in de onderhavige procedure een vordering met die strekking ingesteld.

6.3.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van de man echter afgewezen. De kantonrechter heeft daartoe als volgt overwogen:

“4.2. De kantonrechter stelt vast dat partijen het er over eens zijn dat verdeling van de vof per datum echtscheiding, uit zakelijk oogpunt gezien, tot desastreuze financiële gevolgen zou leiden en partijen alleen al uit financieel oogpunt genoodzaakt waren de vof nog enige tijd na de echtscheiding voort te zetten. Vervolgens is de vof eerst in 2014 ontbonden. Voor een traineren door [geïntimeerde] als door [appellant] gesteld ziet de kantonrechter onvoldoende aanknopingspunten.

(…)”

6.4.

De man is het met deze beslissing niet eens en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Hij vordert in appel zijn vordering alsnog toe te wijzen en vernietiging van de tegen hem in reconventie uitgesproken veroordeling de vrouw een bedrag van € 4.840,07 te betalen.

6.5.

De vrouw concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man en bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.

6.6.

De man heeft twee grieven geformuleerd. De grieven draaien vooral om de uitleg van artikel 4.10 van het echtscheidingsconvenant (aldus ook de pleitnotitie, sub 1). Verder beroept de man zich nog op art. 6:23 lid 2 BW en art. 6:248 lid 2 BW.

De uitleg van artikel 4.10 van het echtscheidingsconvenant (grief 1, onderdeel (i))

6.7.

Art. 4.10 van het echtscheidingsconvenant (d.d. 11 februari 2010; hierna: het convenant) houdt in dat niettegenstaande de uitsluitingsclausule in het testament van de vader van de man, de man bereid is zijn erfdeel in de ouderlijke woning met de vrouw te delen “mits de vof op 1 januari 2012 nog bestaat”.

6.8.

De vrouw beroept zich voor, kort gezegd, haar aanspraak op de helft van de erfenis op het volgende.

De tekst van het convenant is duidelijk. Op 1 januari 2012 bestond de vof nog, dus heeft de vrouw recht op de helft van de erfenis. De man heeft ook erkend dat art. 4.10 in het convenant is opgenomen omdat het onverstandig was de assurantieportefeuille meteen te verkopen. De man was afhankelijk van de inzet van de vrouw in de onderneming en daar wilde hij “wat langer van (…) profiteren” (mva, pt. 18).

De uitleg van het convenant door de man, blijkt ook nergens uit. Het was voor de vrouw ten tijde van de onderhandelingen over het convenant niet duidelijk dat de man met het opnemen van artikel 4.10 wilde bereiken dat partijen een goede verstandhouding hadden in het belang van de kinderen en dat hij omgang met de kinderen kon hebben in het pand van de vof.

6.9.

De man voert het volgende aan.

De beslissing om de vof voort te zetten was niet alleen gestoeld op zakelijke, maar ook op persoonlijke motieven.

Allereerst de zakelijke motieven. Ten tijde van de echtscheiding waren partijen het erover eens dat verkoop van de assurantieportefeuille hen niet verstandig leek. Daarom hebben zij besloten de vof na de echtscheiding voort te zetten (mvg, pt. 2.1.3 en 3.2.5). “In dat kader is artikel 4.10 in het echtscheidingsconvenant opgenomen” (mvg, pt. 2.1.3). Artikel 4.10 is door de man opgenomen en het geeft de vrouw een vooruitzicht op een deel van de erfenis om, zoals in artikel 4.3 onder a is bepaald, ervoor te zorgen dat partijen de vof zouden continueren en ten aanzien daarvan op een constructieve manier zouden samenwerken (mvg, pt. 3.2.7 en 3.2.10). Het was in het belang van beide partijen dat de vof werd voortgezet (mvg, pt. 3.2.7).

Dan de persoonlijke motieven. Het “bestaan” van de vof betekende ook dat de kinderen van partijen thuis, in de bovenwoning van het pand van de vof konden blijven wonen en de omgang/samenwerking met de vrouw dusdanig goed zou zijn dat de kinderen in ieder geval geen last van ruziënde ouders zouden hebben (pleitnota, pt. 5). Zolang het goed zou gaan tussen partijen en de vrouw ook goed voor de kinderen zorgt, zou de erfenis gedeeld worden (pleitnota, pt. 6). Het was de bedoeling dat er een goede verstandhouding tussen partijen bleef bestaan ten behoeve van de kinderen; dit kwam tot uitdrukking in het bestaan van de vof (pleitnota, pt. 3 en 11).

De bedoeling van het convenant blijkt ten slotte nog uit een e-mail van de man aan de vrouw, van 4 november 2009 (prod. 4 bij cva in reconv). Daarin schrijft de man:

“Over het geld wat nog in mijn ouderlijk huis staat heb ik zoals boven voorgesteld om de huur te delen. Echter wat ik t.z.t. met de opbrengst zal doen hangt af van hoe jouw houding is m.b.t. tot de zaak en m.b.t. de kinderen. Op dit moment heb ik er nog steeds geen goed gevoel bij. Ik ga nu dus ook niet toezeggen dat ik het deel, ik wil het met je delen als in de toekomst blijkt dat je een open en positieve inzet hebt m.b.t. de zaak en de kinderen.”

De situatie die de man voor ogen stond en onder welke omstandigheden hij uit coulance bereid was de erfenis te delen, bestond niet meer op 1 januari 2012 (pleitnota, pt. 7). Alleen juridisch bestond de vof nog.

6.10.

Het hof oordeelt als volgt.

De afspraken tussen partijen in het convenant dienen te worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635):

“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.”

Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493).

Volgens de in art. 150 Rv. neergelegde hoofdregel voor de bewijslastverdeling rust de bewijslast in een civiele procedure op de partij die daarmee een bepaald rechtsgevolg wil bewerkstelligen. Die partij zal aldus de feiten die het intreden van het door hem gewenste rechtsgevolg kunnen rechtvaardigen moeten stellen en – bij voldoende betwisting – vervolgens ook moeten bewijzen. De vrouw maakt aanspraak op de helft van de erfenis en zij beroept zich daarvoor op artikel 4.10. Op haar rust derhalve de stelplicht en bewijslast dienaangaande.

Volgens de vrouw heeft artikel 4.10 een beperkte, zakelijke strekking en beoogt die bepaling niet allerlei persoonlijke (niet-zakelijke) motieven. De man heeft dit laatste onvoldoende gemotiveerd betwist. De ruimere uitleg die de man bepleit, houdt geen of in ieder geval niet noodzakelijkerwijs verband met de vof. Niet alleen de opmerking van de man dat de erfenis gedeeld zou worden zolang het goed zou gaan tussen partijen, en de vrouw ook goed voor de kinderen zorgt, maar ook zijn andere opmerkingen dat: de omgang met de vrouw goed zou zijn; de kinderen geen last van ruziënde ouders zouden hebben, en dat er een goede verstandhouding tussen partijen bleef bestaan, staan op zich los van de vof. Wat de, samengevat, goede verstandhouding die de man aldus op het oog heeft precies inhoudt, is ook niet duidelijk, waardoor de aanspraak van de vrouw op de erfenis niet goed is te bepalen. Het argument van de man over het bestaan van de vof en de bovenwoning voor de kinderen gaat niet op, omdat dit “bestaan” kennelijk ziet op het juridisch bestaan van de vof (de man wijst er op dat bij “beëindiging” van de vof het pand en dus ook de bovenwoning moeten worden verkocht, mvg, pt. 3.2.9). Bij de uitleg van artikel 4.10 zullen de bedoelde persoonlijke (niet-zakelijke) motieven daarom buiten beschouwing worden gelaten.

Over de zakelijk motieven van artikel 4.10 oordeelt het hof als volgt. In het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de man (pleitnota, pt. 10), heeft de vrouw haar stelling dat de man afhankelijk was van de inzet van de vrouw in de onderneming en hij langer van die inzet wilde profiteren onvoldoende onderbouwd. Van die beweerde afhankelijkheid van de man kan daarom niet worden uitgegaan. Bovendien kan de uitleg dat door het enkele tijdsverloop van bijna twee jaar, 11 februari 2010 (datum convenant) tot 1 januari 2012, alleen het juridische bestaan, ongeacht de samenwerking binnen de vof (of het ontbreken daarvan) en ongeacht de (stand van de) assurantieportefeuille (nergens legt de vrouw uit hoe lang die portefeuille zou moeten worden aangehouden of wat daarmee moest gebeuren), de vrouw recht zou krijgen op de helft van de erfenis, zonder nadere toelichting niet worden aanvaard. Waarom zou de man zich daartoe onverplicht, de erfenis was verkregen met een zogenoemde uitsluitingsclausule, hebben vastgelegd? Veeleer moet ervan worden uitgegaan, zoals de man heeft betoogd, dat artikel 4.10 de vrouw vooruitzicht geeft op een deel van de erfenis om, zoals in artikel 4.3 onder a van het convenant is bepaald, ervoor te zorgen dat partijen de vof zouden continueren en zij ten aanzien daarvan op een constructieve manier zouden samenwerken (mvg, pt. 3.2.7 en 3.2.10).

Dit betekent echter niet dat van een constructieve samenwerking (als voorwaarde voor het delen van de erfenis) nog sprake moest zijn tot aan, of op 1 januari 2012. Op dat punt is het verweer van de man ontoereikend. (Ook de e-mail van 4 november 2009 waarop de man zich beroept, schiet in dat opzicht te kort; daaruit blijkt niet dat de man de erfenis van zijn vader in het convenant wilde regelen en evenmin hoe). Tot medio 2011 is van een voldoende constructieve samenwerking sprake geweest (pas daarna vonden partijen dat hun samenwerking moest worden beëindigd, aldus de vaststellingsovereenkomst, rov. 6.1 sub i). De samenwerking was daarmee voor veruit het grootste gedeelte van de periode van bijna twee jaar (11 februari 2010 (datum convenant) tot 1 januari 2012) goed of ten minste voldoende. Dat dit voor de man bij het sluiten van het convenant een onvoldoende lange periode was (en hij die bedoeling niet zou hebben gehad) blijkt nergens uit. Ook blijkt nergens uit waarom met het oog op de assurantieportefeuille nog (ongeveer) een half jaar langer goed (of voldoende) zou moeten worden samengewerkt. Aangenomen moet daarom worden dat de man met de voortgezette periode van constructieve samenwerking heeft gekregen wat hij met art. 4.10 heeft beoogd. In het (juridisch) bestaan van de vof op 1 januari 2012 is dan verdisconteerd dat het gedurende de laatste maanden van de bedongen termijn van bijna twee jaar (hier: vanaf medio 2011), niet meer goed ging met de vennootschappelijke samenwerking.

De slotsom van het voorgaande is dat grief 1, onderdeel (i) faalt.

Het beroep van de man op art. 6:23 lid 2 BW en art. 6:248 lid 2 BW (grief 1, onderdeel (ii))

6.11.

Art. 6:23 lid 2 BW luidt als volgt:

“Wanneer de partij die bij de vervulling [van de voorwaarde] belang had, deze heeft teweeggebracht, geldt de voorwaarde als niet vervuld, indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen.”

Het hof oordeelt als volgt. In deze zaak heeft de vrouw de vervulling van de voorwaarde niet teweeggebracht. Wat partijen beoogden met de voorwaarde is verwezenlijkt (namelijk een voortgezette periode van constructieve samenwerking (waarvan sprake was tot medio 2011, rov. 6.10)). Maar ook in de periode daarna is het veeleer de man geweest die heeft bewerkstelligd dat de vof nog (juridisch) bestond op 1 januari 2012. Partijen waren sinds medio 2011 van mening dat de samenwerking tussen hen diende te worden beëindigd in verband met de verslechterde verstandhouding tussen partijen. De man stonden toen verschillende mogelijkheden ter beschikking om eenzijdig de samenwerking te beëindigen, in het bijzonder door opzegging van de vof aan de vrouw (art. 2 lid 2 jo. art. 10 van het vennootschapscontract) of door ontbinding wegens gewichtige redenen, zoals ook door de man erkend ter zitting. De man heeft daarvan afgezien om in zijn eigen woorden, in onderling overleg met de vrouw tot beëindiging van de vof te komen. Daarmee heeft de man zelf gekozen voor voortzetting van de vof.

Het vorenstaande brengt voorts mee dat het beroep van de vrouw op artikel 4.10 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is (in de zin van art. 6:248 lid 2 BW). Hierbij zij overigens nog opgemerkt dat de vrouw de feiten waarop de man zich in dit verband heeft beroepen (mvg, pt. 3.3, in het bijzonder het mislukken van de beëindiging van de vof in onderling overleg, door toedoen c.q. stilzitten van de vrouw) voldoende gemotiveerd heeft betwist (mva, pt. 29) en de man van déze stelling geen bewijs heeft aangeboden. Het verweer van de vrouw dat de onderhandelingen over beëindiging van de vof ook na 1 januari 2012 nog lang hebben geduurd (de vof is pas in 2014 daadwerkelijk ontbonden, nadat partijen daarover in oktober 2013 overeenstemming hebben bereikt), maakt wel duidelijk dat die onderhandelingen ook toen de vrouw daar met het oog op artikel 4.10 geen belang meer bij had (nog immer) moeizaam verliepen. Dat wijst er niet op dat het mislukken van de beëindiging van de vof in onderling overleg (enkel) aan de vrouw is te wijten (althans dat het beroep dat de vrouw doet op artikel 4.10 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is)

De slotsom van het voorgaande is dat grief 1, onderdeel (ii) faalt.

Grief 2 (de reconventionele vordering)

6.12.

De man voert het volgende aan.

Ingevolge het kortgedingvonnis heeft de man een bedrag van € 20.000,-- betaald aan de vrouw. De vrouw heeft in eerste aanleg, in reconventie, nog “een restantbedrag” van € 5.541,-- gevorderd. De kantonrechter heeft daarop een bedrag van € 4.840,07 toegewezen. “Onder verwijzing naar het vorenstaande is [de man] op grond van artikel 4.10 van het echtscheidingsconvenant niets verschuldigd aan [de vrouw]” (mvg, pt. 4.1). De beslissing van de kantonrechter is dan ook onjuist.

6.13.

De vrouw voert hiertegen het volgende aan.

De man voert geen nieuwe argumenten aan en hij volstaat met een verwijzing naar zijn eerder ingenomen standpunten. De grief moet worden verworpen.

6.14.

Het hof oordeelt als volgt. De vrouw heeft (in reconventie) het bedoelde restantbedrag gevorderd. Het betrof een bedrag dat nog resteerde uit het erfdeel van de voormalige ouderlijke woning van de man. De grief van de man veronderstelt het slagen van (ten minste een onderdeel van) grief 1. Daarvan is geen sprake, zodat de grief reeds daarom faalt. Voor zover de man nog andere argumenten heeft willen ontlenen aan hetgeen hij in “het vorenstaande” heeft aangevoerd (wat praktisch zijn hele memorie van grieven omvat) heeft de man onvoldoende duidelijk gemaakt wat die argumenten dan zijn.

6.15.

De man heeft nog aangeboden “zijn stellingen te bewijzen door het doen horen van getuigen” (mvg, pt. 5.1). Dit bewijsaanbod is niet voldoende specifiek en/of niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

6.16.

De slotsom van het bovenstaande is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 april 2015;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J Vossestein, M.J. van Laarhoven en C.M.E. de Koning, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 oktober 2017.

griffier rolraadsheer