Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:420

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
200.177.002_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

voorkeursrecht pachter (art. 7:378 BW), afrekening melkquotum bij verkoop aan pachter;

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 378
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.177.002/01

arrest van 7 februari 2017

in de zaak van

[appellante] , e.v. [appellante],

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
in hoger beroep niet verschenen,

2. [geïntimeerde 2] , in hoedanigheid van enig erfgenaam van wijlen dhr [erflater] ,
wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerden,
hierna tezamen aan te duiden als [geïntimeerden] en ieder afzonderlijk als respectievelijk [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,

advocaat geïntimeerde sub 2: mr. F.G.H.J. Niemarkt,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 september 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 2 november 2011 en 10 juni 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerden] als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/04/110248/HAZA 11-475)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] ;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide in hoger beroep verschenen partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

3.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

  1. [geïntimeerde 1] en (wijlen) [erflater] zijn broers (hierna verder aan te duiden als respectievelijk [geïntimeerde 1] en [erflater] ). Bij schriftelijke pachtovereenkomsten van 12 september 1986 (prod. 4 en 5 cvr) heeft [geïntimeerde 1] van [verpachter] (verder: [verpachter] ) drie kadastrale percelen bouwland, in totaal oorspronkelijk 2.61.70 ha (later 2.43.45 ha), en [erflater] een perceel bouwland, oorspronkelijk groot 2.92.00 ha (later 2.53.00), te [woonplaats 1] gepacht. De overeenkomsten werden aangegaan voor een pacht per 1 november 1986 voor de wettelijke duur van 6 jaar. De gronden waren voordien in gebruik bij de ouders van [geïntimeerde 1] en [erflater] .

  2. [verpachter] is op [datum] 2001 overleden. Zijn echtgenote, mevrouw [echtgenote verpachter] (verder: [echtgenote verpachter] ) was zijn enige erfgename.

  3. [echtgenote verpachter] heeft de percelen aan [geïntimeerde 1] en [erflater] te koop aangeboden bij brieven van 20 oktober 2004 van ing. [vertegenwoordiger] (verder: [vertegenwoordiger] ), verbonden aan [Rentmeesters & Makelaarskantoor] Rentmeesters & Makelaarskantoor (verder: [Rentmeesters & Makelaarskantoor] ). [vertegenwoordiger] was daarvoor via de accountant van [echtgenote verpachter] , de heer [accountant] (verder: [accountant] ), benaderd.

  4. In de brieven van 20 oktober 2004 (prod. 6 en 7 cvr) schrijft [vertegenwoordiger] onder meer:

“(...)

Op grond van een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst pacht u, en voorheen uw vader, een perceel/tweetal percelen landbouwgrond (..)

Mevrouw [echtgenote verpachter] heeft u via ondergetekende in kennis gesteld van haar wens om de landbouwgronden te verkopen.

U hebt tegenover mij aangegeven gebruik te willen maken van uw op de pachtwet gebaseerd voorkeursrecht.

Op basis van het voorgaande heeft inmiddels bespreking plaatsgevonden met eigenaresse. Dit heeft geresulteerd in het navolgende aanbod:

1 Aanbod Landbouwgrond in verpachte staat:
(…)
2. Productierechten/verpachtersaanspraken
Gezien uw bedrijfsvoering mogen wij verwachten dat er productierechten in de vorm van melk- en bietenquotum op de gepachte grond van mevrouw [echtgenote verpachter] rust, aangezien deze grond al vóór 1983 tot het bedrijf behoorde. Ter bepaling van de hoeveelheid melkquotum per ha. Verzoeken wij u derhalve om bij ons volgend overleg de navolgende documenten over te leggen:
- Landbouwtelling 1983-1984 (Op te vragen bij het LEI)
- Gegevens COS 1984 (Op te vragen bij het COS)
Ter zake de afrekening over de verpachtersaanspraken in de productierechten stel ik voor om voor het melkquotum de tot heden bekende jurisprudentie te volgen en derhalve de verpachtersaanspraken vast te stellen op 25% van de waarde van het tot het gepachte behorend melkquotum.

(…)”
Het aanbod onder 1 bedroeg voor [erflater] € 48.000,= en voor [geïntimeerde 1] € 43.000,= (tezamen € 91.000,=).

Op 11 november 2004 heeft vervolgens ten kantore van [Rentmeesters & Makelaarskantoor] nog een bespreking plaatsgevonden tussen [vertegenwoordiger] enerzijds en [geïntimeerde 1] en [erflater] anderzijds. Bij die bespreking waren tevens aanwezig de vader van [geïntimeerde 1] en [erflater] en ir. [gemachtigde geïntimeerde 1] (verder: [gemachtigde geïntimeerde 1] ), de gemachtigde van [geïntimeerde 1] en [erflater] . Bij die bespreking hebben [geïntimeerde 1] en [erflater] ingestemd met de gevraagde koopsommen en te kennen gegeven dat er geen melkquotum was verbonden aan de percelen omdat er in het referentiejaar

1983/1984 nog geen sprake was van een pachtovereenkomst.

Bij fax van 26 november 2004 (prod. bij proces-verbaal heropend getuigenverhoor d.d. 10 september 2014) heeft Mevrouw [medewerkster Rentmeesters & Makelaarskantoor] van [Rentmeesters & Makelaarskantoor] aan [accountant] bericht: “Geachte heer [accountant] / [geïntimeerde 1] , Heb jij nog kans gezien om achter mogelijke pachtbetalingen door [geïntimeerde 1] aan dhr. en mevr. [echtgenote verpachter] te komen. Om aanspraak te kunnen maken op een gedeelte van de waarde van het melkquotum is het zaak dat we kunnen aantonen dat reeds vóór 1983 pacht werd betaald door [geïntimeerde 1] . Als dat niet het geval blijkt te zijn dat kunnen we de zaak verder afhandelen. Het aanbod is namelijk in beginsel geaccepteerd. Graag hoor ik van je. (..)”

Bij aangetekende brief van 31 januari 2005 heeft [gemachtigde geïntimeerde 1] [echtgenote verpachter] namens [geïntimeerde 1] en [erflater] gesommeerd tot nakoming van de volgens hen tot stand gekomen koopovereenkomsten. [echtgenote verpachter] heeft daarop niet gereageerd. Zij heeft evenmin gehoor gegeven aan aangetekende brieven d.d. 10 mei 2005 van Area Juristen namens eisers van die strekking.

[echtgenote verpachter] heeft in april 2007 de desbetreffende percelen grond (de door [geïntimeerde 1] en [erflater] gepachte percelen) bij mondelinge koopovereenkomst verkocht aan [appellante] , een zus van [geïntimeerde 1] en [erflater] en nichtje van [echtgenote verpachter] , voor een koopprijs van € 91.000,=. De percelen zijn bij notariële akte van levering van 31 december 2007 aan haar geleverd. In de akte van levering is onder meer de volgende bepaling opgenomen: “Het verkochte wordt aanvaard in de feitelijke staat, waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond, onder gestanddoening van de bestaande gebruiksrechten. Verkoper garandeert koper dat er met de huidige gebruiker geen schriftelijke pachtovereenkomst bestaat, hetgeen impliceert dat deze gebruiker geen voorkeursrecht tot kopen heeft als bedoeld in art. 56 en volgende van de Pachtwet. Koper verklaart bekend te zijn met de gevolgen van een mondelinge pachtovereenkomst.”

[echtgenote verpachter] is op 2 april 2009 overleden. [appellante] is haar enige erfgename.

3.1.2. [geïntimeerde 1] en [erflater] hebben bij dagvaarding van 5 augustus 2010 [appellante] in rechte betrokken. Zij hebben [appellante] aangesproken als rechtsopvolgster onder algemene titel van de rechten en verplichtingen van [echtgenote verpachter] en op eigen titel. [geïntimeerde 1] en [erflater] stellen dat [echtgenote verpachter] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de volgens [geïntimeerde 1] en [erflater] tussen ieder van hen en [echtgenote verpachter] tot stand gekomen koopovereenkomsten en dat [echtgenote verpachter] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door in strijd met de koopovereenkomsten, de pachtovereenkomsten en de Pachtwet de desbetreffende percelen aan [appellante] te verkopen. [geïntimeerde 1] en [erflater] verwijten verder ook [appellante] zelf onrechtmatig jegens hen te hebben gehandeld doordat zij welbewust heeft meegewerkt aan het aan [echtgenote verpachter] verweten handelen.

3.1.3. [geïntimeerde 1] en [erflater] vorderden in de inleidende dagvaarding in eerste aanleg, kort samengevat:

  1. een verklaring voor recht dat [echtgenote verpachter] jegens hen toerekenbaar tekort is geschoten in de op haar rustende verplichtingen voortvloeiende uit de tussen haar en [geïntimeerde 1] en [erflater] gesloten koopovereenkomsten alsmede toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de pachtovereenkomsten van 12 september 1986;

  2. een verklaring voor recht dat [echtgenote verpachter] onrechtmatig jegens heeft gehandeld;

  3. de veroordeling van [appellante] tot nakoming van de tussen [echtgenote verpachter] , [geïntimeerde 1] en [erflater] gesloten koopovereenkomsten;

  4. een verklaring voor recht dat [appellante] eveneens onrechtmatig jegens [geïntimeerde 1] en [erflater] heeft gehandeld;

  5. de veroordeling van [appellante] om als schadevergoeding de percelen aan [geïntimeerde 1] en [erflater] te leveren, subs. een veroordeling tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat;

  6. de veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

3.1.4. [erflater] is op 2 november 2011 overleden. Zijn enig erfgename [geïntimeerde 2] (verder: [geïntimeerde 2] ) heeft de procedure voortgezet. Bij conclusie na enquêtes van 3 december 2014 heeft zij de hiervoor vermelde vordering van [erflater] aan die omstandigheid aangepast.

De advocaat van [geïntimeerde 1] heeft zich op 4 december 2013 onttrokken. Voor [geïntimeerde 1] heeft zich nadien geen andere advocaat gesteld.

3.1.5. In het vonnis van 2 november 2011 heeft de rechtbank overwogen:

- dat van aansprakelijkheid van [appellante] uit eigen hoofde op grond van onrechtmatig handelen alleen sprake kan zijn indien er tevens aansprakelijkheid is van [echtgenote verpachter] op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen; en dat, nu [appellante] in dat geval al als erfgenaam van [echtgenote verpachter] voor het door het handelen veroorzaakte schade aansprakelijk is, de vraag of [appellante] uit eigen hoofde aansprakelijk is onbesproken kan blijven.

- dat, nu [geïntimeerden] zich primair op tussen [echtgenote verpachter] en hen tot stand gekomen koopovereenkomsten beroep en [appellante] het bestaan daarvan betwist, [geïntimeerden] allereerst zullen worden toegelaten tot “bewijs van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat er tussen ieder van hen enerzijds en [echtgenote verpachter] anderzijds in 2004 – ook inzake (de waarde van) het melkquotum – overeenkomsten tot stand zijn gekomen inzake de koop en verkoop van de door [geïntimeerden] van [echtgenote verpachter] gepachte gronden”.

3.1.6. Bij het vonnis van 10 juni 2015 heeft de rechtbank [geïntimeerden] in het aan hen opgedragen bewijs geslaagd geacht. De rechtbank wees vordering 3 toe en veroordeelde [appellante] in de proceskosten van [geïntimeerde 2] . De vorderingen werden voor het overige afgewezen, voor wat betreft vordering 1 omdat [geïntimeerden] bij die vordering geen belang hadden naast de toewijzing van vordering 3.

3.1.7. [appellante] is van het tussenvonnis van 2 november 2011 en het eindvonnis van 10 juni 2015 in hoger beroep gekomen. Zij heeft twee grieven aangevoerd tegen het eindvonnis van 10 juni 2015.

3.2.1. [appellante] heeft tegen het tussenvonnis van 2 november 2011 geen grieven gericht, zodat zij niet ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep voor zover dat mede tegen dit tussenvonnis is ingesteld.

3.2.2. Het hof verwerpt als onjuist het standpunt van [appellante] bij het pleidooi in hoger beroep dat het feit, dat [geïntimeerde 1] in eerste aanleg na de onttrekking van zijn eerdere advocaat geen nieuwe advocaat heeft doen stellen en in hoger beroep niet is verschenen, tot de conclusie zou moeten leiden dat [geïntimeerde 1] geen nakoming van de gestelde koopovereenkomst meer verlangt. Voor wat betreft het niet doen stellen door [geïntimeerde 1] van een nieuwe advocaat in eerste aanleg heeft de rechtbank dit al – door [appellante] in hoger beroep niet met enige grief bestreden - overwogen in r.o. 2.9 van het vonnis van 10 juni 2015. Voor het hoger beroep geldt eveneens dat uit het enkele feit dat een partij, aan wie in eerste aanleg een vordering is toegewezen, op een door de wederpartij ingesteld hoger beroep niet verschijnt, niet de conclusie kan worden getrokken dat die partij daarmee ondubbelzinnig afstand heeft willen doen van haar vordering.

3.3.1. In grief 1 bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen (rechtsoverwegingen 2.4 tot en met 2.6 vonnis 10 juni 2015).

3.3.2. Indien grief 1 zou slagen, brengt de devolutieve werking van het appel mee dat het hof alsnog de andere gronden die [geïntimeerde 1] en [erflater] hebben aangevoerd voor hun stelling, dat [echtgenote verpachter] toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, zal dienen te bespreken. Dat betreft onder meer het standpunt, kort samengevat, dat zij dan in elk geval in 2007 de gronden in strijd met het voorkeursrecht van [geïntimeerde 1] en [erflater] als pachters aan een derde heeft verkocht en in eigendom overgedragen en bij die verkoop ten onrechte en tegen beter weten in heeft verklaard dat er met betrekking tot de percelen geen pachtovereenkomst bestond (zie onder meer inl. dagv. sub 15 en cvr onder 7). Het hof zal bij de bespreking van grief 1 voormeld standpunt van [geïntimeerde 1] en [erflater] reeds aanstonds betrekken voor zover dit het hof opportuun voorkomt uit het oogpunt van proceseconomie.

3.3.3. Het hof overweegt dat het door [vertegenwoordiger] in de brieven van 20 oktober 2004 namens [echtgenote verpachter] aan [geïntimeerde 1] en [erflater] gedaan aanbod tot koop van de door hen gepachte percelen bestond uit enerzijds een gevraagde koopprijs en anderzijds het voorstel - gebaseerd op de verwachting dat er een melkquotum op het gepachte rustte - om 25% van de waarde van die rechten aan de verkoper als verpachtersaandeel te doen toekomen. [geïntimeerde 1] en [erflater] hebben de gevraagde koopsom geaccepteerd. Ten aanzien van de verwachting van [echtgenote verpachter] dat op de percelen een melkquotum rustte hebben [geïntimeerde 1] , [erflater] en hun gemachtigde [gemachtigde geïntimeerde 1] gesteld dat dit niet het geval was. Afrekening van een dergelijk quotum kwam daarmee volgens hen niet aan de orde. De bespreking op 10 november 2004 is ermee geëindigd dat dit standpunt aan [appellante] zou worden voorgelegd. [appellante] heeft daarop niets meer van zich laten horen aan [geïntimeerde 1] , [erflater] of hun gemachtigde [gemachtigde geïntimeerde 1] . Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerde 1] en [erflater] bij gebreke van een concrete bevestiging daarvan van de zijde van [appellante] niet zonder meer mogen aannemen dat [appellante] hun standpunt – dat er geen melkquotum op de percelen rustte - accepteerde en dat daarmee tussen hen en [appellante] onvoorwaardelijke koopovereenkomsten tot stand waren gekomen. Grief 1 slaagt in zoverre.

3.3.4. Dat neemt niet weg dat [echtgenote verpachter] ( [appellante] ) in de gegeven omstandigheden [geïntimeerde 1] en [erflater] niet kan tegenwerpen dat zij in 2004 een aanbod tot koop niet zouden hebben geaccepteerd. Noch uit enige stelling van [appellante] noch uit enige door de verschillende getuigen geschetste gang van zaken blijkt dat [geïntimeerde 1] en [erflater] op 10 november 2004 of enig ander tijdstip te kennen hebben gegeven dat zij, indien er wel een melkquotum op de percelen mocht blijken te rusten, niet bereid waren tot een afrekening daarvan op de door [echtgenote verpachter] voorgestelde (en naar de toenmalige vaste rechtspraak gebruikelijke) wijze. Die vraag is hen echter door [echtgenote verpachter] niet meer gesteld. [echtgenote verpachter] heeft, naar blijkt uit de getuigenverklaring van [accountant] , van haar voornemen tot verkoop afgezien uit wrevel dat [geïntimeerde 1] en [erflater] zich op het standpunt stelden dat er geen melkquotum op de percelen rustte. Dat in 2004 geen koopovereenkomsten tot stand zijn gekomen, moet worden toegeschreven aan het feit [echtgenote verpachter] harerzijds op haar aanbod is teruggekomen.

3.3.5. Naar het oordeel van het hof verwijten [geïntimeerde 1] en [erflater] [echtgenote verpachter] terecht een toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatig handelen op grond van het feit dat zij in 2007 de percelen met miskenning van hun voorkeursrecht als pachters aan een derde heeft verkocht. Nog afgezien van het hiervoor als onjuist verworpen standpunt van [echtgenote verpachter] dat [geïntimeerde 1] en [erflater] in 2004 een aanbod tot koop niet hebben geaccepteerd, was in 2007 bovendien de termijn waarin het [echtgenote verpachter] na een niet geaccepteerd aanbod vrij stond om de percelen buiten het voorkeursrecht van de pachters om aan een derde te verkopen (indertijd art. 57b lid 4 Pachtwet, m.i.v. 31 oktober 2007 art. 7:378 lid 4 BW) al ruimschoots verstreken. [echtgenote verpachter] had de percelen in 2007 dan ook opnieuw eerst aan [geïntimeerde 1] en [erflater] te koop dienen aan te bieden. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat door [appellante] niet is betwist dat bij de verkoop door [echtgenote verpachter] aan haar in 2007 op de percelen nog het pachtrecht van [geïntimeerde 1] en [erflater] rustte. Door [appellante] zijn voorts geen overtuigende feiten en omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat [echtgenote verpachter] daarmee in 2007 niet bekend was. In tegendeel, bij haar verhoor als getuige verklaarde [appellante] juist dat zij van [echtgenote verpachter] vernam dat er sprake was van pachtrechten.

3.3.6. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het hof weliswaar grief 1 ten dele gegrond acht doch dat dit niet tot een andere dan de door de rechtbank gegeven beslissing behoeft te leiden nu [geïntimeerde 1] en [erflater] (c.q. [geïntimeerde 2] ) de door de rechtbank uitgesproken veroordeling van [appellante] tot levering van de percelen tevens hebben gevorderd als wijze van schadevergoeding. Het hof acht dit een passende vorm van schadevergoeding, gelet op de koopprijs waarvoor [echtgenote verpachter] de percelen in strijd met een bestaande aanspraak op levering, althans met miskenning van het voorkeursrecht van [geïntimeerde 1] en [erflater] heeft verkocht en de eerdere instemming van [geïntimeerde 1] en [erflater] met die koopprijs. Het hof zal daarom de door de rechtbank onder 3.1. en 3.2 uitgesproken veroordelingen bekrachtigen onder aanvulling en verbetering van gronden. Het hof zal die aanvulling en verbetering tot uitdrukking brengen in de bewoordingen van de veroordelingen en daarbij de veroordeling onder 3.1 aanvullen met het bedrag van de voor die percelen te betalen koopsom. Het hof zal, nu ingevolge het vonnis waarvan beroep, nog geen levering van de percelen heeft plaatsgevonden, de termijn waarbinnen aan de veroordelingen zal dienen te worden voldaan nader bepalen op veertien dagen na deze uitspraak.

3.3.7. In grief 1 stelt [appellante] zich subsidiair op het standpunt dat [geïntimeerde 1] en [erflater] (c.q. [geïntimeerde 2] ) bij levering aan hen alsnog 25 % van de waarde van de productierechten (het melkquotum) dienen af te dragen. [appellante] stelt die vordering in voor het geval het hof het oordeel van de rechtbank zou delen dat in 2004 reeds koopovereenkomsten tussen [echtgenote verpachter] enerzijds en [geïntimeerde 1] en [erflater] anderzijds tot stand zijn gekomen. Nu het hof de vorderingen van [geïntimeerde 1] en [erflater] op een andere grond toewijst (als schadevergoeding wegens de toerekenbare tekortkoming c.q. het onrechtmatig handelen van [echtgenote verpachter] in 2007), komt de subsidiaire vordering daarmee niet aan de orde. Het hof ziet ook overigens geen reden om in het kader van de verkoop en levering van de percelen waartoe [appellante] jegens [geïntimeerde 1] en [erflater] (c.q. [geïntimeerde 2] ) wordt veroordeeld van [geïntimeerde 1] en [erflater] ( [geïntimeerde 2] ) daarvoor niet dezelfde koopsom te verlangen als waarvoor [echtgenote verpachter] de percelen aan [appellante] heeft verkocht. Dit geldt temeer nu het bij verkoop aan een pachter redelijk geachte aandeel van 25% van de waarde van productierechten berust op de gedachte dat de verpachter bij verkoop aan een derde een dergelijke meerwaarde in de verkoopprijs zou kunnen realiseren. Een eventuele meerwaarde moet dan ook verdisconteerd worden geacht in de prijs waarvoor [echtgenote verpachter] de percelen aan [appellante] heeft verkocht.

3.3.8. Hetgeen [appellante] in de onderhavige procedure nog aanvoert ter ondersteuning van haar stelling dat wel sprake is geweest van een in 1983 al bestaande pacht, is in het licht van het voorgaande niet meer ter zake dienende.

3.4.1. Nu grief 1 geen doel treft, geldt datzelfde voor grief 2, waarin [appellante] opkomt tegen haar veroordeling in de proceskosten van de eerste aanleg.

3.4.2. [appellante] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen. Op vordering van [geïntimeerde 2] zullen voor wat betreft de kosten aan haar zijde tevens de nakosten worden toegewezen, evenals de door haar over de proceskosten gevorderde wettelijke rente bij niet voldoening aan de proceskostenveroordeling binnen veertien dagen na deze uitspraak.

3.4.3. Aan het door [appellante] gedaan bewijsaanbod wordt voorbijgegaan. Door haar zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Het aanbod is daarmee - nog afgezien van het feit dat het het hof niet duidelijk is naar welk in eerste aanleg gedaan bewijsaanbod [appellante] onder 41 van de memorie van grieven verwijst - niet ter zake dienende.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit mede tegen het tussenvonnis van 2 november 2011 is ingesteld;

bekrachtigt, onder aanvulling en verbetering van gronden, het eindvonnis waarvan beroep, en formuleert in verband met die aanvulling en verbeteringen, de veroordelingen onder 3.1. en 3.2. van het vonnis nader als volgt:

3.1.

veroordeelt [appellante] tot verkoop en eigendomsoverdracht aan [geïntimeerde 1] van de percelen kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1] [sectieletter] nummers [sectienummer 1] , [sectienummer 2] en [sectienummer 3] , tezamen groot 02.43.45 ha, voor een koopprijs van € 43.000,=, kosten koper, alsmede tot het verlenen van medewerking tot ondertekening alsmede inschrijving van de ter zake noodzakelijke notariële akte tot levering binnen veertien dagen na betekening van dit arrest.

3.2.

veroordeelt [appellante] tot verkoop en eigendomsoverdracht aan [geïntimeerde 2] , in haar hoedanigheid van enig erfgenaam in de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] , van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats 1] [sectieletter] nummer [sectienummer 4] , groot 02.53.00 ha, voor een koopprijs van € 48.000,=, kosten koper, en veroordeelt haar tot overdracht van dit perceel binnen veertien dagen na betekening van deze uitspraak en tot het verlenen van medewerking aan alle noodzakelijke vereisten voor het realiseren van de eigendomsoverdracht, daaronder begrepen ondertekening alsmede inschrijving van de ter zake noodzakelijke notariële akte tot levering;

veroordeelt [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 2] worden begroot op € 311,= aan verschotten en op € 2.682,= aan salaris advocaat, te vermeerderen met nakosten ten bedrage van € 131,= indien geen betekening plaatsvindt van dit arrest en € 199,- indien wel betekening plaatsvindt, en welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde 1] worden begroot op nihil;

bepaalt dat aan de proceskostenveroordeling jegens [geïntimeerde 2] binnen veertien dagen na deze uitspraak dient te worden voldaan en dat bij gebreke daarvan over die kosten de wettelijke rente verschuldigd wordt vanaf de vijftiende dag na deze uitspraak;


Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, R.J.M. Cremers en
A.C. Metzelaar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 februari 2017.

griffier rolraadsheer