Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4161

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
200.199.945_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3813
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:3095
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:4480
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.199.945/01

zaaknummer rechtbank : C/12/86817/FA RK 13-27

beschikking van de meervoudige kamer van 28 september 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] , België,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.J.H.M. Berndsen te Breda,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.C.M. Berbée-van Koningsbruggen te Terneuzen.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 21 augustus 2013, 2 juli 2014, 13 mei 2015 en 22 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 september 2016, heeft de vrouw verzocht de beschikkingen van 21 augustus 2013, 2 juli 2014, 13 mei 2015 en 22 juni 2016 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar inleidende verzoek alsnog toe te wijzen.

2.1.1.

In eerste aanleg heeft de vrouw - na vermindering van het verzoek - verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen om aan de vrouw met ingang van 1 december 2012 een bijdrage in haar levensonderhoud te betalen van € 5.143,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans met ingang van een zodanige datum en een zodanig bedrag per maand als de rechtbank in goede justitie juist acht en om de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede in de kosten die gepaard gaan met de executie van de te wijzen beschikking.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 november 2016, heeft de man verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van de vrouw tegen de beschikkingen van 21 augustus 2013, 2 juli 2014, 13 mei 2015 en 22 juni 2016 ongegrond te verklaren, althans af te wijzen en genoemde beschikkingen van de rechtbank te bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling van gronden.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Berndsen;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Berbée-van Koningsbruggen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 30 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 31 mei 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 31 mei 2017, met bijgevoegd een “akte overleggen bijlagen” met bijbehorende bijlagen, ingekomen op 31 mei 2017;

- de van de zijde van de vrouw en van de man ingebrachte pleitnotities.

2.5.

Het hof heeft ter zitting het bij die gelegenheid van de zijde van de man opgeworpen bezwaar tegen het in de beoordeling betrekken van de door de vrouw ingediende “akte overleggen bijlagen” met bijbehorende bijlagen, verworpen.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn op 24 augustus 1978 te Velletri (Italië) gehuwd. Bij beschikking van 9 februari 2011 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Hun huwelijk is op

25 februari 2011 ontbonden door inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

De man heeft de Italiaanse nationaliteit. De vrouw heeft de Nederlandse en de Italiaanse nationaliteit.

3.3.

Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 augustus 2013 is de man, kort gezegd, veroordeeld tot nakoming van de tussen partijen in februari 2012 gesloten overeenkomst inhoudende dat de man aan de vrouw een voorlopige bijdrage in haar levensonderhoud betaalt van € 3.500,- per maand vanaf 7 november 2012 totdat in de bodemprocedure anders is beslist.

4 De omvang van het geschil

4.1.

De vrouw heeft op 7 januari 2013 een verzoek ingediend bij de rechtbank strekkende tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

4.2.

Bij beschikking van 21 augustus 2013 heeft de rechtbank, onder meer en voor zover thans van belang, de zaak verwezen naar de familiekamerrol van dinsdag 10 september 2013. De rechtbank achtte nader onderzoek naar de arbeids(on)geschiktheid van de vrouw geïndiceerd alvorens nader kan worden ingegaan op de behoefte en behoeftigheid van de vrouw. Partijen zijn bij deze beschikking in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over (de persoon van) de arbeidsdeskundige en de aan hem voor te leggen vragen en de verdeling van zijn kosten. Alvorens nader in te gaan op de draagkracht van de man heeft de rechtbank bij dezelfde beschikking de man in de gelegenheid gesteld om de rapportage naar aanleiding van het ten aanzien van de man uitgevoerde arbeidsdeskundig onderzoek van Movir N.V. over te leggen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

4.3.

Bij beschikking van 2 juli 2014 is, onder meer en voor zover thans van belang, bepaald dat er ten behoeve van de beoordeling van de behoefte en behoeftigheid van de vrouw een onderzoek door een deskundige zal worden uitgevoerd. Voorts heeft de rechtbank een deskundige benoemd en onder andere bepaald dat de deskundige een begroting van zijn kosten dient te maken. De rechtbank heeft in diezelfde beschikking bepaald dat, in afwachting van de beslissing over de proceskosten, het door de rechtbank op basis van de begroting door de deskundige te bepalen voorschot door de vrouw ter griffie dient te worden gedeponeerd en dat het onderzoek niet zal aanvangen alvorens dit is geschied.

4.4.

Bij beschikking van 13 mei 2015 is, onder meer en voor zover thans van belang, aanvullend bepaald dat de bij de hierboven genoemde beschikking benoemde deskundige voor de beantwoording van een aantal vragen een medisch adviseur mag raadplegen ten behoeve van de medische beoordeling. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat, in afwachting van een beslissing over de proceskosten, het voorschot van in totaal € 8.871,25 inclusief BTW (€ 4.719,- voor de deskundige, vermeerderd met € 4.152,25 ten behoeve van de door de deskundige in te schakelen medisch adviseur) door de vrouw dient te worden gedeponeerd ter griffie en dat het onderzoek niet zal aanvangen voordat dit is geschied. De deskundige en de medisch adviseur is verzocht een rapport van hun bevindingen te deponeren ter griffie, zo mogelijk binnen twee maanden na de mededeling van de griffier dat het voorschot is ontvangen. De zaak is verwezen naar de familiekamerrol van 4 augustus 2015.

4.5.

Bij de beschikking van 22 juni 2016 heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw het voorschot in verband met de kosten van het deskundigenonderzoek niet heeft voldaan en dat gelet op het e-mailbericht van haar advocaat ook niet is te verwachten dat de vrouw het voorschot alsnog binnen afzienbare tijd zal voldoen. De rechtbank heeft geoordeeld dat onvoldoende is gebleken van onvermogen aan de zijde van de vrouw om het voorschot te voldoen. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat, nu het deskundigenonderzoek door het niet voldoen van het voorschot door de vrouw niet zal plaatsvinden terwijl dit onderzoek door de rechtbank noodzakelijk is geacht om te kunnen beoordelen of, en zo ja in hoeverre, de vrouw in staat kan worden geacht om in haar levensonderhoud te voorzien, het er voor gehouden moet worden dat de vrouw in redelijkheid in staat kan worden geacht volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Vanwege het aldus ontbreken van behoeftigheid aan de zijde van de vrouw heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud afgewezen. De rechtbank heeft de onderzoeksopdracht aan de deskundige en de medisch adviseur zoals weergegeven in de beschikkingen van 2 juli 2014 en 13 mei 2015 ingetrokken, de vrouw veroordeeld in de reeds door de deskundige gemaakte kosten, begroot op € 292,50 te vermeerderen met BTW, en de proceskosten gecompenseerd.

4.6.

De grieven van de vrouw zien op (de kosten van) het deskundigenonderzoek, op het oordeel van de rechtbank dat onvoldoende is gebleken van onvermogen aan de zijde van de vrouw om het voorschot ten behoeve van het deskundigenonderzoek te voldoen, op de consequentie die de rechtbank aan dit oordeel verbindt en op de behoefte/behoeftigheid van de vrouw.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Gelet op het bepaalde in artikel 3, aanhef en sub a, van de Europese Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe aangezien de verweerder zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Aangezien in hoger beroep niet is opgekomen tegen de beslissing van de rechtbank dat Nederlands recht toepasselijk is, zal ook het hof uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.

5.2.

Een van de klachten van de vrouw luidt - kort gezegd - dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het de vrouw is die (in afwachting van een beslissing over de proceskosten) het voorschot van het deskundigenonderzoek diende te voldoen. Wat er ook zij van die klacht, het hof is van oordeel dat de vrouw in hoger beroep alsnog voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat destijds sprake was van onvermogen aan haar zijde om het voorschot te voldoen. Toen het voorschot werd verdubbeld heeft de vrouw aangegeven dat zij dit niet kon betalen. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat zij niet beschikte over financiële middelen en niet had kunnen reserveren. Zij had geen inkomen, zij kon feitelijk niet beschikken over haar aandeel in de onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap, haar behoefte oversteeg de voorlopige partneralimentatie die zij ontving (zoals hierna onder 5.5. tot en met 5.11. zal blijken) en zij had reeds diverse leningen afgesloten. Daarmee acht het hof de sanctie die de rechtbank aan het niet voldoen van het voorschot door de vrouw heeft verbonden, namelijk het afwijzen van haar verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage, niet terecht. In zoverre slagen de grieven. Daarmee komt het hof toe aan een hernieuwde beoordeling van de behoeftigheid van de vrouw. Zoals de vrouw in een van haar grieven terecht aanvoert, dient in dit kader ook de hoogte van haar huwelijksgerelateerde behoefte (alsnog) aan de orde te komen. Zo sprake is van een behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage, dient voorts alsnog de draagkracht van de man te worden beoordeeld. Het hof zal eerst de ingangsdatum van de eventuele onderhoudsbijdrage beoordelen.

Ingangsdatum

5.3.

De vrouw heeft verzocht om de vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 1 december 2012. De man heeft geconcludeerd tot afwijzing van dit verzoek.

5.4.

Artikel 1:402 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

Het hof zal aansluiten bij de datum van het inleidend processtuk, te weten 7 januari 2013, aangezien niet is gebleken van feiten of omstandigheden die nopen tot een ander oordeel. Het hof zal derhalve de behoefte en de draagkracht beoordelen met ingang van 7 januari 2013.

Hoogte van de behoefte van de vrouw

5.5.

De vrouw heeft in een van haar grieven aangevoerd dat de huwelijksgerelateerde behoefte van een alimentatiegerechtigde ex-echtgenoot in de regel wordt vastgesteld op 60% van het netto gezinsinkomen ten tijde van het feitelijk uiteengaan van de echtelieden (de zogenaamde ‘hofnorm’). Indien de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw conform de hofnorm had vastgesteld, had de rechtbank reeds gelet op het hoge netto gezinsinkomen bij het feitelijk uiteengaan van partijen – ongeacht de arbeids(on)geschiktheid van de vrouw – moeten concluderen dat de vrouw nimmer in staat zou zijn om zelf geheel in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. Volgens de vrouw is bovendien een nader onderzoek naar haar arbeids(on)geschiktheid niet nodig, nu hierover (inmiddels) voldoende stukken zijn overgelegd.

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat het netto gezinsinkomen van partijen in 2009 (het laatste volledige jaar vóór het feitelijk uiteengaan) minimaal € 240.000,- bedroeg, hetgeen volgens haar resulteert in een huwelijksgerelateerde behoefte van minimaal ([60% x € 240.000] : 12 =) € 12.000,- netto per maand. De vrouw heeft er op gewezen dat zij geen precieze berekening kan maken bij gebrek aan relevante gegevens aan de zijde van de man. Verder verwijst zij nog naar de door haar overgelegde overzichten van het uitgavenpatroon tijdens huwelijk en haar huidige uitgavenpatroon.

5.6.

De man heeft betwist dat de behoefte aan de hand van de hiervoor genoemde hofnorm kan worden berekend, te meer nu hij in 2010 arbeidsongeschikt is geraakt en hij het inkomen dat hij tijdens huwelijk genereerde zelf ook niet meer heeft. Rekening houdend met de aflossing op gemeenschappelijke schulden leeft hij feitelijk van een inkomen net boven bijstandsniveau. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw haar behoefte onvoldoende heeft onderbouwd, terwijl dat wel op haar weg had gelegen en dat haar verzoek om die reden moet worden afgewezen.

5.7.

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

5.8.

De vrouw heeft haar verzoek om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud ter zitting van de rechtbank van 29 april 2013 verminderd tot een bedrag van € 5.143,- (bruto) per maand.

Partijen zijn in 2010 uiteengegaan. Beide partijen genoten inkomen in de laatste jaren van het huwelijk. De man genoot een inkomen als cardioloog. De vrouw genoot naast inkomen uit een dienstverband bij NCPM ook inkomen uit onderneming. De man is op een bepaald moment arbeidsongeschikt geworden. Uit productie 18 van de man en producties 16a, 16c en 16d van de vrouw blijkt dat de man in ieder geval tot 1 april 2010 en van begin september tot begin december 2010 als cardioloog gewerkt heeft alsmede van eind augustus 2011 tot eind 2011. De man heeft zelf geen aangiften IB of andere inkomensgegevens overgelegd over 2009 of 2010. Uit de berekening inkomstenbelasting en premieheffing 2010 van [Administratie- en Belastingadviseurs] Adm. en Belastingadviseurs (productie 33 van de vrouw) blijkt dat de man in 2010 een inkomen had van in totaal € 150.966,- (namelijk aan bijverdiensten € 39.477,-, aan arbeidsongeschiktheidsuitkering vanuit Movir € 49.700,- en uit winst uit onderneming

€ 61.789,-). Maar ook indien, in lijn met hetgeen de man stelt, voor wat betreft de man enkel zou worden uitgegaan van een lager inkomen in verband met zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering die hij op een bepaald moment is gaan ontvangen (een uitkering in 2011 van € 130.355,- bruto per jaar), dan nog zou de behoefte van de vrouw, reeds gelet op dit inkomen van de man, op basis van de hofnorm meer dan

€ 5.143,- bruto per maand bedragen. Gelet hierop alsmede gelet op de door de vrouw overgelegde overzichten van het uitgavenpatroon tijdens huwelijk en het huidige uitgavenpatroon van de vrouw, acht het hof een huwelijksgerelateerde behoefte van in ieder geval € 5.143,- bruto per maand aannemelijk. Het hof zal hiervan in deze beschikking uitgaan nu de draagkracht van de man dit bedrag niet overstijgt, zoals hierna zal blijken. Het feit dat de man zijn tijdens huwelijk gegenereerde inkomen thans niet meer heeft is, anders dan de man betoogt, slechts relevant voor het bepalen van zijn draagkracht en niet voor het bepalen van de hoogte van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw.

Behoeftigheid

5.9.

De vrouw stelt dat zij niet in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien aangezien zij geen inkomen heeft. Zij heeft geen baan en vanwege haar aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap – waar zij nog geen beschikking over heeft – heeft zij geen recht op een (bijstands)uitkering. De vrouw is vanwege medische problemen aan haar wervelzuil niet in staat om inkomen uit arbeid te verwerven. Zij is daarvoor nog steeds onder behandeling bij een fysiotherapeut. Daarnaast kampt de vrouw met psychische problemen vanwege de echtscheiding en de tussen partijen gevoerde procedures. De vrouw is bereid om – voor zover haar gesteldheid het toelaat, en met behulp van medicatie – enkele uren per week te werken, maar zij kan ondanks diverse sollicitaties geen werk vinden vanwege haar leeftijd, opleiding, werkervaring en de slechte situatie op de arbeidsmarkt. De vrouw kan niet in staat worden geacht om (gedeeltelijk) in haar levensonderhoud te voorzien.

5.10.

De man betwist dat de lichamelijke en psychische gesteldheid van de vrouw maakt dat zij geen werkzaamheden meer kan uitoefenen. De medische informatie die de vrouw hierover geeft is gedateerd. Daaruit blijkt juist dat de vrouw sinds 2011 niet meer beperkt is op neurologisch lichamelijk functioneel gebied. Dat de vrouw later naar een fysiotherapeut en een psychotherapeut is gegaan maakt dat niet anders. Volgens de man werkt de vrouw in de diamantsector en is zij daarin succesvol, maar verzwijgt zij dit. De vrouw heeft dus wel degelijk eigen inkomsten.

In ieder geval kan van de vrouw verwacht worden dat zij inkomen verwerft, gelet op haar (werk)ervaring, kennis en kunnen en haar arbeidsverleden. De vrouw heeft niet aangetoond dat zij inspanningen heeft verricht om werk te vinden. Tijdens het huwelijk had de vrouw dermate aanzienlijke inkomsten dat van haar thans ook verwacht kan worden geheel in haar eigen levensonderhoud te voorzien, aldus de man.

5.11.

Het hof overweegt als volgt.

De vrouw heeft in het verre verleden als verpleegster gewerkt. Zij is met dit werk gestopt vanwege de geboorte van de kinderen. Toen de kinderen wat groter werden is zij een onderneming gestart in het distribueren van hartritmemeters. De werkzaamheden in die onderneming zijn rond 2010 gestaakt. De vrouw heeft in de periode 2000-2001 enkele cursussen in de diamantbranche gevolgd en is in 2003 bij een diamantfirma gaan werken. In 2009 ging het economisch gezien slecht in de diamantbranche. In 2009 is de vrouw in overleg met de man gestopt met haar werkzaamheden in de diamantbranche, aangezien haar inkomsten nauwelijks hoger waren dan haar reiskosten.

Blijkens het door de vrouw overgelegde medisch dossier, met name de verklaring van prof. dr. [getuige] van 22 november 2012, diende de vrouw twee operaties (op 16 juni 2010 op lumbaal niveau en op 10 mei 2011 op cervicaal niveau) te ondergaan wegens zeer ernstige degeneratieve afwijkingen van de totale wervelzuil. Prof. dr. [getuige] acht de vrouw volledig werkonbekwaam en het laat zich volgens hem voorzien dat hierin geen verbetering kan optreden op de korte of de middellange termijn gezien de multipliciteit en de ernst van deze afwijkingen. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de vrouw nog steeds onder behandeling is voor haar klachten bij een fysiotherapeut. Eveneens is gebleken dat de vrouw in 2013 onder behandeling is geweest bij een psychotherapeut. Verder is onweersproken gebleven dat de vrouw in de afgelopen jaren de zorg had voor de zoon van partijen die kampte met een drugsverslaving en voor haar destijds zieke moeder.

Het hof acht, gelet op hetgeen de vrouw ter zitting heeft toegelicht, voldoende aannemelijk dat de vrouw in 2009 grotendeels is gestopt met haar werkzaamheden in de diamantsector en dat zij in elk geval vanaf 2012 in die sector geen activiteiten meer heeft verricht. Het hof acht de door de man overgelegde verklaring van de zoon van partijen d.d. 8 juni 2016 waarin de zoon verklaart dat de vrouw sinds augustus 2015 weer werkzaam is in de diamantsector, gelet op het hierover in de stukken en ter zitting gevoerde debat, onvoldoende om anders te concluderen.

De vrouw heeft zich, blijkens de door haar overgelegde sollicitatiebrieven, de laatste jaren ingespannen om binnen de beperkte mogelijkheden die haar fysieke en psychische gesteldheid haar bieden, weer een baan te vinden, vooralsnog zonder succes. Gelet op haar leeftijd, zij is thans 57 jaar oud, haar opleidingsniveau, arbeidsverleden, de huidige arbeidsmarkt en haar gezondheidssituatie, zal het voor de vrouw naar verwachting niet eenvoudig zijn om een baan te vinden. De werkervaring van de vrouw als verpleegkundige dateert van omstreeks 37 jaar geleden. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de vrouw er daardoor in deze branche, zoals zij stelt, moeilijk nog tussenkomt.

Het voorgaande in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat de vrouw in hoger beroep alsnog voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de afgelopen jaren in redelijkheid geen inkomsten heeft kunnen verwerven en dat niet te verwachten is dat dit binnen afzienbare tijd anders zal zijn. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten naar de arbeids(on)geschiktheid van de vrouw.

In zoverre slaagt de grief met betrekking tot de behoefte/behoeftigheid van de vrouw.

Draagkracht van de man

5.12.

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de vrouw nog enige alimentatie te betalen. De vrouw betwist dat. Volgens haar is de man in staat om de verzochte bijdrage te betalen.

5.13.

Vanwege relevante wijzigingen van omstandigheden sinds januari 2013 zal het hof de draagkracht van de man beoordelen in twee periodes. De eerste periode loopt van 7 januari 2013 tot 1 oktober 2016 en de tweede periode vanaf 1 oktober 2016. Het hof houdt met ingang van 1 oktober 2016 in ieder geval rekening met de aflossing op een Nederlandse en een Belgische belastingschuld (zie hierna onder 5.31.). De echtelijke woning is op 8 augustus 2016 verkocht, maar wanneer de levering heeft plaatsgevonden is niet duidelijk. Het hof gaat er in redelijkheid vanuit dat de hypotheeklasten per 1 oktober 2016 vervallen zijn en dat de man sindsdien huurt. De man heeft nog aangevoerd dat hij enige tijd dubbele woonlasten heeft voldaan. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw acht het hof dat onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien is de noodzaak hiervan niet aangetoond.

Inkomen

5.15.

Vaststaat dat de man in de onderhavige periode een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt en dat hij deze zal blijven ontvangen tot aan zijn pensionering. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat van enige verdiencapaciteit van de man geen sprake meer is. Tussen partijen is niet in geschil dat de man in 2013 een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 130.355,- bruto heeft ontvangen. Voorts zijn partijen het erover eens dat het inkomen in 2016 € 139.056,- bruto per jaar bedroeg. Het hof zal van deze gegevens uitgaan. In 2017 is het inkomen van de man nagenoeg gelijk aan het inkomen van 2016. Het hof zal rekening houden met de algemene heffingskorting en de op aanslag verschuldigde ZVW-premie.

Lasten

5.16.

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man met het oog op het vaststellen van zijn wettelijke verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote, in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen.

5.17.

Het hof houdt rekening met de bijstandsnorm (€ 925,- in 2013 en € 977,- in 2016) en met de in de bijstandsnorm begrepen wooncomponent en nominale premie ZVW.

Periode 7 januari 2013 tot 1 oktober 2016

5.18.

In de periode van 7 januari 2013 tot 1 oktober 2016 neemt het hof de lasten opgevoerd in de door de man als productie 13 bij het verweerschrift in eerste aanleg overgelegde draagkrachtberekening en de reactie van de vrouw hierop tot uitgangspunt.

5.19.

De door de man opgevoerde woonlasten van in totaal € 1.146,- netto per maand (maandelijks: € 59,- aftrekbare hypotheekrente, € 888,- niet aftrekbare hypotheekrente, eigenaarslasten ter hoogte van € 199,- (inclusief het fiscale voordeel in verband met de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente van € 59,- per maand onder bijtelling van het door de man opgevoerde eigenwoningforfait van € 2.928,- op jaarbasis) heeft de vrouw niet betwist, zodat het hof daarmee rekening zal houden. De vrouw heeft slechts gesteld dat de man samenwoont en dat de helft van de woonlast aan de nieuwe partner dient te worden toegekend. Nu de man de gestelde samenwoning gemotiveerd heeft betwist, zal het hof rekening houden met de gehele woonlast.

5.20.

De ziektekosten van de man zijn niet in geschil. Het hof zal rekening houden met de door de man opgevoerde premie basisverzekering ZVW ter hoogte van € 122,- per maand.

5.21.

Het hof houdt geen rekening met de door de man onder nummer 125 van de draagkrachtberekening opgevoerde premie voor de polis RVS verzekeringen met polisnummer [polisnummer 1] ter hoogte van € 7.652,08 per jaar. Het hof is met de vrouw van oordeel dat uit het polisblad blijkt dat premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is meeverzekerd. Nu de man ook geen betalingsbewijzen heeft overgelegd, gaat het hof ervan uit dat de man hiervoor geen premie meer betaalt. Het hof zal wel rekening houden met de premie lijfrenteverzekering met polisnummer [polisnummer 2] als aanvulling op de oudedagsvoorziening ter hoogte van € 5.236,64, hetgeen neerkomt op € 436 per maand, en het ter zake te realiseren fiscaal voordeel, nu die premie verder niet is betwist.

5.22.

Voorts houdt het hof rekening met de door de man opgevoerde werkelijke verwervingskosten (premie rechtsbijstand medisch specialist (€ 65,-) en de inschrijving in register medisch specialisten € 49,-) vanwege het uitlooprisico. Ter zitting heeft de man toegelicht dat deze kosten noodzakelijk zijn omdat er nog steeds gerechtelijke procedures kunnen ontstaan uit zijn voormalige werkzaamheden als cardioloog.

5.23.

Het hof houdt geen rekening met de door de man onder de post ‘overige kosten’ opgevoerde kosten van Delta, nu dit energiekosten betreffen die geacht worden in de bijstandsnorm te zijn verdisconteerd.

Schulden

5.24.

De vrouw heeft de door de man opgevoerde maandlast ter hoogte van € 3.000,- voor de aflossing van belastingschulden betwist. Volgens de vrouw kunnen deze schulden worden afgelost uit aanwezig vermogen. De man heeft verklaard dat hij uit vermogen, voor het overgrote deel uit zijn ontslagvergoeding, maar ook door vermogensbestanddelen liquide te maken, op de hypotheekschuld heeft afgelost en voorts daarvan meerdere belastingaanslagen en andere schulden heeft betaald.

Het hof overweegt als volgt. Duidelijk is dat de man schulden heeft afgelost in de onderhavige periode. Nu de man deze schulden naar zijn zeggen uit vermogen heeft afgelost, zijn zij niet van invloed op zijn draagkracht. Gelet hierop houdt het hof geen rekening met de opgevoerde maandlast.

Periode vanaf 1 oktober 2016

5.25.

Voor wat betreft de lasten in de periode vanaf 1 oktober 2016 neemt het hof de in de meest recente door de man overgelegde draagkrachtberekening (2017) (overgelegd als productie 32 in appel) opgevoerde lasten en de reactie van de vrouw hierop tot uitgangspunt. Deze lasten komen namelijk nagenoeg overeen met de eerder door de man als productie 31 overgelegde draagkrachtberekening (2016). Het verschil zit, naast de aflossing op de Belgische belastingschuld (zie hieronder), in de in de berekening van 2016 eenmalig opgevoerde post van € 804,- inzake ‘terugkerende kosten buitenlandse zorg die niet worden vergoed’. Die post acht het hof echter onvoldoende aannemelijk gemaakt en daar zal het hof dan ook geen rekening mee houden.

5.26.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man een huurlast heeft van € 554,- per maand.

5.27.

Ook de ziektekosten van de man zijn niet in geschil. Het hof zal in dit kader rekening houden met een bedrag van in totaal € 223,- per maand.

5.28.

Tussen partijen zijn nog de volgende door de man als overige kosten opgevoerde bedragen in geschil:

- premie aansprakelijkheidsverzekering voor dekking uitlooprisico medici; € 464,- per jaar

(€ 38,- per maand);

- contributie NVVC; € 60 per jaar (€ 5,- per maand);

- schulden (zie hierna onder het kopje schulden).

Ten aanzien van de premie voor de aansprakelijkheidsverzekering en de contributie heeft de vrouw gesteld dat die posten niet langer noodzakelijk zijn, omdat de man arbeidsongeschikt is. Ter zitting heeft de man toegelicht dat deze kosten noodzakelijk zijn omdat er nog steeds gerechtelijke procedures kunnen ontstaan uit zijn voormalige werkzaamheden als cardioloog.

Het hof neemt deze posten wel mee in verband met dit uitlooprisico.

Schulden

5.29.

De man heeft in de berekening opgevoerd dat hij in totaal een bedrag van € 55.080,- per jaar (€ 4.590,- per maand) aflost op schulden aan respectievelijk de Nederlandse en de Belgische Belastingdienst. Blijkens productie 29 bedroeg de schuld aan de Nederlandse Belastingdienst op 25 oktober 2016 € 291.506,- en uit productie 28 blijkt dat de schuld aan de Belgische Belastingdienst op 20 oktober 2016 € 60.996,- bedroeg. Gelet daarop heeft de man betalingsregelingen getroffen. De vrouw heeft de aflossing zelf niet betwist, maar zij heeft gesteld dat de man zich (grotendeels) van deze schulden kan bevrijden door het (restant)bedrag uit de stamrecht B.V. aan te wenden voor de aflossing hiervan. Bovendien kan, aldus de vrouw, de man zijn vermogen in Italië hiervoor aanwenden.

5.30.

Ten aanzien van de door de man opgevoerde maandlast voor genoemde schulden stelt het hof het volgende voorop. In beginsel zijn alle schulden van de alimentatieplichtige van invloed op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen.

5.31.

Het hof houdt rekening met de (aflossing van de) belastingschulden in Nederland en België. Het hof acht door de man voldoende aannemelijk gemaakt dat hij thans niet meer over vermogen beschikt aangezien hij dit reeds heeft besteed aan de aflossing van overige (gemeenschappelijke) schulden. Zo heeft de man onbetwist gesteld dat hij voor het overgrote deel uit de ontslagvergoeding van € 750.000 bruto, in totaal circa € 600.000,- (namelijk in 2011 € 530.000,- en later nog eens € 67.000,-), heeft afgelost op de hypotheekschuld op de echtelijke woning van partijen in [woonplaats van de verweerder] . Voorts is niet betwist dat de man in 2011 een belastingaanslag over 2008 heeft betaald van € 69.498,- en staat vast dat de man thans nog voor meer dan € 350.000,- aan belastingschulden heeft. Aan de stelling van de vrouw dat de man nog vermogen heeft in Italië gaat het hof voorbij. De daartoe overgelegde producties 61 tot en met 69 van de vrouw, wat daar overigens ook van zij, hebben betrekking op de jaren 2010, 2011en 2012 en geven niet de situatie van 2016 weer.

Het hof leidt uit de stukken af dat de man met ingang van 1 oktober 2016 is gaan aflossen en zal hiermee vanaf dat moment rekening houden.

5.32.

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor partneralimentatie betreft, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60%.

5.33.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de man met ingang van 7 januari 2013 draagkracht voor een partneralimentatie van € 4.285,- per maand, te verhogen jaarlijks per 1 januari met de wettelijk vastgestelde indexering. Met ingang van 1 oktober 2016 heeft de man geen draagkracht meer voor het betalen van enige partneralimentatie.

Wel merkt het hof op dat partijen nog in een verdelingsprocedure verwikkeld zijn. Indien en voor zover partijen uit de verdeling van de huwelijksgemeenschap nog vermogen overhouden, kan er aanleiding zijn voor partijen om opnieuw naar de partneralimentatie te kijken.

5.34.

Ter zitting is gebleken dat de man in de periode van 7 januari 2013 tot 1 juli 2016 reeds de tussen partijen overeengekomen voorlopige bijdrage van € 3.500,- per maand aan de vrouw heeft voldaan. Dat bedrag strekt in mindering op de hierboven vastgestelde alimentatieverplichting. Over de periode van 7 januari 2013 tot 1 oktober 2016 zal een bedrag door de man dienen te worden nabetaald.

5.35.

De vrouw heeft nog gegriefd tegen de beslissing van de rechtbank om haar te veroordelen in de reeds door de deskundige gemaakte kosten van € 292,50 exclusief BTW. Nu de grieven van de vrouw deels slagen acht het hof het redelijk om beide partijen, ieder voor de helft, in die kosten te veroordelen. Het hof zal vanwege het familierechtelijke karakter van de procedure, de proceskosten voor het overige compenseren.
Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de kosten die gepaard gaan met de executie van de te wijzen beschikking voor zover die door hem worden veroorzaakt, wordt afgewezen wegens gebrek aan belang, aangezien al uit de wet voortvloeit dat deze kosten voor rekening zijn van degene die in gebreke is.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikkingen vernietigen en beslissen als hierna onder 7 vermeld.

6.2.

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 21 augustus 2013, 2 juli 2014, 13 mei 2015 en 22 juni 2016,

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode van 7 januari 2013 tot 1 oktober 2016 als uitkering tot haar levensonderhoud € 4.285,- per maand zal betalen;

bepaalt dat hetgeen de man aan de vrouw in genoemde periode heeft betaald aan voorlopige partneralimentatie, in mindering strekt op voornoemd bedrag;

stelt de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van 1 oktober 2016 op nihil;

veroordeelt partijen, ieder voor de helft, in de kosten van de deskundige, welke kosten zijn begroot op € 292,50 te vermeerderen met BTW;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties voor het overige in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, P.M.M. Mostermans en H.J. Witkamp, bijgestaan door de griffier, en is op 28 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.