Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4160

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
200.199.386_01 200.199.388
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralmentatie;

verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0298

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.199.386/01 en 200.199.388/01

zaaknummer rechtbank : C/01/290547 / FA RK 15-1026

beschikking van de meervoudige kamer van 28 september 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.P.M.A. Laeyendecker te Oss,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K. Steenbergen-van Straten te Heesch.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 29 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 30 mei 2016.

2.2

De man heeft op 29 november 2016 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 12 januari 2017 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

De verzoeken die betrekking hebben op de partneralimentatie zijn ter griffie ingeschreven onder zaaknummer 200.199.386/01. Het verzoek dat betrekking heeft op de verdeling van de huwelijksgemeenschap is ter griffie ingeschreven onder zaaknummer 200.199.388/01.

2.5

Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken met zaaknummer 200.199.386/01, 200.199.388/01, heeft het hof deze zaken gevoegd, opdat zij gezamenlijk zullen worden behandeld en beslist.

2.6

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een faxbericht van de zijde van de vrouw van 15 september 2016 met als bijlage de beschikking waarvan beroep;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 2 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 3 mei 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 4 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 8 mei 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 5 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 8 mei 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 14 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 15 mei 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 15 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 15 mei 2017.

2.7

De mondelinge behandeling heeft op 18 mei 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.8

Na de mondelinge behandeling zijn nog ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 27 juni 2017, ingekomen op diezelfde datum, waarin wordt verzocht om aanhouding in verband met lopende onderhandelingen tussen partijen;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 19 juli 2017, ingekomen op diezelfde datum, waarin verzocht wordt om de zaak niet langer aan te houden en uitspraak te doen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Het huwelijk van partijen is op 12 juli 2016 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 30 mei 2016 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Partijen zijn de ouders van:

- [jongmeerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 1993 (hierna: [jongmeerderjarige 1] );

- [jongmeerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 1995 (hierna: [jongmeerderjarige 2] );

- [jongmeerderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 1998 (hierna: [jongmeerderjarige 3] ).

3.4

Bij beschikking houdende voorlopige voorzieningen van 16 april 2015 van de rechtbank Oost-Brabant, is het verzoek van de vrouw om ten laste van de man een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen, afgewezen wegens gebrek aan draagkracht aan de zijde van de man.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 30,- per maand.

Voorts is de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld als in die beschikking overwogen onder rechtsoverweging 2.6.11 ten aanzien van de “wijze van verdeling” en als overwogen onder rechtsoverweging 2.6.12 ten aanzien van de “verrekenposten”.

4.2

De grieven van de vrouw zien op haar (huwelijksgerelateerde) behoefte, de draagkracht van de man, meer concreet de zorgkosten ten behoeve van [jongmeerderjarige 2] , en haar eigen draagkracht (in het kader van de jusvergelijking), meer concreet haar inkomen en de door de rechtbank in aanmerking genomen huur, en voorts de hypotheekkosten van de echtelijke woning voor wat betreft de maanden september en oktober 2015.

De vrouw verzoekt om de beschikking waarvan beroep te vernietigen en daarvoor in de plaats te bepalen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    dat de man dient bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud met een bedrag van € 547,- bruto per maand, althans met een zodanig bedrag als het hof juist acht;

  • -

    dat de hypotheekkosten van de echtelijke woning voor wat betreft de maanden september en oktober [2015] niet ten laste van de vrouw komen, doch dat deze hypotheeklasten door de man dienen te worden voldaan.

4.3

De grieven van de man zien op de aanvullende behoefte van de vrouw, zijn draagkracht, meer concreet het gegeven dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met schulden aan zijn zijde (advocaatkosten en herinrichtingskosten), en de kosten ten behoeve van [jongmeerderjarige 3] . De man verzoekt in het principaal hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van de vrouw ongegrond te verklaren. De man verzoekt in het incidenteel hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    te bepalen dat het door hem aan de vrouw te betalen bedrag in het kader van haar levensonderhoud op nihil wordt bepaald, althans op een nader bedrag als het hof juist acht;

  • -

    de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure;

  • -

    voor het overige de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

4.4

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Partneralimentatie

Ingangsdatum

5.1

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum, zijnde de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Partneralimentatie

Huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw

5.2

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen zich alsnog geconformeerd aan de door de rechtbank in de beschikking waarvan beroep vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte. Aldus is tussen partijen niet langer in geschil dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 1.812,60 netto per maand bedraagt, zodat het hof hier eveneens van zal uitgaan.

5.3

Tussen partijen is de aanvullende behoefte van de vrouw in geschil. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien. De vrouw betwist dit.

5.4

Het hof stelt in de eerste plaats vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het persoonsgebonden budget dat de vrouw ontving ten behoeve van [jongmeerderjarige 3] is geëindigd, nog vóórdat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, derhalve vóór de ingangsdatum van de eventueel door de man te betalen partneralimentatie. Aldus zal het hof in het kader van de vaststelling van de aanvullende behoefte van de vrouw geen rekening houden met inkomsten in de vorm van persoonsgebonden budget.

5.5

Partijen verschillen van mening over de winst uit onderneming die de vrouw als pedicure genereert dan wel zou kunnen genereren.

De man voert in hoofdzaak het volgende aan. De winst uit onderneming bedraagt minimaal

€ 25.000,-. De man betwist de door de vrouw gestelde lage verdiensten in voorgaande jaren, nu de onderliggende stukken die hij ter zake die inkomsten zelf heeft overgelegd, afwijken van de door de vrouw overgelegde stukken en van de verklaringen hieromtrent door de vrouw in eerste aanleg.

De omzet van de vrouw over 2016 is hoger c.q. dient hoger te zijn, nu zij een praktijk heeft overgenomen en dus meer klanten heeft. Bovendien heeft zij door het co-ouderschap feitelijk ook meer mogelijkheden om haar werkzaamheden uit te breiden. Ter onderbouwing legt de man een email over van de vrouw gericht aan de verhuurder van een woning, waarin de vrouw aangeeft dat zij meer is gaan werken, klanten er bij heeft gekregen en er in de toekomst nog meer klanten bij zal gaan krijgen. Het meest verstrekkende standpunt van de man is dan ook dat de vrouw in staat is om in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien, zeker gezien het gegeven dat zij stelt 30 uur per week te werken. Het is in ieder geval, gelet ook op de overwegingen van de rechtbank, aan de vrouw om aan te tonen dat zij getracht heeft haar verdiencapaciteit te vergroten, al dan niet binnen haar eigen onderneming.

5.6

De vrouw daarentegen stelt dat zij met de inkomsten die zij genereert door pedicurebehandelingen niet in staat is om in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. De vrouw stelt dat de man omzetgegevens van de vrouw heeft gemanipuleerd en voorts dat de door de man overgelegde email van de vrouw aan de verhuurder van een woning slechts is geschreven met het oog op het verkrijgen van die huurwoning. Zij kon deze huurwoning niet krijgen, indien zij niet kon aangeven dat zij een hoger inkomen zou genereren. De winst uit onderneming schommelt over de niet gemanipuleerde jaren tussen de € 9.000,- en € 11.000,-.

De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij naast de inkomsten uit onderneming inkomsten genereert uit een contract dat zij met een podotherapeut heeft afgesloten. Uit dit contract komen verwijzingen voort en deze leveren haar naar eigen zeggen ongeveer € 100,- per maand op. Doordat de vrouw vijf dagen in de week beschikbaar en bereikbaar is, kan zij geen ander werk er naast doen.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:157, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan aan een echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toegekend worden.

5.8

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat zij zich in redelijkheid niet voldoende inkomsten tot levensonderhoud kan verwerven waarmee zij in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien. Het hof neemt daartoe het volgende in aanmerking.

De vrouw heeft in eerste aanleg erkend dat de belastbare winst uit onderneming ongeveer

€ 17.000,- à € 18.000,- per jaar bedraagt. Thans stelt de vrouw dat dit een stuk lager is. Zij stelt immers dat de gemiddelde omzet over de afgelopen jaren tussen de € 9.000,- en

€ 11.000,- per jaar ligt en dat het reëel is om ook thans van een dergelijke omzet uit te gaan. Het hof constateert dat partijen beiden declaratieoverzichten in het geding hebben gebracht over 2013 en 2014, welke overzichten ten opzichte van elkaar aanzienlijke verschillen vertonen. De door de vrouw in het geding gebrachte declaratieoverzichten sluiten echter niet aan bij de door haar in het geding gebrachte belastingaangiften over de betreffende jaren. De vrouw heeft niet dan wel onvoldoende kunnen verklaren waar deze verschillen vandaan komen. De man daarentegen heeft gesteld de declaratieoverzichten zoals door hem overgelegd, afkomstig zijn van een usb-stick die hij bij zijn vertrek uit de (voormalige) echtelijke woning heeft meegenomen, alsook dat deze overzichten op geen enkele wijze door hem zijn bewerkt. Nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond, dat zij niet in staat is om een winst te genereren als de man stelt, is het hof van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht om in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. In dit oordeel heeft het hof voorts betrokken dat ter zitting is gebleken dat de vrouw naast haar inkomsten uit onderneming maandelijks

€ 100,- verdient uit verwijzingen die voortkomen uit een door haar met een podotherapeut afgesloten contract, alsook dat niets de vrouw in de weg staat om haar verdiencapaciteit ten volle te benutten, nu [jongmeerderjarige 3] inmiddels meerderjarig is en niet is gebleken dat de ondersteuning die [jongmeerderjarige 3] wellicht nog behoeft, dit niet mogelijk maakt.

5.9

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, behoeft hetgeen verder is aangevoerd in het kader van de partneralimentatie thans geen verdere bespreking meer.

Terugbetaling

5.10

Voor zover de man vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot heden partneralimentatie heeft betaald en/of partneralimentatie op hem is verhaald, kan van de vrouw in redelijkheid worden gevergd dat zij die terugbetaalt. Daartoe is van belang dat de nihilstelling van de alimentatie met terugwerkende kracht zijn grondslag vindt in het feit dat de vrouw geacht wordt met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand zelf in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. Aldus kan niet zonder meer aannemelijk worden geacht dat de vrouw de eventueel teveel ontvangen gelden reeds conform haar behoefte heeft verteerd. Daarbij komt dat het gaat om een beperkt bedrag – zijnde € 30,- per maand – en de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij geen vermogen heeft waaruit zij deze minimale vordering van de man kan voldoen.

Verdeling huwelijksgemeenschap

5.11

De rechtbank heeft overwogen dat de man ingevolge de beschikking voorlopige voorzieningen van 16 april 2015 gehouden was de maandelijkse hypotheekrente van de echtelijke woning voor zijn rekening te nemen, maar dat dit niet heeft te gelden voor september en oktober 2015, nu door toedoen van de vrouw onnodige vertraging in het verkooptraject is opgetreden. De rechtbank heeft deze handelswijze voor rekening van de vrouw laten komen, in die zin dat de vrouw aan de man als redelijke vergoeding gehouden is te betalen een bedrag gelijk aan de hypotheekrente minus voorlopige teruggave of wel in totaal € 1.554,-.

5.12

De vrouw grieft hiertegen. Zij betwist dat sprake was van onnodige vertraging. Het is bovendien onbekend of de woning eerder verkocht zou zijn als deze eerder te koop stond.

De man verweert zich en wenst bekrachtiging van de bestreden beschikking op dit punt.

5.13

Het hof overweegt dat het, gelet op de standpunten over en weer, redelijk voorkomt om de gevolgen van een eventuele vertraging in het verkooptraject niet eenzijdig bij de vrouw te leggen en zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2016, voor zover het betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en voor zover het betreft de verrekenpost hypotheekrente over de maanden september en oktober 2015, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst alsnog af het verzoek van de vrouw om ten laste van de man een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vast te stellen;

bepaalt dat de vrouw niet gehouden is enige vergoeding aan de man te betalen ter zake door de man betaalde hypotheekkosten in september en oktober 2015;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.A.M. Scheij en M.L.F.J. Schyns, bijgestaan door de griffier, en is op 28 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.