Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4159

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-09-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
200.196.735_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

berekening van de draagkracht van de man wanneer sprake is van een Tijdspaarfonds.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0299

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.196.735/01

zaaknummer rechtbank : C/01/301411 / FA RK 15-6359

beschikking van de meervoudige kamer van 28 september 2017

in de zaak in hoger beroep van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. G.V. van Campen te 's-Hertogenbosch,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A. Elias te Oisterwijk.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 april 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 22 juli 2016 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 22 april 2016.

2.2.

De vrouw heeft op 19 september 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 30 maart 2017 met bijlagen, ingekomen op

30 maart 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 31 maart 2017 met bijlagen, ingekomen op

31 maart 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 31 maart 2017 met bijlagen, ingekomen

op 3 april 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 23 juli 2017 met bijlagen, ingekomen op

25 juli 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 31 juli 2017 met bijlagen, ingekomen op

31 juli 2017.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 10 augustus 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Het huwelijk van partijen is op 10 maart 2015 ontbonden door echtscheiding.

3.3.

Partijen zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003 (hierna: [minderjarige 1] ),

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006 (hierna: [minderjarige 2] ).

3.4.

Bij beschikking van 27 februari 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder meer en voor zover hier van belang bepaald dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan (voor het overige) deel uitmaken van de beschikking.

3.5.

Partijen zijn in het door hen op 6 februari 2015 ondertekende echtscheidingsconvenant onder meer het volgende overeengekomen:

“(…) Artikel 2 – Gezagsvoorziening, omgangsregeling, alimentatie ten behoeve van de minderjarige kinderen en de bijdrage in hun studiekosten

(…) 2.2. Uit een alimentatieberekening blijkt dat de kinderbehoefte volledig gedekt wordt door het kind gebonden budget. Partijen komen overeen dat door de man geen kinderalimentatie betaald zal worden.

2.3.

Op grond van een substantiële wijziging van omstandigheden kunnen partijen in onderling overleg het onder 2.2. gestelde wijzigen. Mocht dit niet tot overeenstemming leiden, dan kunnen partijen een verzoek tot vaststelling aan de rechter voorleggen (…).

2.4.

Partijen dragen ieder voor zich de dagelijkse kosten van verzorging en verblijf op de dagen dat hun kinderen bij hen verblijven of geacht worden aan hun zorg te zijn toevertrouwd.

2.5.

De grotere onvoorziene uitgaven ten behoeve van hun kinderen (zoals bijvoorbeeld voor school en studie, sport, deelname aan buitenschoolse activiteiten en behalen van het rijbewijs) worden door partijen naar rato van hun inkomen onder elkaar verdeeld. (…)”

3.6.

Artikel 9 van het door partijen op 6 februari 2015 ondertekende ouderschapsplan verwijst voor de afspraken over de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar voormeld artikel 2 van het echtscheidingsconvenant.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Oost-Brabant, voor zover thans van belang, voornoemde beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 februari 2015 alsmede het tussen partijen op 6 februari 2015 ondertekende convenant, voor wat betreft de bijdrage door de man te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook: kinderalimentatie), aldus gewijzigd dat deze bijdrage met ingang van 15 oktober 2015 nader is bepaald op een bedrag van € 140,21 per kind per maand.

4.2.

De grieven van de man zien op de behoefte van de kinderen, de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw.

4.2.1.

Na wijziging van zijn verzoek verzoekt de man, verkort weergegeven, de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de onderdelen waartegen grieven zijn gericht en, opnieuw rechtdoende, de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 februari 2015 alsmede het door partijen op 6 februari 2015 ondertekende convenant en ouderschapsplan aldus te wijzigen, dat zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 15 oktober 2015 nader wordt bepaald op een bedrag van € 60,- per kind per maand, met ingang van 1 april 2017 op een bedrag van € 30,- per kind per maand en met ingang van 1 augustus 2017 op nihil, althans op een bedrag dat het hof juist acht en dat lager is dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag.

4.3.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken af te wijzen als zijnde onvoldoende onderbouwd dan wel ongegrond.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1.

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

5.2.

De man betwist in hoger beroep niet langer dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW.

Ingangsdatum wijziging

5.3.

De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van 15 oktober 2015 is niet in geschil, zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Hoogte behoefte kinderen

5.4.

De bij de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van de kinderen in 2015 van € 218,- per kind per maand is in hoger beroep niet (meer) in geschil.

Draagkracht

5.5.

Bij het bepalen van het eigen aandeel van de man in de kosten van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken.

Draagkracht man

5.6.

De draagkracht van de man tot het betalen van de door de vrouw verzochte kinderalimentatie is in hoger beroep in geschil.

5.7.

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt.

Inkomen van de man

5.8.

Het door de rechtbank becijferde netto besteedbaar inkomen van de man is in hoger beroep in geschil.

5.9.

De man voert aan dat zijn draagkracht lager is dan door de rechtbank berekend. Zijns inziens mag niet worden uitgegaan van het fiscaal jaarloon conform de jaaropgave zoals de rechtbank heeft gedaan. Zijn draagkracht dient te worden becijferd aan de hand van de loonstroken. Op de loonstroken zijn bedragen vermeld die deels aan hem zijn overgemaakt en deels aan het Tijdspaarfonds. Bij de becijfering van de draagkracht aan de hand van de loonstroken mag, kort gezegd, geen rekening worden gehouden met de daarop vermelde stortingen “TSF dagen” in het Tijdspaarfonds. Voor de berekening van zijn draagkracht in 2016 dient derhalve op het in de cumulatieven vermelde fiscaal jaarloon (dat overeenkomt met het op de jaaropgave vermelde fiscaal jaarloon) in mindering te worden gebracht een bedrag ter hoogte van het op de loonstroken van 2016 vermelde maandbedrag “TSF dagen” ad € 192,83 vermenigvuldigd met twaalf. Indien hij een vrije dag opneemt wordt over deze dag immers geen salaris uitbetaald maar wordt in plaats daarvan een uitkering uit het Tijdspaarfonds voldaan. Indien naast zijn ontvangen salaris tevens de TSF dagen als inkomen worden meegenomen wordt zijn inkomen ten onrechte op een te hoog bedrag vastgesteld, aldus de man.
De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

5.10.

Het hof oordeelt hierover als volgt. De man is (dan wel was, waarover hierna meer) in dienst bij [de vennootschap] als bouwplaatsmedewerker. De sector Bouwnijverheid kent sinds 2006 het Tijdspaarfonds (TSF). Kort gezegd moet de werkgever sindsdien het loon over een groot deel van de vakantiedagen en roostervrije dagen rechtstreeks aan de werknemer doorbetalen. In het TSF stort de werkgever per loonbetalingsperiode, na inhouding van belasting en premies, het (tijdsevenredig) loon voor een aantal extra dagen die hij niét rechtstreeks aan de werknemer doorbetaalt. Deze stortingen door de werkgever op de individuele rekening van de werknemer in het TSF zijn in het fiscaal jaarloon meegenomen. Wanneer de werknemer een of meer van de in het TSF gestorte dagen opneemt, is de werkgever voor die dagen geen loon meer verschuldigd. De werknemer wordt geacht voor die dagen gebruik te maken van zijn individueel budget dat door de werkgever op zijn TSF rekening is gestort. De niet-opgenomen TSF dagen worden aan de werknemer in geld uitgekeerd vanuit het budget op zijn TSF rekening. De werknemer kan de in het TSF opgebouwde rechten derhalve aanwenden voor vrije tijd of een uitkering in geld.
In het licht van het voorgaande valt niet in te zien waarom voor de berekening van de draagkracht van de man in 2016 de TSF dagen op zijn fiscaal jaarloon 2016 in mindering moeten worden gebracht. Het door de werkgever ten behoeve van de man gestorte aantal dagen in het TSF is immers inkomen dat de man ten goede komt: ofwel als loon voor zover het door de man opgenomen TSF dagen betreft ofwel als een geldelijke uitkering voor zover het niet-opgenomen TSF dagen betreft. Het betoog van de man wordt dan ook verworpen.

5.11.

Het voorgaande in acht genomen zal het hof bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man uitgaan van een belastbaar jaarloon van € 43.017,- conform de jaaropgave 2016. Aangezien beide partijen ermee hebben ingestemd voor de korte periode van 15 oktober 2015 (ingangsdatum van de wijziging van de alimentatie) tot 1 januari 2016 aan te sluiten bij het inkomen over 2016, zal het hof tevens voor de periode tot 1 januari 2016 uitgaan van een belastbaar jaarinkomen van € 43.017,- (en reeds vanaf 15 oktober 2015 rekenen met de draagkrachtformule 2016).

5.12.

Ook voor de periode vanaf 1 januari 2017 zal het hof aan de zijde van de man uitgaan van een belastbaar jaarinkomen van € 43.017,-. Dit vanwege het ontbreken van deugdelijke informatie over het inkomen vanaf januari 2017, hetgeen het hof voor rekening van de man laat. De man heeft de salarisspecificaties over de maanden januari 2017 tot en met mei 2017 overgelegd. Op deze specificaties fluctueert het salaris sterk, terwijl niet duidelijk is wat daarvan de reden is. Voorts heeft de man ter zitting verklaard dat de werkgever op het salaris in die periode ten onrechte inhoudingen heeft toegepast, maar is het hof niet duidelijk geworden in hoeverre het salaris in dit opzicht correctie behoeft. Daarnaast heeft de man gesteld dat hij vanaf 1 augustus 2017 niet langer in dienst is bij [de vennootschap] , maar heeft hij noch de salarisspecificaties over de maanden juni 2017 en juli 2017 noch een eindafrekening overgelegd. Voorts heeft hij onvoldoende duidelijkheid verschaft over de gestelde beëindiging van zijn dienstverband. Omtrent die laatste kwestie overweegt het hof als volgt.

5.13.

Van de zijde van de man is bij brief van 31 juli 2017 gesteld dat de man vanaf 1 augustus 2017 niet langer in dienst zal zijn bij zijn werkgever en dat hij vanaf die datum, als het goed is, een Werkloosheidsuitkering zal ontvangen. In aansluiting daarop rekent de man over de periode vanaf 1 augustus 2017 met een netto besteedbaar inkomen van 70% van het laatstverdiende loon. Ter zitting heeft de man verklaard dat zijn werkgever “in juni heeft aangekondigd hem op staande voet te ontslaan per 1 augustus.” Hij heeft verklaard met hulp van de vakbond daarmee bezig te zijn. Van de zijde van de man is voorts verklaard dat er juridisch weinig klopt van het ontslag, dat de werkgever zich op het standpunt stelt dat de man zelf ontslag heeft genomen en dat het de vraag is of de man een Werkloosheidsuitkering zal krijgen. De man heeft desgevraagd verklaard dat hij niet meer terug wil naar zijn werkgever, dat hij op dit moment weer arbeidsgeschikt is en dat hij zo snel mogelijk elders aan het werk wil.
De vrouw voert als verweer dat onderliggende stukken omtrent het beweerdelijke ontslag ontbreken, dat zij er vooralsnog vanuit gaat dat de man zelf ontslag heeft genomen, dat uit niets blijkt dat de man niet kan terugkeren bij zijn werkgever of in een gelijksoortige functie en dat ook geen bewijzen van sollicitaties zijn overgelegd. Zo het inkomensverlies al niet herstelbaar zou zijn, dan is het inkomensverlies in ieder geval verwijtbaar, aldus de vrouw.

5.14.

Het hof constateert dat de man geen enkel stuk omtrent het gestelde ontslag heeft overgelegd. Hij heeft slechts een aanvraag voor een Werkloosheidsuitkering in het geding gebracht. Hij heeft ook niet duidelijk gemaakt welke aanspraken hij (met hulp van de vakbond) jegens de werkgever probeert geldend te maken. Ook daaromtrent ontbreekt ieder stuk. Op dit moment is nog volstrekt onduidelijk welke perspectieven een procedure tegen de werkgever de man biedt. Voorts geldt dat de man naar eigen zeggen weer arbeidsgeschikt is en zo snel mogelijk elders aan het werk wil, terwijl gesteld noch gebleken is dat het voor hem problematisch zal zijn elders een gelijkwaardige functie te vinden. Stukken waaruit blijkt van vruchteloze sollicitatiepogingen zijn niet overgelegd. Bij deze stand van zaken gaat het hof ervan uit dat het gestelde inkomensverlies herstelbaar is.

5.15.

De man is alleenstaand. Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Rekening houdende met een belastbaar jaarinkomen van € 43.017,-, voornoemde heffingskortingen en de tarieven 2016-1, stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man vast op een bedrag van € 2.523,- per maand.

5.16.

De draagkracht van de man dient vervolgens te worden vastgesteld aan de hand van de in 2016 geldende formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.550,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 890,- aan overige lasten, en dat van het bedrag dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

Voor de periode vanaf 1 januari 2017 (per die datum vindt een relevante wijziging in de draagkracht van de vrouw plaats, waarover hierna meer) zal de draagkracht van de man worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 905,-)].

Schulden man

5.17.

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de schulden aan zijn zijde. Bij de bepaling van zijn draagkracht dient rekening te worden gehouden met de aflossing op de schuld aan zijn moeder, de aflossing op de schuld aan [schuldeiser 1] en de aflossing op de schuld aan [schuldeiser 2] .

De man doet daarbij een beroep op onderdeel 7.2. van het Rapport Alimentatienormen (hierna: Tremarapport). Zijn draagkrachtloos inkomen dient met de aflossing op voornoemde schulden te worden verhoogd, aldus de man.

Schuld aan de moeder van de man

5.18.

De man voert aan dat partijen tijdens het huwelijk een lening van in totaal € 7.450,- zijn aangegaan bij zijn moeder voor de aanschaf van een caravan, een auto en een motorblok voor de auto. Partijen hebben in het kader van de echtscheiding afgesproken dat met een bedrag van € 200,- per maand op deze schuld zou worden afgelost, waarvan partijen ieder de helft voor hun rekening zouden nemen. Deze afspraak is gemaakt bij de mediator, maar is niet in het convenant opgenomen, omdat het een schuld in de privésfeer betrof. De moeder van de man wilde niet dat deze schuld in het echtscheidingsconvenant werd opgenomen. De vrouw is voornoemde afspraak niet nagekomen waardoor de man een bedrag van € 200,- per maand op deze schuld dient af te lossen. Ter zitting van het hof heeft de man – desgevraagd – verklaard dat hij (na de scheiding) op deze schuld in totaal € 900,- heeft afgelost, en niet maandelijks € 200,- zoals eerder door hem in het beroepschrift werd gesteld.

5.19.

De vrouw heeft tegen (het bestaan van) deze schuld gemotiveerd verweer gevoerd.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat er ten tijde van de echtscheiding (bijna) geen schuld aan de moeder van de man meer aanwezig was en voert aan dat tijdens het opstellen van het convenant ook niet is gesproken over een schuld aan de moeder van de man. De vrouw heeft ter zitting van het hof hier nog aan toegevoegd dat de Opel Signum is geschonken door de moeder van de man met door haar verkregen gelden uit de erfenis van een oom. De vrouw erkent dat partijen tijdens het huwelijk geld bij de moeder van de man hebben geleend voor onder meer de aanschaf van een caravan, maar stelt tevens dat de man ongeveer acht jaar voor de scheiding is begonnen met het wekelijks (contant) aflossen. De man heeft voor het aflossen van de lening voor de caravan mede gebruik gemaakt van gelden uit het TSF. Ten tijde van de echtscheiding stond er ten aanzien van de caravan niets meer open. De lening voor het motorblok van € 500,- is bij de vrouw niet bekend.

Ter zake de verklaring van de moeder van de man in het e-mailbericht van 12 september 2016 heeft de vrouw ter zitting van het hof opgemerkt dat de moeder van de man wisselend is in haar verklaringen waar de door haar aan de man geleende gelden voor waren en wat nu daadwerkelijk door de man is c.q. wordt afgelost.

5.20.

Het hof houdt bij de bepaling van de draagkracht van de man geen rekening met de door de man opgevoerde last uit hoofde van de gestelde schuld aan zijn moeder van € 200,- per maand, nu het bestaan van deze schuld naar het oordeel van het hof niet is komen vast te staan. Het hof overweegt daartoe dat deze schuld – in tegenstelling tot de huwelijkse schuld van partijen aan [schuldeiser 5] en de Opel – niet in het echtscheidingsconvenant is opgenomen, de vrouw het bestaan van deze schuld gemotiveerd heeft betwist (zoals weergegeven onder rechtsoverweging 5.19 van deze beschikking) en de man ter zake geen bewijsaanbod heeft gedaan, hetgeen – gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – wel op zijn weg had gelegen.

Schuld aan [schuldeiser 1]

5.21.

De man stelt dat hij een aanvullende lening bij zijn moeder heeft moeten afsluiten ter financiering van de kosten van een tijdelijke huurwoning, de kosten koper voor zijn nieuwe woning en de inrichting daarvan (een nieuwe inboedel). De man heeft ter zitting van het hof verklaard dat de volledige inboedel na de echtscheiding aan de vrouw is toebedeeld, zodat hij genoodzaakt was om een nieuwe inboedel aan te schaffen. Zijn moeder heeft de kosten koper voor zijn nieuwe woning voorgeschoten, omdat men volgens de huidige regelgeving maximaal 90% van de waarde van de eigen woning mag financieren en hij niet over eigen geld beschikte. De totale schuld aan zijn moeder in dit kader bedroeg € 10.000,-. Vervolgens is hij – na de verstrekking van de hypotheek – op 12 oktober 2015 een persoonlijk krediet bij [schuldeiser 1] aangegaan om de schuld aan zijn moeder van € 10.000,- af te lossen. De man stelt af te lossen op het krediet van [schuldeiser 1] met een bedrag van € 148,65 per maand. Hij betoogt dat zijn draagkrachtloos inkomen met de aflossing van € 148,65 per maand dient te worden vermeerderd.

5.22.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat bij de bepaling van de draagkracht van de man geen rekening mag worden gehouden met de aflossing op de schuld aan [schuldeiser 1] van € 148,65 per maand. De vrouw is van mening dat de noodzaak van deze schuld niet is komen vast te staan, omdat de man de kosten koper voor zijn nieuwe woning mee had kunnen financieren in zijn hypotheek. De vrouw betwist daarnaast de noodzaak van de aanschaf van een nieuwe inboedel. De bewuste maandlast van € 148,65 kan naar de mening van de vrouw ook om reden dat het hier geen huwelijkse schuld betreft, niet in mindering strekken op de draagkracht van de man.

5.23.

Het hof houdt rekening met de gestelde betalingsverplichting van de man uit hoofde van de schuld aan [schuldeiser 1] van € 148,65 per maand en overweegt daartoe als volgt.

Die verplichting ziet voor wat betreft de aanschaf van de nieuwe inboedel op een niet vermijdbare en niet verwijtbare schuld, waarvan het bestaan niet ter discussie staat. De vrouw heeft ter zitting van het hof namelijk niet betwist dat zij na de echtscheiding de volledige inboedel van partijen toebedeeld heeft gekregen. De noodzaak voor het maken van herinrichtingskosten staat daarmee naar het oordeel van het hof vast. Voor zover de man heeft betoogd dat de schuld aan [schuldeiser 1] ook is terug te voeren op de financiering van de kosten koper voor zijn nieuwe woning, is het hof van oordeel dat de man die stelling – mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw – onvoldoende met verificatoire bescheiden heeft onderbouwd. Het hof overweegt daartoe dat de man heeft nagelaten om stukken van de aankoop en financiering van zijn woning in het geding te brengen. Daarom zal het hof bij de bepaling van de draagkracht van de man in redelijkheid rekening houden met de helft van de opgevoerde schuld aan [schuldeiser 1] van € 10.000,-. Het hof zal rekening houden met circa 34 maandtermijnen (€ 5.000,- : € 148,65), derhalve met een maandlast van € 148,65 tot 15 augustus 2018 (gerekend vanaf de ingangsdatum van de wijziging van de alimentatie). Dit brengt met zich dat naar het oordeel van het hof het draagkrachtloos inkomen van de man met € 148,65 per maand dient te worden verhoogd tot 15 augustus 2018. Het hof merkt daarbij op dat het na afloop van deze periode aan partijen is om in onderling overleg, aan de hand van de overige uitgangspunten in deze beschikking en de alsdan geldende financiële omstandigheden van partijen, de dan geldende Tremanormen, de fiscale wetgeving en de wettelijke maatstaven, een nadere afspraak te maken omtrent de door de man te betalen kinderalimentatie.

Schuld aan [schuldeiser 2]

5.24.

De man heeft in april 2017 een nieuw krediet van € 10.000,- bij [schuldeiser 2] afgesloten, naar hij stelt ter financiering van “onder andere” advocaatkosten. De man heeft geen recht op een toevoeging, omdat zijn inkomen naar eigen zeggen net boven de grens van gefinancierde rechtshulp ligt. De man lost met een bedrag van € 155,49 per maand af op deze schuld.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het meenemen van deze maandlast bij het bepalen van de draagkracht van de man.

5.25.

Het hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde last uit hoofde van het krediet bij [schuldeiser 2] . Het hof zoekt in dit kader aansluiting bij het in het Tremarapport neergelegde uitgangspunt dat advocaatkosten gemaakt in het kader van een familierechtelijke procedure niet worden beschouwd als een noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting, in ieder geval niet waar het een kinderalimentatieverplichting betreft. De man heeft bovendien nagelaten inzicht te geven in de hoogte van de advocaatkosten, laat staan in dat kader onderliggende stukken in het geding te brengen. Evenmin heeft hij toegelicht voor welke andere zaken het krediet bij [schuldeiser 2] is aangegaan, zodat hij het hof niet in staat heeft gesteld om te beoordelen of het krediet bij [schuldeiser 2] in zoverre is aan te merken als een niet vermijdbare en niet verwijtbare schuld waarmee bij de bepaling van de draagkracht rekening zou moeten worden gehouden.

Overige schulden

5.26.

De man heeft in het beroepschrift nog aangevoerd dat sprake is van een schuld aan de [schuldeiser 3] van € 448,10 en een schuld van € 95,55 aan [schuldeiser 4] . Nu de man noch in het beroepschrift noch ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven in hoeverre het hof bij de berekening van zijn draagkracht met voornoemde schulden rekening dient te houden, zal het hof deze schulden buiten beschouwing laten.

Van de zijde van de man is eerst ter zitting in hoger beroep nog melding gemaakt van een lening van de man bij zijn moeder voor advocaatkosten. Het hof zal hiermee geen rekening houden. Zoals eerder overwogen, beschouwt het hof de door de man gemaakte advocaatkosten niet als een noodzakelijke last die dient te prevaleren boven de alimentatieverplichting van de man jegens zijn minderjarige kinderen. Bovendien heeft de man, voor zover hij al moet worden geacht stelling te hebben ingenomen over de hoogte van die advocaatkosten, geen onderbouwing van die kosten gegeven door middel van het overleggen van facturen of anderszins. Evenmin heeft hij aangegeven in hoeverre bij de berekening van zijn draagkracht met de gestelde lening rekening moet worden gehouden.

Conclusie draagkracht man

5.27.

Rekening houdend met een netto besteedbaar inkomen van de man van € 2.523,- per maand, heeft de man tot 1 januari 2017 een draagkracht van 70% x [NBI - (0,3 x NBI + € 890 + € 148,65)] = € 509,22 per maand.

Per 1 januari 2017 heeft de man een draagkracht van 70% x [NBI - (0,3 x NBI + € 905 + € 148,65)] = € 498,72 per maand.

Draagkracht vrouw

Inkomen vrouw

5.28.

De rechtbank heeft overwogen dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 1.521,- per maand, inclusief € 430,- per maand aan kindgebonden budget en inclusief de inkomensafhankelijke combinatiekorting, tussen partijen niet in discussie is.

5.29.

De man heeft ter zitting in hoger beroep alsnog gesteld dat de vrouw zwart werkt. Het hof zal aan deze stelling van de man voorbij gaan, nu de man deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw uitgaan van een netto besteedbaar inkomen van € 1.521,- per maand, niet alleen voor 2015 en 2016, maar ook voor 2017 nu uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties over de maanden maart 2017 tot en met mei 2017 blijkt dat het inkomen van de vrouw in 2017 ten opzichte van 2016 onveranderd is gebleven.

Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw zal het hof reeds vanaf de ingangsdatum 15 oktober 2015 uitgaan van de in 2016 geldende draagkrachtformule/-tabel. Dit nu dat bij de berekening van de draagkracht van de man ook aldus is geschied en voorts omdat dit uitgangspunt bij de berekening van de draagkracht van de vrouw de hoogte van de vast te stellen kinderalimentatieverplichting niet relevant beïnvloedt.

Schulden vrouw

Schuld aan de belastingdienst

5.30.

De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte een correctie op het (naar het hof begrijpt:) draagkrachtloos inkomen van de vrouw heeft gemaakt vanwege de aflossing van een schuld aan de belastingdienst van € 108,- per maand.

Volgens de vrouw heeft de rechtbank terecht met deze maandelijkse last aan haar zijde rekening gehouden.

5.31.

Blijkens het verhandelde ter zitting van het hof zijn partijen het erover eens dat de schuld van de vrouw aan de belastingdienst ziet op teveel ontvangen toeslagen in de huwelijkse periode (2013 en 2014). Voorts zijn partijen het erover eens dat de vrouw reeds per ingangsdatum van de wijziging van de onderhoudsbijdrage (15 oktober 2015) tot 1 januari 2017 met € 108,- per maand op deze schuld heeft afgelost.

Het hof houdt over de periode tot 1 januari 2017 rekening met de betalingsverplichting van de vrouw uit hoofde van de schuld aan de belastingdienst, nu die verplichting ziet op een naar het oordeel van het hof niet vermijdbare en niet verwijtbare schuld, waarvan het bestaan niet ter discussie staat. Dit brengt met zich dat het hof het draagkrachtloos inkomen van de vrouw in de perioden tot 1 januari 2017 met € 108,- per maand zal verhogen.

Schuld verbouwing badkamer

5.32.

De vrouw stelt dat bij de bepaling van haar draagkracht met ingang van september 2016 rekening dient te worden gehouden met een schuld aan haar ouders van € 7.500,- waarop zij met een bedrag van gemiddeld € 20,- per maand aflost. De vrouw heeft deze lening afgesloten voor de renovatie van haar badkamer. Ter zitting in hoger beroep heeft zij hieromtrent aangevoerd dat de man tijdens het huwelijk van partijen – zonder toestemming van de verhuurder – is begonnen met de verbouwing van de badkamer, maar dat hij deze verbouwing nooit heeft afgemaakt. Er was naar de mening van de vrouw sprake van een levensgevaarlijke situatie omdat de elektrische bekabeling bloot lag, betegeling ontbrak en sprake was van lekkages.

De man bestrijdt dat met deze schuld rekening moet worden gehouden.

5.33.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt. De man heeft de stelling van de vrouw dat hij tijdens het huwelijk van partijen met de verbouwing van de badkamer is begonnen en deze nooit heeft afgemaakt, niet betwist. De man heeft evenmin betwist dat hierdoor sprake was van een levensgevaarlijke situatie. Het hof leidt uit de door de vrouw overgelegde stukken af dat door de ouders van de vrouw een bedrag van € 7.500,- ter beschikking is gesteld voor de verbouwing van de badkamer en dat de vrouw op deze lening met ingang van de maand september 2016 met een bedrag van gemiddeld ongeveer € 20,- per maand aflost.

Het hof, zal gelet op het vorenstaande, bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw rekening houden met de betalingsverplichting van de vrouw uit hoofde van voornoemde schuld, nu die verplichting ziet op een niet vermijdbare en niet verwijtbare schuld, waarvan het bestaan rechtens is komen vast te staan. Dit brengt met zich dat het hof het draagkrachtloos inkomen van de vrouw met ingang van 1 september 2016 met € 20,- per maand zal verhogen.

Conclusie draagkracht vrouw

5.34.

Nu het netto besteedbaar inkomen van de vrouw tussen de € 1.500,- en € 1.550,- per maand bedraagt, dient het hof volgens de draagkrachttabel 2016 rekening te houden met een forfaitaire last van € 865,- per maand in plaats van € 890,- per maand. Per 1 januari 2017 dient het hof volgens de draagkrachttabel 2017 rekening te houden met een forfaitaire last van € 855,- per maand in plaats van € 905,- per maand. Rekening houdend met een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 1.521,- per maand, heeft de vrouw een draagkracht van:

  • -

    70% x [NBI - (0,3 x NBI + € 865 + € 108)] = € 64,19 per maand in de periode van 15 oktober 2015 tot 1 september 2016;

  • -

    70% x [NBI - (0,3 x NBI + € 865 + € 108 + € 20)] = € 50,19 per maand in de periode van 1 september 2016 tot 1 januari 2017;

  • -

    70% x [NBI - (0,3 x NBI + € 855 + € 20)] = € 132,79 per maand met ingang van 1 januari 2017.

Draagkrachtvergelijking

5.35.

De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt in 2015 in totaal € 436,- per maand, in 2016 € 441,67 per maand en in 2017 € 450,95 per maand. Het komt het hof redelijk voor om bij de aanvang van elke draagkrachtperiode rekening te houden met de alsdan geldende geïndexeerde behoefte van de kinderen.

* de periode van 15 oktober 2015 tot 1 september 2016

5.36.

De verdeling van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over de man en de vrouw wordt berekend door ieders draagkracht ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (voor de man vastgesteld op € 509,22 per maand en voor de vrouw vastgesteld op € 64,19 per maand) te delen door de totale draagkracht (€ 509,22 + € 64,19 = € 573,41 per maand), vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen in 2015 van € 436,- per maand, hetgeen resulteert in de volgende berekening:

het eigen aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt:

€ 509,22 / € 573,41 x € 436,- = € 387,19 per maand, derhalve € 193,60 per kind per maand;

het eigen aandeel van de vrouw in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt:

€ 64,19 / € 573,41 x € 436,- = € 48,81 per maand, derhalve € 24,40 per kind per maand.

* de periode van 1 september 2016 tot 1 januari 2017

5.37.

De verdeling van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over de man en de vrouw wordt berekend door ieders draagkracht ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (voor de man vastgesteld op € 509,22 per maand en voor de vrouw vastgesteld op € 50,19 per maand) te delen door de totale draagkracht (€ 509,22 + € 50,19 = € 559,41 per maand), vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen in 2016 van € 441,67 per maand, hetgeen resulteert in de volgende berekening:

het eigen aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt:

€ 509,22 / € 559,41 x € 441,67 = € 402,04 per maand, derhalve € 201,02 per kind per maand;

het eigen aandeel van de vrouw in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt:

€ 50,19 / € 559,41 x € 441,67 = € 39,63 per maand, derhalve € 19,81 per kind per maand.

* met ingang van 1 januari 2017

5.38.

De verdeling van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over de man en de vrouw wordt berekend door ieders draagkracht ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (voor de man vastgesteld op € 498,72 per maand en voor de vrouw vastgesteld op € 132,79 per maand) te delen door de totale draagkracht (€ 498,72 + € 132,79 = € 631,51 per maand), vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen in 2017 van € 450,95 per maand, hetgeen resulteert in de volgende berekening:

het eigen aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt:

€ 498,72 / € 631,51 x € 450,95 = € 356,13 per maand, derhalve € 178,06 per kind per maand;

het eigen aandeel van de vrouw in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt:

€ 132,79 / € 631,51 x € 450,95 = € 94,82 per maand, derhalve € 47,41 per kind per maand.

Zorgkorting

5.39.

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Tussen partijen is niet in geschil dat de man aanspraak kan maken op een zorgkorting van 25%.

5.40.

Nu het eigen aandeel van de man en de vrouw in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2015 € 218,- per kind per maand, in 2016 € 220,83 per kind per maand en in 2017 € 225,48 per kind per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting in 2015 een bedrag € 54,50 per kind per maand, in 2016 € 55,21 per kind per maand en in 2017 € 56,37 per kind per maand. Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op de door de man te betalen kinderalimentatie, nu de man en de vrouw samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

Vaststelling van de alimentatie

5.41.

De door de man te betalen kinderalimentatie is te begroten op een bedrag van:

  • -

    € 139,10 per kind per maand (inclusief zorgkorting) in de periode van 15 oktober 2015 tot 1 september 2016;

  • -

    € 145,81 per kind per maand (inclusief zorgkorting) in de periode van 1 september 2016 tot 1 januari 2017. Het hof stelt echter, gezien de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, de door de man te betalen kinderalimentatie vast op een bedrag van

€ 140,21 per kind per maand (conform de rechtbank), nu door de vrouw niet incidenteel is geappelleerd. Het hof zal deze bijdrage per 1 september 2016 verhogen met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering en stelt de door de man te betalen kinderalimentatie derhalve vast op een bedrag van € 142,03 per kind per maand;

- € 121,69 € 121,69 per kind per maand (inclusief zorgkorting) met ingang van 1 januari 2017.

Terugbetaling

5.42.

Hoewel het hof in de periode van 15 oktober 2015 tot 1 september 2016 en met ingang van 1 januari 2017 tot een lagere kinderalimentatie komt dan de rechtbank, ontstaat er voor de vrouw geen terugbetalingsverplichting, nu tussen partijen vast staat dat de man nimmer de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie aan de vrouw heeft voldaan.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, omwille van de leesbaarheid, ter zake van de aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in haar geheel vernietigen en beslissen als hierna onder 7 vermeld.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit die relatie geboren kinderen betreft.

Het hof heeft een berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 april 2016 ter zake van de aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 februari 2015 alsmede het door partijen op 6 februari 2015 ondertekende convenant en ouderschapsplan voor wat betreft de bijdrage door de man te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006, en

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te voldoen:

  • -

    een bedrag van € 139,10 per kind per maand in de periode van 15 oktober 2015 tot 1 september 2016;

  • -

    een bedrag van € 142,03 per kind per maand in de periode van 1 september 2016 tot 1 januari 2017 (inclusief de verhoging gelijk aan de wettelijke indexering zoals onder rechtsoverweging 5.41 overwogen);

  • -

    een bedrag van € 121,69 per kind per maand met ingang van 1 januari 2017, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, C.N.M. Antens en H. van Winkel, bijgestaan door mr. E. Mimpen als griffier, en is op 28 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.