Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4155

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
200.186.385_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering wegens overbedeling of niet? Artikel 6:10 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 10, geldigheid: 2002-04-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.186.385/01

arrest van 26 september 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. A.N.E. Duerink-Bottinga te Terneuzen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

tegen wie verstek is verleend,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 februari 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 18 november 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3832366/15-631)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met productie;

  • -

    het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

  • -

    de memorie van grieven met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen zijn op 24 november 1992 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Middelburg van 5 september 2012 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De rechtbank heeft partijen daarbij bevolen over te gaan tot verdeling van de tussen hen bestaande, inmiddels ontbonden, huwelijksgemeenschap. De echtscheidingsbeschikking is op 18 september 2012 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .

3.1.2.

Tijdens het huwelijk van partijen is een drietal schulden ontstaan:

  • -

    een schuld aan het UWV vanwege een ten onrechte ontvangen uitkering van € 5.449,--;

  • -

    een schuld aan de gemeente [gemeente] van € 1.882,--;

  • -

    een flexibel krediet van € 10.000,--.

[appellante] is belast met de draagplicht voor de schuld aan de gemeente. De schulden aan het UWV en het flexibel krediet bij de [bank] bank (hierna: de bank) ter grootte van in totaal € 15.449,-- zijn niet voldaan.

3.1.3.

Bij dagvaarding van 2 februari 2015 heeft [geïntimeerde] gevorderd [appellante] te veroordelen aan hem te voldoen een bedrag van € 6.783,50 wegens overbedeling. Hij is bereid de schuld aan het UWV en het flexibel krediet bij de bank af te lossen, maar in dat geval is zijn draagplicht (€ 15.449,--) groter dan de draagplicht van [appellante] (€ 1.882,--). Dit verschil (€ 15.449,-- minus € 1.882,-- / 2 = € 6.783,50) dient [appellante] aan [geïntimeerde] te voldoen.

3.2.1.

In het tussenvonnis van 8 juli 2015 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.2.2.

In het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter de vordering toegewezen. Hij heeft hiertoe als volgt overwogen.

“3. Vast staat dat partijen in hun onderlinge draagplicht beiden de helft van de schulden dienen te voldoen. Vast staat ook dat partijen zijn overeengekomen dat de man de schulden aan de [bank] -bank en het UWV zal voldoen en dat de vrouw de schuld aan de gemeente [gemeente] zal voldoen. De man heeft onweersproken gesteld dat dit in hun onderlinge verhouding leidt tot een overbedeling van de vrouw ten opzichte van de man tot een bedrag van € 6.783,50.

4. De man vordert betaling van dit bedrag. Het verweer van de vrouw dat de vordering van de man is gebaseerd op art 6:10 BW passeert de kantonrechter. De man vordert immers betaling wegens overbedeling in hun onderlinge verhouding en niet betaling wegens delging van een schuld van de vrouw. Nu vaststaat dat partijen ieder voor de helft aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke schulden en hebben afgesproken dat de man de schulden aan de [bank] -bank en het UWV en de vrouw de schuld aan de gemeente [gemeente] zal voldoen, is wegens overbedeling een vordering van de man op de vrouw ontstaan van € 6.783,50. Dat de man de schulden aan de [bank] -bank en het UWV nog niet (voor meer dan de helft of volledig) heeft voldaan maakt dat niet anders. Dat de vrouw onvoldoende draagkracht heeft evenmin. Voor zover de man die schulden niet volledig voldoet en de vrouw daarop wordt aangesproken kan dat leiden tot een regresvordering van de vrouw op de man.”

3.3.

[appellante] heeft tijdig hoger beroep ingesteld en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Zij heeft hiertoe zes grieven aangevoerd. Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend.

3.4.

De grieven hebben betrekking op:

  • -

    de afspraken van partijen over het voldoen van de schulden (grieven 1 en 2);

  • -

    de daaraan verbonden vordering wegens overbedeling (grief 3) en de veroordeling tot betaling op grond daarvan aan [geïntimeerde] (grieven 5 en 6);

  • -

    de toepasselijkheid van art. 6:10 BW (grief 4).

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.5.1.

[appellante] heeft de Belgische nationaliteit en [geïntimeerde] heeft de Nederlandse nationaliteit. Deze zaak heeft dus internationale aspecten. Het hof zal derhalve allereerst de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en het toepasselijk recht dienen te beoordelen.

Rechtsmacht

3.5.2.

Gelet op art. 2 juncto art. 8 Rv is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het geschil.

Toepasselijk recht

3.5.3.

Partijen noch de rechter in eerste aanleg hebben zich uitgelaten over het toepasselijke recht. Het hof begrijpt uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, dat zij voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, hetgeen in deze zaak is toegestaan.

De schulden van partijen (grieven 1 en 2) en de vordering wegens overbedeling (grieven 3, 5 en 6)

3.6.1.

Volgens [appellante] is geen sprake van overbedeling. Zij voert daartoe het volgende aan. Allereerst zijn partijen niet overeengekomen dat [geïntimeerde] de schulden aan de bank en het UWV zal voldoen. Voorts heeft de kantonrechter niet vastgesteld dat [geïntimeerde] deze schulden “met uitsluiting” van [appellante] zal voldoen. Ten slotte heeft de kantonrechter niet de verdeling van de gemeenschap vastgesteld, zodat ook op die grond geen sprake is van overbedeling.

3.6.2.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit de gedingstukken is niet gebleken dat partijen – uitdrukkelijk of stilzwijgend – zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] draagplichtig zal zijn voor de schulden aan de bank en het UWV. Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 19 oktober 2015 ten overstaan van de kantonrechter, blijkt juist van het tegendeel. Daarin is immers opgenomen dat [appellante] haar verweer dat partijen zouden hebben afgesproken dat de schuld aan de bank aan [geïntimeerde] zou worden “toebedeeld”, heeft prijsgegeven. Over die schuld is vervolgens in het proces-verbaal opgenomen “Ook voor deze schuld zijn beide partijen hoofdelijk aansprakelijk” en in het bestreden vonnis “De vrouw heeft dat laatste verweer ter gelegenheid van de comparitie van partijen prijsgegeven”. Gelet op die door de kantonrechter vastgestelde feiten, kan niet worden geoordeeld dat tussen partijen vast staat dat zij zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] de schulden aan de bank en het UWV zal voldoen. Overbedeling van [appellante] op basis van afspraken van partijen kan derhalve niet worden vastgesteld. Overigens zou hetgeen de man stelt tot het onaanvaardbare gevolg leiden dat nadat de vrouw de man ter zake van de schulden haar deel heeft betaald, zij ook nog het risico moet lopen door de schuldeisers te worden aangesproken voor het volledige bedrag van de schulden en de schulden aldus anderhalf keer voor haar rekening komen. Nu ook de kantonrechter niet zelf de verdeling heeft vastgesteld (voor zover deze al schulden zou kunnen verdelen) noch anderszins kan worden vastgesteld dat sprake is van overbedeling van [appellante] slagen de grieven 1, 2, 3, 5 en 6.

De toepasselijkheid van art. 6:10 BW (grief 4)

3.7.1.

[appellante] betoogt dat de vordering van [geïntimeerde] slechts gebaseerd kan zijn op het bepaalde in art. 6:10 BW. Zij heeft de schuld aan de gemeente [gemeente] voldaan, maar niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] de schuld aan de bank en aan het UWV voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, heeft voldaan. Tijdens de comparitie van partijen op 19 oktober 2015 is gebleken dat [geïntimeerde] een bedrag van € 3.150,-- aan de bank heeft afgelost en circa € 2.600,-- aan het UWV. In totaal heeft [geïntimeerde] dus € 5.750,-- afgelost. Dit bedrag is minder dan de helft van de totale gezamenlijke schuld (€ 17.331,--). [geïntimeerde] heeft derhalve ook op grond van art. 6:10 BW geen vordering op [appellante] .

3.7.2.

Het hof oordeelt als volgt. Voor zover het ervoor moet worden gehouden dat de vordering van [geïntimeerde] is gebaseerd op het bepaalde in art. 6:10 BW, heeft het hiernavolgende te gelden.

Artikel 6:10 BW bepaalt het hiernavolgende:

  1. Hoofdelijke schuldenaren zijn, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht overeenkomstig de volgende leden in de schuld en in de kosten bij te dragen.

  2. De verplichting tot bijdragen in de schuld ten laste van een der hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat.

Volgens art. 6:10 BW zijn schuldenaren ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat draagplichtig. Ingevolge art. 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel is niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407).

Art. 1: 100 BW brengt dan ook met zich dat partijen in hun onderlinge verhouding voor gelijke delen draagplichtig zijn voor huwelijkse schulden, zoals hier aan de orde.

Dit brengt mee dat eerst indien komt vast te staan dat [geïntimeerde] meer dan de helft van de schuld heeft voldaan, heeft hij – enkel voor dat meerdere – een vordering op [appellante] .

Uit de gedingstukken blijkt dat ten tijde van de comparitie van partijen (oktober 2015) door [geïntimeerde] een bedrag van in totaal € 5.750,-- aan de schuldeisers was voldaan. Dit bedrag is minder dan de helft van de schuld. Ook van de afzonderlijke schulden (aan de bank en het UWV) heeft [geïntimeerde] minder dan de helft voldaan. In hoeverre thans een groter bedrag is voldaan (en [geïntimeerde] meer dan de helft van de schuld heeft voldaan) kan het hof niet vaststellen, nu tegen [geïntimeerde] verstek is verleend en door [appellante] geen stukken zijn overgelegd waaruit dat kan blijken. Dientengevolge is het hof ook niet in staat vast te stellen dat [geïntimeerde] enige regresvordering heeft, laat staan een vordering van € 6.783,50. De vierde grief slaagt daarom.

De proceskosten

3.8.

Nu alle grieven slagen zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] , opnieuw rechtdoende, alsnog afwijzen. De proceskosten zal het hof, met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 18 november 2016;

opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 september 2017.

griffier rolraadsheer