Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4154

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
200.197.209_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen deelgeschilbeschikking. Ongeval waarbij scootmobiel en auto zijn betrokken. Geen analoge toepassing artikel 185 WVW. Ontvankelijkheid hoger beroep gelet op artikel 1019cc Rv. Kosten.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 185, geldigheid: 2006-02-01
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van niet-digitaal procederen) 1019cc, geldigheid: 2017-03-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0781

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.197.209/01

arrest van 26 september2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , Turkije,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

tegen

NV [Schadeverzekering] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. P.E. Bloemendal te Arnhem,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 augustus 2016 ingeleide hoger beroep van de beschikking in het deelgeschil van 4 februari 2016, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellant] als verzoeker en [geïntimeerde] als verweerster.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rekestnummer C/02/305947 / HA RK 15-189)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde beschikking en voorts naar het onder zaaknummer/rolnummer [nummer] in de procedure ten principale tussen partijen gewezen tussenvonnis van 6 juli 2016 van voornoemde rechtbank.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven van 4 oktober 2016 met één productie;

  • -

    de memorie van antwoord van 13 december 2016 met twee producties;

  • -

    de pleitnota’s van partijen van 7 februari 2017 (schriftelijk pleidooi).

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

Bevoegde rechter en toepasselijk recht

3.1.

[appellant] woonde ten tijde van het ongeval in Nederland maar inmiddels in Turkije. Het geschil heeft dus internationale aspecten gekregen. De rechtbank heeft zich terecht bevoegd geacht en het hof is als appelrechter in een hoger beroep tegen een door een Nederlandse rechtbank gegeven beschikking ook bevoegd.

Verder is Nederlands recht van toepassing omdat het ongeval in Nederland plaatsvond en beide partijen toen in Nederland woonden. Partijen hebben overigens blijkens hun stellingen ook steeds aansluiting gezocht bij het Nederlandse recht.

De feiten

3.2.1.

De rechtbank heeft onder 3.1 van de bestreden beschikking vastgesteld van welke feiten zij is uitgegaan. Deze feiten, die in hoger beroep niet zijn betwist, vormen ook voor het hof het uitgangspunt. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

3.2.2.

Op [datum] 2014 omstreeks 8.40 uur vond een verkeersongeval plaats op de [straat] in [plaats] op de fietsersoversteekplaats van deze weg nabij de kruising met het [weg] (hierna: het ongeval). De fietsersoversteekplaats is beveiligd met verkeerslichten. Bij het ongeval kwam de door [derde] (hierna: [derde] ) bestuurde auto in botsing met de door [appellant] bestuurde scootmobiel.

3.2.3.

De auto en de scootmobiel zijn bij het ongeval beschadigd geraakt. [appellant] is na het ongeval naar het ziekenhuis vervoerd.

3.2.4.

De aansprakelijkheid waartoe de auto in het verkeer aanleiding kan geven was krachtens de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen verzekerd bij [geïntimeerde] .

3.2.5.

Bij e-mail van 29 november 2014 heeft de toenmalige belangenbehartiger van [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van het ongeval en de daarmee verband houdende letselschade.

3.2.6.

[geïntimeerde] heeft aansprakelijkheid afgewezen.

Het deelgeschil

3.3.1.

Bij verzoekschrift van 12 oktober 2015 heeft [appellant] op de voet van artikel 1019w Rv de rechtbank verzocht om in een deelgeschil te bepalen dat [geïntimeerde] op grond van de artikelen 185 Wegenverkeerswet (WVW) en 6:162 BW aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval en dat [geïntimeerde] gehouden is om de schade te vergoeden die [appellant] als gevolg van het ongeval heeft geleden. Daarnaast heeft [appellant] verzocht de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten te begroten en [geïntimeerde] te veroordelen die kosten, vermeerderd met wettelijke rente, te vergoeden.

3.3.2.

[geïntimeerde] heeft tegen dit verzoek gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in dit hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.

3.3.3.

Op 14 januari 2016 is het verzoekschrift op een zitting van de rechtbank behandeld. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] zijn verzoek in die zin gewijzigd dat wordt verzocht om te bepalen dat [geïntimeerde] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is waarbij dan artikel 185 WVW naar analogie moet worden toegepast.

3.3.4.

Bij de bestreden beschikking van 4 februari 2016 verwierp de rechtbank de stelling van [appellant] dat het aansprakelijkheidsregime van artikel 185 WVW van overeenkomstige toepassing is op het ongeval. Verder oordeelde de rechtbank dat [appellant] voor een beroep op artikel 6:162 BW dient te stellen en bij betwisting te bewijzen dat sprake is van een concrete onrechtmatige gedraging van [derde] . [appellant] heeft aangevoerd dat [derde] door rood licht is gereden en ‘vermoedelijk te hard heeft gereden’, maar die stellingen zijn gemotiveerd door [geïntimeerde] betwist. Omdat een deelgeschil zich niet leent voor bewijslevering en [appellant] verder geen concrete onrechtmatige gedragingen van [derde] heeft gesteld wees de rechtbank het verzoek tot vaststelling van aansprakelijkheid van [appellant] af. De rechtbank heeft de kosten van de deelgeschilprocedure begroot op € 3.156,24 maar het verzoek tot vergoeding van die kosten afgewezen, omdat in de deelgeschilprocedure geen aansprakelijkheid is vastgesteld.

De procedure ten principale (bodemprocedure) en het verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep

3.4.1.

Bij dagvaarding van 9 juni 2016 heeft [appellant] een procedure ten principale (bodemprocedure) aanhangig gemaakt. [appellant] vordert in die procedure, kort gezegd, een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellant] als gevolg van het ongeval heeft geleden, veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van die schade, nader te begroten in een schadestaatprocedure, veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de kosten van het deelgeschil ad € 3.156,24 en de proceskosten.

Daarnaast heeft [appellant] verlof gevraagd om van de door de rechtbank in het deelgeschil gewezen beschikking van 4 februari 2016 tussentijds hoger beroep te mogen instellen.

3.4.2.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 6 juli 2016 geoordeeld dat zij met de beslissing dat het aansprakelijkheidsregime van artikel 185 WVW niet van toepassing is op het ongeval uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist op een geschilpunt tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding. De rechtbank vond het voor de beoordeling van de aansprakelijkheid en voor de bewijslevering een wezenlijk verschil maken of die aansprakelijkheid al dan niet op artikel 185 WVW kan worden gegrond. Daarom vond de rechtbank een tussentijds hoger beroep doelmatig en stond zij tussentijds hoger beroep tegen de in het deelgeschil gegeven beschikking van 4 februari 2016 toe.

Het hoger beroep tegen de deelgeschilbeschikking

3.5.1.

[appellant] heeft vervolgens op de voet van artikel 1019cc lid 3 Rv tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 4 februari 2016. [appellant] heeft daartegen twee grieven (bezwaren) aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van die beschikking, behalve waar het de begroting van de kosten van het deelgeschil betreft, en toewijzing van zijn verzoeken (zie hiervoor 3.3.1). De begroting van die kosten is dus geen onderdeel van de rechtsstrijd in hoger beroep.

3.5.2.

Met de eerste grief maakt [appellant] bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat het aansprakelijkheidsregime van artikel 185 WVW niet van toepassing is op het ongeval. Ook is [appellant] het niet eens met de rechtbank waar zij oordeelt dat het aan [appellant] is om een concrete onrechtmatige gedraging van [derde] te stellen en bij betwisting te bewijzen.

In de toelichting op de tweede grief verwijst [appellant] naar zijn eerste grief. De tweede grief behoeft daarom geen afzonderlijke behandeling.

3.5.3.

Samengevat heeft [appellant] het volgende aangevoerd. Hoewel een scootmobiel een motorrijtuig in de zin van de WVW is en aan [appellant] daarom geen beroep op artikel 185 WVW toekomt, is [appellant] wel als zwakke verkeersdeelnemer te beschouwen en behoeft hij de bescherming die artikel 185 WVW biedt. [appellant] verwijst in dit verband naar een uitspraak van het hof Leeuwarden van 8 mei 2002, ECLI:NL:GHLEE:2002:AE2690 (NJ 2003, 233) en naar een strafvonnis van de rechtbank Alkmaar van 21 oktober 2010 (ECLI:NL:RBALK:2010:BO8345). Volgens [appellant] heeft [derde] onvoldoende rekening gehouden met het weggedrag van [appellant] , die de weg waarop [derde] reed aan het oversteken was. [derde] heeft [appellant] kunnen zien en hij had moeten anticiperen op het oversteken door [appellant] . [appellant] verwijst hier naar artikel 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV). Het onvoldoende anticiperen door [derde] in combinatie met de kwetsbare positie van [appellant] leidt op grond van artikel 6:162 BW tot aansprakelijkheid van [geïntimeerde] , aldus [appellant] .

3.5.4.

[geïntimeerde] heeft, samengevat, het volgende betoogd. De deelgeschilrechter heeft alleen ten aanzien van de primaire grondslag van [appellant] – analoge toepassing van artikel 185 WVW – een inhoudelijke beslissing gegeven. Daarom kan de subsidiaire grondslag – artikel 6:162 BW – geen onderwerp zijn van dit tussentijds hoger beroep.

In de zaak die speelde in de uitspraak van het hof Leeuwarden, waarnaar [appellant] verwijst, heeft het hof niet artikel 185 WVW analoog toegepast, maar de vordering beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 BW. Bovendien had de eisende partij in die zaak bewezen dat de aansprakelijk gestelde automobilist (verkeers)fouten had gemaakt, aldus [geïntimeerde] . [geïntimeerde] betoogt verder dat in de Alkmaarse zaak waarnaar [appellant] verwijst evenmin artikel 185 WVW analoog is toegepast. Zij wijst er op dat het feit dat de bij dat ongeval overleden bestuurder van een scootmobiel door de rechtbank als kwetsbare verkeersdeelnemer is beschouwd pas aan de orde kwam bij de billijkheidscorrectie in het kader van de eigen schuld-vraag, welke vraag pas aan de orde komt nadat aansprakelijkheid is vastgesteld. Volgens [geïntimeerde] kan hoe dan ook geen onderscheid tussen ‘zwakke’ en ‘minder zwakke’ verkeersdeelnemers worden gemaakt. Het aparte regime van artikel 185 WVW is volgens haar uitsluitend van toepassing op aanrijdingen tussen voetgangers en fietsers aan de ene kant (‘zwakke verkeersdeelnemers’) en motorrijtuigen aan de andere kant. Subsidiair betwist [geïntimeerde] de op de subsidiaire grondslag (artikel 6:162 BW) gegronde aansprakelijkheid.

De ontvankelijkheid van dit hoger beroep

3.6.1.

Volgens artikel 1019cc lid 3 Rv kan van de in het deelgeschil gegeven beschikking onder daar genoemde voorwaarden hoger beroep worden ingesteld, voor zover die beschikking beslissingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 1019cc Rv bevat. Met dergelijke beslissingen worden blijkens het eerste lid van artikel 1019cc Rv beslissingen bedoeld waarmee uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding. In dit geval is dat – enkel – de beslissing van de rechtbank dat het aansprakelijkheidsregime van artikel 185 WVW niet van toepassing is op het ongeval. Daarom kan [appellant] alleen in zijn hoger beroep worden ontvangen voor zover hij daarmee voornoemde beslissing bestrijdt. Het verweer van [geïntimeerde] op dit punt slaagt dus.

3.6.2.

Dat wordt niet anders door het bij schriftelijk pleidooi door [appellant] ingenomen standpunt dat hij zijn grondslag aanvult in die zin dat hij in dit hoger beroep ook een oordeel van het hof op de grondslag van artikel 6:162 BW wenst. De bijzondere wettelijke regeling ten aanzien van deelgeschillen (meer in het bijzonder artikel 1019cc leden 1 en 3 Rv) staat daaraan in de weg. De rechtbank oordeelde immers ten aanzien van deze grondslag dat bewijslevering nodig is en dat daarvoor geen plaats is in een deelgeschil. Omdat de rechtbank in het deelgeschil dus niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist op het partijen ook verdeeld houdende geschilpunt of [derde] onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW, kan [appellant] in zijn hoger beroep tegen die beslissing niet worden ontvangen. Overigens is een pas bij (schriftelijk) pleidooi aangevoerde wijziging/aanvulling van een grondslag te laat wegens strijd met de twee-conclusieregel en strijd met een goede procesorde en heeft [geïntimeerde] er ook terecht op gewezen dat [appellant] ook al in eerste aanleg artikel 6:162 BW aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, zodat van een ‘wijziging/aanvulling’ van een grondslag geen sprake is.

3.6.3.

Bij schriftelijk pleidooi heeft [appellant] nog aangevoerd dat hij niet heeft betoogd dat artikel 185 WVW naar analogie van toepassing is. Het hof kan [appellant] hier niet volgen. In zijn processtukken (verzoekschrift deelgeschil 29, 30, 32, dagvaarding hoofdzaak 40, mvg 12) heeft [appellant] dat toch juist wel betoogd. In ieder geval heeft [geïntimeerde] dat zo begrepen en ook kunnen begrijpen. Ook de rechtbank heeft de stellingen van [appellant] zo opgevat en ook het hof leidt dit uit genoemde stellingen van [appellant] en overigens ook uit zijn pleitnota af. [appellant] stelt in randnummer 13 van zijn pleitnota dat het hof Leeuwarden in de door [appellant] aangehaalde uitspraak ’het bepaalde van artikel 185 WVW in het kader van artikel 6:162 BW lijkt over te nemen’ en dat ‘men in zoverre zou kunnen spreken van het feit dat artikel 185 WVW naar analogie van toepassing is verklaard’. En in randnummer 10 van zijn pleitnota betoogt [appellant] dat het feit dat artikel 185 WVW niet van toepassing is, ‘niet betekent dat aan [appellant] helemaal geen bescherming toekomt in de geest van artikel 185 WVW’.

Zoals hiervoor is besproken heeft de rechtbank in het deelgeschil alleen ten aanzien van dát geschilpunt (analoge toepassing artikel 185 WVW) uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een beslissing genomen en kan alleen dát geschilpunt onderwerp zijn van dit hoger beroep.

Het aansprakelijkheidsregime van artikel 185 WVW

3.7.1.

Tussen partijen is niet in debat dat artikel 185 WVW niet (rechtstreeks) van toepassing is op het ongeval. Naar het oordeel van het hof is evenmin analoge toepassing van dat artikel aan de orde. Artikel 185 WVW regelt blijkens de wetsgeschiedenis een bijzondere aansprakelijkheid waartoe het gebruik van motorvoertuigen kan leiden. Gelet op de definitie van motorrijtuigen (waaronder ook een scootmobiel valt) en het bepaalde in het derde lid van artikel 185 WVW heeft de wetgever dit bijzondere aansprakelijkheidsregime willen beperken tot ongevallen waarbij aan de ene kant een motorrijtuig is betrokken en aan de andere kant een fietser of voetganger. Er is dan geen plaats voor een analoge toepassing van dit artikel bij een ongeval als waarvan in deze zaak sprake is.

Overigens heeft het hof Leeuwarden dat ook niet gedaan. Wel achtte dat hof de positie van het verkeersslachtoffer in die zaak (een vijftienjarig meisje in een elektrische rolstoel) even kwetsbaar als die van een voetganger of fietser hetgeen volgens dat hof tot gevolg heeft dat op de automobilist ten opzichte van de bestuurder van een invalidenvoertuig eenzelfde zware zorgvuldigheidsplicht rust als ten opzichte van een voetganger of fietser. Wat daar ook van zij, het neemt niet weg dat de eisende partij overeenkomstig de gewone regels van stelplicht en bewijsrecht moet stellen en bewijzen dat de gedaagde partij een onrechtmatige daad heeft gepleegd. In de zaak van het hof Leeuwarden stond vast dat dat het geval was. Datzelfde was het geval in de door [appellant] aangehaalde zaak van de Alkmaarse rechtbank. Of vervolgens het feit dat de eisende partij een kwetsbare verkeersdeelnemer is een rol kan spelen in het kader van een verweer van de gedaagde partij dat de eisende partij (ook) eigen schuld heeft, is iets anders. In ieder geval komt die vraag pas aan de orde nadat aansprakelijkheid van de gedaagde partij is komen vast te staan.

3.7.2.

En omtrent dat laatste heeft de rechtbank in het deelgeschil nu juist niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. Dat dient eerst te gebeuren, in de bodemprocedure bij de rechtbank.

Slotsom

3.8.

Dit alles betekent dat de grieven van [appellant] niet slagen. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen (bevestigen).

Kosten

3.9.

Deze procedure, waarin op de voet van artikel 1019cc lid 3 Rv wordt opgekomen tegen een deelgeschilbeschikking, is een dagvaardingsprocedure. De regeling van artikel 1019aa Rv voor de begroting van de kosten is niet van toepassing (Hoge Raad 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1689). Het hof zal overeenkomstig de regeling van artikel 237 Rv e.v. [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in proceskosten van [geïntimeerde] .

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in de deelgeschilbeschikking genomen beslissingen ten aanzien van artikel 6:162 BW;

bekrachtigt de beschikking in het deelgeschil van 4 februari 2016 (C/02/305947/HA RK 15-189) van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, voor zover deze beschikking aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 718,-- aan griffierecht en op € 1.788,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, voor voortzetting van de bij die rechtbank aanhangige procedure ten principale ( [nummer] ).

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Wabeke, J.W. van Rijkom en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 september 2017.

griffier rolraadsheer