Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4147

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
200.165.191_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:9651, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap; gebruiksvergoeding woning; medewerking verkoop woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.165.191/01

arrest van 26 september 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. T.G.M. Scheers te Roermond,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. C.C.J. van Pol te Echt,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 21 juni 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond onder zaaknummer C/04/113657/HAZA 12-22 gewezen (tussen)vonnissen van 27 augustus 2014 en 12 november 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 21 juni 2016 waarbij het hof een comparitie heeft gelast;

  • -

    de door mr. M. Strijks, die ter comparitie heeft waargenomen voor mr. Scheers, bij die gelegenheid overgelegde pleitaantekeningen.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.1.1.

Partijen zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van de rechtbank Roermond van 9 december 2009 is de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 5 januari 2010.

6.2.1.

De vrouw heeft – voor zover thans van belang – in eerste aanleg in conventie gevorderd:

Primair:

  1. de man te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, de voormalige echtelijke woning aan het adres [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning) over te nemen tegen de minimale waarde van € 335.000,-, althans een door de rechtbank na deskundigenbericht vastgestelde waarde, onder voldoening van een bedrag van minimaal € 79.333,23 aan de vrouw en onder de last en de verplichting om de hypothecaire verplichting rustende op de woning over te nemen en de vrouw ter zake te vrijwaren, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de man in gebreke blijft aan deze vordering te voldoen;

  2. de man te veroordelen om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te voldoen over de periode dat hij met uitsluiting van de vrouw gebruik heeft gemaakt van de voormalige echtelijke woning en derhalve per 17 juni 2009, althans per datum inschrijving echtscheiding op 5 januari 2010, van € 3.173,33 op jaarbasis, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, totdat de man heeft zorggedragen voor overname van de woning, danwel de woning aan een derde is verkocht en geleverd;

  3. de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen de helft van de waarde van de rekening bij de [bank] genaamd ‘ [bank] Toekomstsparen’ met rekeningnummer [rekeningnummer] , welke rekening aan de man kan worden toebedeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente per 17 juni 2009, althans per 5 januari 2010, tot de dag der dagvaarding, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;

  4. e man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen de helft van de waarde van de

beleggingsverzekering van [verzekeraar 1] met polisnummer [polisnummer 1] te vermeerderen

met de wettelijke rente per 17 juni 2009, althans per 5 januari 2010, tot de dag der

dagvaarding, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;

de man te verplichten inzicht te verschaffen in de waarde van zijn meubelmakerij en te

bepalen dat de helft van de waarde van beide vennootschappen tussen partijen bij helfte

dient te worden verdeeld, waarbij de man wordt veroordeeld de helft van de betreffende

waarde aan de vrouw te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente per 17 juni 2009, althans per 5 januari 2010 tot de dag der dagvaarding, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag;

de man te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van het in dezen te wijzen

vonnis een afschrift van de polis van [verzekeraar 2] met nummer [polisnummer 2] aan de vrouw ter

inzage te verstrekken, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of

gedeelte van de dag dat de man in gebreke blijft om aan de veroordeling te voldoen;

de man te veroordelen in de kosten van het geding, aan de zijde van de vrouw gevallen, en de wettelijke rente daarover binnen 14 dagen na betekening van het vonnis.

Subsidiair:

Voor het geval de man niet in staat en/of bereid is om de woning over te nemen:

a. de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te

wijzen vonnis, medewerking te verlenen aan de verkoop en de levering van de

woning en ter zake opdracht te verstrekken aan de door de rechtbank aan te wijzen makelaar, zulks op straffe van dwangsommen van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de man in gebreke blijft om zijn medewerking te verlenen de opdrachtovereenkomst te ondertekenen;

de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen

vonnis, medewerking te verlenen aan de verkoop en de levering van de woning aan een derde indien de woning kan worden verkocht voor een bedrag gelijk aan of hoger als zijdens de door de rechtbank benoemde makelaar is getaxeerd met een marge van € 10.000, naar beneden, zulks op straffe van dwangsommen van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de man in gebreke blijft om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en/of levering en onder de bepaling dat bij een overwaarde gelijk aan of hoger dan een bedrag ad € 158.666,46 deze overwaarde aan partijen gelijkelijk bij helfte toekomt en dat bij een overwaarde lager dan € 158.666,46 aan de vrouw toekomt een bedrag ad € 79.333,23 en het resterende bedrag aan overwaarde aan de man.

6.2.2.

De man heeft – voor zover thans van belang – in eerste aanleg in (voorwaardelijke) reconventie gevorderd:

  1. de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen de helft van de negatieve waarde van zijn meubelmakerij ad € 195.577,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente per 7 maart 2012, althans een door de rechtbank te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening;

  2. de vrouw te veroordelen in de kosten van die procedure, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van de man.

6.2.3.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd.

6.2.4.

De rechtbank heeft in het beroepen vonnis van 27 augustus 2014 partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het vermelde in rov. 2.2 van dat vonnis, die ziet op de aanwijzing van een makelaar ten behoeve van de verkoop van de woning, en heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

In het beroepen eindvonnis van 12 november 2014 heeft de rechtbank in conventie en in reconventie, voor zover thans van belang:

  1. de man veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dat vonnis medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning en ter zake opdracht te verstrekken aan makelaar [makelaar] te [plaats 2] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de man daaraan niet voldoet met een maximum van € 100.000,-;

  2. de man veroordeeld om binnen twee dagen na betekening van dat vonnis medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde indien de woning kan worden verkocht voor een bedrag gelijk aan of hoger als de door makelaar [makelaar] te bepalen waarde met een marge van € 10.000,- naar beneden, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat de man daaraan niet voldoet, met een maximum van € 100.000,--;

  3. bepaald dat de man en de vrouw ieder binnen een week na ondertekening van de verkoopopdracht aan makelaar [makelaar] het bedrag van € 322,50,- (basispakket) dienen te betalen;

  4. bepaald dat de kosten van makelaar [makelaar] zoals genoemd in rov. 2.1.3 van dat vonnis (courtage en eventuele doorplaatsingskosten) bij verkoop en levering van de woning in mindering zullen worden gebracht op de overwaarde en dat daarna het restant van de overwaarde tussen partijen gelijkelijk wordt verdeeld;

  5. bepaald dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding dient te betalen van € 231,- per maand ingaande 17 juni 2009 tot de dag van verkoop en levering van de woning, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2009, met dien verstande dat het maandbedrag van € 231,- bij verkoop en levering van de woning dient te worden herberekend op de wijze zoals vermeld in het vonnis van 27 augustus 2014 in rov. 2.3;

  6. bepaald dat de man aan de vrouw uit hoofde van het in het vonnis van 27 augustus 2014 in rov. 2.5. tot en met 2.8, 2.10 en 2.12 besliste (welke rechtsoverwegingen samengevat zien op de [bank] Totaalpakket-rekening, de [bank] InternetBonusSparen-rekening, de [bank] ToekomstSparen-rekening, de beleggingsverzekering bij [verzekeraar 1] , de [bank] Spaarloonrekening en de inboedel), dient te betalen € 12.854,90, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juni 2009;

  7. de man veroordeeld om binnen tien dagen na betekening van dat vonnis een afschrift van de polis van [verzekeraar 2] met nummer [polisnummer 2] aan de vrouw ter inzage te verstrekken, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat daaraan niet wordt voldaan, met een maximum van € 10.000,-;

  8. bepaald dat de man aan de vrouw uit hoofde van het in het vonnis van 27 augustus 2014 in rov. 2.11 besliste ten aanzien van de vennootschappen van de man dient te betalen € 5.183,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2012;

  9. de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

  10. het meer of anders gevorderde afgewezen.

6.3.

Partijen kunnen zich (op onderdelen) met de beroepen vonnissen niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

6.4.1.

De man heeft in zijn dagvaarding in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis in conventie en in reconventie van 12 november 2014 en opnieuw rechtdoende de vorderingen van de man in conventie en in reconventie van 12 november 2014 alsnog toe te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties. In zijn memorie van grieven heeft de man zes grieven aangevoerd tegen voormeld bestreden vonnis van 12 november 2014 en geconcludeerd tot vernietiging van dit vonnis en opnieuw rechtdoende:

a. te bepalen dat de verdeling van de woning plaatsvindt conform de regeling als

opgenomen in het proces-verbaal van de comparitie na aanbrengen;

het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om een gebruikersvergoeding te voldoen aan de vrouw af te wijzen, dan wel vast te stellen op een bedrag dat het hof juist acht;

te bepalen dat de [bank] Toekomstspaarrekening dient te worden toegewezen aan

de man onder de verplichting van de man aan de vrouw te voldoen een bedrag groot € 3.323,95, althans een bedrag dat het hof juist acht;

te bepalen dat de [verzekeraar 1] polis dient te worden toegewezen aan de man onder de verplichting van de man aan de vrouw te voldoen een bedrag groot € 3.582,85, althans een bedrag dat het hof juist acht;

te bepalen dat de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [BV] BV alsook [BV] Holding BV aan de man worden toegedeeld tegen een waarde van nihil, althans een bedrag dat het hof juist acht;

de vrouw te veroordelen tot betaling van de deskundigenkosten ten bedrage van € 8.000,- in totaal, althans een bedrag dat het hof juist acht;

het bestreden vonnis voor het overige in stand te laten.

6.4.2.

De vrouw heeft de grieven in het principale appel bestreden.

Haar betoog dat de man niet-ontvankelijk moet worden geacht in zijn tweede, derde, vierde en vijfde grief die betrekking hebben op het tussenvonnis van 27 augustus 2014 omdat daartegen in de appeldagvaarding geen beroep is ingesteld, faalt naar het oordeel van het hof, nu uit de memorie van grieven duidelijk is geworden van welke uitspraak de man precies appelleert en met welke bezwaren. Het genoemde vonnis is overigens geen deelvonnis, zodat, zoals de man heeft gedaan, van de daarin genomen beslissingen (die niet in het dictum zijn opgenomen) hoger beroep kan worden ingesteld.

6.4.3.

De vrouw heeft voorts incidenteel appel ingesteld. In het incidentele appel heeft zij drie grieven aangevoerd en concludeert zij – naar het hof begrijpt – tot vernietiging van het bestreden vonnis van 12 november 2014 en opnieuw rechtdoende:

Primair:

  1. de man te veroordelen om uit hoofde van de [verzekeraar 2] polis met nummer [polisnummer 2] aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 4.286,90, te vermeerderen met de wettelijke rente per 17 juni 2009;

  2. de man te veroordelen medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning inclusief inbouwapparatuur van de keuken doch zonder enige andere wijziging in het verkoopvoorstel aan te brengen behoudens uitdrukkelijke toestemming van de vrouw, zulks op straffe van dwangsommen van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat de man in gebreke blijft om onverkort medewerking aan de verkoop van de woning te verlenen;

  3. te bepalen dat bij verdeling van de overwaarde van de woning eerstens aan de vrouw toekomt een bedrag van € 25.000,-, waarna het restant van de overwaarde tussen partijen bij helfte wordt verdeeld;

  4. e man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties;

  5. de bestreden vonnissen van 27 augustus 2014 en 12 november 2014 voor het overige in stand te laten.

Subsidiair:

  1. de man te veroordelen om uit hoofde van de [verzekeraar 2] polis met nummer [polisnummer 2] aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 2.143,45, te vermeerderen met de wettelijke rente per 17 juni 2009;

  2. te bepalen dat bij verdeling van de overwaarde van de woning eerstens aan de vrouw toekomt een bedrag van € 16.500,-, waarna het restant van de overwaarde tussen partijen bij helfte wordt verdeeld;

  3. de man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties;

  4. e bestreden vonnissen van 27 augustus 2014 en 12 november 2014 voor het overige in stand te laten.

Meer subsidiair:

een beslissing te nemen die het hof juist acht.

6.4.4.

De man heeft de grieven in het incidentele appel gemotiveerd bestreden.

6.5.1.

De grieven van partijen zien op de volgende onderwerpen:

  • -

    de woning (grief 1 principaal appel, grief 2 incidenteel appel);

  • -

    gebruiksvergoeding (grief 2 principaal appel);

  • -

    [bank] ToekomstSparen rekeningnummer [rekeningnummer] (grief 3 principaal appel);

  • -

    beleggingsverzekering [verzekeraar 1] polisnummer [rekeningnummer] (grief 4 principaal appel);

  • -

    [verzekeraar 2] -polis (grief 1 incidenteel appel);

  • -

    onderneming van de man (grief 5 principaal appel);

  • -

    proceskosten (grief 6 principaal appel, grief 3 incidenteel appel).

6.5.2.

Het hof zal deze onderwerpen hierna bespreken, met uitzondering van grief 1 in principaal appel van de man, nu de man die grief bij gelegenheid van de comparitie heeft ingetrokken.

6.6.

De woning (grief 2 incidenteel appel)

6.6.1.

Grief 2 in incidenteel appel houdt in dat de rechtbank ten onrechte de man niet heeft veroordeeld om zonder voorbehoud medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning op straffe van dwangsommen. Ter toelichting voert zij het volgende aan.

De rechtbank heeft de man weliswaar veroordeeld om medewerking te verlenen aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning, doch daarbij ruimte voor de man gelaten teneinde met de makelaar in discussie te treden. Zo heeft de man bedongen dat de keukenapparatuur niet bij de verkoop is inbegrepen, hetgeen de waarde negatief beïnvloedt. De inbouwapparatuur behoort echter tot de woning en dient naar mening van de vrouw wel mee verkocht te worden. De vrouw vreest echter indien wordt bepaald dat de inbouwapparatuur van de keuken wel bij de woning behoort en aldus mee verkocht dient te worden, de man weer iets anders bedenkt. Zulks vormt reden voor de vrouw om te vorderen om de man te veroordelen om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning inclusief de inbouwapparatuur van de keuken doch zonder enige andere wijziging in het

verkoopvoorstel aan te brengen behoudens uitdrukkelijke toestemming van de vrouw, zulks op straffe van dwangsommen.

Daarbij is de vrouw van mening dat de waardedaling van de woning volledig voor rekening van de man dient te komen aangezien deze een rechtstreeks gevolg is van het feit dat de man wel telkenmale mededeelt de woning te willen overnemen, doch niet tot uitvoering daarvan overgaat. De waardedaling is aanzienlijk. De WOZ-waarde bedroeg aanvankelijk € 315.000- in een periode waarbij een werkelijke waarde immer circa 10% boven de WOZ-waarde lag. Nu zal een verkoopprijs van circa € 265.000,- worden behaald, derhalve een waardedaling van € 50.000,-. De vrouw is dan ook van mening dat zij uit de overwaarde van de woning eerst een bedrag ad € 25.000,- dient te verkrijgen waarna het restant aan overwaarde tussen partijen bij helfte wordt gedeeld.

Subsidiair vordert de vrouw op voormelde gronden een bedrag ad € 8.250,- van de man, zijnde de helft van het verschil in vraagprijs van de woning in 2012 en de huidige vraagprijs.

6.6.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

De man heeft terecht bedongen dat de keukenapparatuur niet bij de verkoop van de woning is inbegrepen. Als productie 11 bij haar conclusie van antwoord in reconventie heeft de vrouw een inboedellijst ingebracht met bijbehorende waardes. Uit deze lijst (bladzijde 1) volgt dat de vrouw in eerste aanleg van mening was dat de keukenapparatuur als inboedel heeft te gelden. In eerste aanleg zijn partijen ter comparitie overeengekomen dat de man ten aanzien van de inboedel aan de vrouw een bedrag van € 1.250,- zou voldoen. Voor wat betreft de inboedel, waaronder de inbouwapparatuur van de keuken, heeft de vrouw dan ook al een vergoeding ontvangen. Het is dan ook niet correct om de inbouwapparatuur thans weer onderdeel van de woning te laten zijn.

Ter zake van het verzoek van de vrouw met betrekking tot de waardedaling, merkt de man op dat nog op geen enkele wijze vaststaat dat er sprake zal zijn van een waardedaling, alsmede dat de vrouw haar stellingen dienaangaande onvoldoende heeft onderbouwd.

6.6.3.

Het hof overweegt als volgt.

De grief van de vrouw valt in twee onderdelen uiteen, aldus dat zij:

(1) op straffe van een dwangsom medewerking van de man vordert tot verkoop van de woning inclusief inbouwapparatuur van de keuken;

(2) vordert te bepalen dat ter compensatie van de waardedaling van de woning bij verdeling van de overwaarde van de woning eerstens aan de vrouw toekomt een bedrag van € 25.000,-, waarna het restant van de overwaarde tussen partijen bij helfte wordt verdeeld.

Onderdeel (1)

Tussen partijen is niet in geschil dat de woning verkocht dient te worden aan een derde. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de woning al dan niet verkocht dient te worden met inbegrip van de inbouwapparatuur van de keuken (daaronder mede begrepen de vaatwasser, de koelkast, de magnetron en de quooker). Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat de inbouwapparatuur van de keuken onderdeel uitmaakte van de inboedel ten aanzien waarvan partijen in eerste aanleg zijn overeengekomen dat de man daarvoor aan de vrouw een bedrag van € 1.250,- zal betalen. De vrouw heeft die stelling van de man betwist. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de comparatie gehouden op 15 oktober 2012 alleen dat partijen zijn overeengekomen dat “de inboedel” als verdeeld moet worden beschouwd (en dat de man in verband met overbedeling de vrouw een bedrag van € 1.250,- dient te betalen). Welke zaken die inboedel omvat (met uitzondering van de expliciet genoemde “meubelstukken”), blijkt daaruit niet. De enkele omstandigheid dat de inbouwapparatuur op een eerder door de vrouw in het geding gebrachte inboedellijst staat (productie 11 bij de conclusie van antwoord in reconventie), maakt niet dat hun overeenstemming ook daarop zag. In het licht van het voorgaande, heeft de man zijn stelling onvoldoende onderbouwd.

In zoverre slaagt dan ook de grief van de vrouw.

Onderdeel (2)

Als datum van verdeling van de woning heeft te gelden het tijdstip van verkoop en levering van de woning. Onzeker is nochtans wat op dat moment de netto-verkoopopbrengst van de woning zal zijn en of de door de vrouw gestelde waardedaling zich daadwerkelijk zal voordoen. Bovendien impliceert het verzoek van de vrouw afwijking van een verdeling bij helfte, hetgeen slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangenomen (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012: BV1749, NJ 2012/407). Derhalve faalt de grief van de vrouw op dit onderdeel.

6.7.

Gebruiksvergoeding (grief 2 principaal appel)

6.7.1.

Grief 2 van de man keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding dient te betalen van € 231,- per maand. Ter toelichting op zijn grief voert de man – kort samengevat – het volgende aan.

Het al dan niet vaststellen van een gebruiksvergoeding is geen gebruik, maar is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Vaststaat dat de man de volledige kosten van de woning voldoet zodat de gebruiksvergoeding op nihil dient te worden bepaald. Indien het hof van oordeel is dat er wel een gebruiksvergoeding door de man aan de vrouw is verschuldigd, dan moet voor de berekening van de gebruiksvergoeding van een lager rentepercentage worden uitgegaan dan van het door de rechtbank gehanteerde percentage van 4%.

6.7.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij is van mening dat de rechtbank de gebruiksvergoeding op de juiste gronden heeft vastgesteld.

6.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld zij dat de man geen grief heeft opgeworpen tegen de ingangsdatum van de door hem aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding, zijnde 17 juni 2009.

Op grond van artikel 3:169 BW kan een gebruiksvergoeding door de vrouw worden gevorderd. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 3:169 BW (onder andere: HR 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000: AA9143 en HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176) volgt dat een deelgenoot, die een goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht is die andere deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen.

Voor de onderhavige zaak betekent dit dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de man gehouden is om – voor de periode dat hij de voormalige echtelijke woning met uitsluiting van de vrouw gebruikt – aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken op grond van de enkele omstandigheid dat de man alle lasten van de woning voldoet; dat de vrouw die lasten niet zou hoeven te voldoen, betekent namelijk nog niet dat zij daarmee is gecompenseerd voor het feit dat zij verstoken is gebleven van het gebruik van de woning. Het hof neemt hierbij nog in aanmerking dat de man met zijn standpunt over de inbouwapparatuur (dat het hof heeft verworpen, zie rov. 6.6.3, hiervóór) verkoop van de woning mogelijkerwijs heeft vertraagd en de vrouw daarmee heeft belast met het voortduren van een situatie van onverdeeldheid waarin zij verstoken blijft van het gebruik en genot van de woning. Ook daarmee verhoudt zich niet de door de man verzochte afwijzing van de gebruiksvergoeding.

Het standpunt van de man dat niet uitgegaan moet worden van een rentepercentage van 4%, maar van een lager rentepercentage kan voorts niet worden aanvaard. Met de gebruiksvergoeding wordt beoogd de echtgenoot/mede-eigenaar die de echtelijke woning verlaat, schadeloos te stellen voor het feit dat deze, zolang de andere echtgenoot gebruik maakt van de woning, verstoken blijft van zijn of haar aandeel in de waarde van de woning. De hier bedoelde schade zal veelal hierin bestaan dat de echtgenoot die uit de woning is vertrokken de kosten van herhuisvesting extern moet financieren. Ten tijde van het uiteengaan van partijen in juni 2009, was het niet ongebruikelijk dat met een dergelijke financiering ten minste een rentepercentage van 4% was gemoeid. Het hof ziet dan ook geen reden om af te wijken van het door de rechtbank gehanteerde rentepercentage van 4%.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grief van de man faalt.

6.8.

[bank] ToekomstSparen rekeningnummer [rekeningnummer] (grief 3 principaal appel)

6.8.1.

Grief 3 van de man keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de [bank] ToekomstSparen-spaarrekening aan de man dient te worden toegedeeld tegen vergoeding aan de vrouw van een bedrag van € 6.924,90. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

De [bank] -spaarrekening blijkt een bankspaarregeling te zijn met als doelstelling te sparen voor een pensioen. Dit betekent dat de gelden welke op deze rekening staan zijn belast met inkomstenbelasting. Aldus is hier eveneens, net als [verzekeraar 1] Polis, een belastinglatentie verschuldigd. Een latente belastingclaim kan niet worden vastgesteld, maar is een aanname. Onder verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 12 februari 2013, dient van het hoogst geldende percentage, te weten 52%, te worden uitgegaan. Dit betekent dat de waarde van de [bank] -spaarrekening in de verdeling dient te worden betrokken in die zin dat de vrouw recht heeft op een bedrag van € 3.323,95 ((€ 13.849,80 x 48%)/2).

6.8.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij is van mening dat de rechtbank de beslissing op de juiste gronden heeft genomen. Bij de comparitie van partijen in 2012 heeft de man zelf ten overstaan van de rechtbank verklaard dat de waarde op de [bank] -spaarrekening per 17 juni 2009 door partijen bij helfte dient te worden verdeeld. Nu de vrouw niet anders kan dan vaststellen dat de waarde van de polis op 17 juni 2009 € 13.849,80 bedroeg en de man op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt wanneer de einddatum van deze spaarrekening is, dan wel welke voorwaarden op de betreffende spaarrekening van toepassing zijn, is de vrouw van mening dat geen rekening dient te worden gehouden met een mogelijke belastingclaim in de toekomst. Nu de man zijn stellingen dat hij 52% belasting zou dienen te voldoen over het bedrag ad € 13.849,80 volstrekt onvoldoende heeft onderbouwd, is de vrouw van mening dat aan de stelling van de man voorbij dient te worden gegaan en dat de betreffende grief voor afwijzing gereed ligt.

6.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

Partijen hebben bij gelegenheid van de comparitie afgesproken de [bank] -spaarrekening te splitsen. Bij brief van 20 april 2017 heeft de advocaat van de vrouw het hof bericht dat dit inmiddels heeft plaatsgevonden, hetgeen is bevestigd door de advocaat van de man bij zijn schrijven van 21 april 2017. Deze grief behoeft derhalve geen verdere bespreking.

6.9.

Beleggingsverzekering [verzekeraar 1] polisnr. [rekeningnummer] (grief 4 principaal appel)

6.9.1.

Grief 4 van de man keert zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 2.8 van het vonnis van 27 augustus 2014 om het volledige bedrag ad € 14.928,55 in de verdeling te betrekken, nu de man niet de hoogte van de latente belastingclaim heeft vermeld. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

Zoals reeds hiervóór ter zake van grief 3 in principaal appel vermeld, dient een latentie te worden bepaald op basis van de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 12 februari 2013. Dit betekent dat de polis in de verdeling dient te worden betrokken in die zin dat de vrouw dient te ontvangen een bedrag van € 3.582,85 ((14.928,55 x 48%)/2).

6.9.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij is van mening dat de rechtbank juist heeft geoordeeld. De man heeft ook in hoger beroep nagelaten om duidelijkheid ter zake van de polis te verschaffen. Voorts heeft hij ook nagelaten om het saldo van de polis per 17 juni 2009 kenbaar te maken.

6.9.3.

Het hof overweegt als volgt.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, heeft de man ook in hoger beroep nagelaten met verificatoire bescheiden te onderbouwen dat er op de waarde van de polis een latente belastingclaim rust. Derhalve faalt grief 4 van de man in principaal appel.

6.10.

[verzekeraar 2] -polis (grief 1 incidenteel appel)

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen zijn partijen overeengekomen dat de man binnen vier weken ervoor zorgdraagt dat de [verzekeraar 2] -polis met nummer [polisnummer 2] aan hem wordt uitgekeerd, waarna de man vervolgens de helft van het uitgekeerde bedrag aan de vrouw zal doen toekomen via de derdengeldenrekening van de advocaat van de vrouw.

Deze grief behoeft derhalve geen verdere bespreking.

6.11.

Onderneming van de man (grief 5 principaal appel)

6.11.1.

Grief 5 van de man keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 5.183,- ter zake van de aan hem toegedeelde aandelen in Meubelfabriek [BV] BV. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

De rechtbank heeft het eindrapport van de deskundige [deskundige] d.d. 9 mei 2014, foutief gelezen. De rechtbank heeft namelijk ten onrechte Meubelfabriek [BV] BV en [BV] Holding BV onafhankelijk van elkaar gewaardeerd. [BV] Holding BV is eigendom van de huwelijksgemeenschap en niet Meubelfabriek [BV] BV. Deze laatste is eigendom van [BV] Holding BV. De waarde van deze laatste BV dient dan ook in de verdeling te worden betrokken en bedraagt nihil. Onder punt 6 van het deskundigenrapport wordt dit door de deskundige ook uitgelegd en wordt aangegeven dat de waarde van de deelneming, Meubelfabriek [BV] BV, verdisconteerd dient te worden in [BV] Holding BV. Ondanks deze verdiscontering blijft de waarde van [BV] Holding BV negatief en aldus is de waarde van de onderneming in het kader van de verdeling nihil.

6.11.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij is van mening dat de rechtbank het deskundigenrapport op juiste wijze heeft gelezen en dat de beide rechtspersonen wel degelijk onafhankelijk van elkaar dienen te worden gewaardeerd. Dat is ook de opdracht van de deskundige geweest, met welke opdracht de man uitdrukkelijk heeft ingestemd. Een eventuele negatieve waarde doet immers in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap niet ter zake en kan niet aan de vrouw worden tegengeworpen. De twee BV’s van de man zijn uitdrukkelijk afzonderlijke rechtspersonen, die ieder hun eigen waarde vertegenwoordigen.

6.11.3.

Het hof stelt voorop dat partijen in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Op grond van artikel 1:94 lid 1, 2 en 5 BW omvat de huwelijksgemeenschap alle goederen en schulden van de echtgenoten. Met de man is het hof voorts van oordeel dat de aandelen in Meubelfabriek [BV] BV niet afzonderlijk in de verdeling van de huwelijksgemeenschap dienen te worden betrokken. Anders dan de aandelen van de man in [BV] Holding BV, die op grond van voor-meld artikel 1:94 BW in de huwelijksgemeenschap vallen en dientengevolge tussen partijen moeten worden verdeeld (hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is), behoren de aandelen in Meubelfabriek [BV] BV toe aan [BV] Holding BV. Van verdeling van die aandelen kan dan daarom geen sprake zijn. Zij maken immers geen deel uit van de huwelijksgemeenschap van partijen. Derhalve slaagt grief 5 van de man in principaal appel.

6.12.

Proceskosten (grief 6 principaal appel, grief 3 incidenteel appel)

6.12.1.

Grief 6 in principaal appel van de man, alsmede grief 3 in incidenteel appel van de vrouw keren zich allebei tegen de beslissing van de rechtbank de proceskosten tussen partijen te compenseren in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.12.2.

Ter toelichting op zijn grief voert de man aan dat in het onderhavige geval een bijzondere omstandigheid zich voordoet die maakt dat de vrouw in de proceskosten dient te worden veroordeeld. De man heeft in de procedure de vrouw er meermaals op gewezen dat zijn onderneming geen waarde vertegenwoordigde. Desondanks heeft de vrouw in dezen aangedrongen op een waardebepaling door een deskundige. De man is daarom van oordeel dat de kosten van dit rapport voor rekening van de vrouw dienen te komen. De vrouw dient dan ook veroordeeld te worden in de kosten van de onderhavige procedure, met dien verstande dat zij de volledige kosten van de deskundige dient te voldoen, te weten een bedrag van € 8.000,-.

Ter toelichting op haar derde grief in incidenteel appel heeft de vrouw het volgende aangevoerd. Nu de man de procedure overduidelijk heeft getraineerd is de vrouw van mening dat er in deze reden is om af te wijken van de gebruikelijke compensatie van de proceskosten. Reeds bij dagvaarding in januari 2012 heeft de vrouw kenbaar gemaakt dat de man al jaren aangaf de woning te willen overnemen, maar geen concrete stappen daartoe ondernam. Thans, ruim drie jaar na dagvaarding en ruim zes jaar na het verbreken van de samenleving, is die situatie helaas nog niet gewijzigd. De man geeft nog immer aan de woning te willen overnemen, maar feitelijke uitvoering blijft uit. Naast dit alles heeft de man de procedure eveneens vertraagd en bemoeilijkt door het stellen van een tegenvordering van circa € 200.000,-, welke volstrekt irreëel was. De man heeft daartoe niet geschuwd om verklaringen te overleggen van [Accountants] Accountants, welke blijkens het later plaatsgevonden deskundigenonderzoek geenszins op waarheid berusten. De vrouw acht de houding van de man in deze procedure en ook na het wijzen van het vonnis dermate in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat er reden is om af te wijken van de gebruikelijke compensatie van kosten.

6.12.3.

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd.

6.12.4.

Het hof overweegt als volgt.

Partijen zijn voormalige echtgenoten. Het hof zal met toepassing van artikel 237 jo. artikel 353 Rv de kosten van dit hoger beroep en het geding in eerste aanleg compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, nu het hof in hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd geen aanleiding ziet hiervan af te wijken.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 12 november 2014, doch uitsluitend en alleen voor zover de man daarbij is veroordeeld:

  • -

    om binnen twee dagen na betekening van het bestreden vonnis medewerking te verlenen aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 1] en ter zake opdracht te verstrekken aan makelaar [makelaar] te [plaats 2] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag dat de man daaraan niet voldoet met een maximum van € 100.000,--;

  • -

    om binnen twee dagen na betekening van het bestreden vonnis medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning aan een derde indien de woning kan worden verkocht voor een bedrag gelijk aan of hoger als de door makelaar [makelaar] te bepalen waarde met een marge van € 10.000,-- voor iedere dag dat de man daaraan niet voldoet, met een maximum van € 100.000,--;

  • -

    tot betaling aan de vrouw van een bedrag van:

  • -

    € 6.924,90 ter zake van de [bank] ToekomstSparen-spaarrekening;

  • -

    € 5.183,- ter zake van de aandelen in Meubelfabriek [BV] BV,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om binnen twee dagen na betekening van dit arrest medewerking te verlenen aan de verkoop van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [plaats 1] inclusief de inbouwapparatuur van de keuken en ter zake opdracht te verstrekken aan makelaar [makelaar] te [plaats 2] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag dat de man daaraan niet voldoet met een maximum van € 100.000,--;

veroordeelt de man om binnen twee dagen na betekening van het bestreden vonnis medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning inclusief de inbouwapparatuur van de keuken aan een derde indien de woning kan worden verkocht voor een bedrag gelijk aan of hoger als de door makelaar [makelaar] te bepalen waarde met een marge van € 10.000,-- voor iedere dag dat de man daaraan niet voldoet, met een maximum van € 100.000,--;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de kosten van dit hoger beroep tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en H.J. Witkamp en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 september 2017.

griffier rolraadsheer