Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4106

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
20-001591-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

17 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van moord. Voeging over en weer van ter terechtzitting afgelegde verklaringen toegestaan. Geen nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en geen terugwijzing naar rechtbank. Undercoveractie rechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001591-16

Uitspraak : 20 september 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 23 mei 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-880214-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

thans gedetineerd in PI Zuid-Oost, locatie Ter Peel te Evertsoord.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van het medeplegen van de moord op [slachtoffer] (feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 19 jaren, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (nabestaande) is grotendeels toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk brand stichten in/aan de personenauto met daarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (feit 2 primair) althans het vernielen van die auto met daarin het stoffelijk overschot door deze in brand te steken (feit 2 subsidiair).

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep onbeperkt ingesteld en daardoor ook gericht tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde feit. Aangezien een verdachte geen hoger beroep kan instellen tegen een vrijspraak, moet zij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, al dan niet met verbetering van gronden.

De verdediging heeft betoogd dat het hof wegens schending van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) primair het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en dientengevolge het vonnis van de rechtbank nietig behoort te verklaren, met terugwijzing van de zaak naar de rechtbank, en subsidiair dient over te gaan tot bewijsuitsluiting dan wel meer subsidiair strafvermindering. Voorts heeft de verdediging vrijspraak bepleit van moord en zich voor wat betreft een bewezenverklaring van doodslag en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank door het over en weer voegen van de door de verdachten ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaringen in elkaars zaak de verdedigingsrechten op een dusdanig ernstige wijze heeft geschonden dat sprake is van schending van artikel 6 EVRM. Naar het oordeel van de verdediging dient dit te leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en dientengevolge nietigheid van de gewezen uitspraak, met terugwijzing van de zaak naar de rechtbank. Voor hetgeen hiertoe in het bijzonder is aangevoerd verwijst het hof naar de inhoud van de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota.

Het hof overweegt als volgt.

De rechtbank heeft de zaak tegen verdachte gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de zaken tegen haar medeverdachten. Op 11 april 2016 (de 1e dag van de inhoudelijke behandeling) is eenieder als verdachte gehoord. Op 13 april 2016 (de 2e dag van de inhoudelijke behandeling) heeft de rechtbank beslist om de verklaringen die de verdachten toen hebben afgelegd over en weer in elkaars zaak te voegen (pagina 8 van het proces-verbaal van de zitting). Dit gebeurde overigens direct nadat de rechtbank het verzoek van verdachtes raadsman had toegewezen om de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 1] op 11 april 2016 als verdachte had afgelegd te laten voegen in de zaak van verdachte.

Op grond van artikel 341, eerste en derde lid, Sv kan de ter terechtzitting afgelegde verklaring van een verdachte alleen te zijnen aanzien gelden en mogen verklaringen van medeverdachten als zodanig niet tegen elkaar worden gebruikt. Onder ‘medeverdachte’ dient in dat kader echter slechts te worden verstaan degene die samen met de verdachte op dezelfde aanklacht in dezelfde instantie tegelijk in gevoegde zaken terecht staat.

Nu van een dergelijke voeging van zaken geen sprake is geweest, stond het de rechtbank vrij om de verklaringen van de verdachten over en weer in elkaars zaak te voegen. Het hof is – met de rechtbank en de advocaat-generaal – van oordeel dat niet valt in te zien dat verdachte door deze handelwijze in enig opzicht in haar verdedigingsbelang is geschaad.

Ook indien van de rechtbank gelet op het bepaalde in de artikelen 326 en 327 Sv had mogen worden verwacht dat de betreffende verklaringen voorafgaand aan het pleidooi (woordelijk) zouden zijn uitgewerkt in een proces-verbaal, heeft de verdachte naar ’s hofs oordeel geen rechtens te respecteren belang bij dit verweer, aangezien de verdediging ter terechtzitting van 11 april 2016 aanwezig is geweest bij de betreffende verhoren en derhalve in staat moet worden geacht om de inhoud van die verklaringen in het pleidooi te hebben kunnen verwerken en daarvoor voldoende gelegenheid te hebben gehad.

Bovendien zal het hof – zoals hierna zal blijken – de door de verdachten ter terechtzitting van de rechtbank afgelegde verklaringen niet voor het bewijs bezigen, zodat de verdachte ook om die reden geen rechtens te respecteren belang heeft bij het gevoerde verweer. Door de raadsman is betoogd dat de verdachte beperkt is in haar mogelijkheid om in vrijheid een verklaring te kunnen afleggen als gevolg van de voeging van de eigen verklaring. Naar het oordeel van het hof kan van een dergelijke beperking geen sprake zijn, nu de voeging pas heeft plaatsgevonden nadat de verklaring als verdachte is afgelegd.

Het hof verwerpt het verweer.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:


zij op of omstreeks 22 juni 2014 te Ewijk, gemeente Beuningen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen (vanaf korte afstand) een kogel afgevuurd op [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] door die kogel in het lichaam werd getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 22 juni 2014 te Ewijk, gemeente Beuningen, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en haar mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen een kogel afgevuurd op [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] door die kogel in het lichaam werd getroffen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierna opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

1. Getuige [getuige 1] heeft op 22 juni 2014 omstreeks 11.46 uur – zakelijk weergegeven – verklaard (p. 638-639):

Ik was vannacht als bevelvoerder van de brandweer betrokken bij het blussen van een brandende auto waarin later een stoffelijk overschot werd aangetroffen.

Ik zag op de Pettelaar de brandende auto staan. Het was een Renault Kangoo bestelwagen met aan de achterzijde twee deuren. Pal achter die deuren zag ik een slachtoffer op zijn buik liggen.

2. Arts en patholoog Maes heeft in het rapport van 19 augustus 2014 – zakelijk weergegeven – bevonden (FO p. 223-229):

Overledene:

Datum ontvangst 23 juni 2014

Naam [slachtoffer]

Geboortedatum [geboortedatum]

De overledene is dood aangetroffen op 22 juni 2014 omstreeks 03.40 uur. Zijn identiteit was ten tijde van de sectie onbekend.

De oorzaak van de dood werd nagegaan.

Resultaten:

De dag voor de sectie (het hof begrijpt: op 22 juni 2014) is aan het lichaam onderzoek verricht in het ziekenhuis. Bij de beoordeling door de radioloog werden uitgebreide weke delendefecten waargenomen. Links zijwaarts in het schedeldakbot werd een breuk en een metalen object gezien.

Voorafgaande aan de sectie is het lichaam in het NFI met röntgenstralen doorlicht. Daarbij werden twee voor projectiel(deel) verdachte schaduwen waargenomen: één rechts in de romp, een ander links in het schedeldak.

Het lichaam toonde tekenen van thermische schade: circa 90% van het lichaamsoppervlak.

Links aan het hoofd en gezicht was een groot bloedstolsel met thermische schade. Na verwijdering hiervan werden 6 letsels waargenomen:

- letsel A: scherprandige huidperforatie van circa 1 x 0,6 cm;

- letsel B: twee naast elkaar gelegen deels scherprandige, deels rafelige huidklievingen van circa 1,2 x 0,6 cm en 0,7 x 0,4 cm;

- letsel C: scherprandige huidperforatie van circa 1,1 x 0,4 cm;

- letsel D: oppervlakkige huidbeschadiging van circa 0,9 x 0,4 cm;

- letsel E: door de linkeroorschelp een scherprandige perforatie van circa 1 x 0,5 cm en achter het oor was een huidperforatie van circa 0,7 x 0,4 cm. Voor het linkeroor was ook een oppervlakkige klieving van circa 0,7 x 0,3 cm;

- letsel F: aan het hoofd achterwaarts, op de grens met de nek, een onregelmatige huidverscheuring van circa 7,5 x 3 cm met bloeding er omheen.

Links zijwaarts aan de borstkas was een ronde huidperforatie met het aspect van een schotletsel van circa 0,6 x 0,6 cm gelegen.

Er werd in de weke delen van de romp rechts ter hoogte van de lever een projectiel aangetroffen.

Aan het gestrekte lichaam werd een schotkanaal herleid van links naar rechts vrijwel horizontaal door de romp. In het schotkanaal werden geperforeerd: de borstvliezen links, de onderkwab van de linkerlong, het hartzakje, het hart in de rechterhartkamer met complete verscheuring van de wand, het middenrif en de lever.

In relatie met de letsels A en B was ook het schedeldak gekliefd.

Bij röntgendoorlichting van de uitgenomen stukjes schedeldak bleek er in relatie met letsel B in het schedeldak een wigvormig metaaldeeltje aanwezig te zijn.

Interpretatie van resultaten:

Er kan worden geconcludeerd dat deze man bij het ontstaan van de brand niet meer in leven was.

Het overlijden wordt als gevolg van het oplopen van de schotverwonding zondermeer verklaard, op basis van bloedverlies en functieverlies van het hart.

Het oplopen van de hoofd- en schedelletsels heeft geen bijdrage geleverd aan het intreden van de dood.

Conclusie:

[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , is overleden als gevolg van verwikkelingen van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld (schotverwonding) door de romp.

3. Dr. Van de Wal van het NFI heeft op 26 juni 2014 – zakelijk weergegeven – gerapporteerd (FO p. 264-266):

DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot in een uitgebrande auto in Sint-Michielsgestel op 22 juni 2014

Van het referentiemonster bloed van het stoffelijk overschot is een DNA-profiel verkregen. Er is een match gevonden met het DNA-profiel van [slachtoffer] .

Bijlage

Referentiemonster wangslijmvlies

[slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] )

DNA veroordeelde

4. Getuige [getuige 2] heeft op 22 juni 2014 omstreeks 19.20 uur – zakelijk weergegeven – verklaard (p. 815-818):

Ik probeerde mijn vader verschillende keren te bellen maar ik kreeg geen contact. [getuige 3] (het hof begrijpt: [getuige 3] ) vertelde dat mijn vader bij hem was geweest en tussen 00.00 uur en 01.00 uur (het hof begrijpt: op 22 juni 2014) weg was gegaan.

[slachtoffer] is mijn vader. Ik noem hem altijd ouwe. Zo noemt iedereen hem.

Hij moest gisteren in Den Bosch zijn. Hij had gisteren een afspraak met [verdachte] . [medeverdachte 1] had een schuld bij mijn vader.

5. De verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben – zakelijk weergegeven – bevonden (p. 852):

Op 23 juni 2014 zijn wij op zoek gegaan naar [medeverdachte 1] . Wij zijn afgereisd naar vakantiepark [naam vakantiepark] in Ewijk. Dit adres is ons bekend geworden omdat verbalisant [verbalisant 3] is gebeld door [getuige 2] en vertelde dat [verdachte] en [medeverdachte 1] woonachtig zouden zijn op een vakantiepark in Ewijk. De vrouw achter de receptie kon ons vertellen dat de familie [naam 1] woonachtig zou zijn op nummer [huisnummer] op het park.

6. Getuige [getuige 3] heeft op 25 juni 2014 – zakelijk weergegeven – verklaard (p. 840-844):

[slachtoffer] reed in een bestelbus van het merk Renault type Kangoo.

Op zaterdag 21 juni 2014 werd ik rond 11.00 uur gebeld door [slachtoffer] Hij vertelde mij toen dat hij die dag om 17.00 uur [verdachte] op moest halen in ’s-Hertogenbosch bij haar advocaat. Zij had een gesprek met die advocaat omdat zij in scheiding ligt met haar man [medeverdachte 1] .

Omstreeks 17.30 uur kwam hij bij mijn ouders. Hij vertelde dat de afspraak die hij had met [verdachte] (het hof begrijpt: m.b.t. het ophalen van [verdachte] bij de advocaat) niet door zou gaan. [slachtoffer] en [verdachte] hebben die dag hierover steeds met elkaar gecommuniceerd per sms.

Vervolgens zijn wij omstreeks 19.30 uur naar Tiel gegaan. Omstreeks 22.00 uur zijn wij weer naar de woning van mijn ouders gegaan tot ongeveer 00.00 uur. Vervolgens is [slachtoffer] opgestaan en weggegaan.

[slachtoffer] en [medeverdachte 1] hadden een wisselende vriendschap.

[verdachte] verblijft momenteel bij [gewezen medeverdachte] en [zijn echtgenote] in Druten.

[medeverdachte 1] zei afgelopen zondag dat er een afspraak is geweest bij Karwei.

7. Uit de inhoud van het proces-verbaal uitwerking OVC Maurik (zolder) d.d. 4 november 2014 blijkt dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 7 augustus 2014 zakelijk weergegeven – hebben verklaard (p. 1242):

[verdachte] : Ik kan er niets aan doen [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 1] : Je moet komen als getuige, niet als verdachte. Wij zaten dichter op het vuur.

[verdachte] : Bij de inval, en anders is er iemand in Ewijk geweest. We hebben donders veel geluk gehad want er lag een kogel of een huls.

[medeverdachte 1] : Ja dat weet ik.

[verdachte] : Achter de deur.

[medeverdachte 1] : Dat was een kogel, maar die is al weg.

[medeverdachte 2] : Schieten kon je dus ook niet.

[verdachte] : Ssst.

[medeverdachte 1] : De andere zat er gelijk.

[medeverdachte 2] : Waar heb je hem eigenlijk geraakt?

[medeverdachte 2] : Hij was niet gelijk dood.

[medeverdachte 1] : Ik denk in zijn long ofzo.

[medeverdachte 2] : Nee want hij pruttelde nog zo raar.

8. De inmiddels gewezen medeverdachte [gewezen medeverdachte] heeft op 24 september 2014 – zakelijk weergegeven – verklaard (p. 1529-1540):

Ik heb gisteren niet de waarheid gezegd omdat ik bang ben voor [medeverdachte 1] en [verdachte] en de familie van [slachtoffer] .

Zover ik van [medeverdachte 1] en [verdachte] weet, zit [medeverdachte 3] bij de maffia. Er is door [medeverdachte 1] en [verdachte] gevraagd of wij bij [medeverdachte 3] in wilde stappen bij de maffia of wij daarvoor wilden tekenen. Dat betekende dat je dan bij de familie zou komen. De familie waar [medeverdachte 3] voor zou werken.

Verbalisanten: Wanneer heb je precies gehoord dat [medeverdachte 1] en [verdachte] over [slachtoffer] spraken?

Volgens mij was dat in die week ervoor, op dinsdagmiddag. Dat weet ik omdat [medeverdachte 1] en [verdachte] die week samen richting Den Bosch, richting [medeverdachte 3] , zijn geweest. Ik weet dat ze bij [medeverdachte 3] zijn geweest omdat [medeverdachte 1] en [verdachte] zeiden dat ze naar [medeverdachte 3] zouden gaan.

[medeverdachte 1] en [verdachte] zeiden ‘wij hebben een hennepkwekerij in huis’. Volgens [medeverdachte 1] en [verdachte] was die hennepkwekerij (het hof begrijpt: in de woning in Tiel) van [slachtoffer] en [medeverdachte 1] en [verdachte] kregen daar geld voor.

[medeverdachte 1] heeft tegen [verdachte] en mij gezegd dat [medeverdachte 2] ene [medeverdachte 3] kende die bij de maffia zat en ze daar meer konden verdienen dan bij [slachtoffer] . Illegale handel. Zoals ik heb begrepen is dat contact door [medeverdachte 2] ontstaan doordat [medeverdachte 2] zijn auto verkocht zou hebben aan [medeverdachte 3] . Ik denk dat dit in mei van dit jaar is geweest. [medeverdachte 1] zei ik heb [medeverdachte 3] leren kennen en hij zit bij de maffia.

Verbalisanten: Even terug naar die dinsdag dat jij gehoord hebt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] iets met [slachtoffer] wilden doen. Wat is er precies gezegd?

Het weekend vóór die dinsdag zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] nog in Den Bosch geweest bij het winkeltje van de vriendin van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] en [verdachte] zeiden dat zij daar naartoe gingen omdat zij bij de maffia familie wilden komen. Ik weet dat ze gezegd hebben dat ze met bloed hun naam op een formulier moesten schrijven. Dit zeiden [medeverdachte 1] en [verdachte] toen ze terugkwamen. Ze zeiden dat het drie minuten duurde en naar Italië gestuurd zou worden. Het was ook gefilmd. Zij werden goedgekeurd. Wij hebben gelijk tegen [medeverdachte 1] en [verdachte] gezegd dat wij het niet wilden, dat wij niet bij die maffiafamilie wilden horen. Daarna had [medeverdachte 1] het erover dat hij een hoop geld van hen zou krijgen, zoals honderd- of tweehonderdduizend euro. Ik heb tegen mijn vrouw gezegd: Waar zijn we in terecht gekomen. Ik heb [medeverdachte 1] en [verdachte] niet weggestuurd. Het waren goede vrienden.

Verbalisanten: Er gaan een paar dagen overheen tussen het weekend en die dinsdag. Wat gebeurde er in die dagen?

Er was telefonisch contact tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Die gesprekken gingen over geld. [medeverdachte 3] zei dat er geld onderweg zou zijn en dat [medeverdachte 1] het geld op zou kunnen komen halen. Ik heb dit alles gehoord van [medeverdachte 1] . Ik heb nooit geld gezien en [medeverdachte 1] is nooit weggeweest want [medeverdachte 3] belde altijd af.

[medeverdachte 1] en [verdachte] gingen ’s ochtends weg en zij kwamen ’s middags terug en toen had [verdachte] een kogel in haar broekzak. Dit was vóór die dinsdag. [verdachte] zei dat zij die kogel van [medeverdachte 3] had gehad. [verdachte] zei dat [medeverdachte 3] aan vuurwapens kon komen. Ik heb er niets van gezegd want ik was toen al bang genoeg. Die dag zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] naar Ewijk gegaan. Voor mij was Ewijk hun thuis.

Op die dinsdagmiddag is door [medeverdachte 1] gezegd dat ze die ouwe naar Ewijk zouden lokken. [verdachte] zei: hij vertrouwt mij toch. [verdachte] moest hem dus lokken omdat die ouwe haar vertrouwde. [medeverdachte 1] en [verdachte] bespraken dit met elkaar terwijl ik daar bij zat. Op dinsdag 17 juni heeft het gesprek plaatsgevonden dat ze [slachtoffer] iets aan wilden doen. [medeverdachte 1] en [verdachte] sliepen bij ons vanaf woensdag. De dag na het gesprek van dinsdag zijn zij bij ons gebleven.

Op vrijdag 20 juni hoorde ik [verdachte] telefonisch een gesprek hebben over 250 euro voor een advocaat. [verdachte] was in de woonkamer. Ik hoorde dat [verdachte] naar [slachtoffer] belde en zei dat ze 250 euro nodig had voor een advocaat omdat ze van [medeverdachte 1] wilde scheiden. Ik weet dat ze [slachtoffer] aan de lijn had omdat ze zei: He ouwe. Toen heeft zij volgens mij ook nog gehuild aan de telefoon en zei ze tegen [slachtoffer] dat ze met hem verder wilde. Na dit gesprek zei zij tegen mij dat die ouwe het geld zou regelen en dat zaterdag zou komen brengen.

Op vrijdagavond was [medeverdachte 1] bij ons. Die ouwe heeft bij ons door de straat gereden. Dit weet ik omdat hij daarna naar [verdachte] belde. [medeverdachte 1] , [verdachte] en ik zaten in de woonkamer. Ik hoorde dat [verdachte] boos was en zag dat ze huilde. Ze schreeuwde en ik hoorde haar zeggen: [medeverdachte 1] is hier alleen voor de kinderen. [medeverdachte 1] reageerde hier heel rustig op. [medeverdachte 1] vroeg tijdens het gesprek tussen [slachtoffer] en [verdachte] of ik de auto van [medeverdachte 1] weg wilde zetten. Die auto moest uit het zicht zijn. Ik heb de auto vlakbij de school geparkeerd. Ik dacht dat [medeverdachte 1] en [verdachte] bang waren dat het fout zou lopen en [verdachte] niet geloofwaardig zou zijn als [medeverdachte 1] bij [verdachte] zou zijn. [verdachte] vertelde tegen [slachtoffer] dat ze echt voor hem wilde gaan, dat [medeverdachte 1] er alleen was voor de kinderen. Maar dat was niet zo want [medeverdachte 1] bleef gewoon slapen.

Verbalisanten: Zaterdag 21 juni.

[verdachte] vroeg mij in de woonkamer of ik haar naar Den Bosch wilde brengen. Dit was in de ochtend. [verdachte] zei tegen mij: [slachtoffer] komt vanmiddag 250 euro brengen. Zij vroeg of ik mee wilde rijden naar Den Bosch naar [medeverdachte 3] . Ook zei ze tegen mij dat ik niet tegen [slachtoffer] mocht zeggen dat ze naar [medeverdachte 3] ging maar dat ze naar een advocaat ging. Ik zei dat is goed. Ik was toen al bang voor [medeverdachte 1] en [verdachte] .

Ik zag dat [slachtoffer] aan kwam rijden. Ik zei tegen [slachtoffer] dat ik [verdachte] even ging halen. Ik zei tegen [verdachte] dat [slachtoffer] er was. [verdachte] en ik liepen naar buiten. [verdachte] liep naar [slachtoffer] . Ik stond ongeveer 5 meter van [slachtoffer] en [verdachte] vandaan. Ik hoorde dat [verdachte] huilde en zei dat ze met hem verder wilde. [slachtoffer] zei ‘doe maar rustig meisje het komt goed’ en ik zag dat ze elkaar knuffelden. Ik hoorde [verdachte] tegen [slachtoffer] zeggen dat ze nog kleren nodig had uit Ewijk. [slachtoffer] zei: dat gaan we vanavond ophalen.

Ik hoorde [verdachte] tegen [slachtoffer] zeggen: [gewezen medeverdachte] brengt mij naar Den Bosch. Hij zet mij daar af. Kom jij mij daarna ophalen? [slachtoffer] zei: Dat is goed meisje. Bel mij maar als je klaar bent.

Verbalisanten: Intussen had jij gehoord dat ze hem iets aan gingen doen.

Ik vond het zwaar moeilijk om mijn mond te houden en niets te zeggen. Toch heb ik dat niet gedaan omdat ik bang was. Ik ben met [verdachte] naar Den Bosch gereden. Toen nam ik afslag Sint-Michielsgestel. Onderweg had [verdachte] [medeverdachte 3] gebeld en hij vertelde hoe wij moesten rijden. [verdachte] zei op de heenweg tegen mij: Ik kan goed toneelspelen he. [medeverdachte 3] stond op een parkeerplaats bij flats. Hij stelde zich voor als [medeverdachte 3] . [verdachte] gaf [medeverdachte 3] het geld. [medeverdachte 3] stak het in zijn broekzak. Vanuit de auto belde [verdachte] nog naar [slachtoffer] dat hij niet naar Den Bosch hoefde te komen omdat de advocaat niet was komen opdagen. Ik weet dat zij [slachtoffer] aan de lijn had omdat zij zei: He ouwe.

Na het eten zijn volgens mij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] bij mij geweest. Dit zijn de broers van [medeverdachte 1] . Zij kwamen voor [medeverdachte 1] en [verdachte] . Die zijn gebleven tot ’s avonds. Volgens mij tot half elf. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] gingen weg. [medeverdachte 1] ging op hetzelfde tijdstip weg. Ergens op de dag zei [verdachte] dat ze om elf uur opgehaald zou worden door [slachtoffer] . Volgens mij was dat vlak voordat de broers weggingen. Ik ben blijven zitten tot [verdachte] wegging. Ik hoorde de auto van [slachtoffer] aankomen. [verdachte] zei: Dat is die ouwe. Toen is zij weggegaan.

[medeverdachte 1] stuurde een berichtje of hij belde of [verdachte] al weg was. Ik reageerde hierop dat [verdachte] al weg was. Ik heb daarna nog geprobeerd om [medeverdachte 1] en [verdachte] te bellen en ik kreeg op allebei de telefoons te horen dat het nummer niet bereikbaar was of het nummer was uitgeschakeld. Rond half vijf, vijf uur, werd ik wakker. [medeverdachte 1] en [verdachte] kwamen samen binnen. Ze hadden andere kleren aan dan toen zij weggingen.

Verbalisanten: Hoe laat ben jij zondag 22 juni opgestaan?

Ik denk rond half acht, acht uur. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren volgens mij pas in de middag beneden.

Verbalisanten: Wat is er toen precies gezegd?

Dat het gelukt was en dat ze van [slachtoffer] af waren. Op een gegeven moment zei [medeverdachte 1] : Het is gelukt nu zijn we eindelijk van die ouwe af. [verdachte] zei: Nu hebben we eindelijk rust.

Daarna kwam het bericht over die uitgebrande auto. Op een gegeven moment zei [medeverdachte 1] tegen mij dat het in Ewijk was geweest. [medeverdachte 1] zei tegen mij dat die ouwe was gevonden, dat de auto was uitgebrand in Sint-Michielsgestel. [medeverdachte 1] zei tegen mij: We hebben die ouwe neergeschoten in Ewijk en daarna heeft hij ook gezegd dat zij [slachtoffer] vervoerd hebben in zijn eigen auto. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben hem vervoerd naar Sint-Michielsgestel. [medeverdachte 1] zei: [medeverdachte 3] is degene geweest die de sporen zou wissen en de auto in brand zou steken om sporen uit te wissen. [medeverdachte 1] heeft gezegd dat ik het stil moest houden. Dit kwam dreigend over.

Die zaterdagavond ben ik tussen het eten en de komst van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] naar vakantiepark [naam vakantiepark] geweest.

Ze hebben gezegd dat ze gingen scheiden richting [slachtoffer] als toneelspel omdat zij al die tijd gewoon bij elkaar zijn geweest. Van scheiden was helemaal geen sprake.

Verbalisanten: Wat kun jij vertellen hoe [slachtoffer] is gedood?

[medeverdachte 1] zei tegen mij dat er twee keer was geschoten waarvan 1 keer mis was geschoten. Dit vertelde hij mij in Ewijk.

De week erna ging ik met [medeverdachte 1] naar het huisje in Ewijk om spullen op te halen omdat [medeverdachte 1] dat vroeg. Ik vroeg aan [medeverdachte 1] waarom is die deur eruit? Ik zag dat de deur van het washok eruit was. [medeverdachte 1] zei: Daar heeft hij gelegen. [medeverdachte 1] zei tegen mij dat er twee keer was geschoten. Een keer mis en een keer raak.

De avond van zaterdag 21 juni heb ik daar kleren gehaald en de honden.

Toen ik er de week erna was vond ik het overdreven naar chloor ruiken. Dit viel mij op omdat dit normaal gesproken niet zo is. Volgens mij hebben [medeverdachte 1] en ik alleen restanten kleding meegenomen.

Daarna zijn we de meubels eruit gaan halen. Toen zag ik boven de woonkamerdeur een ronde plek met een gaatje erin. Ik heb dit gezien nadat de technische recherche in het huisje is geweest.

Verbalisanten: Gisteren hadden we het over je tuin. Wat zouden we daar kunnen aantreffen?

De telefoons van [medeverdachte 1] en [verdachte] . Die hadden ze bij mij in de kast gedaan in een Albert Heijn tas een of twee dagen na de dood van [slachtoffer] . [medeverdachte 1] zei dat de telefoons weg moesten. [medeverdachte 1] en [verdachte] zeiden: Sla ze maar kapot of je moet ze begraven in de tuin. Dat heb ik toen gedaan. Ik heb die Albert Heijn tas met 4 gsm’s, 2 van [medeverdachte 1] en 2 van [verdachte] , met losse batterijen in de tuin begraven met [medeverdachte 1] en [verdachte] erbij (het hof begrijpt: in aanwezigheid van [medeverdachte 1] en [verdachte] ). Ik heb ze een week of drie na het gebeurde begraven.

Verbalisanten: Welke dingen heb jij nog meer gedaan?

Volgens mij heb ik een vloerkleed dat bij de voordeur lag mee moeten nemen omdat die weg moest. [medeverdachte 1] zei omdat er sporen weg gemaakt moesten worden. [medeverdachte 1] heeft dit in een koffer gestopt. Toen wij in de auto zaten, riep [medeverdachte 1] op een gegeven moment: Stop. Ik ben gestopt en [medeverdachte 1] heeft de koffer toen in het water gegooid. Volgens mij gooide hij toen ook een stuk trapleuning in het water. Dit was ergens tussen [naam vakantiepark] en Druten. Het was een paar dagen na de dood van [slachtoffer] .

9. Uit de inhoud van het proces-verbaal uitwerking OVC Maurik (begane grond) d.d. 24 november 2014 blijkt dat de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] op 25 september 2014 in aanwezigheid van twee undercoveragenten – zakelijk weergegeven – hebben verklaard (p. 1261-1289):

[verdachte] : [medeverdachte 3] heeft ons beloofd dat hij ons uit de financiële problemen zou helpen. Hij zou binnen 14 dagen onze schulden betalen zodat wij met een schone lei opnieuw konden beginnen.

[medeverdachte 1] : Wij hebben € 250.000,- schuld.

[verdachte] : Wij hebben door [medeverdachte 3] een moord op ons geweten.

[verdachte] : Wij hadden de opdracht van [medeverdachte 3] om dat te doen.

[medeverdachte 1] : [medeverdachte 3] heeft gezegd dat vanaf het moment dat het gebeurd is, wij geen contact mochten zoeken. [medeverdachte 3] heeft gezegd: wij zoeken jou.

[verdachte] : [medeverdachte 3] heeft dat wapen geleverd. Ik heb die [slachtoffer] naar Ewijk moeten lokken.

[medeverdachte 1] en [verdachte] : Daar is het gedaan.

[medeverdachte 1] : In het huisje is hij overleden.

Verbalisant 1: Wie heeft de trekker overgehaald?

[medeverdachte 1] : Ik.

[verdachte] : Hij.

Verbalisant 1: Kleding, hoe is het daarmee gegaan?

[medeverdachte 1] : Allemaal weg.

Verbalisant 1: Hoe heb je het schoongemaakt?

[medeverdachte 1] : Met chloor.

Verbalisant 1: Wat voor een wapen is gebruikt?

[medeverdachte 1] : een pistool. De hulzen zijn weg.

Verbalisant 1: Waar heb je ze gedumpt?

[medeverdachte 1] : Onderweg, is onder water.

Verbalisant 1: Het wapen zelf?

[medeverdachte 1] : [medeverdachte 3] .

Verbalisant 1: [medeverdachte 3] heeft het wapen nog?

[verdachte] : Ja.

[medeverdachte 1] : Die heeft het wapen. Ik heb het terug gegeven.

[verdachte] : Ja, want wij hebben het gedaan.

Verbalisant 1: Waar kennen jullie [medeverdachte 3] van?

[verdachte] : via onze ex-schoonzus [naam 2] . [medeverdachte 2] , het jongste broertje die nu vast zit, belde naar ons op van: ‘Ik weet iemand die jullie kan helpen’. Ik heb [medeverdachte 3] toen aan de telefoon gehad. [medeverdachte 3] van: ‘Ik kan jullie helpen en ik wil dat jullie het goed krijgen’. Toen hebben wij [medeverdachte 3] gesproken in Den Bosch in een winkeltje.

[verdachte] : Daar hebben wij hem de eerste keer gezien. Toen zijn we naar een soort van restaurantje gegaan. Daar hebben we gesproken. Toen zei hij van als jullie mij vertrouwen dan moet ik ook jullie vertrouwen hebben. Toen hebben wij onze namen op een papiertje moeten schrijven. Hebben we een druppel bloed, we moesten prikken en hebben een bloedstreep moeten zetten. Is gefilmd. Heeft [medeverdachte 3] doorgestuurd naar Italië. Dat papiertje hebben we moeten verbranden. En toen moesten wij dus…

[medeverdachte 1] : Wij kwamen in contact met [medeverdachte 3] . Ik moest hem € 600,- wit geld geven en daar stond tegenover € 50.000,- zwart geld. Nooit gebeurd.

[medeverdachte 1] : Die ouwe (het hof begrijpt steeds: [slachtoffer] ) beloofde van alles maar kwam niets na.

[verdachte] : [medeverdachte 3] wilde eerst dat ik het zou doen. Dat ik zou schieten.

Verbalisant 1: Op de avond van was jij er?

[medeverdachte 1] : Ik, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] niet. In Den Bosch is [medeverdachte 3] erbij geweest. Eerst naar Oisterwijk gereden. Daar is [medeverdachte 3] ingestapt. Toen zijn we terug gegaan naar Den Bosch. En toen naar de plek.

[medeverdachte 1] : De telefoons zijn allemaal…

[verdachte] : liggen begraven.

[medeverdachte 1] : Dingen moeten opgelost worden. Maar wie gaat het huisje schoonmaken?

Verbalisant 2: Wij regelen dat.

Verbalisant 1: Wij gaan naar Ewijk.

[medeverdachte 1] : Vakantiepark [naam vakantiepark] . Wij hebben daar gewoond. Nummer [huisnummer] .

Verbalisant 2: Waar zijn de simkaarten gebleven?

[verdachte] : Bij [naam 2] , de ex-vriendin van [medeverdachte 4] . [naam 2] kende [medeverdachte 3] voor die tijd al. Zij zegt dat ze die simkaarten vernietigd heeft. Diezelfde avond.

[medeverdachte 1] : tot aan de woonkamer. In de woonkamer is hij niet geweest. Ik heb hem hier geschoten. Hij lag (…) gang.

Verbalisant 1: Waar stond jij?

[medeverdachte 1] : Als je hier binnenkomt, zo (…)

Verbalisant 1: Wat heb jij schoongemaakt al?

[medeverdachte 1] : De vloeren heb ik twee of drie keer gedweild. Met chloor, met wc-reiniger. De muren ook met chloor. Het hele hok zat onder het bloed.

Verbalisant 1: Waar heb je hem geraakt?

[medeverdachte 1] : Eén in de muur. Die kogel is eruit. Die is weg. 2 hulzen weggedaan. Verbalisant 1: Maar uit het lijf heb je dus niet…

[medeverdachte 1] : Ja, die hebben ze gevonden. Het wapen heeft [medeverdachte 3] .

Verbalisant 1: De kleren?

[medeverdachte 1] : vuilnisbak.

Verbalisant 1: Waar stonden ze toen je het deed?

[medeverdachte 1] : [medeverdachte 4] is naar buiten gegaan.

Verbalisant: Hij wist dat het ging gebeuren?

[verdachte] : Ja.

Verbalisant 1: [medeverdachte 2] weet dat het ging gebeuren maar hij heeft niets gezien.

[medeverdachte 1] : Ja.

Verbalisant 1: Wie stonden er bij jou?

[verdachte] : Ik.

[verdachte] : Ik ben eerst naar binnen toe gegaan en hij (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) is achter mij aangelopen en hij keek naar [medeverdachte 1] en toen heeft [medeverdachte 1] geschoten en ik ben naar de badkamer gerend. Ik hoorde een hele hoop herrie. Ik ben naar [medeverdachte 1] toe gerend.

[verdachte] : Hij (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) heeft ons 2,5 jaar zoveel pijn gedaan.

[medeverdachte 1] : Ik kan helemaal niks meer.

[verdachte] : … zoveel beloofd en nu zit ik nog verder in de problemen dan ik toen al zat.

[medeverdachte 1] : de 22e is’tie….

[medeverdachte 1] : Het wapen dat wij hebben gebruikt…

[verdachte] : Dat is terug gegaan naar [medeverdachte 3] .

[medeverdachte 1] : [medeverdachte 3] zou schoonmaken en wegwerken.

[medeverdachte 1] : contacten met [medeverdachte 3] zat (het hof begrijpt: in) mijn telefoon.

Verbalisant 1: Want jullie hebben elkaar meerdere keren gezien.

[medeverdachte 1] : Altijd in Den Bosch. [medeverdachte 3] had iedere keer een andere telefoon bij zich, een ander nummer.

[medeverdachte 1] : Dus jullie snappen wel hoe ver ik in de problemen zit.

[medeverdachte 1] : Dan heb ik de tijd om alles te regelen. Als ze iemand willen pakken, pakken ze toch mij.

[verdachte] : Ik heb hem waarschijnlijk zijn hersens ingeslagen. Met de trapleuning op zijn kop, het onderste gedeelte. Ik heb dat stuk trapleuning gepakt en hem op zijn hoofd geslagen.

Verbalisant 2: Wat gebeurde er toen?

[medeverdachte 1] : Niks meer want toen ademde hij niet meer.

[verdachte] : Die leuning hebben ze weggegooid.

[medeverdachte 1] : Die ligt ook in het water.

[verdachte] : Ik weet het, ik heb een puinhoop gemaakt.

Verbalisant 1: De kogel heb je eruit gepeuterd? Net boven de deur.

[verdachte] : Ja, dat heb ik gedaan.

Verbalisant 2: Waar is die gebleven?

[medeverdachte 1] : In de sloot. Ga ik je laten zien. Alles op andere locaties.

Verbalisant 2: Je hebt van tevoren contact gehad met die ouwe, hoe is dat gegaan?

[verdachte] : Ik moest van [medeverdachte 3] zeggen tegen die ouwe dat [medeverdachte 1] en ik uit elkaar zijn. Dat [medeverdachte 1] in Ewijk zou blijven en dat ik bij [gewezen medeverdachte] en [zijn echtgenote] , dat zijn vrienden van ons, in Druten zou blijven. Ik moest van [medeverdachte 3] zeggen dat ik de scheiding in gang ging zetten en dat ik verder zou gaan met die ouwe. Toen heb ik die ouwe opgebeld. Daar heb ik tegen die ouwe gezegd… met instructies van [medeverdachte 3] , geef me een week rust dan kan ik de dingen oplossen, dan kan ik de scheiding in gang gaan zetten.

[verdachte] : Toen is dat allemaal gaan rollen. Die ouwe was naar Druten gekomen. Naar die vrienden van ons. Bij [gewezen medeverdachte] en [zijn echtgenote] achter. Hij zou met mij naar Ewijk gaan om nog wat spullen op te halen voor mezelf en de meiden (het hof begrijpt: haar kinderen).

Verbalisant 2: Hij had twee telefoons bij zich?

[medeverdachte 1] : Die heeft [medeverdachte 3] meegenomen.

Verbalisant 2: En jij had ook twee telefoon bij je?

[verdachte] : Ja en die zijn bij [gewezen medeverdachte] en [zijn echtgenote] in de achtertuin.

Verbalisant 2: En vanaf die kant zijn jullie van Druten naar Ewijk gereden?

[verdachte] : Ja. Ik alleen met hem, in die Renault Kangoo. Zij waren er al. Ik deed de deur open. Ik liep door. Hij (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) liep achter mij aan en toen stapte hij naar binnen. Toen heeft [medeverdachte 1] geschoten en liep ik door naar die leuning. Die lag in de woonkamer op tafel.

Verbalisant 2: Je slaat hem?

[verdachte] : Ja, hij lag op de grond.

[verdachte] : … heb ik een plastic zak gedaan.

[verdachte] : En toen ben ik gaan slaan.

Verbalisant 2: Dus er is niet veel bloed overval.

[verdachte] : Nee.

[medeverdachte 1] : Want ik had er een plastic zak om heen gedaan. Die heb ik om zijn keel gedraaid. Toen heeft zij hem zijn harsens ingeslagen.

Verbalisant 2: Hebben jullie dezelfde nacht dat nog schoongemaakt?

[verdachte] : Ja.

[medeverdachte 1] : Ja.

Verbalisant 2: En?

[medeverdachte 1] : [medeverdachte 2] . Ik heb de vloer gedweild met chloor.

Verbalisant 2: En die andere broer?

[medeverdachte 1] : Die heeft geholpen met dat…

Verbalisant 1: met opruimen.

[medeverdachte 1] : Ja, die is wel mee geweest naar Den Bosch enzo.

[medeverdachte 1] : Naderhand is er nog contact geweest met [medeverdachte 3] .

[verdachte] : Ik vind het heel erg dat ik het zeg maar ik heb er geen spijt van. En waarom niet? Omdat hij gewoon tweeënhalf jaar lang mijn leven kapot heeft gemaakt. Lichamelijk maar ook geestelijk.

Verbalisant 2: Heeft hij aan je gezeten, die oude?

[verdachte] : Ja.

[verdachte] : Dat weet hij (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) en dat weet [medeverdachte 3] ook. En daarom heeft [medeverdachte 3] gezegd wij moeten (…).

[verdachte] : [medeverdachte 3] heeft mij op een gegeven moment opgebeld. Toen heeft hij tegen mij gezegd ‘we kunnen voorlopig even geen contact hebben’ (…) Italië toe gegaan.

Verbalisant 2: Is hij levend in de fik gegaan in die auto?

[verdachte] : [medeverdachte 3] zegt dat hij gecontroleerd heeft of hij daadwerkelijk dood was.

Verbalisant 2: Deed dat wapen het niet meer?

[medeverdachte 1] : Er zaten maar twee kogels in. Anders was het veel makkelijker geweest.

[verdachte] : Ik ben daarna mee geweest naar [naam 2] in Den Bosch.

[medeverdachte 1] : Wij hebben alles gedaan wat [medeverdachte 3] gezegd heeft.

[verdachte] : dus ja sorry, zijn er fouten gemaakt?

Verbalisant 2: Jij hebt hem afgebonkt met die leuning. Leefde hij daarna nog?

[medeverdachte 1] : Nee. Ik heb hem in Den Bosch in de auto zien liggen en daar lag hij net zo zoals wij hem erin gelegd hadden.

Verbalisant: Nog steeds met die zak over zijn hoofd? Die zak? Die is in die wagen blijven liggen?

[medeverdachte 1] : Ja. Ik heb hem zelf in de fik gestoken. Ik heb een brandversneller gebruikt. Barbecue vloeistof. Bij [naam 2] vandaan en [naam 2] heeft alles opgeruimd. Dat weet ik zeker.

Verbalisant 2 : Wat heeft zij opgeruimd?

[medeverdachte 1] : Kleding die ik op dat moment aan had. Ik zat onder het bloed. Thuis al in Ewijk, heb ik mezelf uitgekleed. Ik heb mijn broek uitgedaan want mijn hele kruis zat onder het bloed. Ben ik naar boven gesprint en heb ik een andere broek gepakt. Andere schoenen aan gedaan. Mijn broek en mijn schoenen zijn dezelfde nacht nog verdwenen. Met het huisvuil mee. In diepe containers.

Verbalisant 2: Wanneer zijn die geleegd?

[verdachte] : De dag erna.

Verbalisant 2: Hij (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) heeft jullie gewoon laten zitten.

[medeverdachte 1] : Ja, zowel met dit als financieel.

[medeverdachte 1] : [medeverdachte 2] had ’s nachts die telefoon op zak. Ik weet niet waar ze in het water gegooid zijn. Dat weet [medeverdachte 4] .

10. Verdachte [verdachte] heeft op 30 september 2014 – zakelijk weergegeven – verklaard (p. 1676-1678):

Op een gegeven moment kwamen wij gigantisch financieel in de problemen. Toen is met behulp van [slachtoffer] ons huis in Tiel vol gezet met hennepplanten. [medeverdachte 1] heeft toen via marktplaats een huisje in Ewijk te pakken gekregen. Dat is een jaar goed gegaan. Toen werd het financieel allemaal zo slecht. Toen leerden we [medeverdachte 3] kennen via [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [naam 2] . [medeverdachte 3] beloofde ons gouden bergen. Hij zou onze schulden oplossen. Daar stond alleen wel wat tegenover en dat is dat die [slachtoffer] weg moest. In eerste instantie zou [medeverdachte 3] het zelf doen. Hij heeft het wapen geleverd.

Verbalisanten: wat klopt er van het verhaal van de maffia?

Wij hebben inderdaad een ontmoeting gehad met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zei toen dat onze problemen binnen twee weken opgelost zouden zijn. Wij moesten onze namen opschrijven en met een prikje in onze vinger tekenen. Wij geloofden echt wat [medeverdachte 3] daarover zei.

Er stonden twee mannen voor de deur met een Italiaanse auto (het hof begrijpt: de undercoveragenten). Toen moesten wij vertellen wat [medeverdachte 3] allemaal uitgevreten had en dat zij [medeverdachte 3] zijn zootje moesten komen opruimen. Toen had ik zoiets van ‘zou het dan toch nog een klein beetje goed komen?’ Ik dacht dat het echt mensen van de maffia waren.

Die zaterdagavond (het hof begrijpt: van de moord) ben ik met [slachtoffer] in Ewijk gekomen. Hij heeft mij opgehaald. Toen wij daar aankwamen, ben ik naar binnen gegaan, hij achter mij aan. Toen hoorde ik een schot. Toen zag ik [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] bleek er niet te zijn, alleen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] heeft geschoten.

11. Verbalisant [verbalisant 4] heeft in het proces-verbaal bevindingen telefoon [verdachte] d.d. 13 oktober 2014 – zakelijk weergegeven – bevonden (p. 980-985):

Op 23 september 2014 werd in de tuin van de woning gelegen aan de [adres 1] te Druten een plastic zak met daarin vier mobiele telefoon en vijf batterijen aangetroffen. Verdachte [gewezen medeverdachte] , bewoner van voornoemde woning, verklaarde dat de aangetroffen telefoons van [medeverdachte 1] en [verdachte] waren geweest.

Met [medeverdachte 3] wordt bedoeld [medeverdachte 3] , gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .

Bevindingen telefoongegevens

Afspraak tussen [slachtoffer] en [verdachte]

Meerdere verdachten en getuigen verklaren dat de scheiding tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] verzonnen was en dat [verdachte] [slachtoffer] naar Ewijk heeft gelokt. Verklaard wordt tevens dat [verdachte] 250 euro aan [slachtoffer] heeft gevraagd om een advocaat te betalen. [gewezen medeverdachte] verklaarde dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] op 21 juni 2014 naar de [adres 1] te Druten is gekomen. Vervolgens verklaarde [gewezen medeverdachte] dat hij [verdachte] naar ’s-Hertogenbosch heeft gebracht waar zij [medeverdachte 3] troffen. Uit de opgeslagen berichten is gebleken dat [verdachte] inderdaad 250 euro aan [slachtoffer] heeft gevraagd ten behoeve van een advocaat.

21-06-2014 12.22 uur [verdachte] belde uit naar [medeverdachte 3] .

[medeverdachte 3] schreef aan [verdachte] : Ga het bij de laatste proberen.

[verdachte] schreef aan [medeverdachte 3] : Is goed ik ben ook druk bezig om het bij elkaar te krijgen.

21-06-2014 13.05 uur schreef [verdachte] aan [slachtoffer] : Heeft geen zin moet eerst 250 euro aan de advocaat betalen anders word ik niet geholpen. En heb het niet dus hoef ik er ook niet heen.

[slachtoffer] reageerde met het volgende bericht: Je kan ze krijgen wil weten waar je bent.

Het blijkt dat [verdachte] direct na het bericht van [slachtoffer] om 13.08 uur contact zocht met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (het hof: dit nummer is in gebruik bij [medeverdachte 3] ).

21-06-2014 13.10 uur blijkt dat [verdachte] het volgende bericht heeft verzonden aan [medeverdachte 3] : Heb het geld waarschijnlijk bij elkaar.

[medeverdachte 3] reageerde met: Ok.

[verdachte] zocht telefonisch contact met [medeverdachte 3] .

[medeverdachte 3] stuurde het bericht naar [verdachte] : [adres 2] .

21-06-2014 13.20 uur [verdachte] schreef aan [slachtoffer] : Kun jij het geld bij [gewezen medeverdachte] brengen dan gaat [gewezen medeverdachte] mij wegbrengen en wil jij me dan ophalen kunnen we praten.

Uit de opgeslagen berichten blijkt dat [verdachte] haar afspraak met [slachtoffer] blijft verzetten.

Om 20.44 uur berichtte [verdachte] aan [slachtoffer] : Ik ga nu met [gewezen medeverdachte] naar Druten (…) zullen we dan om tien uur afspreken om mijn en de kleren van de meisjes te halen.

[verdachte] belde vervolgens meerdere keren naar het telefoonnummer van [medeverdachte 3] en naar het telefoonnummer van de ouders van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] .

Om 22.04 uur schreef [verdachte] aan [slachtoffer] : Kun je om half twaalf straks op het park zijn. 22.12 uur: Dan gaan we praten en kleding pakken voor mijzelf en de meisjes. Om 22.27 uur schreef [slachtoffer] aan [verdachte] dat hij naar haar toe zou komen.

Na het bericht van [slachtoffer] zocht [verdachte] tussen 22.31 uur en 23.11 uur telefonisch contact met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] .

Om 23.13 uur blijkt kennelijk uit het bericht dat [slachtoffer] aan [verdachte] stuurde dat [slachtoffer] was gearriveerd aan de [adres 1] te Druten.

Tussen 23.17 uur en 23.29 uur stuurde [verdachte] stuurde aan [medeverdachte 1] : Hij is nog steeds hier. [medeverdachte 1] reageerde met: Dan ga ik.

Tussen 21-06-2016 23.54 uur en 22-06-2014 00.24 uur zocht [verdachte] meerdere keren telefonisch contact met [medeverdachte 1] en [slachtoffer] .

Op 22-06-2014 om 00.33 uur belde [verdachte] uit naar het telefoonnummer van [medeverdachte 3] . Na dit tijdstip zijn er geen gegevens meer in de telefoon van [verdachte] aangetroffen.

12. Verdachte [medeverdachte 4] heeft op 30 september 2014 – zakelijk weergegeven – verklaard (p. 1754-1780):

[medeverdachte 3] zou telefoons verkopen en dan zouden we samen het geld opstrijken. Nu speel ik met mijn eigen leven. Ik weet dat hij vast zit, maar er zit nog veel meer achter. De maffia, hebben ze mij wijsgemaakt.

[gewezen medeverdachte] heeft de boel mee opgeruimd en schoongemaakt. Hij is er door [medeverdachte 1] en [verdachte] in meegetrokken.

Het was met voorbedachte rade.

[medeverdachte 2] heeft de auto die Renault, van [slachtoffer] opgehaald. Die stond op de parkeerplaats voor het park.

Afgelopen vrijdag stond de maffia voor onze deur. Daardoor ben ik ontzettend bang geworden. Zij kwamen de rotzooi opruimen.

Verbalisanten: Maar de mensen die aan de deur zijn geweest zijn politiemensen.

Nou dan heeft [medeverdachte 1] alles aangewezen. Ik kom vrijdagavond thuis en [verdachte] is helemaal in de stress. Er waren twee mannen aan de deur geweest en [medeverdachte 1] was overal heen geweest om plekken te laten zien waar hij zijn rotzooi had gedumpt. [medeverdachte 1] zei dat alles geregeld was.

[medeverdachte 1] en [verdachte] zijn de twee uitvoerenden en [gewezen medeverdachte] heeft de troep opgeruimd en ik heb troep opgeruimd. [medeverdachte 2] heeft gereden in de Kangoo en ik heb de Peugeot gereden. Het verhaal heeft een voorgeschiedenis. Het begint met die abonnementen.

Jullie weten al de connectie van [slachtoffer] en [medeverdachte 1] en het huis in Tiel waar hennep in stond. [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 1] benaderd en [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 3] geld gegeven. [medeverdachte 3] zou zorgen dat dit meer zou worden en [medeverdachte 1] zou dit dan krijgen.

Bij de ontmoeting bij de Karwei in Druten op 18 juni (het hof begrijpt: 2014) waren [medeverdachte 3] en zijn vrouw, [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] en ik. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren toen al met dat complot bezig. Daar is besproken ze zouden [slachtoffer] in Tiel overhoop schieten met 1 genadeschot. Dat heeft [medeverdachte 3] gezegd tegen ons allemaal. Ik heb [medeverdachte 3] horen zeggen dat hij hem om zou leggen en ik heb het wapen gezien. [medeverdachte 3] had dit bij zich. Het lag achter bij hem in de auto op de zitting. Ik heb de patronen gezien en ik heb het wapen gezien. Zij hebben van hem een kogel meegekregen als souvenir.

Hij zou alles regelen. [medeverdachte 3] zou het afhandelen. Hij zou [slachtoffer] afmaken met een genadeschot maar dat is niet gebeurd. Op een gegeven moment zat [medeverdachte 3] in geldnood en toen heeft hij bij [medeverdachte 1] en [verdachte] aangeklopt. Toen moest iemand anders het gaan doen. Er moest geld op tafel komen door ons. Er werd tegen ons gezegd ‘jullie zitten nu in de maffia en houden jullie mond en jullie doen wat ik zeg’.

[medeverdachte 3] zei tegen [medeverdachte 1] en [verdachte] dat hij wel iemand wist die het wapen kon leveren. Op zaterdagvond 21 juni komt er een telefoontje. Ik woonde in die tijd bij [naam 2] in Den Bosch aan de [adres 3] . Op een gegeven moment worden wij op die zaterdag de 21e juni gebeld door [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] en ik waren op dat moment in Maurik bij mijn ouders thuis. [medeverdachte 3] zei dat we met spoed moesten komen. Ik ben toen direct samen met [medeverdachte 2] weggegaan. Ik besloot de witte Peugeot van mijn vader te pakken. Ik ben samen met [medeverdachte 2] naar Oisterwijk gereden waar [medeverdachte 3] een chalet had.

Toen wij daar aankwamen zag ik [medeverdachte 3] al in zijn auto zitten en ik zag dat hij een wapen in zijn hand had. Ik en [medeverdachte 2] zijn bij [medeverdachte 3] in de auto gestapt. [medeverdachte 2] is voor naast [medeverdachte 3] gaan zitten en ik ben achterin gaan zitten. [medeverdachte 3] liet aan [medeverdachte 2] het wapen zien en legde aan [medeverdachte 2] uit hoe hij het moest gebruiken. Het wapen was een stuk kleiner dan wat ik eerder bij [medeverdachte 3] in de auto had zien liggen bij de Karwei in Druten. Het betrof een vuurwapen. Er zaten 2 kogels bij en een geluiddemper. [medeverdachte 3] stelde ons voor de keus dat ik of [medeverdachte 2] of anders [medeverdachte 1] of [verdachte] het zouden moeten doen. [medeverdachte 3] zei tegen ons: Jullie gaan het nou oplossen, klaar. [verdachte] en [medeverdachte 3] hadden heel veel sms-contact. [medeverdachte 3] heeft vervolgens het geladen vuurwapen achter in de kofferbak van de Peugeot van mijn vader gelegd. We moesten van [medeverdachte 3] naar Ewijk. Hierop zijn [medeverdachte 2] en ik met de Peugeot naar de camping in Ewijk gereden.

We hebben de auto voor op de parkeerplaats geparkeerd. [medeverdachte 2] heeft het vuurwapen uit de kofferbak gepakt. Het vuurwapen zat in 2 laarzen geschoven met daar om heen een doek. We zijn vervolgens naar het huisje van [medeverdachte 1] gelopen, die al in het huisje was. Ik denk dat dit tussen 22.45 uur en 23.30 uur is geweest. In het huisje ontstond discussie over wie het zou gaan doen. [medeverdachte 1] zei dat hij het wel zou doen omdat het nu opgelost moest gaan worden. [medeverdachte 1] vertelde dat [verdachte] met die ouwe onderweg was naar het huisje. Ik ben op de wc gaan zitten.

Op een gegeven moment komen [verdachte] en die ouwe binnen. Ik hoor hen binnenkomen. Ik hoorde hem (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) nog wat mompelen. Op het moment dat ze binnen waren, hoorde ik een klap en toen ben ik via de voordeur naar buiten gerend. Ik heb voordat [verdachte] daar met die ouwe aankwam wel een half uur op de wc gezeten. Ik heb me in de bosjes op de grond laten vallen. Ik ben daar blijven liggen totdat ik [verdachte] over het park hoorde schreeuwen tegen mij dat ik moest komen.

[verdachte] zei dat het was afgelopen en dat hij op de grond lag en dat hij weg moest. Op een gegeven moment moest [medeverdachte 2] erbij komen en ging het erom wie de auto (het hof begrijpt: de Renault Kangoo van [slachtoffer] ) zou gaan halen. Ik ben naar de uitgang gelopen en ik ben in de auto van mijn vader, de witte Peugeot, gaan liggen. Op een gegeven hoor ik dat iemand de Renault gaat halen, dat is [medeverdachte 2] geweest zoals ik op dat beeld (het hof: de eerder tijdens het verhoor getoonde afbeelding) heb gezien.

Toen zijn we aan het rijden gegaan. [medeverdachte 2] in de Kangoo, ik in de Peugeot van mijn vader, [medeverdachte 1] en [verdachte] in de auto van [medeverdachte 1] . We zijn toen richting [medeverdachte 3] gereden want hij zei ‘ik wil hem hebben, ik wil het wapen hebben’. Hij wilde alles hebben. We zijn naar Oisterwijk gereden naar [medeverdachte 3] . We zijn daar met alle 3 de auto’s naartoe gereden. Toen we in Oisterwijk waren moesten we hem nog kwijt dus [medeverdachte 3] zei dat we naar Den Bosch zouden gaan want daar wist hij nog wel een goede plek. [medeverdachte 3] heeft [naam 2] gebeld. Zij was thuis. We zijn bij [naam 2] geweest. [medeverdachte 3] is bij mij in de Peugeot gestapt. Toen we bij [naam 2] waren heeft [medeverdachte 3] gecontroleerd of hij echt dood was en toen zei [medeverdachte 3] dat hij inderdaad dood was.

Toen moest dus die auto nog weg. [medeverdachte 3] zei dat we hem gingen dumpen. Hij had hem in het water willen gooien maar dat ging niet. [medeverdachte 3] had ook de kentekenplaten van de Kangoo eraf gehaald. Hierop zijn we verder gereden. We zagen een weggetje naar beneden waarop [medeverdachte 3] zei dat we hem daar neer zouden gaan zetten. [medeverdachte 3] zei tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ‘Jullie zetten die auto daar neer en jullie steken hem aan’. We zijn teruggereden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] reden achter mij aan. [medeverdachte 3] zei dat ik met mijn knipperlicht richting aan moest geven, zodat [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] met de Kangoo begrepen dat ze daar naar beneden moesten rijden en de klus af moesten maken. Ik ben niet met [medeverdachte 3] dat weggetje ingereden. [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn met de auto van [medeverdachte 1] naar beneden gereden, gevolgd door [medeverdachte 2] met de Kangoo, en zij hebben het afgemaakt. Ik ben met [medeverdachte 3] weer naar Oisterwijk gereden.

[medeverdachte 3] heeft het wapen meegenomen. Ik heb [medeverdachte 3] bij het park waar hij een chalet heeft in Oisterwijk afgezet. [medeverdachte 3] zei tegen mij dat hij met ons contact zou opnemen en dat wij geen contact met hem op mochten nemen. Iedereen had zwijgplicht gekregen van [medeverdachte 3] , anders zouden we afgeknald worden door de maffia.

De telefoons van [medeverdachte 1] en [verdachte] lagen achter in de tuin van [gewezen medeverdachte] . Dat heb ik afgelopen vrijdag van [medeverdachte 1] gehoord. Die van mij en [medeverdachte 2] hebben [medeverdachte 2] en ik in het water gegooid. Op een gegeven moment hebben we al onze telefoons aan [medeverdachte 3] gegeven en heeft hij al onze telefoons onklaar gemaakt.

Wij hadden afgesproken dat [medeverdachte 3] ten allen tijde buiten schot moest blijven omdat dat maffia was. Als je in mijn ogen de grote man wil hebben dan moet je [medeverdachte 3] hebben.

Op enig moment (het hof begrijpt: voor de moord) kwam ik bij [naam 2] en zat [medeverdachte 3] op de computer op het internet naar een wapen te zoeken. Ik heb een afbeelding daarvan gezien en [medeverdachte 3] heeft de code opgeschreven om het wapen te kunnen bestellen. Hij zou het wapen gewoon bij hem thuis laten bezorgen.

Verbalisanten: Waar heeft [medeverdachte 3] het wapen gelaten dat gebruikt is in Ewijk?

[medeverdachte 3] zou het opruimen.

Verbalisanten: Wie heeft er geschoten?

[medeverdachte 1] heeft tegen mij persoonlijk gezegd dat hij heeft geschoten.

[medeverdachte 3] had gezegd dat er twee kogels waren.

Wat mij opviel, dat ik de trapleuning miste.

Wij hebben alles onder invloed van [medeverdachte 3] gedaan. Er zijn mij gouden bergen beloofd. Mijn hypotheek bij de BKR zou hij voor mij wegwerken.

13. Verdachte [medeverdachte 4] heeft op 10 oktober 2014 – zakelijk weergegeven – verklaard (p. 1791):

Op vrijdagavond 20 juni 2014 is bij [gewezen medeverdachte] door [medeverdachte 1] en [verdachte] over die ouwe gesproken. [medeverdachte 1] gaf aan dat hij gefrustreerd was dat het probleem met die ouwe nog steeds niet opgelost was. Door [medeverdachte 1] en [verdachte] werd gezegd dat [medeverdachte 3] 250 euro moest hebben om kogels te kopen om die klus te kunnen gaan klaren.

14. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 5] hebben bevonden dat verdachte [medeverdachte 2] op 25 september 2014 – zakelijk weergegeven – heeft verklaard (p. 1438-1439):

Uiteindelijk vertelt [medeverdachte 2] dat die ouwe in de auto is gelegd door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . Daar hadden ze een hele kluif aan. [medeverdachte 1] zat toen helemaal onder het bloed. [medeverdachte 2] vertelt dat ze het lichaam het eerst stuk tot aan de voordeur hebben gesleept aan de broeksband en armen. Daarna hebben ze die ouwe opgetild aan zijn armen en zijn broek. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden die ouwe aan zijn armen en de band van zijn broek vast. [medeverdachte 4] had de benen vast. Ze hebben hem schuin in de Kangoo geschoven en [medeverdachte 4] heeft de benen aangeduwd en geknikt omhoog gelegd.

15. Verdachte [medeverdachte 2] heeft op 7 oktober 2014 – zakelijk weergegeven – verklaard (p. 1462-1474):

[medeverdachte 3] had mij en [medeverdachte 4] (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ) gouden dingen beloofd. [medeverdachte 1] had ook grote schulden.

[medeverdachte 1] heeft aan [medeverdachte 3] verteld wie die ouwe was. Toen in Den Bosch bij dat winkeltje. Daar is een hele hoop besproken. Dat is ook de voorbode geweest van dit alles. Daar ben ik niet bij geweest en [medeverdachte 4] ook niet.

Bij de afspraak de 18e (het hof begrijpt: 18 juni 2014), waren ik, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] aanwezig. Daarna is dat plan in elkaar gedraaid. [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn in de dagen daarna bij [medeverdachte 3] in Den Bosch geweest.

We hebben een wapen gezien. Bij dat winkeltje van hem. Daar spraken we steeds af met [medeverdachte 3] als we naar Den Bosch kwamen.

Verbalisanten: Wat is er verteld met dat wapen?

[medeverdachte 3] heeft geprobeerd om die ouwe om te leggen.

De 18e zijn [medeverdachte 1] , [verdachte] en ik begin van de avond naar Den Bosch gegaan. [medeverdachte 3] kwam met het idee om die ouwe om te leggen. Toen liet hij een wapen zien. [medeverdachte 4] is op de fiets ook naar dat winkeltje gekomen.

Later die avond ontmoetten we elkaar in Druten bij de Karwei. Buiten is het een en ander besproken, dat [medeverdachte 3] die ouwe zou gaan opzoeken in Tiel. De volgende ochtend belde [medeverdachte 1] dat het niet gelukt was. Toen zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] ’s middags naar Den Bosch gegaan om het verder met [medeverdachte 3] te bespreken.

We mochten geen contact opnemen met [medeverdachte 3] na dat ‘gebeuren’ (het hof begrijpt: na de uiteindelijke moord). Dat maffia-verhaal is vanaf de eerste dag dat ik met hem gesproken heb. Gouden praatjes. Hij beloofde gouden bergen. Hij bleef mooie dingen beloven. Dat speelt tot iets na de moord.

Verbalisanten: Wat wist je van tevoren van de plannen?

Ik ben er gedeeltelijk bij geweest. Dat ze die ouwe zouden omleggen, dat wist ik. Hoe en wat dat wist ik pas dezelfde avond.

Verbalisanten: Die vrijdagavond in Druten?

Dat het met die ouwe zou gebeuren in dat weekend. Vrijdagavond zitten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] , ik, [gewezen medeverdachte] en zijn vrouw bij elkaar. Toen is besproken dat ze hem zouden omleggen. [medeverdachte 1] en [verdachte] voerden de boventoon. Er is ook nog over geld gesproken. [verdachte] moest zaterdag contact leggen met die ouwe over 250 euro voor de advocaat, zogenaamd. Dat geld moest naar [medeverdachte 3] toe. [medeverdachte 3] zou het wapen regelen. Dat werd die zaterdagmorgen duidelijk. [medeverdachte 3] heeft toen veel gebeld met [medeverdachte 1] en [verdachte] . [medeverdachte 1] en [verdachte] moesten dan dat geld regelen. Dat geld is [slachtoffer] komen brengen en dat geld heeft [gewezen medeverdachte] met [verdachte] gebracht. Met dat lokken van [verdachte] , daar heb ik het een en ander van mee gekregen. [verdachte] zou in de loop van de avond opgehaald worden door die ouwe en hem meenemen naar Ewijk. Dat ze hem echt om zouden leggen, werd ’s avonds duidelijk toen dat pakket werd gehaald.

Verbalisanten: Maar van wie kwam het plan?

[medeverdachte 3] is ermee op de proppen gekomen, dat was al eerder besproken. Een van ons drie moest hem overhoop knallen. Zaterdagavond heeft hij dat tegen [medeverdachte 4] gezegd, toen in Oisterwijk om dat pakket te halen.

We kregen de doos te zien. Het wapen zat erin. We hebben allebei in de auto gezeten. [medeverdachte 3] zat achter het stuur. Ik zat naast [medeverdachte 3] . [medeverdachte 4] zat volgens mij achter in. Hij heeft het wapen aan ons allebei laten zien. Hij heeft het wapen uit de doos gehaald en het magazijn erin gedaan. Daarna heeft [medeverdachte 3] uitgelegd hoe het wapen doorgeladen moest worden. Toen zei [medeverdachte 3] dat een van ons drie moest schieten. Eerst zou [medeverdachte 3] het doen of zou één van de (het hof begrijpt: maffia) familieleden hem omleggen. Die gaven geen toestemming dat [medeverdachte 3] hem om zou leggen. Daarom moest hij dat geld hebben. Hij moest een ander wapen regelen. Toen hebben we dat pakketje geregeld. Het vuurwapen zat in eerste instantie in een doos. We hebben hem meegekregen in een doek. In een stel laarzen. Dat was [medeverdachte 4] zijn idee.

In Ewijk zijn we via het strand gelopen omdat het daar het donkerst was. Ik heb het wapen toen ook vast gehad, maar wel in een doek.

Verbalisanten: Je gaat naar Ewijk?

Ja en [medeverdachte 4] ook.

Verbalisanten: Besproken waar die ouwe omgelegd zou worden?

Dat is die zaterdagmorgen gebeurd. Dat [verdachte] hem daar mee naar toe zou nemen. Daar zat ik bij.

Die vrijdagavond in Ewijk hebben we kleding opgehaald.

Zaterdag is het rond gemaakt. Het wapen was geregeld, maar hij (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) moest nog wel dat geld hebben. [medeverdachte 1] zei in de dagen daarna (het hof begrijpt: na de moord) dat het geld voor het wapen was, dat geld wat [slachtoffer] heeft gebracht. Dat wapen is vrijdag en/of zaterdag geregeld. [medeverdachte 3] had ’s avonds dat wapen klaar liggen.

In Ewijk zijn we met dat pakket langs het strand gelopen. Toen heb ik dat pakket aan [medeverdachte 1] gegeven. [medeverdachte 3] had tegen ons gezegd dat een van ons drie moest schieten. In dat huisje heeft [medeverdachte 1] de keuze genomen om te schieten. Eerst zou [medeverdachte 3] het doen. En toen heeft [medeverdachte 1] gezegd dan doe ik het. [medeverdachte 1] zei dat hij zou schieten, daar in dat huisje. Omdat [medeverdachte 3] er niet bij was. [medeverdachte 1] zei dat vrijwel gelijk. [medeverdachte 4] was in het huisje. Op de badkamer.

[medeverdachte 1] zou eerst [slachtoffer] opwachten in het halletje met de droger en de wasmachine. Ik heb tegen [medeverdachte 1] gezegd ‘hier ziet hij je gelijk staan’. Hij stond in dat hokje met de wasmachine, maar dat was veel te opvallend. Eerst was het plan dat we daar met zijn drieën zouden wachten. Ik zei dat gaat faliekant mis. Toen is [medeverdachte 4] naar de badkamer gegaan en ik naar buiten.

Verbalisanten: Dan willen we nu gaan naar het moment dat jullie naar Oisterwijk gaan.

[medeverdachte 3] zei in Oisterwijk van we gaan naar [naam 2] en daar wordt de rest geregeld. Ergens midden in de nacht. Na 02.00 uur. [naam 2] kwam met kleding voor [medeverdachte 1] en [verdachte] . Want [medeverdachte 1] zat helemaal onder het bloed. De oude kleding van [medeverdachte 1] heeft ze in een vuilniszak gedaan. Dat heb ik gezien. Dat heeft [medeverdachte 3] ook gezegd, bewijsmateriaal in een zak en dan in een vuilcontainer. [naam 2] zou dat dumpen, [medeverdachte 3] had gezegd dat het moest verdwijnen. [naam 2] zou dat verder regelen.

Dan ontstaat er een gesprek waar wij allemaal bij waren. Dat ging over dat die auto zo snel mogelijk moest verdwijnen. In Den Bosch heeft [medeverdachte 3] nog wel een keer gekeken achterin de auto of de ouwe wel dood was.

Die lampenolie stond bij [naam 2] . Een keer zei hij (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) dat hij het in het water zou douwen. Daarna zei hij dat het in de fik moest op een landweg. Ik, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [naam 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] zaten daarbij. [naam 2] wist wat er gebeurd was. dat heeft [medeverdachte 3] allemaal verteld toen wij daar binnen kwamen. Dat het gelukt was. Dat hij dood was.

[medeverdachte 3] vroeg of [naam 2] iets van brandbare vloeistof had. Toen kwam zij met lampenolie en een aansteker. Toen zei [medeverdachte 3] dat is goed, dat brandt ook. Ik rijd in de Kangoo (het hof begrijpt: met daarin het stoffelijk overschot). [medeverdachte 4] zat in de Peugeot met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 4] is er niet bij geweest bij het aansteken. Ik heb kleine vlammetjes gezien op de stoelen. Toen begon het iets te branden. We zijn eerst nog terug gegaan naar [naam 2] . De telefoons waren onklaar gemaakt. Die zijn bij [naam 2] uit elkaar gehaald. Die lagen nog bij [naam 2] . Toen zijn we met z’n drieën, [medeverdachte 1] , ik en [verdachte] , nog binnen geweest. Ik heb gezegd dat het met de auto gelukt was.

Het wapen is terug gegaan naar [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zou ervoor zorgen dat het wapen schoon kwam en dat het zou verdwijnen.

Rond een uur of vijf hebben we spullen opgeruimd in het huisje in Ewijk. Vier volle vuilniszakken. Daar zaten kleding, iets van een koffer, dozen, papier, dat stuk hout bij. Die trapleuning heeft [gewezen medeverdachte] weggewerkt. En in de badkamer lagen nog wat spullen die we niet schoon kregen. Die heeft [gewezen medeverdachte] later ook weggewerkt. Met dat tapijt. Die spullen moesten weg omdat daar bloed op zat. Dat huisje is schoongemaakt door [medeverdachte 1] en [verdachte] .

We zijn veel in Den Bosch geweest. In dat winkeltje. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren daarbij. Ik was daar zelf ook wel eens bij. Over hoe ze het hele plan in elkaar hebben gedraaid. In de week van 13, 14 juni ben ik in dat winkeltje in Den Bosch vier keer zeker geweest. [medeverdachte 4] kwam ’s avonds mee of had telefonisch contact met [medeverdachte 3] . Ik ben daar veel met [medeverdachte 1] en [verdachte] geweest.

[naam 2] is er ook bij geweest toen [medeverdachte 1] en [verdachte] toegelaten zouden worden tot de maffia. Toen moesten ze hun geboortedatum opschrijven, hun vingerafdruk met bloed geven en een glas sterke drank drinken. Dat stuurde [medeverdachte 3] naar Italië. Dat hebben [naam 2] , ik en [medeverdachte 4] ook allemaal gedaan. Dat is in het begin geweest. Toen kwamen we bij de familie en beloofde hij van alles.

16. Verbalisant [verbalisant 6] heeft in het proces-verbaal van analyse d.d. 14 oktober 2014 – zakelijk weergegeven – bevonden (p. 168-241):

p. 169

Uit de gegevens is een tijdslijn samengesteld over de periode gelegen tussen zaterdag 21 juni 2014 10.00 uur en zondag 22 juni 2014 05.15 uur.

p. 206

In de periode gelegen tussen 20.00 uur en 21.38 uur roamt het telefoontoestel dat in gebruik is bij [medeverdachte 4] in op de Doejenburg te Maurik. In deze periode vindt er een telefoongesprek en sms-verkeer plaats met een telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 3] . Om 21.55 uur blijkt het telefoontoestel van [medeverdachte 4] te zijn verplaatst van Maurik naar Tiel. Er vindt een telefoongesprek plaats met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 3] .

p. 207

Met het telefoonnummer van [medeverdachte 2] vindt om 21.55 uur een telefoongesprek plaats met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 1] . Het telefoontoestel van [medeverdachte 2] roamt daarbij in te Tiel.

p. 212

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]

Vervolgens blijkt dat het telefoontoestel dat in gebruik is bij [medeverdachte 4] na 21.55 uur zich verplaatst van Tiel naar Oisterwijk. In die periode vinden er enkele telefoongesprekken plaats met een telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 3] .

Vervolgens blijkt dat de telefoontoestellen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] vanaf 22.32 uur inroamen op masten in Oisterwijk en Haaren.

In die periode vinden er met het telefoontoestel dat in gebruik is bij [medeverdachte 2] enkele telefoongesprekken plaats met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 1] .

In die periode vindt er met het telefoongesprek dat in gebruik is bij [medeverdachte 4] een telefoongesprek plaats met een telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 3] en het telefoonnummer dat in gebruik is bij [verdachte] .

p. 213

In de periode gelegen tussen 22.00 en 23.00 uur roamen de 2 telefoontoestellen die in gebruik zijn bij [medeverdachte 3] in te Oisterwijk. In die periode vinden er enkele telefoongesprekken plaats met de telefoonnummers die in gebruik zijn bij [verdachte] en [medeverdachte 4] .

p. 217

Het blijkt dat de telefoontoestellen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zich na 22.55 uur verplaatsen van Oisterwijk naar de Ficarystraat te Beuningen, gelegen in de directe nabijheid van vakantiepark [naam vakantiepark] te Ewijk.

Vanaf 23.38 uur blijven de telefoontoestellen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] aldaar inroamen.

p. 218

In de periode tussen 23.00 uur en 00.00 uur vindt er met het telefoontoestel dat in gebruik is bij [medeverdachte 4] een telefoongesprek en sms-verkeer plaats met een telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 3] .

In de periode tussen 23.00 uur en 00.00 uur vinden er met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 2] diverse telefoongesprekken plaats met een telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 1] .

In de periode tussen 23.00 uur en 00.00 uur vindt er met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 3] een telefoongesprek plaats met het telefoonnummer dat in gebruik is bij [verdachte] .

p. 222

In de periode gelegen tussen zaterdag 21 juni 2014 23.38 uur en 22 juni 2014 00.56 uur blijven de telefoontoestellen die in gebruik zijn bij [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] inroamen op de Ficarystraat te Beuningen.

In die periode vindt er met de telefoon die in gebruik is bij [medeverdachte 4] een telefoongesprek plaats met een telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 3] .

In die periode vinden er met het telefoontoestel dat in gebruik is bij [medeverdachte 2] enkele telefoongesprekken en sms-verkeer plaats met een telefoonnummer dat in gebruik is bij [medeverdachte 3] .

17. Uit het tapverslag van een telefoongesprek tussen [medeverdachte 3] en [naam 3] op 2 juli 2014 blijkt – zakelijk weergegeven – dat [medeverdachte 3] heeft gezegd (p. 1098):

Ik heb iets gedaan dat ik niet dacht dat ik ertoe in staat was, maar ik wil jou dat vertellen als wij elkaar zien.

18. Uit het tapverslag van een telefoongesprek tussen [naam 2] en [getuige 4] , een nicht van [medeverdachte 3] (zie bewijsmiddel hierna), op 7 juli 2014 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende (p. 1054-1056):

[naam 2] : Ze hebben [medeverdachte 3] opgepakt vandaag. Hij heeft ons belazerd. Hij heeft ons mooie dingen beloofd.

[getuige 4] : Mijn oom heeft mij ook te pakken gehad.

[naam 2] : Hier is een paar weken geleden een autobrand geweest en de persoon die daarin zat ken ik. Daar heeft ie (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) dingen over geroepen.

[getuige 4] : Tegen ons heeft hij ook verteld dat hij daar iets mee te maken had. Hij zei tegen mij: “Ik heb opdracht gegeven”. En dat hij die in de fik moest zetten.

19. Getuige [getuige 4] heeft op 24 september 2014 – zakelijk weergegeven – verklaard (p. 967-D, blad 1 t/m 8):

Mijn vriend heet [naam 4] . Mijn familielid [medeverdachte 3] ken ik wel. Hij heeft 22 jaar in Italië gewoond. Wij hebben weer contact gekregen. [medeverdachte 3] had een winkeltje in Den Bosch. Zo heb ik [naam 2] leren kennen. Zij had toen een vriend die [medeverdachte 4] heette.

Op een gegeven moment heeft [medeverdachte 3] telefonisch contact gezocht met [naam 4] . [medeverdachte 3] zei aan de telefoon dat wij op Omroep Brabant moesten kijken. Daar stond een uitgebrande auto op en hij zou de opdracht hebben gegeven.

Zaterdag 28 juni (het hof begrijpt: 2014) heeft [medeverdachte 3] [naam 4] gebeld. Wij moesten naar de Helfheuvel komen. Daar heeft hij nogmaals verteld dat hij de opdrachtgever was van die brand. Hij zei tegen mij: Je moet eens op Omroep Brabant kijken. Die moord heb ik laten plegen.

Ik ben zijn nichtje.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Rechtmatigheid van de undercoveractie

De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen die door [verdachte] en [medeverdachte 1] op 25 september 2014 ten overstaan van de undercoveragenten zijn afgelegd onrechtmatig zijn verkregen, zodat sprake is van schending van beginselen van een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) en die verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Hiertoe is aangevoerd dat door het dragen van een wapen door één van de undercoveragenten hun verklaringsvrijheid (mogelijk) onder druk is komen te staan en dat het hof – doordat de rechter-commissaris de vraag aan één van de undercoveragenten of er nog op andere manieren indruk is gemaakt op de verdachten heeft belet – niet kan toetsen in hoeverre die verklaringsvrijheid (anderszins) op ongeoorloofde wijze is beïnvloed.

Het hof overweegt als volgt.

De officier van justitie heeft met machtiging van de rechter-commissaris – onder meer – een bevel afgegeven tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC, artikel 126l Sv) op de begane grond van de woning aan de [adres 4] te Maurik (p. 1251). Dit betreft de woning van de ouders van [medeverdachte 1] , waar hij en [verdachte] destijds verbleven. Op 23 september 2014 is tijdens een doorzoeking van die woning opnameapparatuur geplaatst (p. 1252).

De officier van justitie heeft op 19 september 2014 een bevel afgegeven tot het stelselmatig inwinnen van informatie (SI, artikel 126j Sv) dat geldig was tot en met 16 oktober 2014. Hiervoor was geen voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris nodig. Op 25 september 2014 hebben de twee undercoveragenten A-3744 en A-3743 (leden van het team Werken Onder Dekmantel) zich bij de betreffende woning gemeld. Zij deden zich voor als leden van de maffia (p. 6-10 van het eerste aanvullend proces-verbaal d.d. 19 december 2014). Het gesprek dat zij hadden met [verdachte] en [medeverdachte 1] is heimelijk opgenomen en uitgewerkt (p. 1260-1289). Voorts is van de inzet door de undercoveragenten (en hun begeleiders) afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt (p. 8 van het eerste aanvullend proces-verbaal d.d. 19 december 2014 en bijbehorende bijlage).

Het hof acht het gezien de ernst van de verdenking(en) proportioneel dat de officier van justitie de toepassing van deze beide bijzondere opsporingsbevoegdheden in het onderzoek Callisto heeft bevolen.

Met de rechtbank stelt het hof stelt vast dat op 25 september 2014 tijdens het lopen naar het vakantiehuisje – en aldus na het gesprek met de undercoveragenten in de woning – de jas openwaaide van undercoveragent A-3744 en dat [medeverdachte 1] toen het dienstwapen aan de achterzijde van zijn broeksband zag (p. 20 van het eerste aanvullend proces-verbaal d.d. 19 december 2014). Nu het hof op geen enkele wijze is gebleken dat dit vuurwapen of enig ander vuurwapen eerder dan op dat moment zichtbaar is geweest en ook daadwerkelijk is waargenomen door [medeverdachte 1] en/of [verdachte] , acht het hof het niet aannemelijk dat door het dragen van een vuurwapen de verklaringsvrijheid van [verdachte] (en/of [medeverdachte 1] ) op ongeoorloofde wijze onder druk is komen te staan. Het enkele door opperen van de mogelijkheid dat eerder een vuurwapen is gezien, is daartoe onvoldoende.

Voorts is het hof van oordeel dat door het enkele beletten van de eerdergenoemde vraag door de rechter-commissaris geen sprake is van een situatie waarin de verdediging een reële toetsingsmogelijkheid is onthouden. Temeer nu de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1] geen enkel aanknopingspunt bieden voor mogelijk ongeoorloofd uitgeoefende druk door de undercoveragenten. Van een ontoelaatbare beknotting van de verdedigingsrechten is naar ’s hofs oordeel niet gebleken.

Het hof verwerpt het verweer.

Rechtmatigheid van het verkregen OVC-gesprek van 14 augustus 2014

Naar het oordeel van het hof behoeft het verweer van de verdediging aangaande de onrechtmatigheid van het opnemen en uitwerken van het zogenoemde ‘mesgesprek’ tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] op zolder van 14 augustus 2014 (het hof verwijst naar pag. 1 t/m 4 van de 3e aanvulling van het proces-verbaal) geen nadere bespreking, aangezien de inhoud van dit gesprek niet voor het bewijs is gebezigd.

De juistheid en betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte verklaringen

Dat de voor het bewijs gebezigde verklaring van [medeverdachte 4] d.d. 30 september 2014 niet is ondertekend, doet naar het oordeel van het hof niet af aan de juistheid van de weergave daarvan en staat er voor het hof mitsdien niet aan in de weg om die verklaring voor het bewijs te gebruiken.

In hetgeen door de verdediging (overigens) is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid dan wel de betrouwbaarheid van de inhoud van de voor het bewijs gebezigde verklaringen, nu deze zeer gedetailleerd en in de kern gelijkluidend zijn, de getuigen/verdachten daarin ook zichzelf belasten en die verklaringen bevestiging vinden in de inhoud van de overige gebruikte bewijsmiddelen. Dat de betreffende getuigen/verdachten op enig moment (op onderdelen) anders hebben verklaard, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof acht die (onderdelen van de) verklaringen ongeloofwaardig en strijdig met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

[medeverdachte 1] en [verdachte]

Evenals de rechtbank acht het hof van doorslaggevende betekenis dat de uitlatingen van [medeverdachte 1] en [verdachte] tegenover de undercoveragenten zijn gedaan op een moment dat zij zich niet in een verhoorsituatie bevonden en zich onbespied waanden door politie en justitie, zodat daaraan veel meer waarde wordt gehecht dan aan de door hen op andere momenten (deels) andersluidende verklaringen.

Dat tijdens het gesprek met de undercoveragenten sprake zou zijn geweest van grootspraak door [medeverdachte 1] en/of [verdachte] is naar het oordeel van het hof geenszins aannemelijk geworden. [verdachte] heeft al snel na binnenkomst van de undercoveragenten in de woning spontaan verklaard dat zij en [medeverdachte 1] een moord op hun geweten hebben en [medeverdachte 1] heeft meteen gezegd dat hij de trekker heeft overgehaald.

Met de rechtbank is het hof voorts van oordeel dat het gesprek met de undercoveragenten niet de indruk wekt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] de (in hun ogen) leden van de maffia hebben willen imponeren door een verhaal te vertellen dat niet strookt met of grootser is dan de werkelijkheid. Zij zeggen immers meerdere keren dat zij alles in opdracht van [medeverdachte 3] hebben gedaan en lijken maar al te graag volledig mee te willen werken in de hoop dat zij door de ‘maffialeden’ geholpen zouden worden.

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de voor het bewijs gebruikte verklaring van [medeverdachte 4] d.d. 30 september 2014 eveneens geloofwaardig en betrouwbaar is. In eerste instantie maakt hij gebruik van zijn zwijgrecht, maar nadat hij heeft gehoord dat er nog vijf andere personen zijn aangehouden, begint hij met het afleggen van een inhoudelijke verklaring, waarbij hij direct ook zichzelf, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] belast. Hij wil dan verder niet verklaren uit angst voor [medeverdachte 3] en de maffia. Dit houdt hij vol totdat de rechercheurs hem ervan weten te overtuigen dat [medeverdachte 3] de maffiafamilie heeft verzonnen en dat het bezoek van de twee ‘maffialeden’ een daarop voortbordurende undercoveractie van de politie was. Vanaf dat moment verklaart [medeverdachte 4] uitvoerig, ook belastend voor zichzelf en in lijn met de inhoud van de overige gebezigde bewijsmiddelen.

Met de rechtbank heeft het hof geconstateerd dat [medeverdachte 2] na confrontatie met onderzoeksbevindingen belastend heeft verklaard ten aanzien van de medeverdachten, doch het hof is van oordeel dat [medeverdachte 2] toen ook direct zichzelf zwaar heeft belast. Hetgeen [medeverdachte 2] in eerste instantie verklaart over de rol van [medeverdachte 4] (het ophalen van het wapen bij [medeverdachte 3] en het van Ewijk naar Den Bosch rijden in de Kangoo met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] ) heeft het hof niet voor het bewijs gebezigd. Op die punten heeft het hof meer geloof gehecht aan de verklaring van [medeverdachte 4] .

Voor het overige vinden de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] op zeer specifieke details bevestiging in elkaar en zijn zij in de kern gelijkluidend.

Voorbedachten rade

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het medeplegen van moord wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs van voorbedachte raad. Voor hetgeen hiertoe in het bijzonder is aangevoerd, verwijst het hof naar de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van der voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het hof het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten.

De vaststelling dat verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Het hof is van oordeel dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd zijn weerlegging vindt in de inhoud van gebezigde bewijsmiddelen en dat uit die bewijsmiddelen rechtstreeks voortvloeit dat bij verdachte sprake is geweest van voorbedachten rade. Verdachte heeft voldoende de gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van de (gezamenlijk) voorgenomen daad en zij heeft zich daarvan kennelijk rekenschap.

[medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] wijs gemaakt dat hij lid was van de Italiaanse maffia. Hij heeft hen financiële steun toegezegd als zij zich ook zouden aansluiten bij die maffia. [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] hadden daar wel oren naar, waarop [medeverdachte 3] hen – kennelijk ongeveer twee weken voor de moord op [slachtoffer] – een ritueel heeft laten ondergaan waarna zij in de veronderstelling verkeerden dat ook zij waren toegetreden tot de maffiafamilie.

[medeverdachte 1] en [verdachte] hebben [medeverdachte 3] ingelicht over de problemen die er speelden met [slachtoffer] en toen is [medeverdachte 3] met het idee gekomen om [slachtoffer] van het leven te beroven. [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] in de waan gelaten dat hij zelf gepoogd heeft om [slachtoffer] met een vuurwapen van het leven te beroven maar dat dit niet was gelukt dan wel dat dit door de maffiafamilie niet werd toegestaan. Hierna heeft hij [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] opdracht, een wapen met munitie en instructies gegeven om [slachtoffer] om het leven te brengen.

[medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn tijdens diverse gesprekken betrokken geweest bij de vorming van het plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. Deze gesprekken hebben in ieder geval plaatsgehad op verschillende dagen en dagdelen in de week voorafgaand aan de moord. Voor hen was vooraf duidelijk dat [slachtoffer] ‘omgelegd zou worden’ en zij zijn ook alle vijf betrokken geweest bij de feitelijke uitvoering van dat vooropgezette plan.

[verdachte] is degene geweest die [slachtoffer] onder valse voorwendselen naar het vakantiehuisje in Ewijk heeft gelokt wetende en ervan uitgaande dat (één van) de mededaders hem daar met een vuurwapen stond(en) op te wachten teneinde hem van het leven te beroven. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] hebben het door [medeverdachte 3] aangekochte vuurwapen met munitie bij [medeverdachte 3] opgehaald en dit naar het vakantiehuisje in Ewijk gebracht.

In het vakantiehuisje voeren [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] nog een keer overleg over hoe ze de hinderlaag gaan aanpakken. Voordat ze bij het huisje kwamen was het idee kennelijk dat de drie broers [slachtoffer] bij binnenkomst in het huisje gezamenlijk zouden opwachten, maar omdat dit ter plaatse te risicovol werd bevonden, is ervoor gekozen dat alleen [medeverdachte 1] hem zou opwachten en heeft [medeverdachte 4] ervoor gekozen om zich op te houden in de badkamer en heeft [medeverdachte 2] zich buiten het huisje begeven.

Nadat [verdachte] en [slachtoffer] het huisje hebben betreden, lost [medeverdachte 1] twee schoten: een schot waarbij [slachtoffer] wordt gemist en het fatale schot. [verdachte] heeft [slachtoffer] meermalen op het hoofd geslagen met een gedeelte van een trapleuning. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] verrichten vervolgens schoonmaakhandelingen in het huisje en het lichaam van [slachtoffer] wordt door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] in zijn eigen Renault Kangoo gelegd. Hierna rijden [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] met drie verschillende auto’s (waaronder de Renault Kangoo met daarin het lichaam van [slachtoffer] ) naar [medeverdachte 3] en vervolgens naar [naam 2] . Bij [naam 2] wordt dan in het bijzijn van alle vijf de verdachten het plan (verder) uitgewerkt met betrekking tot het wegmaken van het lijk, hetgeen heeft geleid tot het in brand steken van de auto van het slachtoffer met daarin zijn stoffelijk overschot.

In het bijzonder overweegt het hof nog als volgt.

Gelet op het tijdsverloop tussen de diverse momenten waarop over het plan is gesproken en de uiteindelijke confrontatie met het latere slachtoffer bij het vakantiehuisje en het eerder (geveinsde) voornemen van [medeverdachte 3] om het slachtoffer van het leven te beroven, waarbij een vuurwapen is getoond, is het hof van oordeel dat verdachte voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden en dat dit nadenken en beraden ook daadwerkelijk is gebeurd.

Aan het onderzoek ter terechtzitting kan het hof geen feiten of omstandigheden ontlenen die daarvoor een contra-indicatie zouden zijn. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte geenszins gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of naar aanleiding van een plots opkomende drift.

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts naar het oordeel van het hof dat verdachtes samenwerking met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen kan worden gesproken. Weliswaar is verdachte niet degene geweest die feitelijk de levensberovende handeling heeft verricht, doch haar bijdrage aan de moord is zowel intellectueel als materieel van een zodanig gewicht geweest dat zij als medepleger daarvan moet worden aangemerkt.

Hierbij neemt het hof in aanmerking dat verdachte [slachtoffer] onder valse voorwendselen geld heeft afgetroggeld voor het wapen, zij [slachtoffer] naar het huisje in Ewijk heeft gelokt waarbij zij gedurende enige tijd een toneelspel heeft moeten opvoeren jegens [slachtoffer] inhoudende dat zij met hem verder wilde en de relatie met [medeverdachte 1] was geëindigd. De verdachte is bij de levensberoving aanwezig geweest en heeft haar man [medeverdachte 1] daarbij geholpen. Zij heeft met een trapleuning op het levensgevaarlijk verwonde slachtoffer ingeslagen, hetgeen ernstig letsel heeft teweeggebracht zoals uit het sectierapport is gebleken. Dat het letsel geen bijdrage heeft geleverd aan het overlijden van [slachtoffer] , doet daar niet aan af.

Het hof merkt nog op dat in de hoofdwonden van [slachtoffer] een klein stukje metaal is aangetroffen zoals uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt. Verdachte zou met een trapleuning hebben geslagen. Deze vondst staat er echter niet aan in de weg dat deze hoofdwonden naar het oordeel van het hof veroorzaakt zijn door het handelen van verdachte. De trapleuning waarmee de verwondingen zijn aangebracht, is niet aangetroffen. Niet uitgesloten is dat een spijker of schroef die zich in de trapleuning bevond tot het achterblijven van een kleine metaalsplinter in het hoofd van het slachtoffer heeft geleid.

Tenslotte heeft het hof in het bijzonder in zijn oordeel betrokken dat sprake is geweest van een gezamenlijke afwikkeling en (poging tot) verdoezeling van de moord door het in brand steken van de auto met daarin het stoffelijk overschot.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op: medeplegen van moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het medeplegen van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 19 jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft bevestiging van de opgelegde straf gevorderd.

De verdediging heeft betoogd dat voor het medeplegen van moord – indien toch bewezen – een gevangenisstraf van 19 jaren buitensporig hoog is en heeft daarvoor verwezen naar de in de pleitnota opgenomen jurisprudentie.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Verdachte heeft samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] in de nacht van 21 op 22 juni 2014 conform een vooropgezet plan [slachtoffer] van het leven beroofd. [slachtoffer] werd naar de vakantiewoning van verdachte en [medeverdachte 1] gelokt, op een camping in Ewijk. Hij is in dat huisje neergeschoten en overleed, zoals werd beoogd, aldaar aan de gevolgen ervan.

[medeverdachte 1] heeft weliswaar het fatale schot gelost, doch door verdachte zijn geweldshandelingen met een stuk trapleuning verricht die – hoewel ze kennelijk niet hebben bijgedragen aan het intreden van de dood – gruwelijk en mensonterend te noemen zijn. Ieder van de verdachten droeg welbewust als medepleger bij aan de uitvoering van het moordplan.

Het hof rekent het de verdachte ook zwaar aan dat zij geld van [slachtoffer] heeft afgetroggeld met een leugen om dit vervolgens aan [medeverdachte 3] te overhandigen, wetende dat dit geld bestemd was voor het wapen en/of de kogels waarmee [slachtoffer] om het leven zou worden gebracht.

Het motief voor de moord op [slachtoffer] lijkt te zijn gelegen in voorgespiegeld financieel gewin door toetreding tot een – naar later is gebleken niet-bestaande – maffiafamilie (er zijn beloftes gedaan door [medeverdachte 3] met betrekking tot het overnemen/wegwerken van schulden) en/of rancune jegens het slachtoffer omdat hij afspraken niet zou nakomen en [verdachte] (en [medeverdachte 1] ) lichamelijk en/of geestelijk leed zou hebben toegevoegd.

Moord wordt algemeen beschouwd als het ernstigste misdrijf uit het Wetboek van Strafrecht. Het menselijk leven als zodanig vormt het beschermd belang. Het doden van een ander is onomkeerbaar en dieper ingrijpen in iemands leven door dat te beëindigen is niet mogelijk. Moord wordt dan ook gestraft met een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren.

Moord is opzettelijke levensberoving (doodslag) met voorbedachten rade begaan. Voorbedachte raad is een bijzondere kwalificatie waardoor het misdrijf een veel ernstiger karakter aanneemt dan doodslag. Voorbedachte raad wijst op kalm overleg, van bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering. Het is het tegenovergestelde van de ogenblikkelijke gemoedsopwelling (doodslag). Een moordenaar valt het zware verwijt te maken dat hij/zij gelegenheid had om zich te bezinnen en van die gelegenheid kennelijk gebruik heeft gemaakt, maar het afschuwelijke plan toch (mede) uitvoerde.

Aan de nabestaanden van een vermoord slachtoffer brengt het onpeilbaar leed toe, zoals het hof ook is gebleken uit de slachtofferverklaringen van familieleden van [slachtoffer] . Bovendien schokt een moord de maatschappij en brengt het ernstige gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Voor moord zijn landelijk geen oriëntatiepunten vastgesteld aangaande de straftoemeting. Evenals de rechtbank heeft het hof gekeken naar uitspraken zoals die door diverse gerechtelijke instanties in Nederland in soortgelijke zaken zijn gedaan en is ook het hof daarbij gebleken dat het bewezenverklaarde zich moeilijk laat vergelijken omdat elke moord een aantal specifieke elementen in zich draagt.

Alles wegende, acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingediend strekkende tot vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 9.925,15 te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van (kennelijk) € 9.762,65 en voor het overige afgewezen. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd, zodat de vordering in zijn geheel in hoger beroep opnieuw aan de orde is.

De vordering is door de verdediging niet betwist, zij het dat in hoger beroep door de advocaat van de benadeelde partij – evenals in eerste aanleg – is aangevoerd dat een bedrag van € 162,50 abusievelijk is opgevoerd (onderdeel van de totale schadepost ‘basiskosten Het Uitvaarthuis’ van € 362,50). Dit bedrag is reeds vergoed door de uitvaartverzekering.

Het hof zal – in navolging van de rechtbank – de vordering in zoverre afwijzen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot het resterende bedrag van € 9.762,65, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een verwijzing van verdachte in de kosten, zoals hierna in het dictum is vermeld.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en de mededaders zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 9.762,65 (negenduizend zevenhonderdtweeënzestig euro en vijfenzestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.762,65 (negenduizend zevenhonderdtweeënzestig euro en vijfenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 83 (drieëntachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van Hoek-van der Vleuten, griffier,

en op 20 september 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Voor zover hierna niet anders is vermeld, zijn de bewijsmiddelen afkomstig uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Brabant, TGO Callisto, onderzoek 21TGO14001, mappen 1 t/m 5, doorgenummerde pagina’s 1-1856 of het bijbehorende dossier van de Afdeling Specialistische Ondersteuning, Forensische Opsporing, doorgenummerde pagina’s 1-398. Als een bewijsmiddel afkomstig is uit laatstgenoemd dossier dan is daarbij vermeld ‘FO’.