Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4105

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
200.221.855_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c nu onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenares de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 21 september 2017

Zaaknummer : 200.221.855/01

Zaaknummer eerste aanleg : 318933 / FT RK 17-236

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. E. Akdeniz te Eindhoven.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 augustus 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2017, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar toe te laten tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284 jo. 285 Fw.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 september 2017. Bij

die gelegenheid is [appellante] , bijgestaan door mr. Akdeniz, gehoord. Daarbij heeft beëdigd tolk M. Ghorani (no. 15138) gedurende de mondelinge behandeling voor [appellante] getolkt.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 24 juli 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 1 september 2017;

  • -

    de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 5 september 2017 en 12 september 2017;

  • -

    de brief van de beschermingsbewindvoerder d.d. 5 september 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit de brief van de beschermingsbewindvoerder van 5 september 2017 blijkt dat zij bekend is met het hoger beroep dat [appellante] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook schriftelijk gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 167.210,00. Daaronder bevinden zich een schuld aan Bank of Scotland van € 118.452,80, een schuld aan Defam van € 47.368,24, alsmede een viertal belastingschulden van in totaal € 250,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.3. Uit de overgelegde stukken kwam naar voren verzoekster kampt met psychische klachten, waarbij zij last heeft van een depressie en suïcide gedachten. Hier is tijdens de zitting van 4 mei 2017 met verzoekster over gesproken. Het werd niet duidelijk, mede vanwege de gebrekkige kennis van de Nederlandse taal, of verzoekster thans nog onder behandeling staat voor deze klachten.

Vervolgens heeft de rechtbank de beslissing aangehouden om verzoekster in de gelegenheid te stellen om een medische verklaring over te leggen.

Op 7 juli 2017 is ingekomen een verklaring van de GGzE d.d. 6 februari 2017. In deze verklaring is het volgende opgenomen.

"Bovenstaande dient was van 30-05-2016 tot 31-01-2017 in behandeling bij Idiomes. de transculturele afdeling van de GGzE.

Samenvatting behandelverloop tijdens de behandeling.

Client wilde na een vorig traject de behandeling hervatten. Tan opzichte van de vorige periode was ze minder somber en angstig. De psychosociale problemen bleven haar ook nu opslokken, vooral ook die van haar kinderen. Het nakomen van de behandelafspraken lukte vaker niet dan wel, zodat ze sinds de aanmelding maar drie keer face-to-face is gesproken.

Er is voorgesteld haar over te dragen aan een verpleegkundig specialist vanwege de psychosociale problemen, waar ze mee akkoord ging. maar wat ze bij uitnodiging afwees en aangaf de behandeling te willen beëindigen: ZE wil bet liefst behandeling aan huis. Dat kunnen we niet leveren en bovendien heeft ze al bij haar huis hulp van WIJ [vestigingsnaam] . We stemmen zodoende in met het afsluiten van hef dossier. "

Het is thans onvoldoende duidelijk of verzoeksters geestelijke toestand inmiddels voldoende stabiel is om het wettelijke schuldsaneringstraject met succes te doorlopen. Met name ontbreekt een recente verklaring van een deskundige daaromtrent. Ingevolge artikel 5.4.3. Bijlage IV Procesreglement insolventiezaken rechtbanken, welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn in die zin, dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een verklaring van de behandelaar van verzoekster waaruit blijkt dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, is door verzoekster echter niet overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment ook op bovenstaande grond dient te worden afgewezen.”

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] heeft een wens en een doel, namelijk het verkrijgen van een schone lei. Zij heeft psychische klachten, maar er kan gesproken worden over een voldoende stabiele situatie. Uit de medische informatie van Idiomes d.d. 6 februari 2017 volgt immers dat zij in de periode 30 mei 2016 tot 31 januari 2017 in behandeling is geweest bij Idiomes. Een passage uit de informatie luidt als volgt: "Ten opzichte van de vorige periode was ze minder somber en angstig." Voorts volgt uit de medische informatie dat [appellante] wordt bijgestaan door een maatschappelijke instelling, WIJ [vestigingsnaam] . Dit betekent dat zij in staat is om hulp aan te nemen en op deze wijze probeert om haar psychosociale problemen op te lossen. De schuldsaneringsregeling zal haar dan ook zeker goed doen, waardoor zij een nieuwe start kan maken. Een leven zonder schulden is haar ultieme doel.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] stelt dat haar psychosociale situatie op dit moment stabiel is, met name omdat zij inmiddels gescheiden is van haar ex-man en haar zoon, na zijn detentie, inmiddels ook op het rechte pad zou zijn. Dat is ook de reden dat zij haar behandeling bij GGzE zelf heeft stopgezet, zij achtte zelf een voortzetting van de behandeling niet meer noodzakelijk. Wel ontvangt zij nog ondersteuning van maatschappelijk werk “WIJ [vestigingsnaam] ”, maar dat is meer voor praktische zaken zoals het openen en lezen van de post en het vergezellen van [appellante] bij bijvoorbeeld ziekenhuisbezoeken. [appellante] komt op dit moment ook rond van het leefgeld dat zij van haar beschermingsbewindvoerder ontvangt en nieuwe schulden worden er niet gemaakt.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.7.2.

Vast staat dat [appellante] , in ieder geval nog recent, kampt(e) met psychosociale problemen. Ingevolge artikel 5.4.3. van het toepasselijke procesreglement wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar in voormelde zin zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring is door [appellante] evenwel niet overgelegd. Daar komt bij dat de beschermingsbewindvoerder in haar brief van 5 september 2017 onder meer schrijft:

“Daarnaast willen wij opmerken dat mevrouw ondanks haar instabiliteit op psychosociaal gebied nog nooit voor problemen heeft gezorgd in haar financiën tijdens het bewind.”

Het hof is van oordeel dat uit deze formulering zonder meer kan worden afgeleid dat de psychosociale problematiek, door de beschermingsbewindvoerder omschreven als “instabiliteit” van [appellante] nog steeds in meer of mindere mate aanwezig is. Daarnaast wordt ook in de rapportage van de gemeentelijke schuldhulpbemiddelaar van 3 november 2016 herhaaldelijk melding gemaakt van de aanwezigheid van een psychosociale problematiek:

“Betrokkene is beperkt zelfredzaam.”

(…)

“In verband met haar psychische klachten staat zij onder behandeling bij GGZE.”

(…)

“Op persoonlijk vlak gaat het minder goed met betrokkene. Zij heeft erg veel lichamelijke en psychische klachten. Zij heeft reuma, slijtage in haar nek, rug en schouders, knieproblemen en psychische klachten. Voor dat laatste is betrokkene onder behandeling bij een psychiater. Deze heeft een zware depressie geconstateerd. Betrokkene heeft in het verleden ook twee maal een zelfmoordpoging gedaan. Zij slikt veel medicatie waaronder ontstekingsremmers en pijnstillers, slaaptabletten en kalmeringsmiddelen. Een verbetering van haar situatie is niet aannemelijk. Daarnaast kan zij ook niet terugvallen op een uitgebreide sociale kring.”

Het hof is op grond hiervan van oordeel dat, ook indien wordt meegenomen dat – aldus [appellante] - de suïcidepogingen lang geleden hebben plaatsgevonden en zij, aldus haar verklaring ter zitting, “niet gek is” en van het leven en haar kinderen en kleinkinderen geniet, vooralsnog niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Zoals ook ter zitting in hoger beroep is gedaan, hecht het hof er, ook in meer algemene zin, overigens aan te benadrukken dat het hebben van psychosociale problemen als zodanig niet aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg behoeft te staan. Het gaat er echter wel om dat deze psychosociale problematiek beheersbaar is blijkens een (relevante) verklaring van een ter zake deskundige hulpverlener zoals de behandelend psychiater of psycholoog. Het verzoek van [appellante] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling dient (voor het moment) dan ook te worden afgewezen. Niets staat er echter aan in de weg dat [appellante] , indien en zodra zij wel over een actuele en ter zake doende rapportage ten aanzien van haar psychosociale problematiek beschikt waaruit blijkt dat deze problematiek inmiddels duurzaam beheersbaar kan worden geacht, opnieuw kan verzoeken te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.7.3.

Daarbij merkt het hof tot slot nog op dat een te premature toelating van [appellante] tot de wettelijke schuldsanering het voor haar ingrijpende gevolg kan hebben dat, indien zij niet aan alle in dat kader geldende verplichtingen kan voldoen, de schuldsaneringsregeling voortijdig wordt beëindigd met het voor haar nog ingrijpender gevolg dat zij, ingevolge de visie van de wetgever en de stand van de jurisprudentie van de Hoge Raad - als bevestigd in HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1031 -, in beginsel de komende tien jaar geen nieuw verzoek tot toelating kan doen. Ook dit is een aspect dat aandacht verdient en meeweegt bij het oordeel of en wanneer een schuldenaar geschikt is om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.8.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, S.M.A.M. Venhuizen en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2017.