Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4100

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
200.220.762_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldenares is niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep tegen de afwijzing van het dwangakkoord nu in artikel 292 Fw een bepaling ontbreekt die aan de schuldenaar uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om hoger beroep in te stellen tegen een op zichzelf staande afwijzende beslissing van de rechtbank inzake een gedwongen schuldregeling. Daarbij schuldenares eveneens niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep nu er tevens sprake is van een niet verschoonbare termijnoverschrijding met betrekking tot de indiening van het beroepschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 21 september 2017

Zaaknummer : 200.220.762/01

Zaaknummer eerste aanleg : 320739/ FT RK 17/401

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. R.A. Knopper te Helmond.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het (tussen)vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 7 juli 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 augustus 2017, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen, de afwijzing van de dwangregeling ongedaan te maken en de dwangregeling alsnog toe te wijzen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 september 2017. Bij die gelegenheid is gehoord:

  • -

    [appellante] , bijgestaan door mr. Knopper,

  • -

    mevrouw [beschermingsbewindvoerder] in haar hoedanigheid van informante, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 23 juni 2017;

  • -

    de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 30 augustus 2017 en 5 september 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de besloten vennootschap [de vennootschap]

d.d. 31 augustus 2017;

- de ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellante] overgelegde stukken, te weten een faxjournaal en een emailbericht, beiden d.d. 14 juli 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit de uitlatingen van de beschermingsbewindvoerder zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat zij bekend is met het hoger beroep dat [appellante] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de besloten vennootschap [de vennootschap] ., hierna te noemen [de vennootschap] , te bevelen in te stemmen met de door [appellante] aangeboden schuldregeling alsmede om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

3.3.

Bij (tussen)vonnis waarvan beroep is het verzoek om [de vennootschap] te bevelen in te stemmen met de door [appellante] aangeboden schuldregeling afgewezen en de behandeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aangehouden teneinde [appellante] in de gelegenheid te stellen richting de rechtbank voor 1 september 2017 schriftelijk aan te geven of zij dit verzoek wil handhaven.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“3.3. Gezien de relatief beperkte omvang van de totale schuldenlast van [appellante] van

€ 5.458,91 en het kleine aantal schuldeisers, te weten drie in totaal, afgezet tegen de jonge leeftijd van [appellante] en de voor haar bestaande mogelijkheid om een inkomen uit arbeid te verkrijgen, geldt evenwel dat zij niet in de uitzichtloze financiële situatie verkeert, maar dat zij in staat moet worden geacht om ook in de toekomst te kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat [appellante] in staat is haar schulden volledig af te lossen en ter zake met haar schuldeisers een regeling te treffen. Haar financiën worden immers door haar bewindvoerder beheerd en niet is gebleken dat haar schuldeisers, waaronder ook [de vennootschap] , afwijzend staan tegenover een dergelijke schuldregeling.

3.4.

Afgezien van het voorgaande heeft te gelden dat de vordering van [de vennootschap] € 1.556,65 een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast van [appellante] van € 5.458,91 vertegenwoordigt, te weten 28,52 % daarvan.

3.5.

Gezien de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting blijkt verder onvoldoende dat [appellante] zich maximaal heeft ingespannen en zich gedurende het minnelijke traject maximaal zal inspannen om zoveel mogelijk aan haar schuldeisers te voldoen. (…) Aan het vorenstaande verbindt de rechtbank de conclusie dat niet voldoende vast staat dat de uitvoering van de aangeboden schuldregeling leidt tot een uitbetaling aan de schuldeisers die als uiterste moet worden beschouwd waartoe [appellante] in staat is, indien dit wordt afgezet tegen hetgeen in de wettelijke schuldsaneringsregeling geldt.”

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste weergave van hetgeen de gemachtigde van [appellante] en [schuldhulpverlener] gedurende de zitting van 23 juni 2017 naar voren hebben gebracht. Hieruit dient te worden afgeleid dat de rechtbank derhalve is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken, waardoor zij ten onrechte tot afwijzing is gekomen van het verzoek tot dwangregeling Dit ziet met name op het feit dat de inspanningsverplichting van [appellante] onderbelicht is gebleven, alsmede de controlerende taak die de bewindvoerder heeft gedurende de dwangregeling.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] erkent allereerst dat het beroepschrift uiteindelijk te laat is ingediend. Haar advocaat geeft aan dat het beroepschrift op 14 juli 2017 door hem per fax aan het hof was toegezonden, maar dat het faxjournaal van de betreffende verzending vermeldde dat de verzending was mislukt. Hierop heeft hij het beroepschrift nog dezelfde dag per email verzonden naar een mailadres dat hij gekregen had van de schuldhulpverlener van [appellante] , mevrouw [schuldhulpverlener] . Toen de advocaat van [appellante] de weken hierna geen ontvangstbevestiging van het hof ontving heeft hij telefonisch contact met de griffie van het hof opgenomen en het beroepschrift, nadat hem was medegedeeld dat dit niet was ontvangen, nogmaals per reguliere post aan het hof gezonden. Dit beroepschrift is door de griffie van het hof op 3 augustus 2017 ontvangen en hiervan heeft de advocaat van [appellante] ook een ontvangstbevestiging ontvangen.

Daarnaar gevraagd bevestigt [appellante] dat het door haar ingestelde hoger beroep alleen ziet op de afwijzing door de rechtbank van het dwangakkoord. [appellante] stelt (inhoudelijk) voorts dat haar huidige positie op de arbeidsmarkt, en daaraan gekoppeld haar mogelijkheid om op haar schulden af te kunnen (gaan) lossen, feitelijk uitzichtloos is. Zij is al jaren werkloos, solliciteert wel, maar vanwege haar lage opleiding wordt zij nagenoeg nimmer voor een gesprek uitgenodigd. Daar komt bij dat, indien zij wel een betaalde arbeidsbetrekking zou weten te verwerven, de inkomsten die zij hiermee zou genereren dermate laag zouden zijn dat dit met betrekking tot het aflossen op haar schulden ook maar weinig zoden aan de dijk zou zetten. Een en ander wordt nog bemoeilijkt doordat de schuldeiser die als enige niet heeft ingestemd met het door [appellante] voorgestelde akkoord inmiddels ook beslag heeft gelegd op haar uitkering.

3.7.

[de vennootschap] heeft in haar verweerschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Primair is [de vennootschap] van mening dat het appel te laat is ingesteld. Conform artikel 292 lid 3 Fw dient een hoger beroep binnen acht dagen na de dag van de uitspraak te zijn ingesteld bij verzoekschrift. De appeltermijn verstreek derhalve op 17 juli 2017. [de vennootschap] constateert dat het beroepschrift bij het hof is ingekomen op 3 augustus 2017. Derhalve dient [appellante] niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek. Subsidiair is [de vennootschap] van mening dat er dient te worden uitgegaan van de gronden zoals genoemd in het beroepschrift en dat het verzoek van [appellante] om nadere gronden te mogen indienen niet gehonoreerd kan worden. Ingevolge artikel 359 Rv jo artikel 278 lid 1 en 426a lid 2 Rv dient het beroepschrift de gronden te bevatten waarop het hoger beroep berust. Voor een uitzondering op dit vereiste is hier geen sprake. Het enkele beroep op de korte termijn van indienen van het beroepschrift gaat immers niet op. De wetgever heeft bewust gekozen voor het toepassen van een korte beroepstermijn van acht dagen. Om in aanmerking te kunnen komen voor een uitzondering op de regel zal meer moeten worden gesteld en bewezen dan enkel de korte termijn van indienen. Meer subsidiair is [de vennootschap] van mening dat, voor het geval [appellante] wel tijdig in appel zou zijn gekomen, ook om andere redenen het appel van [appellante] dient te worden afgewezen. De argumenten hiervoor heeft [de vennootschap] reeds gegeven in haar verweerschrift d.d. 16 juni 2017, gericht aan de rechtbank. [de vennootschap] verzoekt de inhoud hiervan als herhaald en ingelast te beschouwen. [de vennootschap] voegt daar aan toe dat uit het beroepschrift niet is af te leiden dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken door of namens [appellante] , ter zitting van 23 juni 2017. Dit standpunt wordt enkel in het beroepschrift neergelegd, maar wordt op geen enkele wijze toegelicht, laat staan bewezen. Derhalve dient, naar de mening van [de vennootschap] , dit standpunt te worden gepasseerd.

3.8.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – desgevraagd nog het volgende aangevoerd. [appellante] ontvangt op dit moment geen begeleiding bij het opstellen van haar sollicitatiebrieven. De beschermingsbewindvoerder erkent dat er ten aanzien van deze brieven, zowel qua inhoud als gehanteerde formuleringen, de nodige ruimte voor verbetering is. Zij zal [appellante] deze begeleiding gaan bieden.

3.9.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.9.1.

Artikel 287a lid 7 Fw houdt in dat de rechter eerst beslist op het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling, en dat hij pas na afwijzing van dit verzoek een beslissing neemt op het verzoek tot toepassing van de schuldregeling, indien de schuldenaar laatstgenoemd verzoek handhaaft. Mede gelet op de hierna aan de orde te stellen jurisprudentie van de Hoge Raad en onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis (Kamerstukken 29 942, C, p. 6-7) komt het het hof voor dat het de voorkeur geniet om de beide beslissingen uiteindelijk in één dictum uit te spreken. Echter in dit geval heeft de rechtbank reeds met een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing in het dictum van het (tussen)vonnis waarvan beroep het verzoek tot een dwangakkoord afgewezen, maar over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling nog niet beslist in afwachting van schriftelijk bericht van [appellante] of zij dat verzoek wil handhaven.

In zoverre is de -naar het inzicht van het hof onwenselijke- situatie ontstaan dat de verschillende beslissingen ‘uit elkaar getrokken’ zijn. Volgens informatie van de rechtbank, door het hof ingewonnen na 1 september 2017, had [appellante] de rechtbank toen nog niet geïnformeerd over het al dan niet handhaven van het verzoek tot toepassing van de wsnp.

Het hof ziet zich derhalve geconfronteerd met een hoger beroep van een op zichzelf staande, afwijzende beslissing inzake het verzoek tot een dwangakkoord.

3.9.2.

In artikel 292 Fw ontbreekt een bepaling die aan de schuldenaar uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om hoger beroep in te stellen tegen een op zichzelf staande afwijzende beslissing van de rechtbank inzake een gedwongen schuldregeling. De wetgever had er uitdrukkelijk voor gekozen (Kamerstukken 29 942, 4, p. 3) de schuldenaar geen recht van hoger beroep toe te kennen tegen het vonnis waarbij het verzoek tot het opleggen van een schuldregeling werd afgewezen. Dit zou de procesgang van de schuldsaneringsregeling te veel compliceren. Weliswaar kan de schuldenaar van wie het subsidiaire schuldsaneringsverzoek is afgewezen op grond van lid 3 van artikel 292 Fw, het verzoek tot het opleggen van een schuldregeling aan het gerechtshof voorleggen, maar die situatie doet zich hier niet voor. De rechtbank heeft immers op dat verzoek nog niet beslist.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0966), waarbij is beslist dat toewijsbaarheid van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling geen voorwaarde is voor toewijsbaarheid van het art. 287a-verzoek, onder ogen gezien dat dat oordeel gevolgen heeft voor de toepassing van het stelsel van rechtsmiddelen van art. 292 Fw en -uitgaande van vier te onderscheiden gevallen (van telkens gelijktijdige genomen beslissingen inzake 284 en 287a Fw-verzoeken)- onder meer beslist dat de schuldenaar ook hoger beroep (en beroep in cassatie) kan instellen indien het verzoek tot oplegging van een schuldregeling wordt afgewezen en niet is beslist op het onderliggende verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling omdat dit niet is gehandhaafd. In dat geval is enkel de beoordeling van het verzoek op grond van art. 287a Fw aan de orde. Echter ook die situatie doet zich hier niet voor nu het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet is ingetrokken en over al dan niet handhaven van dat verzoek (nog) geen duidelijkheid bestaat.

Ook overigens geldt dat, omdat in dit geval het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is aangehouden, het (nog) niet mogelijk is dit geval te kwalificeren als één van de door de Hoge Raad in zijn hiervoor bedoelde arrest beschreven gevallen.

3.9.3.

Naar het oordeel van het hof is onder de omstandigheden van deze zaak geen hoger beroep mogelijk tegen de (nu nog op zichzelf staande) afwijzing van het verzoek ex artikel 287a Fw. [appellante] dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep (vgl. in dezelfde zin: ECLI:NL:GHARL:2015:9500).

3.9.4.

Ook voor zover in dit geval wel een mogelijkheid tot hoger beroep zou hebben bestaan, zou desalniettemin sprake zijn geweest van niet-ontvankelijkheid, in dat geval wegens overschrijding van de appeltermijn. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.9.5.

De uitspraak in eerste aanleg dateert van 7 juli 2017. De appeltermijn eindigde acht dagen nadien, derhalve op 15 juli 2017. Nu laatstgenoemde datum op een zaterdag valt eindigde de appeltermijn in deze zaak evenwel op (maandag) 17 juli 2017. Het beroepschrift is ter griffie op 3 augustus 2017 binnengekomen en dus (in beginsel) te laat. Bij de beoordeling of deze overschrijding van de appeltermijn wellicht verschoonbaar moet worden geacht stelt het hof, mede overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1682) het navolgende voorop.

3.9.6.

Uitgangspunt is dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid dient te bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie begint te lopen (en eindigt), en dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan daarop een uitzondering worden gemaakt. Een uitzondering is met name gerechtvaardigd indien degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt.

3.9.7.

In onderhavige zaak heeft de advocaat van [appellante] op 14 juli 2017 getracht het beroepschrift per fax aan de griffie van dit hof te doen toekomen. Nadat de advocaat van [appellante] na bestudering van het bijbehorende faxjournaal was gebleken dat de verzending per fax was mislukt heeft hij nog diezelfde dag gepoogd het beroepschrift per email aan het hof te doen toekomen. Hiervoor heeft hij een emailadres gebruikt dat hij had ontvangen van de schuldhulpverleenster van [appellante] . Allereerst wordt opgemerkt dat uit het procesreglement handelsverzoekschriften niet blijkt van de mogelijkheid om verzoeken en mededelingen elektronisch te doen (vgl. artikel 33 Rv.), zodat het gebruik van email in onderhavige situatie niet is toegelaten. Voorts geldt dat uit de naam van dit emailadres ( [emailadres] ) door de advocaat van [appellante] in ieder geval niet kon worden herleid dat dit adres daadwerkelijk aan de griffie van dit hof was verbonden. De advocaat van [appellante] heeft er -ook zonder een en ander te verifiëren- desondanks, en naar het oordeel van het hof lichtzinnig, op vertrouwd dat het beroepschrift via deze weg tijdig bij de juiste instantie aan zou komen. Eerst na verloop van een aantal weken heeft de advocaat van [appellante] , daartoe bewogen door het uitblijven van een ontvangstbevestiging van dit hof, telefonisch contact met de griffie van dit hof opgenomen teneinde te vernemen of het door hem namens [appellante] ingediende beroepschrift tijdig was ontvangen. Toen dit niet het geval bleek heeft hij het beroepschrift alsnog, ditmaal per reguliere post, aan dit hof toegezonden. De beroepstermijn was op dat moment evenwel al meer dan twee weken verstreken.

3.9.8.

Het hof acht onder deze omstandigheden de termijnoverschrijding geenszins verschoonbaar. Daarbij merkt het hof nog op dat de advocaat van [appellante] op de eerstvolgende werkdag na de mislukte faxverzending, in casu op maandag 17 juli 2017, (telefonisch) contact had kunnen opnemen met de griffie van dit hof teneinde te informeren naar de correcte ontvangst van het beroepschrift en/of alsnog het beroepschrift tijdig in te dienen, waartoe immers nog die gehele maandag de mogelijkheid bestond. Dat dit zou zijn gedaan is echter niet gesteld of anderszins gebleken.

3.9.9.

De slotsom is dan ook dat [appellante] , zo al de mogelijkheid van hoger beroep in dit geval voor haar zou hebben bestaan, zij in haar beroep wegens onverschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is. Gelet op het vorengaande komt het hof dan ook feitelijk niet toe aan een inhoudelijke behandeling en beoordeling van de zaak.

3.10.

Gelet op al het bovenstaande zal het hof [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en F. Kooijman en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2017.