Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:41

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
200.189.795_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:473
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huurzaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.189.795/01

arrest van 10 januari 2017

gewezen in het incident in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. T. Delmee te Tilburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. H.J.M. Goossens te Asten,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 maart 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 december 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven gewezen tussen onder meer appellant – [appellant] – als eiser in conventie, verweerder in reconventie en onder meer geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3883398 CV EXPL 15-2044)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met een productie;

  • -

    de memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van eis met producties 12 tot en met 26;

  • -

    de memorie van antwoord tevens houdende (voorwaardelijk) incident;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie in eerste instantie onder meer gevorderd [geïntimeerde] , [Holding] Holding B.V., [de vennootschap 1] en [de vennootschap 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 86.779,40 ter zake van achterstallige huurpenningen, te vermeerderen met rente, en tot betaling van een bedrag van € 38.250,00 ter zake van de contractuele boete, te vermeerderen met rente en een bedrag van € 250,00 voor elke ingegane dag na 31 januari 2015 tot aan de dag van algehele voldoening.

[appellant] heeft vervolgens bij conclusie van antwoord in het incident tevens houdende akte wijziging van eis/uitbreiding grondslag zijn vordering ter zake van de huurpenningen enkel jegens [de vennootschap 3] (voorheen [de vennootschap 1] ) gehandhaafd en deze eis aldus vermeerderd dat naast de veroordeling tot betaling van het bedrag van € 86.779,40 tevens veroordeling van een bedrag van € 8.855,52 voor elke maand na februari 2015 tot aan de dag van algehele voldoening is gevorderd. De vordering ter zake van de contractuele boete heeft [appellant] slechts ten aanzien van [de vennootschap 3] en [geïntimeerde] gehandhaafd

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter in conventie, voor zover thans van belang, [de vennootschap 3] veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 141.149,49 ter zake van huurpenningen tot en met november 2015 en tot betaling van aan [appellant] van een bedrag van € 38.250,00 ter zake van contractuele boete, vermeerderd met een bedrag van € 250,00 voor elke ingane dag na 31 januari 2015 tot aan de dag van voldoening. De vordering ter zake van de contractuele boete is jegens [geïntimeerde] afgewezen (vgl. r.o. 3.7 van het bestreden vonnis).

3.3.

[appellant] heeft bij memorie van grieven voornoemde eisen aldus gewijzigd dat hij in hoger beroep veroordeling vordert van [geïntimeerde] (de overige gedaagden in eerste aanleg zijn door [appellant] niet betrokken in hoger beroep) tot betaling van een bedrag van € 152.000,00 ter zake van de contractuele boete, vermeerderd met rente, en tot betaling van een bedrag van € 203.375,10 ter zake van achterstallige huurpenningen, eveneens vermeerderd met rente.

3.4.

[geïntimeerde] vordert in het incident niet-ontvankelijk verklaring van [appellant] in zijn vorderingen in hoger beroep, althans, zo begrijpt het hof, in zijn eiswijzigingen in hoger beroep.

3.5.

[geïntimeerde] stelt in dat kader als eerste dat het feit dat [appellant] in hoger beroep zijn vorderingen rechtstreeks en alleen jegens [geïntimeerde] instelt en niet tegen [Holding] Holding B.V. direct tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] in zijn vorderingen dient te leiden. [geïntimeerde] voert vervolgens hiervoor als argumenten aan dat [appellant] zijn vorderingen grondt op bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerde] , terwijl [Holding] Holding B.V. de werkelijke bestuurder van [de vennootschap 3] is, en dat [appellant] nergens concretiseert waarop hij de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] baseert.

Dit zijn naar het oordeel van het hof echter inhoudelijke argumenten die niet in incident tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] in zijn vorderingen kunnen leiden, maar dienen te worden betrokken bij de inhoudelijke beoordeling in de hoofdzaak van de toewijsbaarheid van de vorderingen in hoger beroep.

3.6.1.

De vordering van [geïntimeerde] in het incident is voorts gegrond op bezwaren van [geïntimeerde] tegen de eiswijziging van [appellant] in hoger beroep. Het hof zal het incident voor het overige dan ook als zodanig behandelen. Het hof stelt hierbij voorop dat het hoger beroep er mede toe strekt de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Op grond van artikel 353 lid 1 jo artikel 130 Rv komt aan de oorspronkelijk eiser de bevoegdheid toe om in hoger beroep zijn eis of de grondslag daarvan te veranderen of te vermeerderen. Deze bevoegdheid wordt slechts beperkt door de in die bepalingen genoemde eisen van een goede procesorde en door de twee-conclusieregel.

3.6.2.

Van strijd met de in artikel 347 lid 1 BW opgenomen twee conclusie-regel is in het onderhavige geval geen sprake, omdat de eiswijzigingen zijn neergelegd in de memorie van grieven van [appellant] .

Naar het oordeel van het hof is de eiswijziging van [appellant] ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Voor zover het bezwaar van [geïntimeerde] tegen de eiswijziging inhoudt dat [appellant] in hoger beroep geen vordering jegens [geïntimeerde] kan instellen uit hoofde van kennelijk behoorlijk bestuur of onrechtmatige daad, omdat [appellant] in eerste aanleg afstand heeft gedaan van zijn vorderingen op deze grond jegens [geïntimeerde] , heeft dit bezwaar betrekking op de inhoud van de gewijzigde eis en betreft dit bezwaar geen processueel bezwaar in de zin van artikel 130 Rv. [appellant] voert voorts aan dat de eiswijziging van [appellant] in hoger beroep in strijd is met de goede procesorde, omdat [appellant] door (de grondslag van) zijn rechtsvorderingen steeds te vaag te omschrijven en drie keer te wijzigen [geïntimeerde] niet in staat stelt om hierop voldoende concreet te reageren, waardoor hij niet in staat is een behoorlijke verdediging of verweer te voeren. Dit levert evenmin strijd met een goede procesorde op. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord uitgebreid op de gewijzigde eis kunnen reageren en hij heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt. Het beginsel van hoor- en wederhoor is niet geschonden. Bij de inhoudelijke beoordeling van de hoofdzaak zal moeten blijken of [appellant] reeds in eerste aanleg afstand heeft gedaan van zijn vorderingen jegens [geïntimeerde] en of [appellant] zijn grondslag voor de vorderingen te vaag en/of onvoldoende concreet heeft omschreven.

Uit het voorgaande volgt dat de bezwaren van [geïntimeerde] tegen de eiswijziging van [appellant] worden verworpen en dat het hof bij de beoordeling in de hoofdzaak zal uitgaan van de gewijzigde eis.

In de hoofdzaak

3.8.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor beraad van partijen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 24 januari 2017 voor beraad van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 januari 2017

griffier rolraadsheer