Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4090

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
200.209.318_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 21 september 2017

Zaaknummer: 200.209.318/01

Zaaknummer eerste aanleg: 4976410 BM 16-1901

in de zaak in hoger beroep van:

[de rechthebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen: de rechthebbende,

en

[de voormalig bewindvoerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen: de voormalig bewindvoerder,

appellanten,

advocaat: mr. P.A. Schippers.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting [stichting], gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna ook te noemen: de (opvolgend) bewindvoerder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, Toezicht, van 8 november 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 februari 2017, hebben appellanten verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw te bepalen dat [de voormalig bewindvoerder] wordt ontslagen als bewindvoerder van [de rechthebbende] , met benoeming van [de vader van de rechthebbende] (hierna: de vader) tot opvolgend bewindvoerder.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2017. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    appellanten, bijgestaan door mr. Schippers;

  • -

    de bewindvoerder, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de bewindvoerder 1] en de heer [vertegenwoordiger van de bewindvoerder 2] .

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de stukken in eerste aanleg, ter griffie ingekomen op 7 maart 2017;

  • -

    de brief van de bewindvoerder van 22 mei 2017, ter griffie ingekomen op 22 mei 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de bewindvoerder van 3 augustus 2017, ter griffie ingekomen op 7 augustus 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 21 juli 2009 heeft de kantonrechter van de rechtbank

’s-Hertogenbosch (thans de rechtbank Oost-Brabant) over de goederen die [de rechthebbende] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld, met benoeming van [de voormalig bewindvoerder] ; de zuster van rechthebbende, tot bewindvoerder.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, voor zover thans van belang, (ambtshalve) [de voormalig bewindvoerder] ontslagen als bewindvoerder, onder gelijktijdige benoeming van Stichting [stichting] tot bewindvoerder.

3.3.

Appellanten kunnen zich met deze beschikking, voor zover het de benoeming van Stichting [stichting] betreft, niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. Zij verzoeken vernietiging van de bestreden beschikking en alsnog het ontslag van [de voormalig bewindvoerder] als bewindvoerder met benoeming van de vader, [de vader van de rechthebbende] , tot opvolgend bewindvoerder.

Ontvankelijkheid

3.4.

Het ontslag van [de voormalig bewindvoerder] als bewindvoerder is niet in geschil. Op dit punt zal het hof de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

Vervolgens dient het hof te beoordelen of [de voormalig bewindvoerder] ontvankelijk is in haar appel voor zover het betreft de benoeming van de persoon van de opvolgend bewindvoerder.

Desgevraagd heeft zij ter zitting verklaard dat zij belang heeft bij dit hoger beroep omdat zij de bewindvoerdertaken wil overdragen aan haar vader. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de benoeming van een opvolgend bewindvoerder de voormalig bewindvoerder die zich neergelegd heeft bij het eigen ontslag niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is aan te merken nu de benoeming van de opvolgend bewindvoerder niet rechtsreeks betrekking heeft op de rechten of verplichtingen van de voormalig bewindvoerder. Evenmin is [de voormalig bewindvoerder] , als zuster van de rechthebbende, in deze procedure waarin het de persoon van de te benoemen bewindvoerder betreft belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 2 Rv. Het hof zal [de voormalig bewindvoerder] niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek in hoger beroep.

3.5.

In het beroepschrift is, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat – het volgende aangevoerd. De benoeming van de vader tot bewindvoerder is de wens van de rechthebbende, althans van de familie. Er zijn geen belemmeringen voor een dergelijke benoeming. De vader is voldoende administratief onderlegd om een goed bewind te voeren en hij stelt het belang van de rechthebbende voorop. Zaken die in het verleden niet goed zijn gegaan zijn volledig te wijten aan de voormalig bewindvoerder. De vader heeft weliswaar recent zaken geregeld die behoorden tot de taak van de bewindvoerder, maar er was sprake van een noodsituatie.

3.6.

De bewindvoerder voert - kort samengevat - het volgende aan. Allereerst is de rechthebbende gelet op zijn psychische vermogens niet in staat om zelf beslissingen te nemen. Verder zijn er wel belemmeringen om de vader tot bewindvoerder te benoemen. De vader heeft aan de kantonrechter en de opvolgend bewindvoerder geen melding gemaakt van het Persoonsgebonden Budget (PGB) van de rechthebbende, terwijl hij hiervan op de hoogte was en hier tijdens een huisbezoek van de bewindvoerder expliciet naar is gevraagd. Het PGB gaat voor een groot deel naar zorg verlenende familieleden van de rechthebbende, waaronder de vader die het vervoer verzorgt. De uren zijn niet juist verantwoord. Verder heeft de vader schulden laten ontstaan die ten laste van de rechthebbende komen en hij heeft betalingsregelingen getroffen. De vader vormt een risico voor het vermogen van de rechthebbende.

3.7.

In geschil is de persoon van de bewindvoerder.

3.8.

Ingevolge artikel 1:435 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

Lid 4 van dit artikel bepaalt dat, indien de rechthebbende gehuwd is, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel tot bewindvoerder wordt benoemd, tenzij lid 3 van toepassing is.

Is het vorige niet van toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.9.1.

Ter zitting heeft het hof geconstateerd dat de rechthebbende niet in staat is zelf zijn uitdrukkelijke wil en daarmee een uitdrukkelijke voorkeur ten aanzien van de benoeming van zijn bewindvoerder te bepalen.

Nu rechthebbende geen echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel heeft, wordt ingevolge het vierde lid van voormeld artikel bij voorkeur een van de ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd en de vader heeft zich daartoe ook bereid verklaard. Het is de wens van de familie dat de vader tot bewindvoerder wordt benoemd. Niet is gebleken dat er andere familieleden anders als genoemd in het vierde lid van 1:435 BW zijn die in staat zijn en zich bereid verklaard hebben tot bewindvoerder benoemd te worden.

3.9.2.

Het staat de rechter vrij om af te wijken van de wettelijke voorkeur bij gebleken bezwaren tegen benoeming van de wettelijk preferente bewindvoerder. De rechter moet dan wel motiveren op grond van welke redenen wordt afgeweken van de wettelijk preferente bewindvoerder (MvT, Kamerstukken II 15 350, p. 20). Het hof is van oordeel dat er sprake is van zodanige gebleken bezwaren ten aanzien van de vader dat afgeweken moet worden van de wettelijke voorkeur en overweegt daartoe het navolgende.

3.9.3.

De rechthebbende woont in gezinsverband samen met de ouders en een jongere zus in een woning die - met toestemming van de kantonrechter - uit het vermogen van de rechthebbende is betaald. De voormalig bewindvoerder maakte voorheen ook onderdeel uit van dit gezin, maar zij woont sinds een aantal maanden op zichzelf.

Ter zitting is gebleken dat er kennelijk in de periode 2008/2009 problemen zijn ontstaan met declaraties in verband met het PGB van de rechthebbende. Uit de jaarafrekening van het PGB over 2010 blijkt dat er een bedrag van € 38.499,88 teveel aan PGB is ontvangen en dat dat bedrag dient te worden terugbetaald. In die periode was [de voormalig bewindvoerder] weliswaar bewindvoerder, maar ter zitting is komen vast te staan dat een groot deel van het PGB aan de ouders werd betaald. Het hof acht het dan ook niet voorstelbaar dat de vader destijds niet op de hoogte was van het PGB. Bovendien heeft de vader een betalingsregeling getroffen met betrekking tot de ontstane schuld.

Voorts is ter zitting gebleken dat er in 2016 wederom sprake is van een PGB. Dat is niet aan de bewindvoerder gemeld door de vader, terwijl de bewindvoerder juist met name contact heeft met de vader over de financiën van de rechthebbende. Volgens de opvolgend bewindvoerder kan het zijn dat het PGB ten onrechte is toegekend gezien de grote schuld die er nog steeds is met betrekking tot dat PGB.

Verder is uit de stukken gebleken dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een fout heeft gemaakt door over de maand januari 2017 in plaats van een bedrag van € 50,68 een bedrag van € 5.068,80 over te maken op de bankrekening van de vader als zorghulpverlener voor rechthebbende. Vaststaat dat de vader dat bedrag niet onmiddellijk heeft teruggestort, dat de SVB hierover op 20 juli 2017 een brief gestuurd heeft aan de vader en dat de vader hiervoor een betalingsregeling heeft getroffen. Ook dit is door de vader niet met de bewindvoerder besproken. Ook financiële perikelen met betrekking tot een lekkage in de woning welke heeft geleid tot een dreiging van een incasso executie door deurwaarderskantoor

[deurwaarderskantoor] in april 2017 is door de vader niet aan de bewindvoerder gemeld.

Bovendien is ter zitting gebleken dat er op naam van de rechthebbende abonnementen worden afgesloten ten gunste van het hele gezin.

3.9.4.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake is van een volstrekt onduidelijke en daarmee onacceptabele financiële verwevenheid tussen de rechthebbende en de vader en overige gezinsleden. Bovendien is die verwevenheid niet aan de kantonrechter en aan de opvolgend bewindvoerder gemeld. Het hof merkt daarbij op dat gebleken is dat - in strijd met de door de kantonrechter gestelde voorwaarden bij de machtiging voor de aankoop van het woonhuis - nog steeds geen notariële samenlevingscontract is opgemaakt tussen de gezinsleden, zodat niet duidelijk is vastgelegd welk gezinslid welke kosten op zich zal nemen. Ook de vader, die met de moeder, rechthebbende en andere kind(eren) in het met het geld van de rechthebbende gefinancierde woning woont, heeft daartoe geen stappen ondernomen.

Hoewel het hof niet twijfelt aan de zorg die de familie aan de rechthebbende al die jaren gegeven heeft en nog steeds geeft, is het hof van oordeel dat gebleken is van zodanige bezwaren ten aanzien van de persoon van de vader als bewindvoerder dat het hof niet zal overgaan tot benoeming van de vader als bewindvoerder.

Naar het oordeel van het hof is een onafhankelijke bewindvoerder noodzakelijk.

Het in het beroepschrift in algemene bewoordingen gedane bewijsaanbod zal worden gepasseerd nu dit onvoldoende specifiek en concreet is.

Nu overigens niet gesteld noch gebleken is van bezwaren tegen de huidige door de kantonrechter benoemde bewindvoerder zal het hof de bestreden beschikking ook voor wat betreft de benoeming van de bewindvoerder bekrachtigen.

3.10.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

Het hof zal voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant in verband met aantekening in het Curatele- en Bewindregister.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart [de voormalig bewindvoerder] niet-ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 november 2016;

wijst af het meer of anders verzochte;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant in verband met aantekening in het Curatele- en Bewindregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.D.M. Lamers, A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2017 in tegenwoordigheid van de g