Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4039

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
14-01101
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7447, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KBL. Het Hof is van oordeel dat de informatiebeschikking betreffende de IB/PVV voor het jaar 2009 terecht is afgegeven en dat omkering en verzwaring van de bewijslast dient te worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-09-2017
FutD 2017-2429

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/01101

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 oktober 2014, nummer AWB 13/3472 in het geding tussen

1. belanghebbende,

en

2. de Inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, en

3. de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie),

hierna: de Staat,

betreffende de hierna te vermelden informatiebeschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 15 november 2012 is aan belanghebbende een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) afgegeven. Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur met dagtekening 13 mei 2013, gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na verzending van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan de Inspecteur de door deze verzochte informatie te verstrekken.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 122. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 10 juni 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord mevrouw [A] , als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mevrouw [B] en [C] alsmede, namens de Inspecteur, de heren [D] , [E] en [F] . Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan aan het Hof en de Inspecteur overgelegd.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende over de jaren 1990 tot en met 2001 (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en/of vermogensbelasting, verhogingen en boetebeschikkingen opgelegd in verband met een in Luxemburg bij Kredietbank Luxembourg (hierna: KBL) aangehouden depositorekening met een saldo van ƒ 222.377,70 op 31 januari 1994. Deze aanslagen en boetebeschikkingen zijn bij uitspraken van 14 februari 2013 van (uiteindelijk) het Gerechtshof te Amsterdam deels in stand gebleven en onherroepelijk geworden.

2.2.

De Inspecteur heeft naar aanleiding van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2009 bij brief van 16 oktober 2012 onder verwijzing naar gevoerde correspondentie inzake voorafgaande jaren met betrekking tot voormelde KBL-rekeningen aan belanghebbende verzocht om vóór 30 oktober 2012 opgave te doen van spaartegoeden in het buitenland. De brief vermeldt, voor zover hier van belang, de volgende vragen:

“1. Is/zijn deze bankrekening(en) in 2009 nog steeds door uw cliënten aangehouden?

2. Zo ja, wat was het saldo, inclusief onderliggende sub- en beleggingsrekeningen, op 1 januari en 31 december 2009?

3. Zo nee, waar wordt het eerder op de KBL-rekening gestalde vermogen in 2009 aangehouden?

4. Wat was het saldo van die andere rekeningen op 1 januari en 31 december 2009?

5. Indien niet langer het KBLvermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of wanneer en waarvoor is het aangewend.

6. Ik verzoek u de bescheiden met betrekking tot de onderhavige buitenlandse rekening(en)(in kopie) voor deze jaren te overleggen.”

De I0nspecteur heeft belanghebbende in die brief gewezen op de informatieplicht zoals bedoeld in artike01l 47 van de AWR en hem tevens gewezen op de mogelijkheid dat bij uitblijven van de informatie hem een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a van de AWR gegeven kan worden.

2.3.

Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 29 oktober 2012 ingelicht dat hij ontkent rechthebbende van de betreffende KBL-rekening te zijn (geweest). Belanghebbende heeft daarbij verwezen naar de toen nog lopende procedures bij het Gerechtshof te Amsterdam.

2.4.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende bij brief van 15 november 2012 een informatiebeschikking gezonden omdat de door hem gewenste informatie niet was ontvangen. De in onderdeel 2.2 vermelde vragen zijn in deze beschikking herhaald.

2.5.

Naar aanleiding van een aan belanghebbende toegezonden concept-dagvaarding voor een kort gedingprocedure heeft belanghebbende bij brief van 17 september 2013 informatie verstrekt over door hem (en zijn echtgenote) in het buitenland aangehouden rekeningen.

2.5.1.

De verstrekte informatie betreft, zakelijk weergegeven, voor zover van belang:

a. een door belanghebbende ondertekende verklaring van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Het betreft de KBL-rekening en een drietal Spaanse bankrekeningen;

b. bescheiden met betrekking tot een bij KBL aangehouden bankrekening, [nummer] , vanaf 26 november 1990 tot en met 10 januari 2003. Hieruit blijkt een stand van deze bankrekening per 31 december 2002 van € 1.164,88 en een eindstand op 10 januari 2003 van € 1.701,77. Overige standen zijn niet verstrekt. Het eindsaldo (minus kosten) van € 1.695,57 heeft belanghebbende op 16 september 2003 opgenomen;

c. een schriftelijke bevestiging van KBL met dagtekening 21 mei 2013 van opheffing van deze bankrekening per 10 januari 2003, alsmede een brief van KBL van 3 juni 2013 waarin belanghebbende het volgende wordt medegedeeld:

“Wij wensen u eraan te herinneren dat onze bank, in overeenstemming met het Algemeen Reglement der Verrichtingen, over het recht beschikt om de gearchiveerde documenten en bewijsstukken te vernietigen die de wettelijke bewaartijd van 10 jaar overschrijden. Om deze reden voert de bank geen opzoekingen uit voor verrichtingen die deze periode voorafgaan.”

Voorts is bij brief van 13 maart 2014 door belanghebbende, voor zover van belang, de volgende nadere informatie aan de Inspecteur verstrekt:

d. een handgeschreven verklaring van belanghebbende van 3 december 2013 waarin hij als volgt heeft verklaard:

“In 1998 hebben wij in Spanje een appartement gekocht, en daar een deel van het spaargeld in gestoken voor verbouwing en stoffering, aanschaf meubilair etc. Rekeningen van aannemer en meubilair zijn in ons bezit. Ook hebben wij in de loop der jaren ons een aantal kostbaarheden aangeschaft. Taxatierapport t.b.v. verzekering is in ons bezit.”

e. een handgeschreven uitwerking van 18 december 2013 van belanghebbende met betrekking tot de uitgaven in verband met de aanschaf van het appartement in Spanje en de kostbaarheden. Deze uitwerking ziet er als volgt uit:

kosten aannemer verbouwing één appartement Spanje

€ 18.590

aanschaf personenauto in 1999

€ 12.645

aanschaf tv

€ 1.499

aanschaf artikelen voor interieur

€ 2.411

"

€ 6.714

"

€ 2.895

"

€ 1.000

"

€ 3.025

taxatierapport kostbaarheden

€ 35.550

totaal [door Hof]

€ 84.329

f. een op 19 april 2007 gedateerde nota van een juwelier waarin 25 sierraden op een totaal bedrag van € 35.550 worden getaxeerd.

2.5.2.

Voorts is door belanghebbendes gemachtigden een aanvullende schriftelijke verklaring, die door belanghebbende voor akkoord mede is ondertekend, van 30 januari 2014 gegeven. Voor zover van belang is daarin het volgende verklaard:

“1. De heer [belanghebbende] heeft in het jaar 1990 een bankrekening geopend bij de KBL.(…)

3. De eerste storting bedroeg een bedrag van enkele tienduizenden guldens. Dit bedrag is contant gestort. Het betrof spaargeld dat was gespaard met de inkomsten uit de vier winkels die in die jaren in het bezit van de heer en mevrouw [belanghebbende] waren.(…)

4. Daarna stortte de heer [belanghebbende] in het begin van de jaren 90 één tot twee keer per jaar contant een bedrag. Dit bedrag bedroeg steeds enkele tienduizenden guldens. (…)

5. In het jaar 1998 heeft de heer [belanghebbende] een appartement in Spanje gekocht. Hij heeft daarvoor in Spanje een betaalrekening geopend. Deze rekening werd alleen gebruikt om in Spanje de vaste lasten te voldoen zoals gas e.d. (…) De andere Spaanse bankrekeningen, waarvoor de heer [belanghebbende] eveneens de formulieren van de fiscus heeft ingevuld, zijn pas enkele jaren later geopend.

6. De aanschaf, verbouwing en inrichting van dit appartement is met het spaargeld bij de KBL gefinancierd. Daarvan heeft de heer [belanghebbende] in zijn brief van 18 december 2013 een – overigens niet limitatieve – specificatie gegeven. Hij haalde in Luxemburg contanten op van ongeveer fl. 30.000. Dit bedrag namen hij en zijn echtgenote contant mee naar Spanje. Ook om in Spanje in zijn levensonderhoud te voorzien bracht hij geld mee. Vanaf het jaar 1998 is er bij de KBL geen geld meer gestort. Er hebben alleen nog maar opnames plaatsgevonden.

7. De heer [belanghebbende] heeft zijn spaargeld tevens gebruikt om een aantal kostbaarheden aan te schaffen. In het jaar 2007 heeft de heer [belanghebbende] zijn juwelen andere kostbaarheden laten taxeren. Dit heeft hij gedaan voor de verzekering.(…)

8. De heer [belanghebbende] is 14 jaar geleden (in het jaar 2001) gestopt met werken. Zijn winkel heeft hij overgedragen aan zijn dochter. Hij leeft van een klein pensioen en een AOW-uitkering.

9. De KBL-rekening is in het jaar 2003 gesloten in verband met het Rekeningenproject. (…)”.

2.6.

Op 3 juni 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen belanghebbende, zijn gemachtigden, [A] en [G] en namens de Inspecteur [H] . Het verslag van deze bespreking, opgemaakt door belanghebbendes gemachtigden, luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…) De heer [belanghebbende] vertelt dat dit saldo in 1994 ongeveer fl. 222.000 bedroeg. De stukken die er waren heeft hij vernietigd toen hij van een kennis vernam dat bij hem de FIOD op stoep had gestaan. Hij heeft de bankafschriften vervolgens in zijn garage vernietigd met een papiervernietiger. Over het saldo door de jaren heen, kan hij dus niet meer informatie verstrekken dan hij reeds heeft gedaan.(…)

(…) De heer [H] gaat terug naar de bankrekening. Hij geeft aan dat is aangegeven dat het geld is besteed aan een huis in Spanje. Hij vraagt hoe dit is betaald. De heer [belanghebbende] licht toe dat dit via een beleggingsrekening bij de ABN Amro is betaald aan de makelaar in Spanje. (…)

De heer [belanghebbende] licht toe dat hij de aankoop van de twee naast elkaar gelegen studio’s heeft besproken met zijn beleggingsadviseur. Die gaf hem inderdaad aan dat onroerend goed in Spanje ook een belegging was en dat het logisch zou zijn om het geld op de beleggingsrekening aan te wenden voor de aankoop. (…)

De heer [H] vraagt of het geld werd opgehaald bij de bank in Luxemburg. De heer [belanghebbende] bevestigt dit. Een deel van de pot is opgegaan aan het appartement. Van het andere deel zijn kostbaarheden gekocht. De heer [H] vraagt of er nog aankoopnota’s zijn. De heer [belanghebbende] vertelt dat die er niet zijn. Hij heeft de kostbaarheden wel laten taxeren voor de verzekering. Daaruit blijkt de waarde. (…)”.

2.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 3 juli 2014 de Inspecteur een aantal afschriften van facturen verstrekt ter onderbouwing van de in onderdeel 2.5. vermelde uitgaven. Deze facturen bestrijken een periode van 27 november 2001 tot en met 6 april 2005 en zien op de in onderdeel 2.5.1, onder e, vermelde opgave.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is de vraag of de informatiebeschikking terecht is afgegeven.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Het Hof stelt voorop dat op de Inspecteur de bewijslast rust om feiten en omstandigheden te stellen en na weerspreking daarvan deze te onderbouwen waaruit volgt dat hij de informatiebeschikking, wegens schending van de informatieverplichting op grond van artikel 47 van de AWR, terecht heeft gegeven.

4.2.

Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de Inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn. De Inspecteur stelt in dat verband dat het tegoed bij de KBL van ƒ 222.377 (€ 100.910) sinds 31 januari 1994 gegroeid moet zijn en dat ervan uit moet worden gegaan dat het tegoed in 1998 (het jaar waarin belanghebbende het appartement in Spanje heeft aangeschaft) – gelet op de spaarcapaciteit van belanghebbende tot 31 januari 1994 en bijgeschreven rente – ten minste ƒ 500.000 moet hebben bedragen.

4.3.

Het Hof acht het niet ondenkbaar dat het saldo bij de KBL om voormelde redenen tot een dergelijk aanzienlijk bedrag is gestegen. Het verloop van een dergelijk hoog saldo kan dan van belang zijn voor de heffing van IB en PVV, alsmede voor de heffing van de eigen bijdrage voor de Zorgverzekeringswet voor het jaar 2009. De in de informatiebeschikking in dat verband opgenomen vragen dient belanghebbende derhalve te beantwoorden en de gevraagde bescheiden te verstrekken.

4.4.

Met hetgeen belanghebbende aan informatie heeft verstrekt heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het spaarsaldo louter voor consumptieve doeleinden, zoals vermeld in 2.5.1 en 2.5.2, is aangewend en dat hij alle gestelde vragen afdoende heeft beantwoord. Het Hof acht in dit verband het volgende van belang.

4.4.1.

Belanghebbende heeft ten aanzien van de afname van het KBL-saldo niet eenduidig verklaard. Waar hij in zijn handgeschreven verklaring van 3 december 2013 in eerste instantie heeft geschreven dat hij de verbouwing van het appartement in Spanje deels heeft gefinancierd met gelden afkomstig van de KBL-rekening, met welke verklaring de specificatie van 18 december 2013 in overeenstemming was, blijkt uit de aanvullende verklaring van 30 januari 2014 dat naast de verbouwing van het appartement ook de aanschaf van het appartement is gefinancierd uit de KBL-rekening, terwijl in het gesprek met de Inspecteur op 3 juni 2014 door belanghebbende is verklaard dat de aanschaf van het appartement is gefinancierd met gelden vanuit een Nederlandse beleggingsrekening bij de ABN Amro bank.

4.4.2.

Belanghebbende heeft met zijn specificatie (zie onderdeel 2.5.1, onder e), ter grootte van € 84.329 (ƒ 185.836) van uitgaven die aan het appartement zouden zijn besteed een belangrijk deel van het in 1994 aanwezige saldo van ƒ 222.377, alsmede van de daarmee verkregen rentebedragen, niet verklaard.

4.4.3.

Voormelde specificatie vermeldt een bedrag van € 18.590 (ƒ 40.966) dat zou zijn uitgegeven aan de verbouwing van het appartement. Belanghebbende heeft in dat verband tevens een aantal rekeningen/offertes overgelegd van [K] . Onduidelijk is wanneer deze rekeningen zijn betaald. Belanghebbende, die daartoe geen verklaring heeft gegeven en er ook voor heeft gekozen niet ter zitting van het Hof te verschijnen, laat dan de door de Inspecteur opgeworpen vraag op bladzijde 6 van zijn verweerschrift in hoger beroep onbeantwoord. De Inspecteur heeft voornoemde vraag als volgt verwoord:

“Ter onderbouwing van deze uitgaven heeft belanghebbende hiervan nota’s/facturen overgelegd. Hierin zitten nota’s/facturen uit 2000 tot en met 2004. Een groot deel hiervan, tevens de één na grootste uitgave volgens belanghebbende (€ 18.590), ziet op nota’s/facturen van aannemer [K] in verband met de verbouwing van het appartement. Het gros van deze nota’s/facturen zijn uit 2001. Dit rijmt niet met de verklaring die belanghebbende op 4 februari 2015 in een gesprek tussen belanghebbende, gemachtigde en de Belastingdienst op het kantoor van gemachtigde heeft gegeven. Namelijk dat hij in het jaar 2002 ongeveer fl.200.000 opgehaald heeft en thuis in de kluis gelegd heeft om vervolgens aan te geven dat de verbouwing uit dit potje betaald is. Dat roept de vraag op waarvan de verbouwing dan wel betaald is en of het geld dat op de KBLux rekening stond hier wel echt aan besteed is?”

4.4.4.

Van de in de eerder genoemde specificatie vermelde aanschaf van de auto ter grootte van € 12.645 (ƒ 27.865) is geen enkele schriftelijke onderbouwing gegeven.

4.4.5.

In de specificatie is ook de getaxeerde waarde van sierraden van € 35.500 (ƒ 78.231) opgenomen. Ter onderbouwing van die waarde heeft belanghebbende een taxatierapport van 19 april 2007 ten behoeve van de verzekering overgelegd. Niet is aangegeven wat de aanschafprijzen van die sierraden is geweest noch zijn er schriftelijke bescheiden van die aankopen overgelegd.

4.4.6.

Belanghebbende heeft bankafschriften van de KBL die hij in bezit had vernietigd.

4.5.

Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de informatiebeschikking terecht is afgegeven. Aangezien belanghebbende heeft gesteld dat desondanks dit niet kan leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast zal het Hof hierna zijn stellingen daaromtrent behandelen.

4.6.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 februari 2017, nr.16/02729 (ECLI:NL:HR:2017:130) geoordeeld dat de rechter al in het kader van een procedure over de informatiebeschikking kan beslissen of het volgens die beschikking gepleegde verzuim van dien aard is dat het zal kunnen leiden tot de in de artikelen 25, lid 3, en 27e, lid 1, van de AWR voorziene gevolgen voor de bewijspositie van de belanghebbende (de zogenoemde omkering van de bewijslast).

4.7.

In dat verband heeft belanghebbende gesteld dat omkering van de bewijslast niet aan de orde kan zijn omdat de verplichting van artikel 47 van de AWR niet strekt tot het overleggen van bankafschriften waarover hij niet kan beschikken omdat de bank deze niet wil of kan overleggen. Beide partijen gaan ervan uit dat de in de informatiebeschikking gevraagde bescheiden ook de rekeningafschriften van de KBL-rekening van datum opening (26 november 1990) tot datum sluiting (10 januari 2003) omvatten. Het Hof zal hen daarin volgen.

4.8.

Voor omkering en verzwaring van de bewijslast wegens niet-nakoming van die verplichtingen is geen plaats indien belanghebbende niet over de gevraagde bankafschriften beschikte of kon beschikken, toen de Inspecteur hem met betrekking tot het jaar 2009 daar voor de eerste maal naar vroeg in zijn brief van 16 oktober 2012 (vgl. HR 14 augustus 2015, nr. 14/05958, ECLI:NL:HR:2015:2168). Gelet op de in de brief van de KBL gehanteerde bewaartermijn van 10 jaren had belanghebbende bij het beantwoorden van voormelde brief van de Inspecteur op 29 oktober 2012, waarin hij nog steeds ontkende rechthebbende van de KBL-rekening te zijn (geweest), kunnen beschikken over bankafschriften van het jaar 2002. Het niet verstrekken van de bankafschriften van het jaar 2002 leidt derhalve, evenals het niet (volledig) beantwoorden van vraag 3, tot omkering van de bewijslast.

4.9.

Ook overigens is het Hof van oordeel dat de gestelde bewijsnood voor rekening en risico van belanghebbende dient te blijven. Hij heeft er namelijk willens en wetens voor gekozen de aanwezige bankafschriften te vernietigen toen hij hoorde dat een kennis door de FIOD was aangehouden. Dat het voor hem niet meer mogelijk zou zijn om de rekeningafschriften bij de KBL te verkrijgen, wat daar ook van zij, doet daar niet aan af. Belanghebbende heeft namelijk willens en wetens ontkend rekeninghouder van de KBL-rekening te zijn geweest tot het moment dat hij een concept-dagvaarding voor een kort gedingprocedure ontving en heeft in de tussentijd – blijkbaar – geen pogingen ondernomen, ook niet nadat de Hoge Raad in zijn zaak op 13 juli 2012 arrest had gewezen, de bankafschriften bij de KBL op te vragen. Dat het verzoek van de Inspecteur om, aldus belanghebbende, nog meer informatie te verstrekken niet proportioneel is en dat als al geoordeeld kan worden dat hij niet aan het informatieverzoek heeft voldaan hieraan, vanwege de gegeven omstandigheden, niet het gevolg van omkering en verzwaring van de bewijslast kan worden verbonden, wordt derhalve, mede door hetgeen in de onderdelen 4.4.1 tot en met 4.4.3 is overwogen, door het Hof verworpen.

4.10.

In de aan de informatiebeschikking ten grondslag liggende vragenbrief van de Inspecteur van 16 oktober 2012 heeft hij een boete aangekondigd bij het niet of niet volledig beantwoorden van de vragen. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur daarmee in strijd met artikel 6 van het EVRM heeft gehandeld en dat daardoor de informatiebeschikking onrechtmatig is afgegeven en dat belanghebbende dan niet meer kan worden verplicht om de gevraagde informatie te verstrekken. Omdat hij onder de “dreiging” van een kort gedingprocedure de informatie heeft verstrekt heeft hiervoor hetzelfde te gelden, aldus belanghebbende. Voorts wordt gesteld dat de informatiebeschikking onrechtmatig is geworden omdat geen garantie is verkregen dat wilsafhankelijk materiaal niet voor beboeting zal worden gebruikt.

4.11.

Belanghebbendes in onderdeel 4.10 opgenomen stellingen worden onder verwijzing naar het arrest HR 8 augustus 2014, nr. 13/00933 (ECLI:NL:HR:2014:2144) verworpen. De Hoge Raad heeft met betrekking tot het nemo tenetur-beginsel (het verbod op gedwongen zelfincriminatie) namelijk het volgende overwogen:

“2.2.2. Met betrekking tot de overige jaren heeft de Rechtbank geoordeeld dat de informatiebeschikking terecht is vastgesteld en heeft zij aan belanghebbende een termijn van zes weken gesteld om alsnog aan de Inspecteur de in die beschikking bedoelde informatie te verstrekken. De Rechtbank heeft in dit verband geoordeeld dat de stelling van belanghebbende dat het overleggen van de verzochte informatie in strijd is met het nemo-teneturbeginsel in de zin van artikel 6 EVRM omdat het verbod op gedwongen zelfincriminatie ook ziet op bewijsmateriaal waarvan het bestaan onafhankelijk is van de wil van de betrokkene, moet worden verworpen. Naar het oordeel van de Rechtbank ziet de gevraagde informatie niet op (bewijs)materiaal dat zijn bestaan dankt aan de wil van belanghebbende. Beoordeling van mogelijke schending van het verbod op gedwongen zelfincriminatie kan bovendien eerst aan de orde komen bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja in hoeverre, de Inspecteur, mede op basis van door belanghebbende ten behoeve van een (navorderings)aanslag aangeleverd (bewijs)materiaal, dit (bewijs)materiaal al dan niet terecht gebruikt als grondslag voor het opleggen van een boete, aldus de Rechtbank. Hiertegen keert zich het middel met het betoog dat belanghebbende in strijd met artikel 6 EVRM verplicht wordt materiaal te verstrekken aan de fiscale autoriteiten.

2.3.

Bij de beoordeling van het middel wordt in overeenstemming met het arrest van 12 juli 2013 vooropgesteld dat een belastingplichtige op grond van artikel 47 AWR verplicht is om aan de inspecteur alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien. Aangezien de onderhavige informatiebeschikking op die wettelijke verplichting is gegrond, is uitgangspunt dat de informatiebeschikking terecht is gegeven. Daaraan staat artikel 6 EVRM niet in de weg (vgl. EHRM 10 september 2002, no. 76574/01, Allen tegen het Verenigd Koninkrijk, FED 2003/589, en EHRM 21 april 2009, no. 19235/03, Marttinen tegen Finland, FED 2009/69 paragraaf 68). Het middel stelt de vraag aan de orde of, en zo ja in hoeverre, van dit uitgangspunt moet worden afgeweken in verband met de mogelijkheid dat belanghebbende op een met artikel 6 EVRM strijdige wijze zou worden gedwongen om mee te werken aan bewijsvergaring ten behoeve van bestuurlijke boete-oplegging.

2.4.

In zijn uitspraak van 17 december 1996, no. 43/1994/490/572, Saunders tegen Verenigd Koninkrijk, BNB 1997/254, heeft het EHRM overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, hetgeen meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte (hierna: wilsonafhankelijk materiaal). Uit latere rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat het van dit uitgangspunt is teruggekomen. Dit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal op grond van een wettelijke informatieverplichting en het vaststellen van een informatiebeschikking ter zake daarvan geen schending van artikel 6 EVRM opleveren, ook niet indien het onherroepelijk worden van die beschikking gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast.

2.5.

Voor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. EHRM 3 mei 2001, no. 31827/96, J.B. tegen Zwitserland, BNB 2002/26), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien.

2.6.

De beschikking waarbij de inspecteur op de voet van artikel 52a, lid 1, AWR vaststelt dat de betrokkene niet of niet volledig heeft voldaan aan een of meer van de daar genoemde informatieverplichtingen, vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, lid 3, AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Daarin onderscheidt de informatiebeschikking zich van dwangsommen die aan de orde waren in het arrest van 12 juli 2013. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Dat neemt echter niet weg dat een dergelijke restrictie, gelet op het hiervoor in 2.5 overwogene, uit het EVRM voortvloeit. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.”

Vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn

4.12.

Op grond van vaste jurisprudentie heeft voor de berechting van de zaak in hoger beroep als uitgangspunt te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (o.a. Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252). Belanghebbende heeft bij schrijven van 18 december 2014, bij de griffie van het Hof op dezelfde datum ingekomen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft heden, 22 september 2017, uitspraak gedaan. Dit betekent dat de hiervoor – als uitgangspunt – genoemde redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep is overschreden.

4.13.

Belanghebbende heeft in de onderhavige zaak evenwel niet verzocht om vergoeding van immateriële schade. In onderdeel 3.13.2. van het hiervoor genoemde arrest van 19 februari 2016 heeft de Hoge Raad echter tevens beslist dat een dergelijk verzoek niet wordt verlangd, indien de redelijke termijn eerst verstrijkt na afloop van zes weken voor het doen van uitspraak. In het onderhavige geval is de redelijke termijn welke het Hof in beginsel in acht dient te nemen verstreken op 18 december 2016. Dit is na de op de mondelinge behandeling van de zaak aangezegde datum voor het doen van uitspraak van 22 juli 2016. Dit brengt met zich dat ambtshalve moet worden beoordeeld of de redelijke termijn is overschreden. Aangezien er naar het oordeel van het Hof geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding zijn voor verlenging van de termijn, is de redelijke termijn in dit geval met – naar boven afgerond – een jaar overschreden. Het Hof zal aan belanghebbende ter zake daarvan een vergoeding van immateriële schade toekennen van € 1.000, te betalen door de Staat.

Slotsom

4.14.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd. Met overeenkomstige toepassing van artikel 27e, lid 2, van de AWR in samenhang met artikel 27h, lid 2, van de AWR, dient de door de Rechtbank gestelde termijn voor het voldoen aan in de beschikking bedoelde verplichtingen te worden gesteld op vier weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat het door belanghebbende betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

-bepaalt dat de in de uitspraak van de Rechtbank genoemde termijn van “drie weken, na verzending van dit proces-verbaal” waarbinnen aan de Inspecteur de door deze verzochte informatie dient te worden verstrekt wordt vervangen door “vier weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden”; en

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van de aan de hoger beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.000.

Aldus gedaan op 22 september 2017 door A.J. Kromhout, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en J.W.J. Huige, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.