Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4034

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
200.193.961_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:2595, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderlijke boedelverdeling ex artikel 4:1167 (oud) BW met recht van vruchtgebruik ten laste van de vordering van afstammelingen. Afstammeling maakt aanspraak op zijn erfdeel in contanten omdat aan de voorwaarde voor het eindigen van het vruchtgebruik (vruchtgebruiker hertrouwt zonder het stellen van zekerheid) is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0201

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.193.961/01

arrest van 19 september 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. P.H.A. Brauer te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. W.S. Santema te Drachten,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 juni 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 14 januari 2015, 30 september 2015 en 16 maart 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/179966/HAZA 13-182)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[geïntimeerde] is de zoon en enig afstammeling van [erflaatster] , die op [datum] 2008 is overleden (hierna: erflaatster).

[appellant] was ten tijde van het overlijden van erflaatster met haar gehuwd.

3.1.2.

Voorafgaande aan hun huwelijk waren [appellant] en erflaatster huwelijkse voorwaarden overeengekomen, die zijn vastgelegd in een notariële akte d.d. 25 maart 1976 (productie 7 bij inleidende dagvaarding). De huwelijkse voorwaarden houden kort gezegd in: een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen en een verrekenbeding.

3.1.3.

Erflaatster heeft bij notariële akte d.d. 28 september 1993 een testament laten opmaken (productie 2 bij inleidende dagvaarding). Dat testament bevat – voor zover thans van belang – de volgende bepalingen:

II Voor het geval ik voor mijn echtgenoot de heer [appellant] mocht komen te overlijden beschik ik als volgt:

A. Gebruikmakend van de mij bij artikel 4:1167 van het Burgerlijk Wetboek verleende bevoegdheid wens ik, bij deze tussen mijn genoemde echtgenoot en mijn afstammelingen de scheiding en verdeling van mij nalatenschap tot stand te brengen als volgt:

Ik deel toe:

1. aan mijn genoemde echtgenoot: alle tot mijn nalatenschap behorende aktiva, onder de verplichting wegens de daardoor plaatshebbende overbedeling:

a. als eigen schulden te voldoen: alle tot mijn nalatenschap behorende passiva, alsmede kosten van mijn lijkbezorging en boedelkosten en de successierechten;

en b. in kontanten uit te keren aan ieder van mijn afstammelingen de waarde van zijn zuiver erfdeel, berekend in het saldo van mijn nalatenschap, en na aftrek van zijn aandeel in de boedelkosten en van het te zijnen laste over zijn erfdeel te heffen successierecht;

2. aan ieder van mijn afstammelingen: de als sub 1b gemeld ten laste van mijn genoemde echtgenoot gebrachte vordering in contanten wegens de aan hem gedane overbedeling.

(….)

C. Ter voldoening aan mijn zedelijke verplichting tot verzorging van mijn genoemde echtgenoot legateer ik aan hem het levenslang recht van vruchtgebruik van de hiervoor sub II.A. bedoelde, aan mijn afstammelingen toebedeelde vorderingen wegens overbedeling (…), zulks onder vrijstelling van de verplichting tot zekerheidsstelling; welke vrijstelling echter zal vervallen bij zijn hertrouwen; en welk vruchtgebruik buiten het geval van overlijden van de vruchtgebruiker voorts zal eindigen bij gebreke van bedoelde zekerheidsstelling uiterlijk daags voor zijn hertrouwen (….).

3.1.4.

[appellant] is op 13 januari 2012 hertrouwd.

3.2.

[geïntimeerde] stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat [appellant] vóór

diens hertrouwen geen zekerheid heeft gesteld zoals omschreven in het testament van erflaatster onder II sub C zodat hij jegens [appellant] aanspraak kan maken op zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster. Hij vorderde in eerste aanleg (na wijziging van zijn eis) de veroordeling van [appellant] tot betaling van primair een bedrag van € 143.146,- dan wel subsidiair een bedrag van € 67.646,- met rente en kosten.

3.3.

[appellant] heeft op verschillende gronden betoogd dat hij niets aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Hij heeft zich er onder meer op beroepen dat [geïntimeerde] tegenover hem heeft verklaard dat hij, [geïntimeerde] , zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster niet zou opeisen.

3.4.

De rechtbank heeft [appellant] bij tussenvonnis van 14 januari 2015 toegelaten tot het bewijs van laatstgenoemde stelling.

Bij tussenvonnis van 30 september 2015 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat [appellant] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd.

Ook de overige weren van [appellant] tegen de vordering van [geïntimeerde] zijn door de rechtbank verworpen, behoudens (deels) voor zover deze betrekking hadden op de hoogte van het gevorderde bedrag. In het eindvonnis van 16 maart 2016 heeft de rechtbank de (primaire) vordering van [geïntimeerde] toegewezen tot een bedrag van € 80.646,- met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 februari 2013. De rechtbank heeft voorts [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.5.

[appellant] kan zich niet verenigen met de tussenvonnissen van de rechtbank van 14 januari 2015 en 19 september 2015 en met het eindvonnis van 16 maart 2016. Hij heeft 7 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de genoemde vonnissen en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] .

3.6.

[geïntimeerde] heeft in incidenteel appel één grief tegen het eindvonnis van de rechtbank aangevoerd en – in samenhang daarmee – zijn eis gewijzigd. Hij vordert in hoger beroep dat het hof het eindvonnis van de rechtbank zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de door [appellant] te betalen hoofdsom en – opnieuw rechtdoende - [appellant] zal veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een hoofdsom van € 132.646,-.

Het gaat hier om een vermindering van de primaire eis. Het hof zal recht doen op de in hoger beroep geformuleerde vordering van [appellant] .

3.7.

Het hof zal de grieven hierna achtereenvolgens beoordelen, met dien verstande dat het hof allereerst de meest vergaande stelling van [appellant] zal beoordelen, inhoudende dat [geïntimeerde] tegenover hem afstand heeft gedaan van zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster. De tweede grief van [appellant] heeft hierop betrekking.

3.8.1.

Die tweede grief komt erop neer dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat [appellant] er niet in is geslaagd te bewijzen dat [geïntimeerde] tegenover hem heeft verklaard dat hij, [geïntimeerde] , zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster niet zou opeisen.

Naar het oordeel van het hof faalt deze grief. De door [appellant] te bewijzen feiten zijn weliswaar door hemzelf als partijgetuige bevestigd, maar ingevolge artikel 164 lid 2 Rv kan deze verklaring geen bewijs in zijn voordeel opleveren tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat van dergelijk onvolledig bewijs geen sprake is. De verklaring van de getuige [getuige] (de vrouw met wie [appellant] na het overlijden van erflaatster was hertrouwd maar van wie hij inmiddels weer is gescheiden) kan in ieder geval niet als zodanig gelden. Niet alleen is die verklaring op een essentieel onderdeel strijdig met de verklaring van [appellant] zelf (volgens [appellant] zou [geïntimeerde] afstand van zijn erfdeel hebben gedaan tijdens een etentje in 2011; volgens [getuige] is er in 2011 geen etentje met [geïntimeerde] geweest en heeft [geïntimeerde] afstand van zijn erfdeel gedaan tijdens een telefoongesprek met [appellant] in 2011) maar bovendien heeft de getuige [getuige] omtrent die afstand niets uit eigen waarneming kunnen verklaren; zij heeft slechts kunnen weergeven wat [appellant] haar had verteld.

Ook overigens is van onvolledig bewijs in voormelde zin geen sprake.

3.8.2.

[appellant] heeft in de toelichting op zijn tweede grief ook nog aangevoerd dat [geïntimeerde] de getuigen zou hebben geïntimideerd en dat bij de beoordeling van het bewijs hiermee rekening moet worden gehouden.

Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat [appellant] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De producties die hij bij zijn conclusie na enquête in eerste aanleg heeft overgelegd kunnen niet als een toereikende onderbouwing worden aangemerkt.

3.8.3.

Door [appellant] is in hoger beroep geen aanvullend bewijs voor zijn onder 3.8.1 vermelde stelling bijgebracht en evenmin aangeboden.

De conclusie moet zijn dat grief 2 van [appellant] faalt.

Dit betekent dat, nu vast staat dat [appellant] géén zekerheid heeft gesteld als bedoeld in artikel II sub C van het testament van erflaatster voordat hij hertrouwde, de vordering van [geïntimeerde] op [appellant] ter zake van zijn aandeel in de nalatenschap van erflaatster opeisbaar is geworden, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.

3.9.1.

Grief 1 van [appellant] houdt in dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat het erfdeel van [geïntimeerde] een vaste waarde heeft en niet verbruikt mag c.q. mocht worden.

Volgens [appellant] was hij gerechtigd in te teren op het aandeel van [geïntimeerde] in de nalatenschap van erflaatster en is dat aandeel inmiddels verteerd zodat hij niets verschuldigd is aan [geïntimeerde] .

3.9.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het testament van erflaatster bevat een ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 (oud) BW, waarbij – kort gezegd – aan [appellant] alle activa zijn toegedeeld en aan [geïntimeerde] een geldvordering op [appellant] ter grootte van de waarde van zijn erfdeel en waarbij aan [appellant] het vruchtgebruik van de hier bedoelde geldvordering van [geïntimeerde] is gelegateerd.

Dat vruchtgebruik is geëindigd doordat [appellant] na het overlijden van erflaatster is hertrouwd.

Anders dan [appellant] meent brengt het bepaalde in artikel 3:207 BW niet mee dat de geldvordering van [geïntimeerde] ophoudt te bestaan indien en voor zover [appellant] (de activa van) de nalatenschap van erflaatster heeft opgesoupeerd. De aard van het aan [geïntimeerde] toegekende vorderingsrecht brengt niet mee dat dit vermogensbestanddeel door [appellant] mag worden verbruikt. Evenmin is aan de inhoud van het testament te ontlenen dat een dergelijk verbruiksrecht aan [appellant] is toegekend.

3.9.3.

Het voorgaande betekent dat grief 1 van [appellant] faalt.

3.10.1.

Met zijn derde grief komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet meer dan € 5.000,- aan [geïntimeerde] heeft betaald in mindering op diens aandeel in de nalatenschap van erflaatster. Volgens [appellant] heeft hij – buiten het bedrag van € 5.000,- ook nog een bedrag van € 25.000,- aan [geïntimeerde] betaald in mindering op diens erfdeel.

[geïntimeerde] heeft de ontvangst van het bedrag van € 25.000,- betwist.

3.10.2.

Naar het oordeel van het hof faalt deze grief van [appellant] . Toereikend bewijs dat hij aan [geïntimeerde] voormeld bedrag van € 25.000,- heeft betaald ontbreekt. Het enkele feit dat [appellant] op 25 juni 2010 een bedrag van € 25.000,- van zijn bankrekening heeft opgenomen (productie 7 bij de brief aan de rechtbank d.d. 1 oktober 2013 ten behoeve van de comparitie van partijen in eerste aanleg) kan niet als toereikend bewijs worden aangemerkt omdat uit deze productie niet blijkt dat het opgenomen geld ten goede is gekomen aan [geïntimeerde] .

Aanvullend bewijs ontbreekt, evenals een concreet bewijsaanbod op dit punt, zodat het standpunt van [appellant] omtrent de betalingen aan [geïntimeerde] niet kan worden aanvaard.

3.11.1.

Grief 4 van [appellant] houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het huwelijksgoederenregime van [appellant] en erflaatster tijdens hun huwelijk ongewijzigd is gebleven. Volgens [appellant] is dat regime tijdens het huwelijk wél gewijzigd en is tussen hem en erflaatster een gemeenschap van goederen gaan gelden.

Ter onderbouwing van deze stelling voert [appellant] aan dat erflaatster en hij feitelijk hebben geleefd alsof ze in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Verder voert hij aan dat erflaatster en hij in 2007 een woning in Duitsland (in [plaats 1] ) hebben gekocht en in de leveringsakte bij de Duitse notaris hebben laten opnemen dat ze in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Hij heeft er ook nog op gewezen dat in de successieaangifte die [geïntimeerde] en hij na het overlijden van erflaatster hebben ingediend, staat vermeld dat hij met erflaatster in gemeenschap van goederen was gehuwd.

[geïntimeerde] heeft bestreden dat van een wijziging van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk van [appellant] en erflaatster sprake is geweest.

3.11.2.

Naar het oordeel van het hof faalt deze grief van [appellant] .

Ten tijde van het huwelijk van [appellant] en erflaatster was voor een wijziging van huwelijkse voorwaarden niet alleen een notariële wijzigingsakte vereist, maar ook de goedkeuring van de rechtbank (artikel 1:119 (oud) BW, dat gold tot 1 januari 2012). Vast staat dat aan die vereisten niet is voldaan.

De door [appellant] genoemde feiten en omstandigheden leiden niet tot de conclusie dat van een wijzing van huwelijkse voorwaarden in de door [appellant] bedoelde zin sprake is geweest.

3.12.1.

De grieven 5 en 6 van [appellant] hebben betrekking op de berekening van het aandeel van [geïntimeerde] in de nalatenschap van erflaatster. Ook de incidentele grief van [geïntimeerde] heeft hierop betrekking.

De geschilpunten tussen partijen betreffen het aandeel van [geïntimeerde] in de waarde van de woning in [plaats 1] , alsmede diens aandeel in het ten tijde van het openvallen van de nalatenschap aanwezige spaartegoed en in de waarde van de inboedelgoederen.

De rechtbank heeft overwogen dat met betrekking tot de woning in [plaats 1] sprake is van een beperkte gemeenschap in die zin dat [appellant] en erflaatster ieder voor de helft eigenaar waren en dat [geïntimeerde] , nu partijen het eens zijn over een waarde van de woning van

€ 250.000,-, recht heeft op de helft van de waarde van het aandeel van erflaatster in de woning, dit is de helft van € 125.000,-, dus € 62.500,-.

Met betrekking tot het spaartegoed en de inboedelgoederen heeft de rechtbank overwogen dat ieder recht heeft op de helft van het spaartegoed ten bedrage van € 50.000,- en op de helft van de waarde van de inboedelgoederen ten bedrage van € 5.000,-.

3.12.2.

Wat betreft de woning in [plaats 1] is ook in hoger beroep niet in geschil dat deze gemeenschappelijk eigendom was van [appellant] en erflaatster en dat de waarde ten tijde van het overlijden van erflaatster € 250.000,- bedroeg. [geïntimeerde] stelt echter dat de aankoop van de woning in 2007 volledig is gefinancierd met privégeld van erflaatster, namelijk met de opbrengst van de (in 2007 verkochte) woning aan de [adres] in [plaats 2] welke woning eigendom was van erflaatster. Hij stelt in hoger beroep dat er, gelet op deze omstandigheid, sprake is van een vergoedingsrecht van erflaatster op [appellant] ten bedrage van de helft van de aankoopsom van de woning in [plaats 1] , dit is de helft van € 212.000,- =

€ 106.000,-.

3.12.3.

[appellant] heeft dit standpunt bestreden. Hij stelt dat de woning in [plaats 2] weliswaar (uitsluitend) op naam van erflaatster was gesteld, maar dat hij de financiering van de aankoop voor zijn rekening heeft genomen doordat de hypothecaire lening ten behoeve van de aankoop op zijn naam was gesteld en (mede) door hem is afgelost.

3.12.4.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de gemotiveerde betwisting van [appellant] , en mede gelet op het verrekenbeding dat [appellant] en erflaatster waren overeengekomen, het standpunt van [geïntimeerde] dat de aankoop van de woning in [plaats 1] volledig met privégeld van erflaatster is betaald, niet worden aanvaard. Bewijs voor die stelling ontbreekt, evenals een bewijsaanbod op dit punt.

Dit betekent dat de incidentele grief van [geïntimeerde] in zoverre faalt en dat zijn vergoedingsaanspraak niet kan worden gehonoreerd.

3.12.5.

Wat betreft het spaartegoed zijn partijen het oneens over de eigendom ten tijde van het overlijden van erflaatster. Volgens [appellant] was ten aanzien van het spaartegoed sprake van een beperkte gemeenschap en behoorde het spaartegoed aan erflaatster en hem ieder voor de helft toe. Volgens [geïntimeerde] was het spaartegoed volledig eigendom van erflaatster aangezien het hier gaat om een deel van de verkoopopbrengst van de woning in [plaats 2] die uitsluitend op naam van erflaatster was gesteld.

3.12.6.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de stelling van [geïntimeerde] dat de verkoopopbrengst van de woning in [plaats 2] als privégeld van erflaatster moet worden aangemerkt niet zonder meer kan worden aanvaard.

Daar komt bij dat in de successieaangifte (productie 6 bij inleidende dagvaarding) waarmee [geïntimeerde] zich akkoord heeft verklaard, is vermeld dat het spaartegoed voor de helft in de nalatenschap van erflaatster valt.

Volgens de successieaangifte gaat het om spaargeld op de [rekening] met nummer [nummer] ; uit productie 1 bij conclusie van antwoord blijkt dat die rekening (in ieder geval ten tijde van het nemen van de conclusie) op naam van [appellant] staat.

Nu toereikend bewijs ontbreekt dat het spaartegoed volledig eigendom was van erflaatster en bij gebreke van een concreet bewijsaanbod op dit punt gaat het hof ervan uit – dit met analoge toepassing van artikel 1:131 BW – dat het spaartegoed gemeenschappelijk eigendom van [appellant] en erflaatster was, zodat de helft, zijnde € 25.000,- in de nalatenschap van erflaatster valt.

[geïntimeerde] heeft recht op de helft daarvan, dit is € 12.500,-. De vijfde en zesde grief van [appellant] slagen in zoverre; de incidentele grief van [geïntimeerde] , voor zover betrekking hebbend op dit punt, faalt.

3.12.8.

Wat betreft de inboedelgoederen zijn partijen het erover eens dat deze gemeenschappelijk eigendom waren van [appellant] en erflaatster.

[appellant] stelt dat de waarde op de sterfdatum van erflaatster € 5.000,- bedroeg en dat het aandeel van [geïntimeerde] als erfgenaam daarin ¼ deel, dus € 1.250,- bedraagt.

[geïntimeerde] stelt, onder verwijzing naar de successieaangifte, dat de waarde van de inboedelgoederen ten tijde van het overlijden van erflaatster € 10.000,- bedroeg zodat de beslissing van de rechtbank dat [geïntimeerde] ten aanzien van de inboedelgoederen recht heeft op € 2.500,- juist is.

3.12.9.

Het hof overweegt hieromtrent dat in de successieaangifte (productie 6 bij inleidende dagvaarding) de inboedelgoederen zijn gewaardeerd op € 10.000,- (€ 6.000,- voor voertuigen en € 4.000,- voor meubilair en huisraad). Dat deze waardering (waarmee [appellant] zich bij de aangifte akkoord heeft verklaard) onjuist zou zijn is door [appellant] niet onderbouwd.

Het hof gaat er om die reden van uit dat de waarde van de inboedelgoederen ten tijde van het overlijden van erflaatster € 10.000,- bedroeg en dat het aandeel van [geïntimeerde] in die waarde moet worden berekend op € 2.500,-.

Dit betekent dat de grieven 5 en 6 van [appellant] in zoverre falen.

3.13.

Het voorgaande brengt mee dat op het door de rechtbank berekende bedrag waarop [geïntimeerde] als erfgenaam jegens [appellant] aanspraak kan maken, een bedrag van € 12.500,- in mindering moet worden gebracht zodat een bedrag resteert van € 80.646,- minus € 12.500,- = € 68.146,-.

Voor het overige dienen de door de rechtbank genomen beslissingen te worden bekrachtigd.

3.14.

De rechtbank heeft [appellant] terecht, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld. Grief 7 van [appellant] faalt dan ook.

Ook in hoger beroep zal [appellant] , op dezelfde grond, worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel.

[geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel nu hij in dat appel in het ongelijk is gesteld.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het eindvonnis van de rechtbank d.d. 16 maart 2016, doch uitsluitend voor zover [appellant] daarin is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 80.646,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 februari 2013 tot de dag van de volledige betaling, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] een bedrag te betalen van € 68.146,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 februari 2013 tot de dag van de volledige betaling;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders door [geïntimeerde] gevorderde;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.631,- voor verschotten en op € 1.631,- voor salaris advocaat;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] op € 1.316,- voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 september 2017.

griffier rolraadsheer