Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4033

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
200.188.872_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:805, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buitengerechtelijke ontbinding huurovereenkomst en ontruiming woonwagenstandplaats na besluit burgemeester tot sluiting (artikel 7:231 lid 2 BW). Besluit betreft ook de standplaats. Formele rechtskracht besluit.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 231, geldigheid: 2010-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.188.872/01

arrest van 19 september 2017

in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna tezamen aan te duiden als [appellant] (in mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg (Lb),

tegen

Gemeente Schinnen ,

gevestigd te Schinnen ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de gemeente,

advocaat: mr. H.J. Heynen te Venlo,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 maart 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 februari 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en de gemeente als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4288384 CV EXPL 15-6824)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met één productie;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Het hof heeft geen acht geslagen op de stukken voor zover betrekking hebbend op het door [appellant] opgeworpen incident aangezien dit incident is ingetrokken.

3 De beoordeling

3.1.

De feiten

[appellant] heeft geen grieven gericht tegen de door de kantonrechter onder 2.1. van het vonnis waarvan beroep vastgestelde feiten. Ook het hof gaat daarom van die feiten uit. Deze komen, voor zover nodig aangepast en aangevuld door het hof, op het volgende neer.

- [appellant] huurde van de gemeente een woonwagenstandplaats aan de [adres] te [plaats] . [appellant] had op de woonwagenstandplaats een hem in eigendom toebehorende woonwagen geplaatst.

- Bij een doorzoeking van het woonwagenkamp door de politie op 14 januari 2015 werden in de zich op het gehuurde bevindende woonwagen van [appellant] aangetroffen en door de politie in beslaggenomen 18,2 kilogram cafeïne, 101 kilogram apaan, 7,1 kilogram XTC, 25 gram amfetamine, 10 kilogram witte pasta, zwaar vuurwerk, 8 gsm’s, € 3.050,-- in contanten, een pistool inclusief munitie en geluiddemper, een vacuümmachine, een weegschaal en apparatuur voor het openen van auto’s.

- De burgemeester van de gemeente heeft op grond van artikel 13b lid 1 Opiumwet bij besluit van 8 april 2015 bestuursdwang opgelegd in de vorm van een sluiting van de woning voor de duur van drie maanden ingaande 14 april 2015. In het besluit van de burgemeester is opgenomen dat het gedurende deze sluiting verboden is om de woning en/of de bij de woning behorende erven te betreden. Het besluit van 8 april 2015 is onaantastbaar nu daartegen langs bestuursrechtelijke weg niet door [appellant] is opgekomen.

- Bij brief van 29 mei 2015 heeft de gemeente de tussen partijen geldende huurovereenkomst ter zake de woonwagenstandplaats [adres] te [plaats] buitengerechtelijk ontbonden.

3.2.

Het geding in eerste aanleg, kort geding

De gemeente heeft - voor zover in hoger beroep van belang en verkort weergegeven - gevorderd:

primair:

- een verklaring voor recht dat de gemeente terecht gebruik heeft gemaakt van de haar op basis van artikel 7:231 lid 2 BW toekomende buitengerechtelijke ontbindingsmogelijkheid en dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woonwagenstandplaats op 29 mei 2015, althans op 2 juni 2015 is geëindigd;

subsidiair:

- de huurovereenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang te ontbinden:

primair en subsidiair:

- [appellant] hoofdelijk te veroordelen het gehuurde, de woonwagenstandplaats, aan de [adres] te [plaats] binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden;

- [appellant] hoofdelijk te veroordelen om een vergoeding gelijk aan de huurprijs aan de gemeente te betalen vanaf de dag van ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de dag van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- [appellant] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente, en de nakosten.

De kantonrechter heeft bij vonnis waarvan beroep de primaire vordering als volgt -samengevat - toegewezen:

- verklaart voor recht dat de gemeente terecht gebruik heeft gemaakt van de buitengerechtelijke ontbindingsmogelijkheid en dat daardoor de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woonwagenstandplaats gelegen aan de [adres] te [plaats] is geëindigd op 2 juni 2015;

- veroordeelt [appellant] hoofdelijk om aan de gemeente te voldoen een bedrag gelijk aan de huurprijs van de standplaats vanaf de dag van ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de dag van ontruiming van het gehuurde, vermeerderd met de wettelijke rente;

- veroordeelt [appellant] hoofdelijk in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente, en de nakosten voor het geval [appellant] niet binnen 2 weken na aanschrijving volledig aan het vonnis voldoet.

Bij vonnis in kort geding van 1 april 2016 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellant] dat de gemeente op verbeurte van een dwangsom wordt verboden tot tenuitvoerlegging van voormeld vonnis over te gaan, afgewezen.

De ontruiming heeft inmiddels plaatsgevonden.

3.3.

Grief I

Deze grief luidt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat uit het sluitingsbevel van de burgemeester blijkt dat de sluiting niet alleen de woning maar ook het erf en dus de standplaats betreft.

Het gaat volgens [appellant] om ‘gedragingen in het gehuurde’. Het gehuurde is de standplaats. De illegale activiteiten zouden echter hebben plaatsgevonden in de woonwagen, eigendom van [appellant] , zodat die activiteiten niet hebben kunnen leiden tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot de standplaats. In het sluitingsbevel is verwezen naar ‘de bij de woonwagen behorende erven’ en dat bevel was dus niet gericht tegen de gehele standplaats. Aldus [appellant]

De grief faalt.

Op grond van artikel 7:231 lid 2 BW is buitengerechtelijke ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot - onder meer - een woonwagenstandplaats mogelijk wanneer op grond van de in dat artikellid genoemde wettelijke regelingen (in dit geval artikel 13b lid 1 van de Opiumwet) de sluiting van de standplaats is bevolen.

Uit het sluitingsbevel van de burgemeester, zie hiervoor onder r.o. 3.1., blijkt dat de sluiting inhoudt dat het [appellant] gedurende een termijn van drie maanden verboden is om de woning en/of de bij de woning behorende erven te betreden. Met ‘woning’ wordt kennelijk de woonwagen bedoeld. Met ‘erven’ is onmiskenbaar de gehuurde, volgens [appellant] omheinde, standplaats bedoeld. Daarmee valt de standplaats onder de reikwijdte van het besluit en kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de sluiting van de woning mede de sluiting van de standplaats omvat, zodat de gemeente de bevoegdheid had om de huurovereenkomst met betrekking tot de standplaats buitengerechtelijk te ontbinden.

3.4.

Grieven II en III

In de toelichting op grief II, gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de gemeente terecht van de ontbindingsmogelijkheid gebruik heeft gemaakt, heeft [appellant] betoogd dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op het verweer van [appellant] met betrekking tot de politierapportage, waarin onder meer is opgesomd welke goederen in de woonwagen van [appellant] zijn aangetroffen. [appellant] is het met die opsomming niet eens; die goederen zijn volgens hem niet, althans niet in de genoemde hoeveelheden aangetroffen. [appellant] is verder van mening dat hij ter zake ten onrechte niet tot bewijslevering is toegelaten (grief III).

Deze grieven kunnen [appellant] niet baten. Het sluitingsbevel en de daarin opgenomen reden, namelijk het aantreffen van verdovende middelen op basis van de politierapportage (overtreding van artikel 13b lid 1 van de Opiumwet), is onherroepelijk en heeft formele rechtskracht, zodat de civiele rechter van de rechtsgeldigheid/rechtmatigheid van dat besluit heeft uit te gaan. Klemmende bezwaren op grond van bijzondere omstandigheden om daarop een uitzondering te maken zijn gesteld noch gebleken (zie ook hierna onder r.o. 3.5.). Een inhoudelijke toetsing en bewijslevering, zoals door [appellant] aangeboden in de toelichting op grief III, zijn dan niet meer aan de orde. Ook de motiveringsklacht van [appellant] in grief II treft geen doel gelet op het voorgaande.

3.5.

Artikel 3:13 lid 2 BW, artikel 6:2 BW

Bij pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] betoogd dat de kantonrechter de plicht had om te onderzoeken of de gevorderde ontbinding en ontruiming zouden kunnen leiden tot schending van artikel 3:13 lid 2 BW in verbinding met artikel 8 EVRM en dat de kantonrechter dat heeft miskend.

Het hof is met de gemeente van oordeel dat deze als nieuwe grief of nieuwe grondslag te kwalificeren stelling, die neerkomt op een beroep op misbruik van bevoegdheid door de gemeente, voor het eerst bij pleidooi is betrokken, zodat sprake is van strijd met de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel. Het standpunt van [appellant] dat deze stelling reeds is ingenomen bij memorie van grieven, namelijk in de zin bovenaan pagina 4 van die memorie “Mede gezien de in beginsel onomkeerbare gevolgen, die een gerechtelijke ontruiming met zich brengen acht [appellant] een dergelijke wijze van beslissen zeer bedenkelijk.”, welke zin volgens [appellant] terugslaat op hetgeen in de toelichting op grief II op pagina 3 van de memorie van grieven staat vermeld, onder meer dat de kantonrechter verzuimd heeft om tot een inhoudelijke toetsing van de buitengerechtelijke ontbinding over te gaan, wordt verworpen. Voormelde stelling (misbruik van bevoegdheid) is in de aangehaalde zin, ook als deze terugslaat op de toelichting op grief II op pagina 3 van de memorie van grieven, niet te lezen. De gemeente heeft dat ook niet zo opgevat gezien de memorie van antwoord en haar reactie bij pleidooi. Van het bij pleidooi voortbouwen op een reeds bij memorie van grieven aangevoerde grief of grondslag is dus geen sprake. Het hof kan derhalve niet toekomen aan de beoordeling van het gestelde misbruik van bevoegdheid. Gesteld noch gebleken is dat er reden is voor het maken van een uitzondering op de twee-conclusie-regel gezien de aard van het geschil of vanwege nieuw gebleken feiten en omstandigheden, terwijl uit het voorgaande blijkt dat geen sprake is van het ondubbelzinnig instemmen van de gemeente met de nieuwe grief/grondslag.

Voor zover de hiervoor aangehaalde zin uit de memorie van grieven zo moet worden gelezen dat [appellant] daarmee heeft willen betogen dat de ontbinding en ontruiming door de gemeente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn in de gegeven omstandigheden, dan heeft [appellant] dat niet dan wel volstrekt onvoldoende onderbouwd met feiten en omstandigheden op grond waarvan die conclusie gerechtvaardigd zou zijn, zodat ook dit betoog geen doel treft.

3.6.

Slotsom

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep bekrachtigd dient te worden.

[appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep veroordeeld te worden.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de gemeente op € 718,-- aan griffierecht en op € 2.682,-- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, H.AE. Uniken Venema en F. Kooijman en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 september 2017.

griffier rolraadsheer