Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4027

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
200.207.907_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing van beslag. Niet gebleken dat de vorderingen summierlijk ondeugdelijk zijn. Vonnis vernietigd. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.207.907/01

arrest van 19 september 2017

in de zaak van

1 [appellant 1] ,
hierna “ [appellant 1] ”,

wonende te [woonplaats] ,

opvolger van zijn voormalig provisioneel bewindvoerder [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q.,

2. Holding [Holding] B.V.,
hierna “Holding”,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,
hierna “ [geïntimeerde] ”,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.J. Heijnen te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 11 januari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 december 2016, in kort geding gewezen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Breda) tussen [geïntimeerde] als eiser en [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q., Holding en [Projects] Projects B.V. als gedaagden.

Ter gelegenheid van het pleidooi is het hoger beroep van [Projects] Projects B.V. (hierna “Projects”) ingetrokken door mr. Blaauw, met instemming van mr. Heijnen.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/324734 KG ZA 16-843)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord, met producties;

- het pleidooi van 4 september 2017, waarbij de raadslieden pleitnotities hebben overgelegd en mr. Blaauw namens [appellant 1] een akte schorsing ex artikel 225 lid 1 sub b Rv en hervatting ex artikel 227 lid 1 sub b Rv heeft genomen.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, het volgende vast.

a. Projects houdt zich onder meer bezig met de groothandel in vis, met de verhuur en groothandel in pleziervaartuigen en registergoederen en met de inkoop, verkoop en verhuur van roerende en onroerende zaken.

Holding is enig bestuurder en aandeelhouder van Projects. Enig bestuurder en eigenaar van Holding is [appellant 1] .

Bij beschikking van 18 april 2016 van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad, in afwachting van de uitkomst van nader medisch onderzoek naar de gezondheid van [appellant 1] , is [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. benoemd tot provisioneel bewindvoerder over de goederen van [appellant 1] . Daarbij zijn aan [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. alle bevoegdheden toegekend die een curator krachtens de wet heeft.

Vanaf 29 juni 2016 is [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. gedurende enige tijd bestuurder van Holding geweest. [appellant 1] is op 14 juli 2016 geschorst als bestuurder van Holding.

Bij beschikking van 2 mei 2017 van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Zaanstad, is het verzoek van [derde 1] en [derde 2] strekkende tot ondercuratelestelling, althans onderbewindstelling, van [appellant 1] afgewezen. Het gevolg is dat [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. vanaf 3 mei 2017 geen provisioneel bewindvoerder meer is en dat [appellant 1] wederom zelfstandig bevoegd is. [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. is op 3 mei 2017 ontslagen als bestuurder van Holding, terwijl de schorsing van [appellant 1] als bestuurder van Holding is opgeheven.

Vanwege onenigheid met zijn echtgenote en kinderen heeft [appellant 1] vanaf begin 2016 enige tijd niet thuis gewoond. Hij heeft gedurende enige tijd onderdak gekregen bij de vader van [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] is ondernemer. Hij is bestuurder van de [Group] Group, bestaande uit meerdere vennootschappen en ondernemingen.

Op 10 maart 2016 heeft [geïntimeerde] een e-mailbericht gestuurd naar zijn vader, waarin hij voorstelt om samen met [appellant 1] een vennootschap op te richten die de zeeschepen [schip 1] en [schip 2] van [Group] koopt voor een bedrag van € 6,5 miljoen per stuk. De vader van [geïntimeerde] heeft het voorstel doorgestuurd naar [appellant 1] . [appellant 1] is op dit voorstel ingegaan. Vervolgens heeft [geïntimeerde] [appellant 1] gevraagd om alvast een bedrag van € 1 miljoen over te maken naar [BV] BV (hierna [BV] ). Op 11 maart 2006 heeft Holding een bedrag van € 1 miljoen op de bankrekening van [BV] gestort.

i. Op 15 juli 2016 zijn [geïntimeerde] , de vader van [geïntimeerde] , [BV] en de directeur van [BV] door [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. gedagvaard voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Inzet van die procedure is de terugbetaling van het door Holding gestorte bedrag van € 1 miljoen onder [BV] . [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. stelt in die procedure dat de overeenkomst door [appellant 1] is aangegaan onder invloed van dwaling, dat de overeenkomst niet is nagekomen door [geïntimeerde] en dat [BV] onrechtmatig heeft gehandeld door het aan haar betaalde bedrag van € 1 miljoen door te storten naar [Group] .

Bij verzoekschrift van 14 december 2016 hebben [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q., Holding en Projects verlof gevraagd aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, om conservatoir derdenbeslag te mogen leggen onder de [bank] en enkele notarissen, zulks ten laste van [geïntimeerde] . Het verlof is verleend op 14 december 2016. De conservatoire beslagen zijn gelegd op 14 en 15 december 2016.

3.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg de opheffing gevorderd van de op 14 en 15 december 2016 ten laste van hem gelegde derdenbeslagen. [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q., Holding en Projects hebben verweer gevoerd.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis het gevorderde toegewezen en de beslagen opgeheven, met veroordeling van [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q., Holding en Projects in de proceskosten.

3.4.

[voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q., Holding en Projects hebben in hoger beroep zes grieven aangevoerd en gevorderd dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat het door [geïntimeerde] gevorderde alsnog wordt afgewezen. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Zoals hiervoor gememoreerd is het hoger beroep van Projects tijdens het pleidooi ingetrokken.

3.5.

De grieven hebben de strekking het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.6.

Het eerste geschilpunt tussen partijen betreft de vraag of [appellant 1] na het defungeren van [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. deze procedure in hoger beroep mag overnemen en voortzetten, zoals [appellant 1] heeft verzocht bij zijn akte (schorsing/hervatting) die tijdens het pleidooi is overgelegd. Deze vraag moet naar het oordeel van het hof bevestigend worden beantwoord. De procedure is steeds (mede) gevoerd op naam van [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. namens [appellant 1] . [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. is gedefungeerd. [appellant 1] is hersteld in al zijn bevoegdheden tot beheer van zijn vermogen (pln. mr. Heijnen in hoger beroep, 2.3). [appellant 1] mag de procedure dan ook overnemen en voortzetten. Het andersluidende standpunt van [geïntimeerde] vindt geen steun in het recht.

3.7.

Het tweede geschilpunt betreft de vraag of [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. bevoegd was de gewraakte conservatoire derdenbeslagen te leggen en daarvoor verlof te vragen. [geïntimeerde] stelt dat de beslissing van de kantonrechter van 13 juni 2016 (productie 3 bij memorie van grieven) is beperkt tot een machtiging “tot derdenbeslag bij [BV] B.V. over te gaan en een proces aan te spannen tegen bovengenoemde partijen teneinde te bewerkstelligen de transactie ongedaan te maken” (memorie van antwoord, 1.13, 1.22-1.24). [geïntimeerde] wijst erop dat de gelegde beslagen niet kunnen worden aangemerkt als een derdenbeslag bij [BV] . [geïntimeerde] verbindt hieraan de conclusie dat geen machtiging is verleend voor de gelegde beslagen. Dit betoog van [geïntimeerde] gaat naar het oordeel van het hof niet op. De kantonrechter heeft in de machtiging van 13 juni 2016, die door [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. is opgesteld en door de kantonrechter is ondertekend met het stempel “Machtiging verleend”, kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat beslag mocht worden gelegd met het oog op een procedure waarbij onder meer [BV] zou worden betrokken. [geïntimeerde] , zijn vader en [BV] zijn in de machtiging aangeduid als tegenpartijen van [appellant 1] in het geschil, met de toevoeging dat [appellant 1] een factuur op naam van [BV] en een sommatie tot betaling aan [BV] heeft ontvangen. De formulering “bij [BV] ” in de machtiging moet in redelijkheid, gelet op de context, worden opgevat als een aanduiding van het geschil, maar niet als een beperking tot beslagen onder of ten laste van [BV] . De machtiging is dan ook voldoende om de bevoegdheid van [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. aan te nemen voor de beslagen die zijn gelegd onder [bank] en enkele notarissen ten laste van [geïntimeerde] .

3.8.

[geïntimeerde] heeft vervolgens gesteld dat [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. niet bevoegd was de gewraakte overeenkomst te vernietigen. Het hof verwerpt dit argument. Naar het oordeel van het hof moet voorshands worden aangenomen dat [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. deze bevoegdheid wel had. De strekking van de vernietiging is immers € 1 miljoen terug te brengen in het vermogen van [appellant 1] /Holding en te voorkomen dat nog eens € 5,5 miljoen uit dat vermogen moet worden voldaan tegenover mogelijke onzekere toekomstige baten. Onder deze omstandigheden moet de vernietiging worden gerekend tot het beheer van het vermogen van [appellant 1] . Niet in geschil is dat [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. bevoegd was tot beheer. Daarbij komt dat [appellant 1] het eens is met de handelwijze van [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. (memorie van antwoord, 2.4-2.6); [appellant 1] wenst de procedure over te nemen en voort te zetten.

3.9.

[geïntimeerde] stelt verder dat [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. niet bevoegd was Holding (en Projects) te vertegenwoordigen met het oog op de gewraakte beslagen (memorie van antwoord, 1.26 en 1.30). Het hof verwerpt ook deze stelling. Naar het oordeel van het hof hebben appellanten in dit kort geding voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. destijds bevoegd was Holding te vertegenwoordigen. Partijen zijn het erover eens dat [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. vanaf 29 juni 2016 als bestuurder is ingeschreven in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Onweersproken is verder de stelling van appellanten dat [appellant 1] , die alle aandelen in Holding houdt, in persoon heeft beaamd dat [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. bevoegd was Holding te vertegenwoordigen. Een aandeelhoudersbesluit van Holding, waarbij [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. tot bestuurder is benoemd, is in dit kort geding niet overgelegd, zoals [geïntimeerde] terecht stelt, maar onder de hiervoor geschetste omstandigheden moet voorshands worden uitgegaan van de bevoegdheid van [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. De notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van Holding van 3 mei 2017, waarin [voormalig provisioneel bewindvoerder] q.q. is ontslagen als bestuurder van Holding, zijn (als productie 8 zijdens [geïntimeerde] in dit hoger beroep) wel overgelegd.

3.10.

Appellanten hebben naar het oordeel van het hof, anders dan [geïntimeerde] stelt (memorie van antwoord, 1.3, 2.18), voldoende belang bij hun verweer in dit kort geding. De gewraakte beslagen zijn immers op een ander tijdstip, en eerder, gelegd dan de andere beslagen die appellanten later hebben gelegd. Niets is gesteld waaruit volgt dat appellanten dezelfde verhaalsmogelijkheden zouden hebben bij opheffing van de gewraakte derdenbeslagen als bij handhaving daarvan.

3.11.

[geïntimeerde] stelt verder dat de beslagen moeten worden opgeheven omdat appellanten de rechter niet naar behoren hebben geïnformeerd en aldus artikel 21 Rv hebben geschonden (memorie van antwoord, 1.4 en 1.33 en verder). Deze stelling is naar het oordeel van het hof, in ieder geval in hoger beroep, ongegrond. Het hof is immers ten volle geïnformeerd over alle aspecten van de kwestie. Het hoger beroep is mede bedoeld voor herstel van fouten in eerste aanleg. Het gaat in dit geval te ver de beslagen in hoger beroep op te heffen, ook indien de voorzieningenrechter van de rechtbank door appellanten op het verkeerde been zou zijn gezet (hetgeen het hof daarom in het midden kan laten).

3.12.

Het volgende geschilpunt betreft het argument van [geïntimeerde] dat summierlijk de ondeugdelijkheid van de gepretendeerde vordering is gebleken.

3.13.

Appellanten hebben uitvoerig en concreet toegelicht, mede gelet op de overgelegde stukken uit de bodemprocedure waar partijen naar verwijzen, dat appellanten door onder anderen [geïntimeerde] niet naar behoren zijn voorgelicht bij het aangaan van de gewraakte transactie, dat de overeenkomst niet tot stand is gekomen en dat sprake is van een tekortkoming (van [geïntimeerde] ) en ontbinding, (naar het hof begrijpt:) een onrechtmatige daad (van [geïntimeerde] ) en/of een wilsgebrek (dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden) (pleitnota mr. Blaauw bij de voorzieningenrechter, 10-16; memorie van grieven, 44-74; zie ook het gevoerde verweer, hierna). Appellanten hebben ter toelichting gesteld dat de e-mails van 10 maart 2016 niets meer inhouden dan een intentieverklaring of voorbereidend overleg over een mogelijke transactie, dat in deze e-mails onjuiste informatie over timecharters staat (in werkelijkheid hadden de schepen losse opdrachten) en dat onoverbrugbare verschillen van inzicht in de weg hebben gestaan aan (de totstandkoming van) de transactie. Appellanten merken op dat de beoogde nieuwe vennootschap niet is opgericht en dat de familie [geïntimeerde] niets heeft gestort. Appellanten hebben verder gesteld dat een eventuele overeenkomst met [geïntimeerde] persoonlijk is aangegaan, gelet op de gewisselde e-mails van 10 maart 2016, en dat sprake is van een wilsgebrek, althans een tekortkoming, nu onjuiste inlichtingen zijn verstrekt over ervaringen met de schepen, opbrengsten en rendementen. Wat betreft het gestelde wilsgebrek hebben appellanten gesteld (memorie van grieven, 62) dat [appellant 1] in de relevante periode was gestopt met het innemen van medicatie, in een manische fase verkeerde, druk gedrag vertoonde in woord en geschrift, impulsief handelde, in een conflict leefde met zijn vrouw en kinderen, werd opgevangen in een kleine gemeenschap, geïsoleerd van zijn omgeving en adviseurs, en daar onderdak heeft gevonden bij de vader van [geïntimeerde] . Appellanten hebben ook concreet toegelicht dat de familie van [geïntimeerde] , en aan de familie gelieerde ondernemingen, belang hadden bij de transactie en dat bij nader inzien belangrijke risico’s kleven aan de transactie.

3.14.

[geïntimeerde] heeft in de bodemprocedure verweer gevoerd en de standpunten van appellanten in dit kort geding gemotiveerd betwist (memorie van antwoord, 2.36-2.55). Het betoog van [geïntimeerde] heeft betrekking op de stellingen omtrent (a) de totstandkoming van de overeenkomst (2.36 en verder), (b) de tekortkoming en het wilsgebrek (2.44), en (c) onrechtmatige daad (2.45 en verder). Het argument van [geïntimeerde] valt uiteen in twee delen: ten eerste dat niet [geïntimeerde] , maar de [Group] -groep de contractspartij van appellanten is, en ten tweede dat geen sprake is van een wilsgebrek, tekortkoming of onrechtmatige daad en dat [appellant 1] – een succesvol en ervaren zakenman – welbewust en na goed overleg de overeenkomst is aangegaan, waarbij [geïntimeerde] niets wist, kon weten of behoorde te weten over de gestelde geestesgesteldheid van [appellant 1] (1.47, 2.48-2.51; pln. mr. Heijnen in hoger beroep, 1.3, 2.11)

3.15.

Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vorderingen van appellanten is gebleken (artikel 705 lid 2 Rv). De gewisselde e-mails van 10 maart 2016 zijn niet ondubbelzinnig. [geïntimeerde] heeft de handtekening van de [Group] -groep gebruikt, zoals hij stelt, maar in de e-mails zelf zou het ook kunnen gaan, zoals appellanten stellen, om overeenstemming tussen de mannen persoonlijk (e-mails van 7.11 uur en 17.30 uur: “we”, “jij”, “wij”, “hij”; producties 5 en 6 van [geïntimeerde] in hoger beroep), waarbij een nieuwe vennootschap zou worden opgericht voor de (beoogde) samenwerking. Daarnaast heeft [geïntimeerde] in elk geval persoonlijk belangrijke (al dan niet juiste) inlichtingen verstrekt die voor de beoordeling van het voorstel door [appellant 1] van aanzienlijk belang moeten worden geacht. Belangrijke elementen van deze samenwerking staan in de e-mails, zodat de door [geïntimeerde] gestelde perfecte overeenkomst zou kunnen worden aangenomen, maar de e-mails zijn voorshands op zichzelf ook goed te rijmen met het door appellanten geschetste scenario van voorlopig overleg over een mogelijke transactie (“(…) verdere condities moeten we persoonlijk eerst bespreken wat goed en interessant is voor [appellant 1] ”; “(…) zullen wij de komende weken bepalen samen in welke vorm wij deze schepen beheren in welke vorm van eigendom”; producties 5 en 6 van [geïntimeerde] in hoger beroep). Dit geldt ook wanneer de e-mails worden bezien in samenhang met de storting van € 1 miljoen, de opdracht voor een storting van € 5,5 miljoen en de uitlating van [appellant 1] dat sprake was van een “hele goede investering” (memorie van antwoord, 2.39). De stellingen van appellanten over de geestesgesteldheid van [appellant 1] in maart 2016, over de verdere omstandigheden bij de totstandkoming van de gestelde overeenkomst en over de gestelde door [geïntimeerde] verstrekte beweerdelijk onjuiste inlichtingen zijn voorshands voldoende onderbouwd. In de beschikking van 2 mei 2017 (3.1 e hiervoor) is weliswaar overwogen dat de psychiater blijkens zijn rapport van 24 april 2017 geen aanwijzingen voor cognitieve stoornissen “op dit moment” heeft vastgesteld, dat [appellant 1] volgens de psychiater “nu” in staat is om zijn belangen adequaat te behartigen en dat de psychiater in “retrospectief” geen objectiveerbare aanwijzingen voor wils(on)bekwaamheid heeft vastgesteld (“en was betrokkene volgens mij in staat om zijn belangen te begrijpen en te behartigen (…)”), maar dit is voorshands onvoldoende om aan te kunnen nemen dat geen sprake is geweest van een wilsgebrek, tekortkoming of onrechtmatige daad. Dit geldt ook indien de maatstaf van een persoonlijk ernstig verwijt bij de beoordeling wordt betrokken voor handelingen van [geïntimeerde] in hoedanigheid van bestuurder van vennootschappen. Daarbij weegt naar het oordeel van het hof ook het volgende mee. De gewraakte transactie betreft een investering van € 6,5 miljoen en is zeer snel – in minder dan 12 uur – tot stand gekomen. De e-mails van 10 maart 2016 behelzen - volgens [geïntimeerde] - zowel het voorstel als de overeenstemming, waarbij [appellant 1] door tussenkomst van Holding al een dag later, op 11 maart 2016, € 1 miljoen heeft betaald en op 16 maart 2016 opdracht heeft gegeven voor een betaling van € 5,5 miljoen (deze opdracht is door de bank, na overleg met de echtgenote van [appellant 1] , geweigerd, aldus [geïntimeerde] ). Deze context van de e-mails van 10 maart 2016 draagt bij aan het oordeel dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de door appellanten gestelde vorderingen.

Andere gronden die de opheffing van de beslagen zouden kunnen dragen zijn gesteld noch gebleken.

3.16.

De belangenafweging in dit kort geding (memorie van grieven, 74) valt uit in het voordeel van appellanten. [geïntimeerde] stelt dat hij door de beslagen een aanbetaling van € 220.000,- voor de aankoop van een onroerende zaak in [plaats] niet heeft kunnen verrichten, waardoor hij nadeel lijdt. Deze stelling, wat er verder van zij, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Partijen gaan ervan uit dat zij zeer vermogend zijn. Niet is uitgelegd dat [geïntimeerde] geen alternatieve liquide middelen of bronnen van financiering had om alsnog de aanbetaling te doen. Daartegenover staat dat appellanten belang hebben bij verhaalsmogelijkheden voor het geval hun vorderingen, die zoals hiervoor is overwogen voorshands niet summierlijk ondeugdelijk zijn gebleken, worden toegewezen in de bodemprocedure. De belangen van appellanten wegen zwaarder.

3.17.

De grieven slagen en behoeven geen verdere behandeling. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. Het door [geïntimeerde] gevorderde zal alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (voor salaris advocaat: € 816,- in eerste aanleg en € 2.682,- in hoger beroep, grieven 1, pleidooi 2 = 3 punten, tarief II € 894,-).

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst af het gevorderde;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [appellant 1] en Holding begroot op nihil aan vast recht en € 816,- voor salaris advocaat in eerste aanleg en op € 313,- aan vast recht en € 2.682,- voor salaris advocaat in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Beurskens, L.S. Frakes en P.V. Eijsvoogel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 september 2017.

griffier rolraadsheer