Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3993

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
200.180.428_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 7:681 BW (oud) voldaan aan gevolgencriterium?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1128

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.180.428/01

arrest van 12 september 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.J.M. Jansen-van Beek te Eindhoven,

tegen

[B.V.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.W. de Rijk te Helmond,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 januari 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven onder zaaknummer 3301376 14-9133 gewezen vonnis van 23 juli 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 5 januari 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 18 februari 2016;

  • -

    de memorie van grieven tevens houdende akte wijziging van eis met drie producties;

  • -

    de memorie van antwoord met twee producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1951, is op 24 april 1984 bij [geïntimeerde] in dienst getreden. [appellant] was aanvankelijk werkzaam als lasser, vervolgens als bankwerker en laatstelijk in de functie van zager/knipper.

  2. Op 19 januari 2011 is [appellant] arbeidsongeschikt geraakt.

  3. Na 104 weken heeft het UWV Werkbedrijf (hierna te noemen: UWV) geoordeeld dat [appellant] voor 100% arbeidsongeschikt is en dat er een meer dan geringe kans op herstel aanwezig is. Het UWV heeft [appellant] per 16 januari 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

  4. Op 31 januari 2013 heeft [geïntimeerde] een ontslagvergunning gevraagd bij het UWV teneinde het dienstverband met [appellant] te kunnen opzeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. [appellant] heeft zich hiertegen verweerd.

  5. Bij beslissing van 28 maart 2013 heeft het UWV een ontslagvergunning verleend.

  6. Bij brief van 3 april 2013 heeft [geïntimeerde] de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd per 1 augustus 2013.

6.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg een verklaring voor recht dat het hem verleende ontslag kennelijk onredelijk was en een veroordeling van [geïntimeerde] om aan hem, naast een proceskostenveroordeling, een bedrag te voldoen van € 39.911,16 bruto ex artikel 7:681 BW.

6.2.2.

Aan deze vorderingen heeft [appellant] , kort samengevat, artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW ten grondslag gelegd, stellende dat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [geïntimeerde] bij de beëindiging van zijn dienstverband.

6.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

In het vonnis van 23 juli 2015 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

6.3.

[appellant] heeft in hoger beroep 11 grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het toewijzen van zijn vorderingen die hij in hoger beroep in die zin heeft gewijzigd dat in plaats van een bedrag van € 39.911,16 een bedrag van € 43.817,11 als schadevergoeding wordt gevorderd. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

6.4.

Het hof stelt voorop dat getoetst moet worden aan het bepaalde in artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW oud, nu op grond van artikel XXII lid 1 WWZ dit artikel geldt in een situatie zoals de onderhavige waarin de opzegging dateert van vóór 1 juli 2015.

6.5.

Bij de beoordeling of een opzegging van een arbeidsovereenkomst als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt vanwege het zogenoemde gevolgencriterium geldt als maatstaf of, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor de werknemer bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Daarbij dienen alle omstandigheden zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden, in aanmerking te worden genomen. Nadien intredende omstandigheden kunnen slechts worden meegewogen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht.

De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering vanwege kennelijk onredelijk ontslag. Daartoe dienen bijzondere omstandigheden te worden gesteld en zo nodig bewezen, die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap. Er is geen reden hierover anders te oordelen in een geval waarin de werkgever wegens twee jaar onafgebroken arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsverhouding mag beëindigen (zie HR 12 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4472).

De kantonrechter heeft deze maatstaf, weergegeven in de rechtsoverwegingen 4.10 en 4.11 van het vonnis, aangelegd en partijen hebben hiertegen terecht geen grieven gericht.

6.6.

Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betoogt [appellant] dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.

6.7.1

[appellant] heeft zich op 19 januari 2011 arbeidsongeschikt gemeld als gevolg van knieklachten; ten overstaan van de arbeidsdeskundige die door hem is gevraagd om een deskundigenoordeel heeft [appellant] het over twee versleten knieën, nekklachten en niet goed functionerende nieren.

Vervolgens heeft [appellant] naast de fysieke klachten, te maken gekregen met psychische klachten. Deze psychische klachten zijn, volgens [appellant] , het gevolg van de wijze waarop [geïntimeerde] hem heeft behandeld. [geïntimeerde] heeft hem kort nadat hij zich ziek had gemeld werkzaamheden laten verrichten die hij als vernederend heeft ervaren. [appellant] noemt het schoonmaken van het plein, het verwijderen van onkruid, het schoonmaken van het zeil van een aanhanger met een nagelborsteltje en het werken met een hoogwerker zonder dat aan hem de juiste instructies daarvoor zijn gegeven.

Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [appellant] naar de rapportage van het UWV van 29 december 2011 waarin het volgende is opgenomen:

“Verder werden hem vervangende werkzaamheden aangeboden die meer het karakter hadden van zoeken naar bezigheden, waarvan het nut aan twijfel onderhevig is, dan van structureel werken”

Voorts wijst hij op de WIA-beslissing - overgelegd wordt een ongedateerd stuk met als titel “Arbeidsdeskundig rapport” - waarin staat:

Het team heeft echter grote twijfels bij de gang van zaken bij de werkgever. Een meer constructieve opstelling tegenover de werknemer had wellicht enig perspectief geboden, hetgeen nu niet (meer) mogelijk was, terwijl bij een dienstverband vanaf 1984 iets anders verwacht had mogen worden.

Daarnaast verwijt [appellant] [geïntimeerde] dat laatstgenoemde met hem gesprekken heeft gevoerd over het sluiten van een overeenkomst tot beëindiging van het dienstverband, waarbij [geïntimeerde] op [appellant] veel druk heeft uitgeoefend om tot ondertekening van een dergelijke overeenkomst over te gaan. [appellant] verwijst naar een gesprek op 4 februari 2011, dus kort nadat hij arbeidsongeschikt werd, en een gesprek waarbij de advocaat van [geïntimeerde] aanwezig was op 8 september 2011. Tijdens dit laatste gesprek werd door of namens [geïntimeerde] aangegeven dat als [appellant] niet zou tekenen, [geïntimeerde] dan failliet zou gaan met als gevolg dat alle werknemers zouden worden ontslagen, aldus [appellant] . Na dit gesprek is [appellant] volledig ingestort en onder behandeling gekomen van een psychiater.

Ter onderbouwing van zijn stellingen legt [appellant] een brief over van zijn huisarts en van zijn behandelend psychiater. De psychiater geeft in zijn brief aan dat de klachten bestonden uit angst-, spannings- en depressieve klachten met suïcidale gedachten, die veroorzaakt werden door problemen op het werk.

6.7.2

[geïntimeerde] betwist dat zij verwijtbaar heeft gehandeld. [geïntimeerde] heeft, nadat [appellant] zich arbeidsongeschikt heeft gemeld, binnen haar onderneming gezocht naar aangepast werk voor hem. Zij verwijst naar de inhoud van het deskundigenoordeel waarin is aangegeven dat [appellant] niet meer geschikt was om zijn eigen werk te verrichten en dat het ook niet mogelijk was om zijn eigen werk zodanig aan te passen dat [appellant] dit werk nog wel zou kunnen doen. [geïntimeerde] stelt dat zij [appellant] enig werk heeft aangeboden en, op het moment dat [appellant] aangaf dit niet meer te kunnen of willen doen, dat zij hem hiervan per direct heeft vrijgesteld.

[geïntimeerde] betwist dat zij [appellant] het werk heeft gegeven met het doel om hem te vernederen en/of (weg) te pesten. Over het schoonmaken van het zeil stelt [geïntimeerde] dat het hier ging om verfresten van een aanhangerzeil, die niet met een nagelborsteltje maar wel met een klein borsteltje moesten worden verwijderd. Op het moment dat [appellant] bezwaar maakte tegen het werk, behoefde hij het karwei niet verder af te maken, en is een andere werknemer hiermee belast. Toen op het einde van de dag het karwei nog niet af was, hebben de zonen van de directeur, het werk afgemaakt, zo stelt [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] heeft, nadat [appellant] dit werk heeft gestaakt, arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] ingeschakeld. Deze concludeert in zijn rapport van 1 juni 2011 dat [appellant] ongeschikt is voor eigen werk en dat dit eigen werk niet passend te maken is terwijl er geen passende alternatieven binnen de eigen organisatie aanwezig zijn. De arbeidsdeskundige adviseert [geïntimeerde] om aan het UWV een deskundigenoordeel te vragen en, als hierin zijn conclusies worden onderschreven, tot inkoop van een tweede spoor re-integratietraject over te gaan.

Aldus, zo stelt [geïntimeerde] , heeft zij gedaan hetgeen van haar als werkgever in het kader van het stappenplan krachtens de Wet verbetering poortwachter mocht worden verwacht. Ter onderbouwing verwijst [geïntimeerde] naar de conclusie in het rapport van het later uitgevoerde deskundigenoordeel:

“De door de werkgever uitgevoerde re-integratie-inspanningen zijn voldoende.”

[geïntimeerde] stelt voorts dat zij in alle contacten die zij tijdens de arbeidsongeschiktheid met [appellant] heeft gehad, slechts éénmaal een beëindiging van het dienstverband aan de orde heeft gesteld. Tijdens dit gesprek is het re-integratievraagstuk aan de orde geweest; [appellant] heeft toen, aldus [geïntimeerde] , aangegeven geen heil te zien in een re-integratie bij [geïntimeerde] . De zoon van [appellant] , werkzaam in de HRM-sector, was bij dit gesprek aanwezig om [appellant] bij te staan. Het overleg heeft, aldus [geïntimeerde] , geen vervolg gekend omdat er geen overeenstemming kon worden bereikt. [geïntimeerde] betwist dat zij tijdens het gesprek druk op [appellant] heeft uitgeoefend in die zin dat het hem zwaar zou worden gemaakt op de werkvloer en zij biedt daarvan bewijs aan.

[geïntimeerde] betwist dat zij de psychische klachten bij [appellant] zou hebben veroorzaakt en daarmede betwist zij ook de inhoud van de brief van de psychiater.

6.7.3.

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat [appellant] te kampen heeft (gehad) met psychische klachten en dat deze korte tijd nadat [appellant] zich arbeidsongeschikt heeft gemeld, zijn ontstaan. De vraag die voorligt, is of [geïntimeerde] met betrekking tot het ontstaan van deze klachten een verwijt kan worden gemaakt. De handelwijze die [appellant] [geïntimeerde] verwijt bestaat enerzijds uit het [appellant] laten verrichten van de hiervoor genoemde werkzaamheden en anderzijds uit het voeren van de gesprek(ken) over een mogelijke beëindiging van het dienstverband, waarbij op [appellant] de nodige druk zou zijn uitgeoefend.

6.7.3.1. Het hof betrekt bij de beoordeling de navolgende omstandigheden. [appellant] stelt weliswaar dat zijn fysieke klachten niet zodanig waren dat hij niet meer zijn eigen werk of andere passende werkzaamheden binnen [geïntimeerde] zou kunnen gaan verrichten maar dit wordt door [geïntimeerde] onderbouwd betwist. Niet alleen in het rapport van de door [geïntimeerde] ingeschakelde arbeidsdeskundige wordt deze mate van arbeidsongeschiktheid bevestigd, maar ook in het door [appellant] gevraagde deskundigenoordeel van de deskundige van het UWV wordt dit aangegeven. Het hof passeert daarom ook deze stelling van [appellant] . Aldus komt vast te staan dat ten tijde van het aanbieden van de betreffende werkzaamheden [appellant] niet alleen ongeschikt was om zijn eigen werk te verrichten maar voorts dat dit eigen werk niet zodanig kon worden aangepast dat het werk alsnog door [appellant] kon worden verricht en dat er binnen het bedrijf van [geïntimeerde] geen andere mogelijkheden voor [appellant] aanwezig waren.

Het hof neemt voorts in de beoordeling mee dat in het deskundigenoordeel weergegeven is dat, nadat [appellant] de deskundige vertelde over de “vreemde karweitjes” die hij moest opknappen, de arbeidsdeskundige hem vertelde dat de werkgever, strikt genomen, en puur kijkend naar de stappen van de Wet verbetering poortwachter, gedaan heeft wat men kon.

6.7.3.2. Naar het oordeel van het hof zijn de aangeboden werkzaamheden, schoonmaakwerk en het werken met een hoogwerker, naar hun aard te kwalificeren als gangbare arbeid. Voorts staat vast dat het hier niet ging om passende arbeid in die zin dat [appellant] verplicht was om dit werk uit te voeren. [appellant] kreeg het werk aangeboden, is het gaan verrichten en, op het moment dat hij aangaf dit niet meer te willen doen (of, zoals hij stelt, nadat zijn kinderen ingrepen) is dit werk hem niet als verplichting door [geïntimeerde] opgedragen. Dat hij zich vernederd heeft gevoeld toen hij het werk verrichtte of weggepest heeft gevoeld met als gevolg het ontstaan van psychische klachten, is een omstandigheid die, mede gelet op hetgeen het hof in de vorige rechtsoverweging heeft vastgesteld, niet aan [geïntimeerde] kan worden verweten.

Dit geldt temeer nu [appellant] in zijn memorie van grieven onder punt 18 aangeeft dat de vrijstelling van het werk niet kan worden gezien als re-integratie en dat een dergelijke vrijstelling nog meer psychische klachten oplevert nu daardoor de drempel om weer terug te keren in het arbeidsproces steeds hoger wordt. Aldus onderschrijft hij het belang om aan het werk te blijven, ook in de situatie dat er geen passend werk voorhanden is. Hoe [geïntimeerde] onder de gegeven omstandigheden dan zou hebben moeten handelen, geeft [appellant] niet aan.

[appellant] heeft bewijs aangeboden van de gestelde te magere re-integratie activiteiten. Het hof passeert dit bewijsaanbod nu niet in geschil is welke activiteiten er zijn verricht en de kwalificatie of [geïntimeerde] zich aldus op dat moment voldoende gekweten heeft van haar verplichting tot het re-integreren van [appellant] , zich niet leent voor een bewijsopdracht. [appellant] biedt voorts bewijs aan van het bestaan van causale verband tussen het handelen van [geïntimeerde] en zijn psychische klachten. Naar het oordeel van het hof is het al dan niet bestaan van dit verband niet doorslaggevend. Het gaat erom of sprake is geweest van enig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] . Het hof passeert dan ook dit laatste bewijsaanbod.

6.7.3.3. Het feit dat [geïntimeerde] heeft getracht in (een) gesprek(ken) met [appellant] tot een beëindiging van het dienstverband te komen en dat dit mede de psychische klachten tot gevolg heeft gehad, kan [geïntimeerde] naar het oordeel van het hof evenmin worden aangerekend. [appellant] heeft met het overleggen van correspondentie onderbouwd dat er in februari 2011 tussen partijen gecommuniceerd is over een beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden. Overgelegd is een brief van 4 februari 2011 van de advocaat van [geïntimeerde] aan mr. [advocaat] , optredend namens [appellant] . Deze brief maakt deel uit van een langlopende correspondentie tussen partijen over een beëindiging die op grond van bedrijfseconomische redenen zou zijn ingegeven. Dat [appellant] tijdens het voeren van de correspondentie arbeidsongeschikt is geworden, stond daar, naar het oordeel van het hof, los van en is niet van invloed geweest op de re-integratieverplichtingen van [geïntimeerde] .

Dit geldt niet voor het tweede gesprek van 8 september 2011; in dit gesprek stond de arbeidsongeschiktheid van [appellant] centraal. Het feit dat [geïntimeerde] op dat moment de beëindiging van het dienstverband ter sprake brengt, is, gegeven haar stelling dat zij [appellant] geen (passend) werk kon aanbieden, niet in strijd met goed werkgeverschap. Haar mening werd op dat moment ondersteund door een door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige en leidde ertoe dat de re-integratieverplichtingen enkel nog zagen op het zoeken naar werk bij een derde, het zogenaamde tweede spoor. Dat tijdens de gesprekken oneigenlijke druk is uitgeoefend, heeft [geïntimeerde] betwist en is door [appellant] niet nader onderbouwd. Daarmede is overigens niet gezegd dat [appellant] geen druk heeft gevoeld en dat dit gevoel niet zou hebben bijgedragen aan het ontstaan van psychische klachten. In het kader van het oordeel over de handelwijze van [geïntimeerde] is dit evenwel niet van belang; de handelwijze van [geïntimeerde] staat ter discussie en het enkele bespreken van een mogelijkheid om met wederzijds goedvinden tot een beëindiging van het dienstverband te komen, leidt niet tot de conclusie dat een werkgever niet aan zijn re-integratieverplichting heeft voldaan.

6.8.1.

[appellant] verwijt [geïntimeerde] voorts dat zij gedurende de gehele periode van arbeidsongeschiktheid niet of onvoldoende aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Nadat [appellant] zich arbeidsongeschikt had gemeld, is er, aldus [appellant] , te weinig gedaan om hem te laten terugkeren naar zijn oude functie of een andere passende functie. Hij wijst daarbij op zijn leeftijd, zijnde ten tijde van de opzegging 61 jaar, de duur van het dienstverband, ten tijde van de opzegging 29 jaren, de slechte kansen op de arbeidsmarkt, zijn eenzijdig arbeidsverleden en het gebrek aan om-/bijscholing.

6.8.2.

[geïntimeerde] betwist dat zij niet aan haar verplichtingen tot re-integratie zou hebben voldaan. Zij heeft in een vroeg stadium een arbeidsdeskundige ingeschakeld. In het rapport van deze arbeidsdeskundige staat aangegeven dat [appellant] is uitgevallen als gevolg van knieklachten en dat uit overleg met de bedrijfsarts volgt dat toename van de belastbaarheid niet te verwachten is. Zijn conclusie is dat, gegeven de beperkingen van [appellant] , zijn eigen functie niet meer als passend werk kon worden geduid en dat er binnen [geïntimeerde] geen ander passend werk voorhanden was zodat spoor twee moest worden ingezet.

[geïntimeerde] wijst voorts op de conclusie van het deskundigenoordeel dat door [appellant] is aangevraagd en waarin is opgenomen dat de werkgever de stappen heeft gezet die strikt genomen volgens de Wet verbetering poortwachter gezet dienden te worden. [appellant] kan niet meer terug naar zijn huidige werkgever; er zijn daar geen mogelijkheden aanwezig, aldus de arbeidsdeskundige van het UWV. Er moet worden ingezet op spoor twee.

[geïntimeerde] heeft in het kader van het tweede spoor een werkcoach ingeschakeld om [appellant] te begeleiden bij het solliciteren.

6.8.3.

Het hof heeft onder rechtsoverweging 6.7.3.1. reeds in rechte vastgesteld dat ten tijde van het aanbieden van het aangepaste werk (door [appellant] eerder genoemd: de vreemde karweitjes) [appellant] niet alleen ongeschikt was om zijn eigen werk te verrichten maar voorts dat dit eigen werk niet zodanig kon worden aangepast dat het werk alsnog door [appellant] kon worden verricht en dat er binnen het bedrijf van [geïntimeerde] geen andere mogelijkheden voor [appellant] aanwezig waren. Dat in de loop van de re-integratieperiode deze situatie is gewijzigd, mede gelet op het onderbouwde standpunt van [geïntimeerde] heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd gesteld. Dit geldt temeer nu [appellant] zelf aangeeft dat hij in de loop van de re-integratieperiode naast de fysieke klachten, ook psychische klachten kreeg die in ernst zijn toegenomen en waarvan zijn behandelend psychiater aangeeft dat deze een terugkeer naar [geïntimeerde] in de weg staan. [appellant] heeft voorts nagelaten te stellen wat [geïntimeerde] onder de gegeven omstandigheden dan had kunnen en moeten doen en op welke wijze dit de situatie dan zou hebben gewijzigd. Het hof concludeert dan ook dat [appellant] het aan [geïntimeerde] gemaakte verwijt onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd.

6.9.

Gelet op al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien is niet gebleken dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk maken. De grieven die door [appellant] tegen de uitspraak van de kantonrechter zijn aangevoerd, slagen dan ook niet en het hof zal deze uitspraak bekrachtigen.

6.10.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.937,00 aan griffierecht en op € 2.316,00 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op
€ 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, J.M.H. Schoenmakers en P.S. Kamminga en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 september 2017.

griffier rolraadsheer