Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3991

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
200.188.264_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop tweedehands auto van 10 jaar oud en kilometerstand van 300.000 zonder garantie. Na enige tijd gebrek aan oliepomp. Dit levert geen tekortkoming van de verkoper op.

Inruil van auto waarop de inruilende partij in verleden de BPM heeft terugontvangen. Naheffing van die BPM vanwege de inruil moet voor rekening van de inruilende partij blijven. Eventuele dwaling blijft in die geval voor diens rekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.188.264/01

arrest van 12 september 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. E.Tj. van Dalen te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

handelend onder de naam [h.o.d.n.] ,

wonende en kantoorhoudende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C.A.M.H. Vink te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 maart 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 december 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3967396, rolnummer 15/2600)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met zeven producties en een vermeerdering van eis;

  • -

    de memorie van antwoord met vier producties;

  • -

    de akte van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    [appellant] heeft in 2011 een Volkswagen Caddy (bouwjaar 2010) gekocht. In verband met de aankoop van deze auto heeft [appellant] een bedrag van € 3.244,-- aan BPM terugontvangen van de belastingdienst op grond van de zogeheten gehandicaptenregeling.

  • -

    Medio juli 2012 heeft [appellant] contact opgenomen met [geïntimeerde] omdat [appellant] interesse had in een Volkswagen Transporter die [geïntimeerde] te koop had staan.

  • -

    Vervolgens heeft [appellant] op 20 juli 2012 het bedrijf van [geïntimeerde] bezocht en de Volkswagen Transporter (met een bouwjaar van 2002 en een kilometerstand van ongeveer 296.000) geïnspecteerd. De partijen hebben op die datum een voorgedrukte “Koopovereenkomst particulier” ingevuld en ondertekend. Volgens de tekst van deze overeenkomst heeft [geïntimeerde] aan [appellant] de Volkswagen Transporter verkocht en heeft [geïntimeerde] van [appellant] een Volkswagen Caddy (bouwjaar 2010 en kilometerstand ongeveer 173.000) ingekocht. [appellant] heeft op de overeenkomst een paraaf gezet ter bevestiging dat hij op de Volkswagen Caddy geen vooraftrek btw heeft genoten en in verband met de levering aan [geïntimeerde] geen btw verschuldigd is. Ook heeft [appellant] een paraaf geplaatst ter bevestiging dat hij afziet van BOVAG-garantie. Op de overeenkomst staat verder handgeschreven onder meer:

“Verder zo akkoord bevonden. Koper heeft verklaard ter zake kundig te genoeg te zijn en ziet af van extra 3 of 6 of 12 mnd volledige Bovag of andere vorm van garantie op het geleverde.”

Ook staat op de overeenkomst handgeschreven:

“Toe te betalen zijn zijde € 8.500,=”

Volgens [geïntimeerde] betreft dat het bedrag dat hij, naast de levering van de Volkswagen Transporter, per saldo nog aan [appellant] zou betalen om de Volkswagen Caddy in eigendom te verkrijgen. [appellant] heeft dat betwist.

- Op 10 augustus 2012, heeft [appellant] samen met een vriend de Volkswagen Transporter, die inmiddels een afleverbeurt en een APK-keuring had gehad, opgehaald bij [geïntimeerde] en de Volkswagen Caddy afgeleverd aan [geïntimeerde] . Ter bevestiging van de aflevering van de Volkswagen Transporter aan [appellant] heeft [appellant] op die dag een afleververklaring ondertekend. Op deze verklaring staat een verkoopprijs van € 2.699,--. Verder staat op de verklaring onder meer het volgende:

“KOPER HEEFT VERKLAARD TER ZAKE KUNDIG GENOEG TE ZIJN EN ZIET AF VAN EXTRA 3 OF 6 OF 12 MAANDEN VOLLEDIGE BOVAG OF ANDERE VORM VAN GARANTIE OP HET GELEVERDE, KORTING 1295,= EURO I.V.M. AFKOOP, DUS NU EEN NETTO PRIJS ZO MEENEMEN/VOETSTOOTS OOK INZAKE WET NON-CONFORMITEIT GEEN ENKELE AANSPRAAK OP ONS BEDRIJF”

  • -

    Op 9 november 2011 heeft [appellant] van de belastingdienst een naheffingsaanslag BPM 2012 ontvangen, waarbij de BPM ten bedrage van € 3.244 die [appellant] bij aankoop van de Volkswagen Caddy had terugontvangen, werd nagevorderd.

  • -

    Bij brief van 12 april 2013 heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

“Cliënt informeerde mij over het feit dat hij van u een auto heeft gekocht, zijnde een Volkswagen Transporter (…) De auto is afgeleverd op 9 augustus 2012. Na aflevering is gebleken dat de auto niet beantwoordt aan hetgeen mijn cliënt op grond van de met u gesloten koopovereenkomst van de auto mocht verwachten.

(…) Aangezien u aansprakelijkheid ten aanzien van de ontbrekende sleutel, de niet werkende afstandsbediening en het trillen tijdens het rijden, van de hand heeft gewezen, heeft mijn cliënt deze gebreken inmiddels zelf laten herstellen. De kosten voor een nieuwe sleutel met werkende afstandsbediening hebben € 207,10 bedragen. De kosten voor het balanceren hebben € 24,99 bedragen. Het totaalbedrag betreft derhalve € 232,09. Voor dit bedrag houdt cliënt u aansprakelijk.

Ten aanzien van de versnellingsbak heeft te gelden dat deze slipt, en dat deze dientengevolge vervangen moet worden. (…) Namens mijn cliënt (…) gun ik u een termijn van twee weken na heden waarbinnen u mij kunt bevestigen dat u deze reparatie zelf uitvoert dan wel laat uitvoeren op uw eigen kosten. Indien deze bevestiging achterwege blijft komt u rechtens in verzuim te verkeren en verkrijgt mijn cliënt de bevoegdheid om deze reparatie op uw kosten te doen uitvoeren.

Ten slotte speelt er nog een geschil betreffende de BPM. Cliënt heeft bij u zijn VW Caddy ingeruild. Ten gevolge van deze transactie moet cliënt nu opeens een bedrag aan BPM betalen aan de belastingdienst van € 3.444,00. Als professioneel handelende partij had u mijn cliënt hierover moeten informeren hetgeen u echter heeft nagelaten. (…) Het is om die reden dat mijn cliënt u aansprakelijk houdt voor het bedrag aan BPM dat nu plotseling door de belastingdienst bij hem wordt ingevorderd.”

- Bij brief van 19 april 2013 heeft [geïntimeerde] aan de gemachtigde van [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:

“(…) wij zijn bereid coulancehalve om de kwestie inzake de sleutel en het balanceren voor het totale bedrag zoals door U aangeeft in uw schrijven € 232,09 te vergoeden.

Ook zijn wij bereid coulancehalve de Volkswagen Transporter (…) bij DHR [appellant] op te halen en deze bij een erkend automatische transmissie service bedrijf te laten testen.

Mocht hieruit blijken dat daadwerkelijk de automatische transmissie niet goed functioneert dan zal deze geheel voor onze kosten hersteld worden.

(…)

Inzake Uw schrijven betreffende geschil BPM is er mijn inziens geheel geen geschil. U stelt dat wij professionele handelende partij zijn. Doch mijn inziens is uw cliënt degene welke professioneel is betreffende de bpm. (…) Het feit dat uw cliënt nu een aanslag heeft gekregen van bpm daaruit blijkt dat hij bij de aankoop van de VW Caddy formulieren heeft moeten ondertekenen om vrijstelling te krijgen van de bpm. Daarom gaan wij er ook vanuit dat uw cliënt inzake de bpm kwestie bij de verkoop van de VW Caddy hiervan volledig op de hoogte te zijn geweest.

(….)

Wij doen U dit voorstel coulancehalve (…) onder voorbehoud dat Uw cliënt uiterlijk binnen 14 dagen ons laat weten hiermee akkoord te zijn (…)”

- Bij brief van 6 mei 2013 heeft de gemachtigde van [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

“In uw brief geeft u aan dat u bereid bent om het bedrag van € 232,09 aan mijn cliënt

te vergoeden alsmede om de auto bij mijn cliënt op te halen, en om de automatische transmissie hiervan te laten controleren door een onafhankelijk erkend servicebedrijf. Indien blijkt dat deze niet goed functioneert, zal deze op uw kosten worden hersteld. Mijn cliënt stemt hiermee in onder de voorwaarde dat de auto gebracht zal worden

naar het gespecialiseerde bedrijf [bedrijf] te [plaats 1] . (…)

Verder verzoek ik u het bedrag van € 232,09 te voldoen (…)”

- Bij brief van 14 mei 2013 heeft [geïntimeerde] aan de gemachtigde van [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:

“Als Bovag autobedrijf werken wij met erkende en gespecialiseerde bedrijven. Inzake specifieke werkzaamheden waar wij met ons bedrijf niet voldoende in zijn gespecialiseerd. Dit betreft ook inzake de automatische transmissie van de auto VW T4 automaat met kentekennummer [kenteken] . Bij ons is transmissie service [firma] uit [plaats 2] welke is aangesloten bij de VNTS (Vereniging Nederlandse Transmissie Service). Is voor ons als Bovag leden als beste gecertificeerde en een van de bekendste staande hoge kwaliteits automatische transmissie service bedrijf.

(...) Daarom stellen wij ook als eis dat deze VW T4 kentekennr. [kenteken] naar de

firma [firma] gaat.

(...) zoals eerder besproken in ons schrijven van 19 april 2013 zijn wij ook bereid om het bedrag van € 232,09 te voldoen (…) inzake de kwestie sleutel/ balanceren.

Echter onder de voorwaarden dat uw client de heer [appellant] mij dit per schrijven binnen 10 dagen bevestigd dat hij met dit voorstel zoals hierboven vermeldt staat akkoord gaat en hiermede alle aansprakelijkheidsstellingen en in gebreke stellingen zoals onder andere in uw schrijven van 12 april 2013 genoemd staat hiermede te zijn opgelost en hier niet meer op terug zal komen en alle eventuele claimen en geschillen tussen beide partijen hiermede zijn opgelost.”

- Bij brief van 5 juni 2013 heeft [geïntimeerde] aan de gemachtigde van [appellant] het volgende meegedeeld:

“Aangezien onze termijn stelling van onze 10 dagen ruim verstreken zijn en daar wij topt op heden nog een antwoord van u hebben mogen ontvangen op ons schrijven van 14 mei 2013. zijn wij van mening dat indien er werkelijk een technisch mankement en of probleem is (…) deze door iedere dag dat er langer mee gereden wordt het probleem kan verergeren.

(…)

Wij zijn alsnog bereid hetgeen wat wij gesteld hebben in ons schrijven van 14 mei na te komen tot 13 juni 2013.

Na deze datum gaan wij ervan uit dat uw cliënt de heer [appellant] geen gebruik meer wenst te maken van ons voorstel.”

- Bij brief van 12 juni 2013 heeft de gemachtigde van [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven:

“Mijn cliënt aanvaardt het door u in uw brief van 14 mei 2013 gedane aanbod in die zin dat nadat de auto deugdelijk is gerepareerd en nadat het bedrag van € 232,09 is bijgeschreven op onze derdenrekening, de geschillen tussen u en mijn cliënt hiermee zullen zijn beëindigd.

Ik verzoek u om de auto zo spoedig mogelijk bij mijn cliënt te komen ophalen en om deze te brengen naar het door u genoemde transmissie servicebedrijf.”

- Bij brief van 19 juni 2013 heeft de gemachtigde van [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven:

“Eerder berichtte ik u dat mijn cliënt het door u in uw brief van 14 mei 2013 gedane

aanbod aanvaardt in die zin dat nadat de auto deugdelijk is gerepareerd en nadat het

bedrag van € 232,09 is bijgeschreven op onze derdenrekening, de geschillen tussen u

en mijn cliënt hiermee zullen zijn beëindigd.

Op verzoek van de heer [derde] bevestig ik u hierbij nog uitdrukkelijk dat nadat de

auto deugdelijk is gerepareerd en nadat het bedrag van € 232,09 is bijgeschreven op

onze derdenrekening, de geschillen tussen u en mijn cliënt hiermee zullen zijn

beëindigd. Partijen zullen alsdan over en weer niets meer van elkaar te vorderen

hebben uit hoofde van de gesloten koopovereenkomst met betrekking tot de

Volkswagen 14 automaat met kenteken [kenteken] .

Van de heer [derde] begreep ik dat de auto morgen tussen 10.00 en 11.00 uur zal worden opgehaald.”

  • -

    Op 20 juni 2013 is de auto door de firma [firma] getest. De firma heeft de auto na proefrit akkoord bevonden en een garantie voor de duur van een jaar gegeven op de versnellingsbak.

  • -

    [geïntimeerde] heeft het bedrag van € 232,09 vervolgens gestort op de derdenrekening van de gemachtigde van [appellant] .

  • -

    Bij brief van 26 juni 2013 heeft [geïntimeerde] aan de gemachtigde van [appellant] onder meer het volgende meegedeeld:

De auto is door de firma [firma] gerepareerd, uitgetest en na een proefrit akkoord bevonden. Zoals afgesproken geven wij tot 26-06-2014 1 jaar garantie op de automatische versnellingsbak.

De kosten van € 232,09 inzake sleutel en balanceren hebben wij reeds zoals u al gezien zult hebben voldaan op uw derden rekening.

Wij (…) gaan er vanuit dat wij (…) hiermee aan alles hebben voldaan.”

- Bij brief van 5 juli 2013 heeft de gemachtigde van [appellant] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

“Cliënt informeerde mij erover dat de reparatie niet goed is uitgevoerd, en dat er nog

steeds problemen zijn met de versnellingsbak. Aan de voorwaarde voor finale kwijting (een deugdelijke reparatie) is derhalve niet voldaan, Ik behoud mij namens cliënt daarom alle rechten voor.”

  • -

    Tussen partijen zijn nadien nog brieven gewisseld en is overleg gevoerd. De partijen zijn overeengekomen dat [appellant] de auto naar [Transmissies] Transmissies zou brengen voor een controle van zijn automatische versnellingsbak. Indien uit de controle zou blijken dat de automatische versnellingsbak niet goed was, dan zouden de kosten van zowel diagnose als transport voor [geïntimeerde] zijn. Indien dat niet het geval was, zouden de kosten worden doorberekend aan [appellant] .

  • -

    Bij e-mail van 7 november 2013 heeft de heer [medewerker van Transmissies] van [Transmissies] Transmissies aan [geïntimeerde] het volgende meegedeeld met betrekking tot de auto:

“Wij hebben gereden met de automaat en verder geen problemen ondervonden. de automaat rijd zowel koud als warm goed en schakelt prima. de carterpan hebben wij er zelfs nog onder vandaan gehaald om te bekijken hier was niks aan te zien. dit heb ik ook mede gedeeld aan de klant.”.

  • -

    [appellant] heeft de kosten van het door [Transmissies] Transmissies uitgevoerde onderzoek ten bedrage van € 162,81 betaald.

  • -

    Bij e-mailbericht van 16 februari 2014 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] het volgende geschreven:

“ik vind het allemaal goed”.

  • -

    Bij brief van 26 juni 2014 heeft een bemiddelaar van BOVAG aan [appellant] laten

  • -

    weten dat er door BOVAG niet bemiddeld zal worden tussen [appellant] en [geïntimeerde] omdat de auto gelet op de lage verkoopprijs niet met BOVAG-garantie is verkocht.

  • -

    Op 3 juli 2014 is de auto van [appellant] voor een apk-keuring bij [Autogroep] Autogroep geweest.

  • -

    Bij brief van 26 januari 2015 heeft de gemachtigde van [appellant] [geïntimeerde] bericht dat de versnellingsbak nog steeds niet in orde is en dat is verzuimd kenbaar te maken aan [appellant] dat er BPM zou moeten worden terugbetaald aan de Belastingdienst.

  • -

    [appellant] heeft een factuur van [Autogroep] Autogroep van 2 maart 2016 overgelegd ter zake onder meer het uit- en inbouwen van de oliepomp van de auto. Op de factuur staan ook andere werkzaamheden opgesomd. De factuur beloopt een totaalbedrag van € 1.777,81 inclusief btw.

3.2.1. In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in het geding in eerste aanleg in conventie:

 I. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] toerekenbaar jegens [appellant] is tekortgeschoten door [appellant] bij de aankoop van een VW Transporter op 9 augustus 2012 niet te wijzen op het feit dat hij problemen zou kunnen krijgen richting de Belastingdienst in verband met de BPM die [appellant] in het verleden van de Belastingdienst heeft teruggekregen;

 II. veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding van € 162,81, vermeerderd me de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding;

 III. veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 3.244,00 (het bedrag van de naheffingsaanslag BPM 2012);

 IV. veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding van € 1.425,39, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.2.2. Aan deze vorderingen heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] in de nakoming van de koopovereenkomst tekortgeschoten is:

  • -

    door [appellant] bij de aankoop niet te wijzen op het feit dat de BPM die hij in het verleden bij aankoop van de Volkswagen Caddy had terugontvangen, bij doorverkoop van de Volkswagen Caddy nageheven zou kunnen worden;

  • -

    door een auto te leveren waaraan zich problemen aan de versnellingsbak openbaarden, welke problemen achteraf bleken te worden veroorzaakt door een defect aan de oliepomp.

De door [appellant] gevorderde bedragen hebben betrekking op de volgende posten:

  • -

    het bedrag van € 162,81 betreft de door [appellant] betaalde kosten van het door [Transmissies] Transmissies uitgevoerde onderzoek;

  • -

    het bedrag van € 3.244,-- betreft de naheffing van de BPM;

  • -

    het bedrag van € 1.425,39 betreft volgens [appellant] het bedrag dat Volkswagendealer [Autogroep] Groep heeft geoffreerd aan [appellant] voor de vervanging van de oliepomp.

3.2.3. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat hij in de nakoming van de koopovereenkomst tekort is geschoten. Daarnaast heeft [geïntimeerde] als verweer aangevoerd dat de partijen hebben onderhandeld over de beëindiging van hun geschillen en dat zij elkaar in dat kader finale kwijting hebben verleend.

[geïntimeerde] heeft voorts een eis in reconventie ingesteld. De eis in reconventie is door de kantonrechter afgewezen en speelt in dit hoger beroep geen rol.

3.2.4. In het vonnis van 10 december 2015 heeft de kantonrechter in conventie geoordeeld dat de partijen hebben afgesproken dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben en dat deze finale kwijting zowel betrekking heeft op de gestelde gebreken aan de auto als op de discussie over de BPM-regeling (rov. 4.7).

Op grond van dit oordeel heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] in conventie afgewezen en [appellant] in de proceskosten van het geding in conventie veroordeeld.

3.3.1. [appellant] heeft in zijn memorie van grieven zijn eis in dier voege vermeerderd dat nu in plaats van het bedrag van € 1.425,39 een bedrag van € 1.777,51 wordt gevorderd. Volgens [appellant] betreft dat de kosten die hij aan Volkswagendealer [Autogroep] Groep heeft moeten voldoen voor de vervanging van de oliepomp. Deze eisvermeerdering heeft tijdig plaatsgevonden en is toelaatbaar. Na behandeling van de grieven zal blijken in hoeverre de vermeerderde eis toewijsbaar is.

3.3.2. [appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd tegen het in conventie gewezen vonnis. [appellant] heeft op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, voor zover in conventie gewezen, en tot het alsnog toewijzen van zijn vermeerderde vorderingen in conventie.

Grief I: (finale kwijting verleend ter zake) gebreken aan de auto?

3.4.1. Het hof zal eerst de grief I behandelen. Met deze grief wil [appellant] bereiken dat zijn vorderingen II en IV alsnog worden toegewezen. Aan die vorderingen heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat de Volkswagen Transporter die hij op 10 augustus 2012 geleverd heeft gekregen, niet voldeed aan hetgeen hij op grond van de tussen hem en [geïntimeerde] gesloten overeenkomst mocht verwachten omdat zich aan de auto problemen met de automatische versnelling openbaarden die achteraf bleken samen te hangen met een niet goed functionerende oliepomp.

3.4.2. De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen op grond van het oordeel dat de partijen elkaar ter zake hun geschillen over de auto finale kwijting hebben verleend. Indien de door [appellant] tegen dat oordeel aangevoerde grieven doel zouden treffen, zou het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep een oordeel moeten geven over het in de procedure bij de kantonrechter door [geïntimeerde] gevoerde verweer dat de auto wel voldeed aan hetgeen [appellant] op grond van de overeenkomst mocht verwachten, zodat in zoverre van een tekortkoming van [geïntimeerde] geen sprake is. Het staat het hof ook vrij om dat verweer als eerste te onderzoeken. Als het verweer slaagt, hoeft niet meer te worden onderzocht of de partijen elkaar ter zake deze gestelde tekortkoming finale kwijting hebben verleend.

3.4.3. Het hof stelt voorop dat het probleem dat er kort na de aflevering van de auto is geweest met betrekking tot de sleutels en de balans van de wielen niet aan de vordering ten grondslag is gelegd. [geïntimeerde] heeft de kosten die [appellant] in verband daarmee heeft gemaakt ad € 232,09 in het kader van de afspraken over een minnelijke regeling al aan [appellant] vergoed.

3.4.4. Daarnaast staat tussen partijen vast dat aan de automatische transmissie zelf geen gebrek kleefde. [appellant] heeft in zoverre de bevindingen van de firma [firma] en van [Transmissies] Transmissies niet betwist. De problemen die [appellant] stelt te hebben ondervonden met de versnelling hielden volgens zijn eigen stellingen verband met – naar achteraf bleek – een niet goed functionerende oliepomp.

3.4.5. [geïntimeerde] heeft gesteld dat, voor zover er een mankement aan de oliepomp is opgetreden dat problemen met de automatische transmissie veroorzaakte, dat pas vele maanden na de aflevering van de auto is geweest. [geïntimeerde] heeft er in dat verband op gewezen dat hij pas ruim acht maanden na de aflevering van de auto, namelijk pas op 19 april 2013, door de gemachtigde van [appellant] op de hoogte is gebracht van de gestelde problemen aan de automatische transmissie. Volgens [geïntimeerde] beantwoordde de auto op het moment van de aflevering aan hetgeen [appellant] op grond van de overeenkomst mocht verwachten.

3.4.6. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] niet gemotiveerd betwist dat het gebrek aan de oliepomp pas enkele maanden na de aflevering van de auto is ontstaan. [appellant] heeft namelijk niet concreet gesteld wanneer de problemen met de automatische versnelling, die volgens hem rechtstreeks verband hielden met het gebrek aan de oliepomp, aan het daglicht zijn getreden, terwijl ter zake wel op [appellant] in het kader van artikel 7:18 lid 2 BW als consument/koper de stelplicht rust (zie HvJ EU 4 juni 2015 C-497/13 inzake [naam 1] / Autobedrijf [naam 2] ). [appellant] heeft alleen gesteld dat het binnen zes maanden na de aflevering is geweest. Dat het probleem al geruime tijd vóór 19 april 2013 aan het daglicht is getreden blijkt verder nergens uit. Dat [appellant] al binnen enkele maanden na de aflevering ter zake het probleem [geïntimeerde] of een andere dealer heeft geraadpleegd is door [appellant] niet op concrete wijze gesteld en niet met bescheiden (zoals bonnen of facturen) onderbouwd. Naar het oordeel van het hof is dus niet komen vast te staan dat het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW hier ten gunste van [appellant] geldt en dat het probleem met de oliepomp en – als gevolg daarvan – de automatische transmissie, al aanwezig was (dan wel wordt vermoed aanwezig te zijn geweest) ten tijde van de aflevering van de auto op 10 augustus 2012.

3.4.7. Voorts geldt daarnaast nog het volgende. Ook als pas enige tijd na aankoop van een tweedehands auto een (ernstig) gebrek optreedt, kan geoordeeld worden dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt. Dat zal het geval kunnen zijn als de koper in de gegeven omstandigheden niet behoefde te verwachten dat een dergelijk ernstig gebrek binnen de betreffende periode zou ontstaan (zie onder meer HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2410). In het onderhavige geval kan echter niet gezegd worden dat [appellant] het optreden van een gebrek als het onderhavige binnen ongeveer een half jaar – als door hem als zodanig betoogd, zie hiervoor - na het verkrijgen van de auto niet behoefde te verwachten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de auto een respectabele leeftijd had van tien jaar en dat ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst met de auto bijna 300.000 kilometer was gereden. Daarnaast neemt het hof op grond van de door [appellant] ondertekende afleverbon aan dat de koopprijs slechts € 2.699,-- bedroeg. Dat bedrag past bij de stelling van [geïntimeerde] dat de Volkswagen Caddy door hem is ingekocht voor € 11.199,-- en dat hij dus bij gelegenheid van de afwikkeling van de transactie € 8.500,-- aan [appellant] heeft uitbetaald. Het hof heeft in dit verband vastgesteld dat de als productie 2 aan de memorie van grieven gehechte overeenkomst – anders dan door [appellant] gesteld – vermeldt “TOE TE BETALEN MIJN ZIJDE € 8500,= ”. [appellant] heeft geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan met betrekking tot zijn andersluidende stelling over de koopovereenkomst, terwijl [appellant] de bewijslast draagt van zijn stelling dat hij op grond van de overeenkomst (inclusief de door hem gestelde koopprijs) het optreden van het genoemde gebrek niet behoefde te verwachten. Tot slot acht het hof ook van belang dat [appellant] bij de overeenkomst – mede in het kader van de onderhandelingen over de koopprijs – uitdrukkelijk heeft afgezien van alle garantie. Een koper van een dergelijke tweedehands wagen kan onder de genoemde omstandigheden niet zeer verbaasd zijn als na enkele maanden een probleem optreedt dat door middel van een reparatie opgelost moet worden. Volledigheidshalve overweegt het hof dat de auto volgens de eigen stellingen van [appellant] na de – niet al te ingrijpende vervanging van de oliepomp – weer probleemloos functioneert.

3.4.8. Het in artikel 7:18 lid 2 BW genoemde bewijsvermoeden is hier niet aan de orde. Mocht dit al anders zijn dan acht het hof dat vermoeden in het onderhavige geval weerlegd door de hierboven genoemde feiten en omstandigheden van het onderhavige geval. Het hof concludeert daarom dat het gebrek aan de oliepomp, dat op enig moment na de aflevering is ontstaan, niet de conclusie rechtvaardigt dat de auto niet voldeed aan hetgeen [appellant] op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten.

3.4.9. [appellant] heeft nog aangevoerd dat aan hem in het kader van de onderhandelingen over een te treffen minnelijke regeling op 26 juni 2013 een jaar garantie is verleend op de automatische transmissie, derhalve tot 26 juni 2014. Ook die stelling kan echter niet tot toewijzing van de vorderingen van [appellant] leiden. Uit de eigen stellingen van [appellant] volgt immers dat aan de automatische transmissie geen gebrek kleefde maar dat de oorzaak van de rijproblemen lag in een defect aan de oliepomp. Gesteld noch gebleken is dat de verleende garantie ook op de oliepomp betrekking had.

3.4.10. Het voorgaande voert tot de conclusie dat de vorderingen II en IV, die betrekking hebben op de gestelde gebreken aan de auto, niet toewijsbaar zijn. Of ter zake finale kwijting is verleend, kan dus in het midden blijven. Grief I (voor zover ziende op de volgens [appellant] ten onrechte aangenomen kwijting ten aanzien van het gestelde gebrek) kan daarom niet tot het door [appellant] gewenste doel leiden. Om die reden verwerpt het hof het in deze aan de orde zijnde deel van grief I.

3.4.11. Uit het bovenstaande volgt dat de in hoger beroep vermeerderde eis moet worden afgewezen.

Grief II: (finale kwijting verleend ter zake) een tekortkoming van [geïntimeerde] ter zake de BPM?

3.5.1. [appellant] wil met grief II bereiken dat zijn vorderingen I en III alsnog worden toegewezen. Aan deze vorderingen heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] toerekenbaar jegens [appellant] is tekortgeschoten door [appellant] bij de aankoop van een VW Transporter op 9 augustus 2012 niet te wijzen op het feit dat hij problemen zou kunnen krijgen richting de Belastingdienst in verband met de BPM die [appellant] in het verleden van de Belastingdienst heeft teruggekregen. Volgens [appellant] zou hij de koopovereenkomst niet op dezelfde voorwaarden hebben gesloten indien [geïntimeerde] hem daar wel op zou hebben gewezen.

3.5.2. Het hof stelt voorop dat de stellingen van [appellant] niet de conclusie kunnen rechtvaardigen dat [geïntimeerde] in de nakoming van de koopovereenkomst tekortgeschoten is. De verbintenis die ingevolge de koopovereenkomst op [geïntimeerde] is komen te rusten, is immers de verbintenis om de Volkswagen Transporter aan [appellant] te leveren. [geïntimeerde] is die verbintenis nagekomen, zoals ook blijkt uit hetgeen het hof met betrekking tot grief I heeft overwogen. Vordering I is daarom niet toewijsbaar.

3.5.3. De rechtsgrond die past bij de stellingen en vordering III betreft dwaling op de voet van artikel 6:228 lid 1 sub b BW, gekoppeld aan wijziging van de gevolgen van de overeenkomst op de voet van artikel 6:230 BW in dier voege dat de koopprijs wordt verlaagd met het bedrag van de naheffing van de BPM. [appellant] heeft vordering III echter niet op die grondslag ingesteld, en ook niet gesteld dat hij op de voet van artikel 6:230 lid 2 BW wijziging van de gevolgen van de overeenkomst wenst. Als gevolg daarvan heeft tussen partijen geen debat plaatsgevonden over de voorwaarden voor toewijzing van een dergelijke vordering. Om die reden is vordering III niet toewijsbaar.

3.5.4. De vorderingen I en III zijn ook om een andere reden niet toewijsbaar. [appellant] heeft gesteld dat bij de onderhandelingen over de aankoop en bij het sluiten van de koopovereenkomst de BPM die hij eerder bij de aankoop van de Volkswagen Caddy had terugontvangen, in het geheel niet er sprake is geweest. [appellant] heeft ook geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit [geïntimeerde] volgens [appellant] had moeten afleiden dat [appellant] in het verleden ter zake de Volkswagen Caddy BPM had terugontvangen. Bij deze stand van zaken valt naar het oordeel van het hof niet aan [geïntimeerde] tegen te werpen dat hij – in het kader van een door [appellant] klaarblijkelijk veronderstelde op hem als professioneel inkoper van auto’s rustende zorgplicht - zelf niet aan de orde heeft gesteld dat BPM die in het verleden mogelijk was terugontvangen op de Volkswagen Caddy, zou worden nageheven als de Volkswagen Caddy zou worden ingeruild. Zelfs indien de zorgplicht als bedoeld aan de orde zou zijn moet er voor de inkoper wel aanleiding zijn ter zake aan de verkoper informatie te verschaffen.

3.5.5. Bovendien heeft [appellant] niet de stelling van [geïntimeerde] betwist dat het hem, [appellant] , uit de formulieren die hij destijds bij de aanvraag van de teruggave BPM had ingevuld, duidelijk kon zijn dat de BPM zou worden nageheven als de Volkswagen Caddy zou worden ingeruild of doorverkocht. Voor zover [appellant] daarover heeft gedwaald bij de aankoop van de Volkswagen Transporter betreft dit om bovenstaande redenen een dwaling die op de voet van artikel 6:228 lid 2 BW voor rekening van [appellant] zelf behoort te blijven.

3.5.6. Ook met betrekking tot de vorderingen I en III kan het beroep op finale kwijting dus onbehandeld blijven, zodat ook het deel van de grief I voor zover betrekking hebbend op de BPM problematiek wordt verworpen. De vorderingen zijn hoe dan ook niet toewijsbaar. Het hof verwerpt daarom grief II.

Conclusie en afwikkeling

3.6.1. Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen en de in hoger beroep door [appellant] vermeerderde eis afwijzen.

3.6.2. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, vermeerderd met de door [geïntimeerde] daarover gevorderde wettelijke rente.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s‑Hertogenbosch, onder zaaknummer 3967396 en rolnummer 15/2600 tussen partijen gewezen vonnis van 10 december 2015, voor zover gewezen in conventie, onder aanvulling van gronden zoals in dit arrest vermeld;

wijst de in hoger beroep vermeerderde eis in conventie van [appellant] af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 314,-- aan griffierecht en op € 948,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en R.R.M. de Moor en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 september 2017.

griffier rolraadsheer