Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3990

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-09-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
20-000485-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:999, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde doodslag te Weert, art. 288 Sr. De verdachte heeft eerst ontkennende verklaringen afgelegd, vervolgens bekend en toen weer ontkend. Het hof heeft kennis genomen van het rapport van prof. dr. R. Horselenberg, rechtspsycholoog, die concludeert dat er meer steun is voor het scenario dat de bekentenissen van de verdachte onjuist dan voor het scenario dat ze juist zijn. Het hof volgt deze conclusie evenwel niet en bezigt de bekennende verklaringen van de verdachte tot het bewijs, nu het van oordeel is dat er geen sprake is van valse bekentenissen. Dat het hof uitgaat van de bekennende verklaringen van de verdachte, hangt in het bijzonder ook samen met het feit dat deze verklaringen steun vinden in de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen.

Evenals de rechtbank acht het hof het passend en geboden aan de verdachte de straf op te leggen zoals die is gevorderd door het openbaar ministerie, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2017, afl. 5, p. 224

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000485-15

Uitspraak : 15 september 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

6 februari 2015 in de strafzaak met parketnummer 03-702545-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

thans verblijvende in Penitentiaire Inrichting Vught, Nieuw Vosseveld 2 HvB Arrestanten te Vught.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met aanvulling van de motivering.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 9 januari 2013 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, opzettelijk met een vuurwapen die [slachtoffer] een kogel in/door het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair:
hij op of omstreeks 9 januari 2013 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een vuurwapen die [slachtoffer] een kogel in/door het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (van een hoeveelheid geld) (met geweldpleging), gepleegd op of omstreeks 9 januari 2013 in de gemeente Weert, ten overstaan van genoemde [slachtoffer] , en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 9 januari 2013 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een vuurwapen die [slachtoffer] een kogel in/door het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van primair ten laste gelegde

Evenals de advocaat-generaal en de verdediging, acht het hof niet bewezen dat sprake is geweest van handelen “na kalm beraad en rustig overleg” (voorbedachte raad). De verdachte zal daarom ook in hoger beroep worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 januari 2013 in de gemeente Weert opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen die [slachtoffer] een kogel door het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een hoeveelheid geld, gepleegd op 9 januari 2013 in de gemeente Weert en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn oordeel op onderstaande bewijsmiddelen en (bewijs)overwegingen, in onderling verband en samenhang bezien.

Het bewijs 1

1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 10 januari 2013, dossierpagina’s 9-11 van deeldossier C, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 10 januari 2013, omstreeks 10.08 uur, kregen wij de opdracht te gaan naar de Ringbaan-Oost te Weert, ter hoogte van de spoorwegovergang. Wij hoorden van de regionale politiemeldkamer Limburg-Noord dat op de voornoemde locatie door een melder een manspersoon was aangetroffen, die lag in een plas bloed en die vermoedelijk overleden was. Hierop zijn wij, verbalisanten, ter plaatse gegaan.

Op 10 januari 2013, omstreeks 10.15 uur, kwamen wij ter plaatse op de Ringbaan-Oost te Weert, ter hoogte van een spoorovergang. Wij hoorden dat de getuigen [naam] en [naam] tegen ons zeiden dat zij in een overkapping een manspersoon hadden zien liggen. Hierbij wezen zij naar de ons ambtshalve bekende Jongeren Ontmoetingsplaats gelegen op de Graswinkel te Weert nabij de Ringbaan-Oost te Weert. Hier zagen wij het volgende:

  • -

    dat er achter de betonnen blokken een ons onbekende manspersoon op de grond lag;

  • -

    dat deze manspersoon, gezien vanuit de voorzijde van de Jongeren Ontmoetingsplaats, met het hoofd aan de linkerzijde en de benen aan de rechterzijde lag;

  • -

    dat deze manspersoon een blauwkleurige spijkerbroek droeg;

  • -

    dat deze manspersoon een zwartkleurige gewatteerde jas met capuchon droeg;

  • -

    dat deze manspersoon zwartkleurige schoenen aan had;

  • -

    dat deze manspersoon een hoofdwond had, met een zichtbare roodkleurige vloeistof, gelijkend op bloed;

  • -

    dat deze manspersoon in zijn mond en op zijn kin een roodkleurige vloeistof had, gelijkend op bloed;

  • -

    dat de ogen van deze manspersoon half gesloten waren, waarbij de iris niet zichtbaar was;

  • -

    dat er naast het middelste betonnen blok in de Jongeren Ontmoetingsplaats een grote plas roodkleurige vloeistof, gelijkend op bloed, lag;

  • -

    dat deze plas roodkleurige vloeistof, gelijkend op bloed, een doorsnee had van ongeveer 40 centimeter;

  • -

    dat er door deze voornoemde plas roodkleurige vloeistof, sleepsporen zichtbaar waren, die ons deden vermoeden dat de voornoemde manspersoon hier doorheen gesleept was.

Ik, verbalisant [verbalisant] , heb met mijn van latex medische handschoenen voorziene vingers gevoeld aan de rechterzijde van de hals van de voornoemde manspersoon, ten einde vast te stellen of deze manspersoon nog een hartslag had. Ik, verbalisant [verbalisant] , voelde voor een periode van 30 seconden, geen hartslag bij de voornoemde manspersoon. Wij, verbalisanten, konden voor de duur van 30 seconden ook geen ademhaling constateren bij de voornoemde manspersoon.

Op 10 januari 2013, omstreeks 10.20 uur, zagen wij, verbalisanten, dat er

drie medewerkers van de ambulancedienst Brabant Zuid-Oost ter plaatse kwamen. Wij zagen dat een van de ambulancemedewerkers de manspersoon aan de hoofdzijde benaderde. Wij hoorden dat ambulancemedewerker tegen ons zei: "Ik ga geen apparatuur meer aansluiten op deze persoon. Deze persoon is stijf en heeft geen ademhaling en hartslag. Hij is overleden."

Op 10 januari 2013, omstreeks 10.22 uur, zag ik, verbalisant [verbalisant] , dat er, gezien vanuit de voorzijde van de voornoemde Jongeren Ontmoetingsplaats te Graswinkel te Weert, aan de linkerzijde, naast de betonnen afscheiding, een vermoedelijk verse schoenafdruk stond. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat deze afdruk niet overeenkwam met het schoeisel dat door ons, verbalisanten, alsmede het ambulancepersoneel op dat moment werd gedragen.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 11 januari 2013, dossierpagina 19 van deeldossier C, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 10 januari 2013, omstreeks 10.15 uur, werd in Weert het stoffelijk overschot aangetroffen van een onbekende man. Uit de eerste bevindingen op de plaats delict bleek dat er vermoedelijk sprake was van een misdrijf en dat het slachtoffer betrof: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te Weert, wonende [adres] .

Door de politie werd een Team Grootschalig Optreden (23TG1301) opgestart.

Van de onderzoeksleiding kregen wij het verzoek om naar de ouders van voornoemde [slachtoffer] te gaan om aldaar het bericht aan te zeggen dat de aangetroffen dode man vermoedelijk hun zoon [slachtoffer] betrof.

Op 10 januari 2013, te 18.50 uur, begaven wij ons naar het adres van te ouders van [slachtoffer] [plaatsnaam] . Gevraagd naar bijzondere kenmerken van [slachtoffer] gaven zij aan dat [slachtoffer] op een van zijn onderbenen en tatoeage van een hond "een Bulldog" had staan. Na het verhoor begaven wij ons naar het politiebureau te Weert, alwaar wij van de

onderzoeksleiding vernamen dat de dode man inderdaad een tatoeage van een Bulldog

op zijn rechteronderbeen had staan.

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 14 januari 2013, dossierpagina 92 van deeldossier C, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Naar aanleiding van de melding van moord/doodslag op 10 januari 2013 te Weert stelden wij in het kader van het onderzoek 23TG1301 een nader onderzoek in en kunnen wij het navolgende verklaren: Op 14 januari 2013 te 21.10 uur, toonden wij in het mortuarium te Weert een stoffelijk overschot aan [benadeelde] en [benadeelde] , respectievelijk zijnde de vader en moeder van [slachtoffer] , geboren te Weert op [geboortedatum] . Desgevraagd verklaarden de vader en moeder ons dat het getoonde stoffelijk overschot hun zoon was genaamd: [slachtoffer] , geboren te Weert op [geboortedatum] en gewoond hebbende te [adres] .

4. Het NFI-rapport Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt d.d. 6 februari 2013, met bijlage, dossierpagina’s 393-404 van deeldossier D, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als onderzoeksbevindingen van [naam] , arts en patholoog:

Overledene:

Naam: [slachtoffer]

Geboortedatum: [geboortedatum]

Geboorteplaats: Weert

De overledene is dood aangetroffen aan de Ringbaan Oost te Weert op 10 januari 2013.

Resultaten:

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , is het navolgende gebleken:

A3. Het was het lichaam van een man met weinig bleekrode lijkvlekken aan de rugzijde.

A4. Er was in de behaarde hoofdhuid vrijwel midden aan het achterhoofd op circa 174 cm van de voetzolen een ronde perforatie van 0,5 cm. Het letsel had het aspect van een inschotopening. Het letsel werd bemonsterd voor eventueel onderzoek naar schotresten.

A5. Bovenop de kruin, net iets links van de middenlijn was een stervormige perforatie van circa 1,5 cm. Het letsel had het aspect van een uitschotopening. Uit de perforatie liep veel bloed en wat hersenweefsel. Het letsel werd bemonsterd voor eventueel onderzoek naar schotresten.

B1. In relatie met de letsels beschreven onder A4 en A5 was er een schotkanaal te herleiden gemeten aan het gestrekte lichaam verlopend van achter naar voor en van onder naar boven door het hoofd.

In het schotkanaal waren zowel de kleine hersenen als de grote hersenen geraakt met forse destructie van hersenweefsel en waren er facturen van de schedelbasis. Er was veel gerelateerde bloeduitstorting in en naast het schotkanaal. Er was hersenzwelling en kneuzing van het hersenstam. De basale hersenvaten bevonden zich in en naast het schotkanaal en waren deels verscheurd. Er waren hierdoor veel bloed en bloedstolsels in de bovenste luchtwegen terechtgekomen met daarbij afsluiting van de doorgang van de luchtpijptakken van beide longen.

Interpretatie van resultaten:

Voorafgaande aan de sectie werd bij postmortaal beeldonderzoek een doorschotverwonding door het hoofd waargenomen. Bij sectie kon de bij postmortale beeldvorming waargenomen doorschotverwonding door het hoofd worden bevestigd, hoogstwaarschijnlijk van achter naar voor en iets naar boven verlopend. Er was daarbij massale destructie van hersenweefsel en er was hersenzwelling met kneuzing van het hersenstam. Door destructie van de basale hersenvaten en de schedelbasis was er veel bloed in de bovenste luchtwegen terecht gekomen. Het overlijden word zondermeer verklaard door functieverlies van de hersenen als gevolg van het schotletsel.

Conclusie:

[slachtoffer] , 43 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld op het hoofd (doorschotverwonding).

5. Het proces-verbaal verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 1 februari 2014, dossierpagina’s 297-299 van deeldossier A, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte:

V: Hallo [verdachte] , je bent niet tot antwoorden verplicht en je wordt gehoord als verdachte. Je bent vrijwillig naar het politiebureau gekomen. Je hebt je gemeld omdat je iets wil vertellen over de moord in Weert. Wat wil je vertellen hierover?

A: Nou gewoon, dat ik ga zorgen dat die zaak opgelost gaat worden.

V: Over welke zaak spreek je dan?

A: De moord op [slachtoffer] .

V: Wat heb jij nu met de moord te maken?

A: Hij is door mij om het leven gekomen. Ik heb hem met een pistoolschot gedood. Dat schot is van mij afkomstig. Ik heb dat niet eerder verteld in verband met mijn moeder.

V: Wat kun je nog vertellen?

A: Na de moord heb ik het pistool weg gegooid.

A: [verdachte] , we stoppen nu met het verhoor. Je wordt nu, 23.57 uur, aangehouden. Wij gaan voor jou een advocaat waarschuwen.

6. Het proces-verbaal verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 4 februari 2014, dossierpagina’s 318-327 van deeldossiers A, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van verdachte:

V: = Vraag of opmerking verbalisanten.

A: = Antwoord of opmerking verbalisanten.

V: [verdachte] vertel eens?

A: Volgens mij is het woensdag geweest, de 9e januari 2013. Ik ben toen naar Venlo vertrokken, alleen. Het wapen had ik al bij mij. Ik ben eerst naar Tegelen gegaan. Ik ben toen terug gereisd van Tegelen naar Roermond. Toen dacht ik weer, ik doe het gewoon. Ik kijk wat op mijn pad komt. Ik kwam toen weer in Venlo aan. Ik liep van het station richting OAC of hoe heet dat, waar die jongens gebruiken. Ik heb een bolletje gerookt. Toen kwam [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) naar buiten en hij vroeg of ik aan een wapen kon komen. Ik zei, dat lukt mij wel. Wij liepen toen richting de [straatnaam] . Wij kwamen aan in zijn woning en er waren twee jongens. Die gaf ik een hand. [slachtoffer] had spullen gekocht. Sokken, schoenen en een broek enzo. [slachtoffer] ging zich omkleden en wij rookten nog een pijpje. [slachtoffer] bleef lang bezig in de badkamer. [slachtoffer] was nog wat aan het vertellen over het PGB en zo. Wij liepen toen van zijn woning naar het station en wij liepen het station binnen. [slachtoffer] kocht een kaartje.

Ik belde de taxichauffeur. Dat was [naam] . Ik heb hem gevraagd om ons bij de Graswinkel te Weert af te zetten. Wij stopten bij de brievenbus. Vanaf de brievenbus zijn [slachtoffer] en ik rechtdoor gelopen naar het JOP (het hof begrijpt: jongeren ontmoetingsplaats). [slachtoffer] had mij eerder in Venlo al iets verteld over een PGB of zo iets. Hij had iets geregeld en andere mensen hadden geld afgehaald of zoiets.

Hoe dan ook, [slachtoffer] stond buiten het JOP. Het ging zo snel. Ik raakte hem van achteren. [slachtoffer] viel achterover, het ging zo snel. Hij viel eigenlijk buiten het JOP. Ik trok hem iets naar binnen. Ik trok hem naar achteren, hier ongeveer (verdachte gaf aan bij de schouders). Ik heb toen zijn beurs gepakt en pakte zijn tas. Ik heb het wapen weggegooid. Ik keek in de tas maar er zat allemaal rotzooi in. Ik gooide de tas ergens in een water. Ik liep langs het spoor. Je komt dan uit bij de tunnel of zo. Ik ben toen naar [getuige 1] (het hof begrijpt: [getuige 1] ) gelopen.

Er zat 1600 a 1700 euro in die beurs. Die beurs heb ik ergens links in het water gegooid.

Toen [slachtoffer] viel lag hij buiten het JOP. Ik pakte hem bij de schouders en trok hem naar achteren.

V: Toen jij [slachtoffer] het JOP in sleepte, hoe lag hij toen?

A: Op zijn rug.

V: Wij gaan even naar het wapen. Wat kan jij daar meer over vertellen?

A: Ik wist dat het een 9 mm was. Volgens mij hebben ze het serie nummer eruit geveild.

V: Waar heb jij de tas weggegooid?

A: Ook aan de linkerkant van mij uit gezien.

V: Waarom had jij dat vuurwapen bij je?

A: Ik had geld nodig. Ik wilde in eerste instantie iemand anders pakken.

Ik bid voor [slachtoffer] . Hij wist van niets. Hij is door mij om het leven gebracht.

V: Hoe kwam jij aan dat wapen?

A: Dat had ik al lang.

V: [verdachte] vertel eens. Jij stond met [slachtoffer] bij het JOP, wat gebeurde er toen?

A: Ik stond bij een zitting. Ik stond hier ongeveer een stukje van de muur af. Ik pakte dat ding eruit en deed de flap van de tas omhoog. Ik tilde mijn arm op en toen "beng". Ik raakte hem en [slachtoffer] viel buiten om. [slachtoffer] viel om en er was niet veel bloed. Ik trok [slachtoffer] toen achteruit, ik vond het raar dat [slachtoffer] achterover viel.

V: Waarom deed jij dat?

A: Ik had geld nodig. Ik wilde geld hebben. Ik wist dat hij geld bij zich moest hebben want hij wilde een wapen kopen. [slachtoffer] zou minstens 1300 euro bij zich moeten hebben, maar in zijn beurs zat 1600 à 1700 euro. Ik heb die tas gepakt en daar zaten papieren in of zo. Ik ben alleen in zijn jaszakken geweest. Ik heb in de binnenzakken van zijn jas gevoeld.

We hebben eerst een pijpje gerookt. Dat heeft 15 minuten geduurd. Het begon te schemeren. Daarna heb ik hem om het leven gebracht.

V: [verdachte] , als wij het wapen aantreffen. Hoeveel patronen zitten er dan nog in?

A: Dat weet ik niet. Ik weet niet of de houder helemaal vol zat. Er zaten er in elk geval een aantal in. Ik heb maar 1 keer geschoten.

7. Het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie ( [verdachte] ), opgemaakt d.d. 11 juni 2013, dossierpagina’s 466-483 van deeldossier C, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] :

Als bijlage 1 bij dit proces-verbaal gaat een overzicht van de telefonische contacten van [verdachte] over de periode van 9 en 10 januari 2013, met daarbij de verplaatsingen van de gebruiker. Ervan uitgaande dat [verdachte] de daadwerkelijke gebruiker is geweest van deze telefoonnummers, blijkt uit dat overzicht onder andere het navolgende:

- dat hij op 9 januari 2013 te 01.48.59 uur in Weert was;

- dat hij op 9 januari 2013 tussen 10.59.35 uur en 11.52.39 uur in Tegelen was;

- dat hij op 9 januari 2013 omstreeks 12.30 uur in Roermond was;

- dat hij op 9 januari 2013 te 14.05.15 uur weer in Tegelen was en te 14.06.58 uur weer in Venlo;

- dat hij op 9 januari 2013 van 14.06.58 uur tot 14.36.42 uur in het geografisch gebied te Venlo is verbleven dat bereikt kan worden door cell id 45722, in welk gebied het slachtoffer [slachtoffer] woonachtig was;

- dat hij op 9 januari 2013 te 14.36.42 uur zich, tijdens een telefonisch contact met een

telefoonnummer op naam van [verdachte] zus uit Tegelen, bevond in de omgeving van het NS station te Venlo;

- dat hij op 9 januari 2013 te 15.14.15 uur belde naar een telefoonnummer, terwijl hij zich toen onder bereik van een cell id te Reuver bevond. In het gebied waar deze cell id bereik heeft is de spoorlijn Venlo-Roermond gelegen;

- dat hij op 9 januari 2013 te 15.30.45 uur belde naar een telefoonnummer in gebruik van [naam] (taxichauffeur) met een gespreksduur van 52 seconden, terwijl hij zich toen onder bereik van een cell id te Roermond bevond;

- dat hij op 9 januari 2013 te 16.06.26 uur belde naar het telefoonnummer [nummer] , terwijl hij toen in Weert was onder bereik van cell id 12746;

- dat hij op 9 januari 2013 te 16.07.09 uur belde naar het telefoonnummer [nummer] , terwijl hij toen in Weert was, onder bereik van cell id 49712;

- dat hij op 9 januari 2013 te 16.07.40 uur belde naar een telefoonnummer, terwijl hij toen in Weert was, onder bereik van cell id 49712;

- dat hij op 9 januari 2013 te 16.29.40 uur gebeld wordt door een telefoonnummer. Gezien het feit dat er geen registratie van een cell id is betreft het hier een belpoging waarbij niet is opgenomen;

- dat hij op 9 januari 2013 te 16.31.57 uur gebeld wordt door een telefoonnummer dat in

gebruik is bij de moeder van [verdachte] . Gezien het feit dat er geen registratie van een cell id is betreft het hier een belpoging waarbij niet is opgenomen;

- dat hij op 9 januari 2013 te 16.32.05 uur gebeld wordt door een vaste telefoonaansluiting, terwijl hij toen in Weert was, onder bereik van cell id 12746;

- dat hij op 9 februari 2013 (het hof begrijpt: 9 januari 2013) te 16.32.27 uur een sms-bericht heeft ontvangen, terwijl hij toen in Weert was, onder bereik van cell id 12746;

- dat hij op 9 februari 2013 (het hof begrijpt: 9 januari 2013) te 16.33.12 uur gebeld werd door een telefoonnummer. Gezien het feit dat er geen registratie van een cell id is betreft het hier een belpoging waarbij niet is opgenomen;

- dat hij op 9 februari 2013 (het hof begrijpt: 9 januari 2013) te 16.39.04 uur werd gebeld via de het vaste telefoonnummer van de moeder van [verdachte] en dat er een gesprek plaatsvond met een duur van 59 seconden, terwijl hij toen in Weert was onder bereik van cell id 12747;

- dat hij op 9 januari 2013 te 16.51.54 en 16.52.22 uur gebeld wordt door een telefoonnummer. Gezien het feit dat er geen registratie van een cell id is betreft het

hier belpogingen waarbij niet is opgenomen;

- dat hij op 9 januari 2013 te 18.16.53 uur en 18.25.26 uur gebeld wordt door een

telefoonnummer dat in gebruik is bij de zus van [verdachte] . Gezien het feit dat er geen registratie van een cell id is betreft het hier belpogingen waarbij niet is opgenomen;

- dat hij op 9 januari 2013 te 18.45.41 uur gebeld wordt door een telefoonnummer dat in

gebruik is bij de zus van [verdachte] uit Tegelen en dat er een gesprek is met een duur van 81 seconden, terwijl hij toen in Weert was, onder bereik van cell id 11268;

- dat hij op 9 januari 2013 na 18.45.41 uur hoofdzakelijk geweest is in het gebied wat bereikt kan worden door cell id 11268;

- dat hij zich op 10 januari 2013 in de ochtend vanuit Weert verplaatst heeft naar Panningen/Maasbree; vervolgens is hij 40 minuten later in Roermond en bij de eerstvolgende registratie in Weert;

- dat hij op 10 januari 2013 te 12.22.22 uur de laatste keer zijn telefoonnummer [nummer] gebruikte en ook het toestel met imei-nummer [nummer] ;

- dat hij vanaf 10 januari 2013 te 14.32.02 uur het telefoonnummer [nummer] is gaan gebruiken.

Netwerkmeting:

Op de plaats delict bij de jongeren ontmoetingsplaats werd door mij op 10 januari 2013 een netwerkmeting gedaan en wel op de plaats van aantreffen van het slachtoffer met een afstand van maximaal 10 meter. Tijdens de netwerkmeting zag ik dat meerdere cell id's afwisselend het sterkst waren. Dit betrof in volgorde 49712, 12747, 12746 en 12740. Dit wil zeggen dat op de plaats delict gebeld kan worden via een van deze cell id's.

Tevens was een netwerkmeting gedaan in de nabijheid van perceel [adres] ( [getuige 1] ) om na te gaan wat aldaar de sterkste cell id is. Tijdens de netwerkmeting zag ik dat cell id 11268 steeds het sterkste was.

8. Het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie ( [slachtoffer] ), opgemaakt d.d. 24 juni 2013, dossierpagina’s 484-491 van deeldossier C, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] :

Uit het onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] de beschikking heeft gehad over een mobiele telefoon met het telefoonnummer [nummer] . Als bijlage 1 bij dit proces-verbaal gaat een overzicht van de telefonische contacten van [slachtoffer] over de periode van 8 januari 2013 (vanaf 21.00 uur) tot en met 10 januari 2013, met daarbij de verplaatsingen van de gebruiker. Ervan uitgaande dat [slachtoffer] de daadwerkelijke gebruiker is geweest van het telefoonnummer, dan blijkt uit dat overzicht onder andere het navolgende:

- dat hij op 8 januari 2013 omstreeks 21.00 uur in Venlo was;

- dat hij op 8 januari 2013 omstreeks 22.13 uur in Weert was;

- dat hij zich op 8 januari 2012 tussen 22.13 uur en 23.16.42 uur verplaatst heeft in het

zuidwesten van Weert;

- dat hij op 9 januari 2013 om 09.44 uur weer in Venlo was;

- dat hij zich op 9 januari 2013 tussen 09.44.36 uur en 15.00.41 uur bevond in Venlo en dat hij zich in die periode verplaatst heeft vanuit het gebied waar hij woonachtig is naar het nabijgelegen centrum van Venlo;

- dat hij bij de telefonische contacten op 9 januari 2013 te 12.28.47 uur en 12.29.30 uur niet bereikbaar was toen hij werd gebeld;

- dat hij op 9 januari 2013 te 14.45.08 uur gebeld werd;

- dat het laatst bekende telefonisch contact van [slachtoffer] was op 9 januari 2013 toen hij te 15.00.41 uur werd gebeld. Tijdens dat contact bevond hij zich onder bereik van een cell id in welk gebied onder andere het NS station van Venlo is gelegen;

- dat het toestel van [slachtoffer] op 9 januari 2013 vanaf 17.04.58 uur in Weert was;

- dat in de periode van 9 januari 2013 tussen 17.02.07 uur en 07.08.50 uur er zes keer was ingebeld en dat [slachtoffer] niet bereikbaar was, er vond een doorschakeling plaats naar de voicemail van [slachtoffer] ;

- dat hij op 9 januari 2013 te 17.04.58 uur een sms’je heeft ontvangen en dat het toestel van [slachtoffer] toen onder bereik was van cell id 22040;

- dat hij op 9 januari 2013 om 17.51.52 uur, 21.32.14 uur, 21.56.09 uur en 22.18.01 uur een sms’je heeft ontvangen van de voicemailcentrale. Bij al deze sms’jes was het toestel van [slachtoffer] onder bereik van cell id 22040;

- dat hij op 10 januari 2013 uur te 00.31.40 uur een sms’je ontving, ook nu van de voicemailcentrale, terwijl het toestel van [slachtoffer] toen onder bereik was van cell id 37528. Dit was het laatste contact waaruit geconcludeerd kan worden dat het toestel van [slachtoffer] nog actief was op het netwerk omdat er een mastregistratie is.

Resultaten netwerkmeting KPN (umts netwerk):

Bij de netwerkmeting op 10 januari 2013 bleek dat van het UMTS netwerk van KPN cell id 22040 en 37528 ongeveer even sterk waren. Beide cell id's behoren tot een mast welke staat op de Sportstraat 4 te Weert met een antennerichting van 270 graden. Beide cell id's bereiken eenzelfde geografisch gebied, zo is uit de netwerkmeting gebleken in de omgeving van de plaats delict.

9. Het proces-verbaal van herkenning [verdachte] , opgemaakt d.d. 31 januari 2013, dossierpagina 177 van deeldossier C, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant] :

Op 31 januari 2013 omstreeks 13:00 uur was ik aan het bureau van politie

te Weert, doende met de uitoefening van mijn functie als wijkagent in de gemeente Weert. In het kader van het onderzoek naar het niet-natuurlijk overlijden van [slachtoffer] werd door een lid van het onderzoeksteam aan mij videobeelden getoond. De mij getoonde videobeelden waren kennelijk opgenomen middels het videobewakingssysteem van het NS-station te Venlo. Ik zag op het beeld dat als datum en tijdstip 9 januari 2013 om 14:55 uur was vastgelegd. Op de videobeelden zag ik vervolgens twee mannen lopen. Deze twee mannen waren mij ambtshalve van naam en gezicht bekend.

Ik zag dat de eerste man betrof, de mij ambtshalve van naam en gezicht bekende:

[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] te Weert.

Tijdens de uitoefening van mijn werkzaamheden als politieambtenaar in Weert heb ik

[slachtoffer] met enige regelmaat ontmoet in het publieke domein onder verschillende omstandigheden.

De tweede man was de mij ambtshalve van naam en gezicht bekende:

[verdachte] , geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] .

Tijdens de uitoefening van mijn werkzaamheden als politieambtenaar in Weert heb ik

[verdachte] met enige regelmaat ontmoet in het publieke domein onder verschillende omstandigheden.

10. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 4 februari 2013, dossierpagina 329 van deeldossier C, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant] :

Proces-verbaalnummer : PL233D 2013003155-106.

Op 31 januari 2013 omstreeks 17.00 uur bevond ik mij in het bureau van politie te Weert en was op dat moment doende met de uitoefening van mijn functie als wijkagent in de gemeente Weert. In het kader van het onderzoek naar het niet-natuurlijke overlijden van [slachtoffer] werd door een lid van het onderzoeksteam aan mij bewegende beelden getoond. De aan mij getoonde videobeelden waren kennelijk opgenomen middels het videobewakingssysteem van het NS-station te Venlo. Ik zag op het beeld dat als datum en tijdstip 9 januari 2013 om 14.55 uur was vastgelegd. Op de aan mij getoonde videobeelden zag ik 2 manspersonen lopen. Deze twee mannen waren mij ambtshalve van naam en gezicht bekend.

Ik zag dat de eerste man betrof de mij ambtshalve bekende:

[slachtoffer] , geboren te Weert op [geboortedatum] .

De tweede man betrof de mij ambtshalve bekende:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964.

Tijdens de uitoefening van mijn werkzaamheden als politieambtenaar in de gemeente

Weert heb ik beide voornoemde personen onder verschillende omstandigheden ontmoet

in het publiek domein. Ik herken beide mannen aan het gezicht.

11. Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden NS Venlo, opgemaakt d.d. 14 februari 2013, dossierpagina’s 232-301 van deeldossier C, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant] :

Op verzoek van de teamleiding heb ik een onderzoek ingesteld naar de camerabeelden van de Nederlandse Spoorwegen (NS) op en rondom het station Venlo, van 7 januari 2013 00.00 uur tot en met 10 januari 2013 12.00 uur. De camerabeelden zijn van goede kwaliteit. De datums en tijdstippen van de camerabeelden betreffen de daadwerkelijke tijd. Door mij is het volgende is bevonden.

Het station is gelegen aan het Stationsplein te Venlo. Vanaf de openbare weg is er één toegangsdeur tot het station, die als in en uitgang word gebruikt. Voor de toegangsdeur van het station is een grote brede trap.

Tijdens het door mij ingestelde onderzoek herken ik het slachtoffer [slachtoffer] op de

camerabeelden van de NS. Ik zag op de camerabeelden van de NS dat [slachtoffer] op 8 januari 2013 en op 9 januari 2013 zich meerdere keren op het station in Venlo bevond.

Ik herken [slachtoffer] aan de foto's die van hem binnen dit onderzoek voorhanden zijn en aan het signalement van zijn kleding. In dit proces-verbaal zal hij verder genoemd worden als [slachtoffer] .

Op de camerabeelden van de NS zag ik dat [slachtoffer] op 9 januari 2013 samen met een voor mij tweede onbekende persoon op het station aanwezig was. Tijdens het onderzoek naar de identiteit naar deze tweede onbekende persoon werd deze herkend als zijnde: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1964, wonende op [adres] .

Voor verdere bevindingen omtrent deze herkenning zie het proces-verbaal 2013003155-106. In dit proces-verbaal zal hij verder genoemd worden als [verdachte] .

09-01-2013 om 14:46:40 uur camera 17

Vanuit de richting [straatnaam] lopen [slachtoffer] en [verdachte] voor het station langs in de richting van het centrum. Zij steken bij de voetgangersoversteekplaats de [straatnaam] over en lopen dan verder richting het centrum. Om 14:47:44 uur zijn zij niet meer zichtbaar in beeld.

[slachtoffer] heeft het volgende signalement:

  • -

    blanke man;

  • -

    donkere haren, kort model;

  • -

    zwarte jas met capuchon, model net over de heupen;

  • -

    donkere broek;

  • -

    zwarte schoenen.

[slachtoffer] heeft een zwart met blauwe rugzak bij zich. Deze draagt hij op zijn rug.

[verdachte] heeft het volgende signalement:

  • -

    Aziatisch uitziende man;

  • -

    kleiner dan [slachtoffer] ;

  • -

    donkere haren, kort model;

  • -

    zwarte jas, model tot op de heupen;

  • -

    blauwe spijkerbroek;

  • -

    zwarte schoenen. Aan de voorzijde van de schoenen is een witte rand zichtbaar.

[verdachte] heeft een zwarte schoudertas bij zich met een bruine schouderband. Deze draagt hij vanaf zijn linker schouder naar zijn rechterheup.

09-01-2013 om 14:54:55 uur camera 17

Vanuit de richting van het centrum lopen [slachtoffer] en [verdachte] richting de trap van het station. Nadat ik deze beelden terugspoelde bleek dat [slachtoffer] en [verdachte] om 14:54:01 uur in de verte op de beelden te zien zijn. Zij komen uit de richting van het centrum, steken bij de voetgangersoversteekplaats de [straatnaam] over en lopen dan richting het station.

09-01-2013 om 14:55:04 uur camera 17

[slachtoffer] en [verdachte] lopen de trap op, gelegen voor het station, en lopen richting de toegangsdeur van het station.

09-01-2013 om 14:55:18 uur camera 18

[slachtoffer] en [verdachte] lopen het station binnen en lopen de stationshal in.

09-01-2013 om 14:55:35 uur camera 15

[slachtoffer] loopt vervolgens bij frituur Smullers naar binnen. Hij heeft dan een voorwerp in zijn handen wat lijkt op een portemonnee. [verdachte] loopt voor de ingang van frituur Smullers.

09-01-2013 om 14:56:08 uur camera 15

[verdachte] blijft bij de ingang van frituur Smullers staan totdat [slachtoffer] op genoemd tijdstip naar buiten komt lopen. [slachtoffer] heeft een wit voorwerp in zijn rechterhand.

09-01-2013 om 14:56:09 uur camera 15

[slachtoffer] en [verdachte] lopen terug de stationshal in. [slachtoffer] heeft een voorwerp in zijn linkerhand wat lijkt op een portemonnee.

09-01-2013 om 14:56:18 uur camera 15

[slachtoffer] en [verdachte] lopen richting de Tickets & Service. [verdachte] houdt op dat moment zijn linkerhand ter hoogte van zijn borst. [slachtoffer] en [verdachte] lopen allebei naar binnen bij Tickets & Service.

09-01-2013 om 14:57:02 uur camera 15

[slachtoffer] en [verdachte] lopen bij de Tickets & Service naar buiten. [slachtoffer] heeft een wit voorwerp in zijn handen.

09-01-2013 om 14:57:38 uur camera 12

[slachtoffer] en [verdachte] lopen door de tunnel / onderdoorgang in de richting van het perron van spoor 3 en spoor 4. [slachtoffer] houdt een wit voorwerp vast met beide handen. [verdachte] heeft een voorwerp in zijn rechterhand en is hier al lopend mee bezig.

09-01-2013 om 14:57:43 uur camera 12

[slachtoffer] en [verdachte] lopen verder door de tunnel / onderdoorgang. [verdachte] brengt zijn rechterhand naar zijn rechteroor. Het lijkt erop dat [verdachte] aan het bellen is.

09-01-2013 om 14:57:50 uur camera 12

[slachtoffer] en [verdachte] lopen verder richting de trap van het perron van spoor 3 en spoor 4. [verdachte] heeft nog steeds zijn rechterhand aan zijn rechteroor. Het lijkt erop dat hij nog steeds aan het bellen is. [slachtoffer] heeft nog steeds een wit voorwerp in zijn handen en brengt deze naar zijn mond. Het lijkt erop dat hij aan het eten is.

09-01-2013 om 14:58:14 uur camera 8

[slachtoffer] en [verdachte] lopen de trap op. [verdachte] is aan het bellen en brengt zijn linkerhand voor zijn gezicht. Het lijkt erop alsof hij kijkt hoe laat het is. [slachtoffer] is nog steeds aan het eten.

09-01-2013 om 14:58:26 uur camera 8

[slachtoffer] en [verdachte] draaien zich om en lopen de trap af. [verdachte] brengt zijn linkerhand naar beneden hij heeft een voorwerp in zijn handen wat verlicht is.

Het lijkt erop dat dit het scherm van zijn gsm is. [verdachte] brengt weer zijn linkerhand voor zijn gezicht. Het lijkt erop alsof hij weer kijkt hoe laat het is.

09-01-2013 om 14:58:55 uur camera 15

[slachtoffer] en [verdachte] komen de trap op lopen en lopen de stationshal in. [slachtoffer] loopt voorop, gevolgd door [verdachte] .

09-01-2013 om 14:59:01 uur camera 15

[slachtoffer] en [verdachte] lopen allebei bij Tickets & Service naar binnen.

09-01-2013 om 15:00:31 uur camera 15

[slachtoffer] en [verdachte] lopen bij Tickets & Service naar buiten. [slachtoffer] brengt dan zijn linkerhand naar zijn linkeroor.

09-01-2013 om 15:00:39 uur camera 15

[slachtoffer] en [verdachte] lopen terug richting de trap en lopen naar beneden. [slachtoffer] heeft nog steeds zijn linkerhand aan zijn linker oor. Het lijkt erop dat hij aan het bellen is.

09-01-2013 om 15:00:59 uur camera 12

[slachtoffer] en [verdachte] lopen door de tunnel / onderdoorgang in de richting van de trap voor het perron van spoor 3 en spoor 4. [slachtoffer] is nog steeds aan het bellen.

09-01-2013 om 15:01:02 uur camera 12

[slachtoffer] en [verdachte] lopen verder in de richting van de trap. [slachtoffer] is nog steeds aan het bellen. Beiden lopen in een versnelde pas.

09-01-2013 om 15:01:04 uur camera 8

[slachtoffer] en [verdachte] lopen de trap op naar het perron van spoor 3 en spoor 4. [slachtoffer] is nog steeds aan het bellen.

09-01-2013 om 15:01:05 uur camera 8

[slachtoffer] en [verdachte] lopen snel de trap op.

09-01-2013 om 15:01:16 uur camera 10

[slachtoffer] en [verdachte] lopen richting de trein op spoor 4. [slachtoffer] is nog steeds aan het bellen.

09-01-2013 om 15:01:20 uur camera 10

[slachtoffer] en [verdachte] stappen in de trein op spoor 4. De trein vertrekt om 15:04:11 uur. Uit de reisinformatie van de NS blijkt dit de stoptrein van Veolia betreft die om 15:04 uur vertrekt op spoor 4b richting Roermond.

Op verzoek van de teamleiding heb ik op de camerabeelden gezocht of [verdachte] eerder op 09-01-2013 op het station Venlo met de trein was aangekomen aangezien hij woonachtig is in [plaatsnaam] . Hierover is het volgende bevonden:

09-01-2013 om 13:00:11 uur camera 11

[verdachte] stapt uit de trein op spoor 3 en loopt verder het perron op richting de trap.

Uit de reisinformatie van de NS blijkt dat dit de stoptrein van Veolia is vanuit Roermond die om 12:58 uur aankomt op spoor 3b van het station in Venlo.

09-01-2013 om 13:00:18 uur camera 13

[verdachte] loopt vanaf spoor 3 over het perron richting de trap naar de tunnel / onderdoorgang. Zijn signalement is hetzelfde zoals eerder omschreven in dit proces-verbaal.

09-01-2013 om 13:00:44 uur camera 12

[verdachte] loopt door de tunnel / onderdoorgang richting de stationshal.

09-01-2013 om 13:11:12 uur camera 18

[verdachte] loopt richting de toegangsdeur en gaat daar staan. Hij staat met zijn gezicht naar buiten gericht. Hier blijft hij enige tijd staan.

09-01-2013 om 13:11:43 uur camera 18

[verdachte] loopt het station uit naar buiten.

09-01-2013 om 13:11:57 uur camera 17

[verdachte] loopt de trap af en loopt dan in de richting van het centrum van Venlo. [verdachte] is op de beelden in de verte nog zichtbaar als hij bij de voetgangersoversteekplaats de [straatnaam] oversteekt en verder loopt richting het centrum. Om 13:12:55 uur verdwijnt hij uit beeld.

12. Het proces-verbaal Onderzoek Plaats Delict 1, opgemaakt d.d. 28 mei 2013, dossierpagina’s 34-60 van deeldossier D, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] , [verbalisant] :

Op 10 januari 2013, omstreeks 11:05 uur, werd door ons gestart met een forensisch onderzoek bij een jongeren ontmoetingsplaats, gelegen aan de Ringbaan Oost te Weert in de wijk Graswinkel.

De plaats delict was gelegen in een voor het publiek toegankelijk park/wandelgebied, dat werd begrensd door de openbare weg Ringbaan – Oost, de spoorlijn Weert – Roermond, het sportcomplex van voetbalclub MMC en tennisclub Weert en de woonwijk Graswinkel. In dit park/wandelgebied zijn een vijver en een sloot met waterbekkens gelegen. In het park/wandelgebied waren diverse fiets- en wandelpaden gesitueerd. Binnen dit gebied lag ook een jongeren ontmoetingsplaats. Deze jongeren ontmoetingsplaats was gelegen tussen genoemd sportcomplex en de Ringbaan Oost. De jongeren ontmoetingsplaats was onder andere voorzien van een skatebaan en een basketbalpaal. In een zandheuvel was een rechthoekige (schuil)ruimte gecreëerd. Deze ruimte, hoofdzakelijk bestaande uit beton en metaal, was deels ingegraven en aan de voorzijde open. In deze (schuil)ruimte waren vijf betonnen zitkolommen aangebracht en direct voor deze (schuil)ruimte was één betonnen zitkolom aangebracht Deze schuilruimte wordt verder in dit proces-verbaal benoemd als JOP.

Op 10 januari 2013, omstreeks 11.05 uur, waren wij, [verbalisant] , aangekomen bij de genoemde plaats delict. Dr. [naam] , forensisch arts, was reeds aanwezig. Aan de voorzijde (direct bij de opening) van de JOP stond in het midden een metalen steunpaal, vanaf de betonnen tegels tot aan het dak van de JOP. Wij, [verbalisant] , zagen op de tegels, vlakbij de steunpaal, stukjes weefsel en een geringe hoeveelheid bloed liggen.

Dit weefsel en bloed lag aan de linkerzijde van de metalen paal, vanuit de opening gezien. [naam] voornoemd, deelde ons mede dat dit weefsel zeer waarschijnlijk hersenweefsel was.

Op 10 januari 2013, omstreeks 15.00 uur, waren wij, [verbalisant] aangekomen bij de plaats delict te Weert, Ringbaan Oost en vervoegden ons bij de verbalisanten [verbalisant] .

Wij, verbalisanten, zagen achter in de JOP, achter een van de betonnen zitkolommen, het slachtoffer, [slachtoffer] , liggen. Het slachtoffer lag op de rug. Aan de rechterzijde in de JOP, gezien vanaf de buitenzijde, zagen wij een grote plas bloed op de tegels liggen. Wij zagen over de tegels van de JOP een sleepspoor lopen. Wij zagen dat dit sleepspoor door de plas bloed liep.

Door ons, verbalisanten, werden op twee verschillende plaatsen in de JOP bloedspatten aangetroffen. Wij zagen een bloedspat op de betonnen zitkolom, die het dichtste bij de plas bloed op de tegels gesitueerd was. Op de metalen steunpaal, in het midden van de JOP zag ik, [verbalisant] , op een hoogte van ongeveer 210 cm, bloedspatjes. Deze bloedspatjes bevonden zich aan de binnenzijde van de steunpaal, vanuit de JOP gezien.

Onder het water, aan de linkerzijde in de JOP, bevond zich een laag grijze zand. In dit zand trof ik, [verbalisant] , een huls aan.

Tijdens het uitgevoerde sporenonderzoek in/bij de JOP zijn de hierna genoemde sporen/sporendragers aangetroffen en veiliggesteld:

  • -

    AAFM6144NL, PD1.03, Substantie, ingang van de schuilruimte

  • -

    AAFM6145NL, PD1.04, Substantie, ingang van de schuilruimte

  • -

    AAFM6146NL, PD1.05, Substantie, ingang van de schuilruimte

  • -

    AAFM6155NL, PD1.08, Bloedspat linker betonnen zitkolom TB+

  • -

    AAFQ9211NL, PD1.10, Bloedspatjes bovenzijde paal, overkapping TB+

  • -

    AAFG9855NL, PD1.11, Fragment schoenspoor

  • -

    AAFK4912NL, PD1.15, Fragment schoenspoor

  • -

    AAFK4915NL, PD1.17, Fragment schoenspoor

  • -

    AAFK4911NL, PD1.18, Fragment schoenspoor

  • -

    AAFK4921NL, PD1.20, Fragment schoenspoor

  • -

    AAFK4920NL, PD1.21, Fragment schoenspoor

  • -

    AAFK4918NL, PD1.23, Fragment schoenspoor

  • -

    AAFG9028NL, PD1.26, Munitie - Huls, in plas water in JOP.

13. Het proces-verbaal Onderzoek Plaats Delict 2, opgemaakt d.d. 28 mei 2013, dossierpagina’s 73-91 van deeldossier D, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

De plaats delict PD2 was gelegen in een voor het publiek toegankelijk park/wandelgebied, dat werd begrensd door de openbare weg Ringbaan-Oost, de spoorlijn Weert-Roermond, het sportcomplex van voetbalclub MMC en tennisclub Weert en de woonwijk Graswinkel. In dit park/wandelgebied zijn een vijver en een sloot met waterbekkens gelegen. In het park/wandelgebied waren diverse fiets- en wandelpaden gesitueerd. Binnen dit gebied lag ook een jongeren ontmoetingsplaats.

Op donderdag 10 januari 2013, omstreeks 12.00 uur, liepen wij, samen met [verbalisant] voornoemd, naar het wandel/fietspad, dat ter plaatse was gelegen tussen de JOP en de afrastering van het sportcomplex. Wij liepen over het wandel/fietspad, in de richting van de tennisbanen. Wij zagen in het water, van de rechts naast het wandel/fietspad gelegen sloot, een donkerkleurige rugzak liggen. Gekomen bij de slootkant zagen wij dat de rugzak voor een gedeelte boven het water uitstak. Deze rugzak werd vervolgens door ons uit het water gehaald en veiliggesteld onder nummer AAFM6080NL (PD2.01, aangetroffen in het water langs de Blatenkampweg). Wij hadden de rugzak geopend en de inhoud bekeken. Wij troffen daarbij onder andere een identiteitskaart aan met daarop een foto van een persoon, die enige gelijkenis vertoonde met het eerder door ons aangetroffen slachtoffer in de (schuil)plaats in de JOP.

14. Het proces-verbaal Vervolgonderzoek Plaats Delict 2, opgemaakt d.d. 5 juni 2013, dossierpagina’s 92-104 van deeldossier D, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 1 februari 2013 tussen omstreeks 09:00 uur en 15:00 uur, hebben wij verbalisanten een vervolgonderzoek ingesteld bij de sloot met waterbekkens, gelegen langs de onverharde weg, Blatenkampweg te Weert. Het water in deze sloot liep vanaf de Maaseikerweg in de richting van de Ringbaan Oost en kwam uit op 3 aaneengesloten driehoekige waterbassins. Tijdens dit zoeken werd een portemonnee aangetroffen, die geheel onder water lag en direct aan de waterkant tegen het talud. In deze portemonnee troffen wij een muntstuk van 20 cent aan en twee bonnetjes van geldautomaat opnamen. Op 1 februari 2013 werd de portemonnee (SIN AAFJ5991NL) door mij, [verbalisant] , overgebracht naar de forensische opsporing in het regiobureau van politie te Venlo.

15. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 4 maart 2013, dossierpagina 376 van deeldossier C, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant] :

Op 26 februari 2013 werd een doorzoeking gehouden in de woning, perceel [adres] te Weert. In de woning werd het volgende goed in beslaggenomen:

een heuptas, kleur bruin, merk Gapstar (het hof begrijpt: G-star).

16. Compleet sporenoverzicht 23TG1301, bijlage 1 van deeldossier D, dossierpagina’s 28-32 van deeldossier D, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

SIN: AAFK4933NL, item beschrijving: tas-heuptas, bijzonderheden: gescheurd aan bovenzijde, code C-W-001, plaats aantreffen: woning [adres] , Weert.

17. Het proces-verbaal Onderzoek kleding en heuptas van verdachte [verdachte] , opgemaakt d.d. 29 april 2013, dossierpagina’s 225-235 van deeldossier D, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 26 februari 2013 werd de navolgende persoon als verdachte aangehouden:

[verdachte] , geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Tijdens deze aanhouding te [adres] werden onder ander de navolgende sporendragers in beslag genomen:

  • -

    AAFJ5921NL, Schoeisel - Schoen - All Star, linker schoen, met witte rand zool;

  • -

    AAFJ5922NL, Schoeisel - Schoen - All Star, rechter schoen, met witte rand zool (het hof begrijpt: schoenen van het merk Converse All Stars).

Op 27 februari 2013 werden aan mij, [verbalisant] , de schoenen voor nader onderzoek.

18. Het proces-verbaal Schoensporenonderzoek, opgemaakt d.d. 5 juni 2013, dossierpagina’s 270-309 van deeldossier D, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 19-03-2013 ontvingen wij:

[1] een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt: AAFK4915NL;

[2] een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt: AAFK4912NL;

[3] een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt: AAFK4920NL;

[4] een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt: AAFK4918NL;

[5] een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt: AAFG9855NL;

[13] een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt: AAFK4911NL;

[14] een gipsafvorming van een schoenindrukspoor, gewaarmerkt: AAFK4921NL;

[16] een paar schoenen van het merk: Converse (het hof begrijpt: schoenen van het merk Converse All Star), gewaarmerkt: AAFJ5921NL (L) en AAFJ5922NL (R).

VRAAGSTELLING

Zijn de schoensporen [1 t/m 15] veroorzaakt door de schoenen [16 t/m 18]?

ONDERZOEK

Op 20 maart 2013 startten wij het vergelijkend schoensporenonderzoek waarbij het volgende is waargenomen, verricht en bevonden.

De herenschoenen [16] zijn van het merk Converse (het hof begrijpt: schoenen van het merk Converse All Star). De maat is 7 volgens opschrift in de zool van de schoen.

Spoor 1:

Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen enerzijds het schoenspoor [1] en anderzijds de rechterschoen [16] en de hiermee vervaardigde proefsporen, is gebleken dat:

  • -

    het profiel overeenkomt, voor zover waarneembaar;

  • -

    de afmetingen praktisch overeenkomen;

  • -

    onverklaarbare verschillen zijn niet waargenomen.

Spoor 2:

Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen enerzijds het schoenspoor [2] en anderzijds de rechterschoen [16] en de hiermee vervaardigde proefsporen, is gebleken dat:

  • -

    het profiel overeenkomt, voor zover waarneembaar;

  • -

    de afmetingen praktisch overeenkomen;

  • -

    de door het schoenspoor [2] weergegeven slijtage globaal overeenkomt met de slijtage aan de linkerschoen [16];

  • -

    onverklaarbare verschillen zijn niet waargenomen.

Spoor 3:

Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen enerzijds het schoenspoor [3] en anderzijds de rechterschoen [16] en de hiermee vervaardigde proefsporen is gebleken dat:

  • -

    het profiel overeenkomt, voor zover waarneembaar;

  • -

    de afmetingen praktisch overeenkomen;

  • -

    de slijtage aan de rechterschoen [16] ook is waargenomen in het schoenspoor [3];

  • -

    onverklaarbare verschillen zijn niet waargenomen.

Spoor 4:

Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen enerzijds het schoenspoor [4] en anderzijds de rechterschoen [16] en de hiermee vervaardigde proefsporen is gebleken dat:

  • -

    het profiel overeenkomt, voor zover waarneembaar;

  • -

    de afmetingen praktisch overeenkomen;

  • -

    onverklaarbare verschillen zijn niet waargenomen.

Spoor 5:

Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen enerzijds het schoenspoor [5] en anderzijds de rechterschoen [16] en de hiermee vervaardigde proefsporen is gebleken dat:

  • -

    het profiel overeenkomt, voor zover waarneembaar;

  • -

    de afmetingen praktisch overeenkomen;

  • -

    de door het schoenspoor [5] weergegeven slijtage globaal overeenkomt met de slijtage aan de linkerschoen [16];

  • -

    onverklaarbare verschillen zijn niet waargenomen.

Spoor 13:

Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen enerzijds het schoenspoor [13] en anderzijds de linkerschoen [16] en de hiermee vervaardigde proefsporen is gebleken dat:

  • -

    het profiel overeenkomt, voor zover waarneembaar

  • -

    de afmetingen praktisch overeenkomen;

  • -

    onverklaarbare verschillen zijn niet waargenomen.

Spoor 14:

Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen enerzijds het schoenspoor [14] en anderzijds de linkerschoen [16] en de hiermee vervaardigde proefsporen is gebleken dat:

  • -

    het profiel overeenkomt, voor zover waarneembaar

  • -

    de afmetingen praktisch overeenkomen.

CONCLUSIE

Spoor 1:

Op grond van het vergelijkend onderzoek concludeer ik dat het spoor [1] is veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de schoenen [16].

Door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten, kon niet worden vastgesteld dat het spoor daadwerkelijk is veroorzaakt met de rechterschoen [16].

Spoor 2:

Op grond van het vergelijkend schoensporenonderzoek concludeer ik, dat het schoenspoor [2] mogelijk is veroorzaakt met de rechterschoen [16].

Spoor 3:

Op grond van het vergelijkend schoensporenonderzoek concludeer ik, dat het schoenspoor [3] mogelijk is veroorzaakt met de rechterschoen [16].

Spoor 4:

Op grond van het vergelijkend onderzoek concludeer ik, dat het spoor [4] is veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de schoenen [16]. Door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten, kon niet worden vastgesteld dat het spoor daadwerkelijk is veroorzaakt met de rechterschoen [16].

Spoor 5:

Op grond van het vergelijkend schoensporenonderzoek concludeer ik, dat het schoenspoor [5] mogelijk is veroorzaakt met de rechterschoen [16].

Spoor 13:

Op grond van het vergelijkend onderzoek concludeer ik, dat het spoor [13] is veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de schoenen [16]. Door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten, kon niet worden vastgesteld dat het spoor daadwerkelijk is veroorzaakt met de linkerschoen [16].

Spoor 14:

Op grond van het vergelijkend onderzoek concludeer ik, dat het spoor [14] is veroorzaakt met een schoen, soortgelijk aan de schoenen [16]. Door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten, kon niet worden vastgesteld dat het spoor daadwerkelijk is veroorzaakt met de linkerschoen [16].

19. Het deskundigenrapport betreffende DNA-onderzoek, opgemaakt d.d. 17 mei 2013, dossierpagina’s 318-350 van deeldossier D, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als onderzoeksbevindingen van dr. [naam] , Forensisch DNA-onderzoeker:

Referentie aanvrager: 2013003155

Verdachte: [verdachte] , geboren [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats]

Slachtoffer: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] te Weert

Swab met bloed van paal, AAFQ9211NL, positief, enkelvoudig DNA-profiel, slachtoffer.

20. Het NFI-rapport Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Weert op 10 januari 2013, opgemaakt d.d. 25 februari 2013, met bijlage, dossierpagina’s 415-432 van deeldossier D, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als onderzoeksbevindingen van ing. [naam] :

Politie registratienummer PL236E 2013003155

Te onderzoeken materiaal: SIN AAFG9028NL, munitie (huls).

Huls [AAFG9028NL]:

Deze huls is voorzien van het bodemstempel '9mm LUGER CBC' en een trapeziumvormig symbool in het slaghoedje. Gezien dit bodemstempel en de afmetingen is de huls van het kaliber 9 mm Parabellum. In de huls bevinden zich sporen die veroorzaakt zijn tijdens het verschieten uit een vuurwapen.

Conclusie: De huls [AAFG9028NL] is vermoedelijk verschoten met een semi-automatisch werkend pistool van het kaliber 9 mm Parabellum.

21. Het NFI-rapport Schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Weert op 10 januari 2013, opgemaakt d.d. 28 augustus 2013, dossierpagina’s 444-462 van deeldossier D, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als onderzoeksbevindingen van ing. [naam] :

Politieregistratienummer: PL236E 2013003155-156

Te onderzoeken materiaal: SIN AAFK4933NL, tas.

Tas [AAFK4933NL]

Vraag: Kan een relatie worden aangetoond tussen de binnenzijde van de tas en een schietproces?

Op de stubs waarmee delen van de tas [AAFK4933NL] zijn bemonsterd, zijn 4 categorie A deeltjes aangetroffen. Met het aantreffen van categorie A-deeltjes wordt een vrijwel zekere relatie aangetoond met een schietproces.

Conclusie: Het onderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de bemonsterde delen van de tas [AAFK4933NL] en een schietproces.

22. Het proces-verbaal verhoor getuige, opgemaakt d.d. 13 januari 2013, dossierpagina’s 92-100 van deeldossier B, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige] :

V: Vraag of opmerking door verbalisanten

A: Antwoord getuige of opmerking getuige

V: Wat kun jij ons over [slachtoffer] vertellen ?

A: Wij zijn in dezelfde woning gaan wonen. [slachtoffer] is eind september 2012 daar komen

wonen. Ik kreeg in september ook een kamer toegewezen in de woning aan de

[adres] .

V: Wanneer heeft u [slachtoffer] voor het laatst gezien ?

A: Ik kan u zeggen dat ik [slachtoffer] in de middag van 9 januari 2013 voor het laatst heb gezien, bij ons in de woning in Venlo. [slachtoffer] kwam de woonkamer binnen en had iemand bij zich. Ik zag dat deze persoon de woonkamer binnenliep. [slachtoffer] stelde deze man aan mij voor en hierop gaf hij mij een hand. [naam] , een huisgenoot, was op dat moment ook in de huiskamer aanwezig. Ik hoorde dat [slachtoffer] tegen [naam] zei dat deze man uit [plaatsnaam] kwam. Ik hoorde vervolgens dat ze via de trap naar [slachtoffer] ’s kamer gingen.

V: Hoe zag deze man, die met [slachtoffer] was, eruit?

A:

  • -

    1.60 tot 1.70 meter lang, ik zag dat deze man een stuk kleiner was dan [slachtoffer] ;

  • -

    normaal postuur;

  • -

    ik schat dat hij de leeftijd had van eind 40/begin 50 jaar;

  • -

    zwart vol haar tot aan de nek, met ietwat slag erin;

  • -

    Aziatisch/Indonesische afkomst;

  • -

    sprak zonder buitenlands accent;

  • -

    netjes verzorgd uiterlijk;

  • -

    hij droeg een donkerkleurige rechthoekige tas bij zich, hij droeg deze tas over zijn linkerschouder.

V: Heb jij een telefoonnummer van [slachtoffer] ?

A: Ja, dit is het nummer [nummer] .

23. Het proces-verbaal verhoor getuige, opgemaakt d.d. 14 januari 2013, dossierpagina’s 118-120 van deeldossier B, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige] :

Mijn voornaam is [naam] .

V: U wordt verhoord omdat wij een huisgenoot van u, [slachtoffer] , levenloos hebben

aangetroffen. Wat kunt u ons over [slachtoffer] vertellen?

A: Wij woonden allebei op het adres [adres] . [slachtoffer] kwam uit [plaatsnaam] . [slachtoffer] zat in de drugsscene. Op een gegeven moment rook ik in huis dat hij binnenshuis drugs gebruikte.

V: Wanneer heeft u [slachtoffer] voor het laatste gezien?

A: Op 9 januari 2013. Ik denk dat ik ongeveer rond 12:45 uur thuis kwam in Venlo. [naam] (het hof begrijpt: [getuige] ) was toen ook thuis. Even daarna, ik denk rond 13:30 uur kwam [slachtoffer] binnen. Hij had een man bij zich.

V: Hoe kun jij deze man omschrijven?

A: Klein. Hij was kleiner als ik. Ik ben 1.70 meter lang. Ik vond hem qua uiterlijk Indonesisch lijken. Hij had zwart/grijs haar, half lang. Hij sprak Nederlands.

24. Het proces-verbaal verhoor getuige, opgemaakt d.d. 21 januari 2013, dossierpagina’s 136-142 van deeldossier B, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

M: Mededeling verbalisanten

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord getuige

V: U heeft aangegeven dat u iets wilt vertellen over [slachtoffer] . Vertelt u eens?

A: Die was dinsdagavond bij mij rond 23:00 uur.

V: Bij mij is dat jou woning?

A: Ja, [adres] te Weert. [slachtoffer] zou woensdag weer terug komen. Ik heb [slachtoffer] rond 15:00 uur gebeld omdat hij niet was gekomen. Ik heb toen met [slachtoffer] gesproken. [slachtoffer] zei toen tegen mij dat hij terug zou bellen.

V: Dus jij hebt het over de woensdag, 9 januari 2013?

A: Ja, dat klopt.

V: Dus als jij het hebt dat [slachtoffer] op dinsdag bij jou geweest is, dan heb jij het over

de 8e januari 2013 klopt dat?

A: Ja, dat klopt.

V: Welke relatie had jij met [slachtoffer] ?

A: Gewoon een kameraad van mij. Zeg maar uit de gebruikers scene.

V: Waarom kwam [slachtoffer] naar jou toe?

A: [slachtoffer] kwam naar mij toe om een wapen te komen kopen. Hij kwam vragen of ik iemand wist.

V: Wat voor een wapen kwam [slachtoffer] kopen, een mes of een vuurwapen?

A: Een vuurwapen. [slachtoffer] had 1500 euro bij zich. Ik heb dat geld gezien.

25. Het proces-verbaal verhoor getuige, opgemaakt d.d. 27 februari 2013, dossierpagina’s 151-160 van deeldossier B, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Opmerking: Wij, verbalisanten, tonen de getuige een tweetal foto's van een donker bruine schoudertas merk: Star (het hof begrijpt: G-star).

M: [getuige 1] , we hebben gisteren een doorzoeking van jouw woning, [adres] te

Weert verricht. Deze tas hebben wij gisteren bij jou in de woning aangetroffen.

V: Van wie is deze tas?

A: Die is van [verdachte] .

V: Hoe komt die tas in jouw woning?

A: Die heeft hij bij mij laten staan. [verdachte] is vaker bij mij in de woning geweest.

V: Wat is vaker?

A: Dan komt hij vaak en dan weer een tijd niet.

V: In de periode dat hij vaak kwam, hoe vaak kwam hij dan?

A: Twee - drie keer in de week.

V: Sinds wanneer ligt die tas bij jou?

A: Sinds januari 2013.

V: Waar bracht [verdachte] de nachten door?

A: Thuis. Maar hij heeft ook een paar nachten bij mij geslapen.

V: [getuige 1] , heb jij bij [verdachte] wel eens een vuurwapen gezien?

A: Dat klopt, dat heb ik weleens gezien. Dat was bij mij op de flat. Dat heeft [getuige 2] (het hof begrijpt: [getuige 2] ) toen ook gezien. Waar dat is gebleven weet ik niet.

V: Hoe ging dat in zijn werk?

A: Ik heb alleen dat wapen gezien. Dat zat in die tas waarvan jullie mij een foto

hebben laten zien.

V: Droeg [verdachte] die tas altijd bij zich?

A: Ja, [verdachte] droeg, voordat ik het wapen had gezien, die tas altijd bij zich. [verdachte] ging de woning uit en kwam direct weer naar binnen. Hij liet mij het wapen zien. Hierna ging hij samen met [getuige 2] weg. Ik had [verdachte] duidelijk gemaakt dat ik geen wapen binnen wil hebben bij mij.

V: Hoe droeg [verdachte] die tas?

A: Over zijn schouder waarbij hij zijn hoofd door de lus stak.

V: Had [verdachte] het wapen voor het overlijden van [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) of erna?

A: Voor dat [slachtoffer] overleed.

V: Zat er ook munitie bij?

A: Ja goudkleurig.

V: Hoe weet je dat?

A: Ik zag het toen [verdachte] dat ding uit het handvat trok. Ik zag toen dat het bovenop

goudkleurig was.

M: Getuige [getuige 1] maakt en beweging alsof hij en magazijn uit een pistool haalt.

V: Welke kleur had het wapen?

A: Zwart/antraciet.

V: En het gedeelte wat [verdachte] eruit trok?

A: Ook zwart/antraciet.

26. Het proces-verbaal verhoor getuige, opgemaakt d.d. 21 maart 2013, dossierpagina’s 161-171 van deeldossier B, met bijlage, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

M: [getuige 1] , uit onderzoek is gebleken dat een door jou gehuurde auto, merk Peugeot,

op dinsdag 8 januari 2013 in het dorpje Enter in Gelderland is aangetroffen door de politie.

V: Hoe verklaar je dat?

A: Ik heb gebeld met de politie van Overijssel en toen hoorde ik waar ik de

auto kon ophalen. Toen ik daar kwam bij de auto was de tank leeg.

V: Wanneer was dat, dat jij de auto in Enter ophaalde?

A: Woensdagavond ( het hof begrijpt: 9 januari 2013) heb ik die auto opgehaald in Enter.

V: Hoe ben jij naar het plaatsje Enter in Gelderland gegaan?

A: Met de trein. Ik ben hier in Weert opgestapt.

V: En hoe laat heb je de trein genomen richting Enter?

A: Rond 16.00 uur.

V: Hoe lang heb je over de reis gedaan?

A: Hey.... er valt mij nu iets in. De dag dat ik de auto heb teruggebracht naar

[naam] heb ik mijn auto uitgeleend aan [verdachte] . Ik moest de auto om 14.00 uur

inleveren en ik moest toen wachten totdat [verdachte] terug kwam. [verdachte] was die nacht bij

mij blijven slapen. 's Ochtends moest hij met de auto naar zijn moeder, zei hij.

V: En toen je thuis kwam die avond?

A: Toen ik thuis kwam in de avond zat [verdachte] al binnen, samen met [getuige 2] .

V: Hoe laat was jij thuis?

A: Ik kwam rond 23.00 uur thuis aan. Ik ben meteen gaan slapen want ik was moe

V: We gaan even samen naar donderdagochtend. Hoe laat ben je toen opgestaan?

A: Rond 8 uur/ half 9. [verdachte] is even daarna vertrokken met de auto.

V: En wie waren toen bij jou in de woning?

A: [verdachte] en [getuige 2] . Toen ik wakker werd was [verdachte] ook al wakker.

V: Wat voor kleding droeg [verdachte] die ochtend?

A: Volgens mij zijn zwarte-leren jas en een zwarte broek en van die eurostar

Gympen, van die hoge (schoenen met een rond embleem erop) (het hof begrijpt: schoenen van het merk Converse All Star).

V: Wat voor kleur?

A: Zwart en wit.

V: Wat was er zwart en wat wit?

A: Wit was de neus; zwart was de rest.

27. Het proces-verbaal verhoor getuige, opgemaakt d.d. 21 februari 2013, dossierpagina’s 364-374 van deeldossier B, met bijlage, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

M: Mededeling verbalisant.

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord getuige

V: Hoe was [verdachte] gekleed?

A: Meestal droeg hij een spijkerbroek, een tasje, een bloes, een zwarte leren jas.

V: Hoe zag die tas er uit?

A: Het betrof een draagtas met schouderriem. De tas was bruin. Hij was voorzien van een klep. Die tas ligt mogelijk nog in de woning van [getuige 1] (het hof begrijpt:

[getuige 1] ). Er zat een snee in die tas.

V: Hoe droeg [verdachte] die tas?

A: Hij droeg de tas met de riem over zijn hoofd over de linkerschouder. Hij droeg de tas aan de rechterkant.

A: Ik heb zelf gezien dat [verdachte] een pistool bij zich had. Zo een zwart ding waar je het magazijn uit haalt. Ik heb dat zelf gezien en [getuige 1] ook. Ik weet alleen niet in welke dag dat was. Hij had dat toen in een tas. Ik heb gezien dat de kogels in het handvat moesten. In de houder en dan in het handvat. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat het een negen millimeter was.

V: Waar had hij dat pistool?

A: Hij had in de tas. Hij zei dat ik naar de slaapkamer bij [getuige 1] in de woning moest komen. Daar liet hij mij dat pistool zien.

V: Je doet met je armen bewegen alsof het een schoudertas was. Klopt dat?

A: Ja. Het was dezelfde tas die hij woensdag de 9e januari 2013 bij zich had.

V: Wij noemen kogels patronen. Hoeveel patronen heb jij gezien?

A: Boven op dat ding zat een kogel. Wat er nog meer in zat weet niet.

V: Wanneer was dat, dat hij jullie dat pistool liet zien?

A: Dat was voor de 8 januari.

V: Kun jij de kogel omschrijven?

A: Ja. De kop van de kogel was helemaal goudkleurig/koperkleurig.

28. Het proces-verbaal verhoor verdachte, opgemaakt d.d. 4 april 2013, dossierpagina’s 389-399 van deeldossier A, met bijlage, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

V: We gaan even naar de dag dat [getuige 1] zijn huurauto ging ophalen in Gelderland (het hof begrijpt: 9 januari 2013). Hoe laat is [getuige 1] vertrokken naar het station?

A: Rond half vijf of kwart voor vijf.

V: Wie waren er nog in de woning toen [getuige 1] wegging?

A: Alleen ik.

V: Hoelang ben jij alleen geweest?

A: Ongeveer driekwartier tot een uur.

V: Je bent een uur alleen geweest toen [getuige 1] vertrokken was. Wie was de eerste

persoon die bij jou kwam?

A: Dat was [verdachte] .

V: Hoe laat kwam [verdachte] aan de deur?

A: Rond 18.00 uur.

[verdachte] had vuile laarzen aan toen hij rond 18.00 uur terug kwam. Er zat modder

en gras aan en ik heb die laarzen schoongemaakt. [verdachte] ging zitten en omdat hij altijd coke weggeeft doen wij klusjes voor hem. Daarom maakte ik zijn laarzen schoon.

V: Omschrijf die laarzen eens?

A: Zolen met veel profiel, van die zig-zag strepen; ongeveer 25 centimeter hoog, de bovenkant was volgens mij zwarte stof.

V: Wat is er met die laarzen na het schoonmaken gebeurd?

A: Ik heb die achter de driezits bank neergezet.

V: Hoe laat is [verdachte] weer weggegaan?

A: Volgens mij heeft [verdachte] daar geslapen. Dat was van woensdag op donderdag.

29. Het proces-verbaal verhoor getuige, opgemaakt d.d. 27 februari 2013, dossierpagina’s 404-410 van deeldossier B, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige] :

V = Vraag en/of opmerking verbalisanten.

A = Antwoord en/of opmerking getuige.

V: Het is ons bekend dat u ook bijverdient met taxi-rijden. Op welke dagen en/of tijdstippen kan men u voor een taxi-rit bestellen?

A: Zondag rijd ik niet. Doordeweeks kunnen ze mij van 's ochtends tot zes uur in de avond bellen.

V: Wie is [verdachte] ?

A: Zijn moeder rijd ik vaker naar de bejaardenvereniging op de [naam] , daar ken ik

hem van.

V: Hoe kunt u [verdachte] omschrijven?

A: Indonesisch. Niet groot, ik denk zo'n 1.68 meter lang. Ik zelf ben 1.72 en hij

is iets kleiner als dat ik ben. Hij heeft donker haar, niet heel lang, maar ook

niet kort. Hij heeft een gewoon postuur.

V: We willen u graag twee foto's tonen. Deze foto's voegen we als bijlage bij dit

proces-verbaal toe. Wie herkent u op deze foto's?

A: Dit kon [verdachte] wel eens zijn, de man die loopt en te zien is op de bovenste foto.

V: Wat kunt u zeggen over de tas die hij bij zich draagt?

A: Die draagt hij wel vaker bij zich.

V: Waar kent u [verdachte] nog meer van?

A: Ik rijd hem zelf ook wel eens.

V: In de telefoongegevens van [verdachte] zien wij dat hij uw nummer in januari

2013 heeft gebeld. De meeste keren dat [verdachte] u belde, bevond hij zich kennelijk in Weert. Echter op woensdag 09 januari 2013, 15:30 uur, belt [verdachte] naar uw nummer en bevindt zich op dat moment kennelijk in Roermond. Heeft u hem wel eens in Roermond opgehaald?

A: Nee, dat bleef altijd beperkt tot Weert.

V: Mogen we van de week van 7 januari 2013 een kopie maken van de kalender waarop u de ritten noteert?

V: Wat kunt u zeggen over de kleding die [verdachte] regelmatig droeg?

A: Meestal een spijkerbroek en een zwarte leren jas, heupmodel. Over de schoenen

kan ik u niets zeggen.

Opmerking verbalisanten: Getuige [naam] wordt naar huis gebracht om daar de kalender op te halen. Van de week van 7 januari 2013 wordt een kopie gemaakt en als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. We zien op de kalender dat [verdachte] twee ritten heeft gehad op woensdag 9 januari 2013. Om 09.45 uur en om 15.50 uur.

V: Hoe ging dat bellen en rijden in z'n werk? Werd u gebeld door [verdachte] en ging u dan

direct rijden of werden er ook afspraken van te voren gemaakt?

A: Hij had het liefste dat ik hem direct ophaalde, maar dat ging niet altijd. Hij

deed mij wel eens bellen als hij in de trein zat met de vraag of ik hem dan wilde

ophalen van het station.

30. Het proces-verbaal verhoor getuige, opgemaakt d.d. 7 maart 2013, dossierpagina’s 411-418 van deeldossier B, met bijlagen, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige] :

V = Vraag en/of opmerking verbalisanten.

A = Antwoord en/of opmerking getuige.

V: Heeft u [verdachte] ooit in de omgeving van de Graswinkel afgezet?

A: Nu u mij de plattegrond toont waarop de Graswinkellaan staat, kan ik mij

herinneren dat ik inderdaad [verdachte] en een andere jongen daar eens heb afgezet en wel

precies op het kruispunt. Dit is, komende vanaf de Nassaulaan, de rotonde

rechtdoor, totdat de weg niet meer verder gaat en je links- of rechtsaf moet slaan. Dus precies op het kruispunt Graswinkellaan met het verlengde van de Nassaulaan.

V: Hoe zag die jongen bij [verdachte] eruit?

A: Hij was groter dan [verdachte] .

V: Toen u [verdachte] en die jongen heeft afgezet, hoe laat was het toen?

A: Dat weet ik niet. Vanaf het Station naar de Graswinkellaan is ongeveer 5 minuten

rijden.

V: Wat hebben zij gezegd waar ze naartoe gingen?

A: Rijd maar naar de Graswinkel. Zet ons daar maar af, verder hebben ze niks

gezegd.

31. Het proces-verbaal verhoor getuige, opgemaakt d.d. 12 maart 2013, dossierpagina’s 475-478 van deeldossier B, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige] :

V = Vraag/opmerking van de verbalisanten.

A = Antwoord/opmerking van de getuige.

V: Wat is uw functie binnen [instelling] ?

A: Ik ben coördinator Wonen en Leven en daarnaast ben ik geestelijk verzorger.

V: Op vrijdag 1 maart 2013 te 12.42 uur krijg ik, verbalisant [verbalisant] , een SMS bericht met de navolgende tekst:

[verdachte] heeft aan een anonieme vrijwilliger de moord bekend?

Wie heeft dit bericht verstuurd?

A: Ik heb dat bericht verstuurd.

V: Van wie had u de informatie gekregen omtrent het bekennen van een moord door

[verdachte] ?

A: Ik heb deze informatie gekregen van [getuige] . Daarnaast ook van [getuige]

.

V: Op welke manier kwam dit ter sprake?

A: Zij hebben dit letterlijk aan mij verteld, dat [verdachte] iemand vermoord heeft.

V: Wanneer kreeg u die informatie?

A: De precieze datum weet ik niet, ik denk in de week ervoor. De donderdag.

V: Was dit voor of na de aanhouding van [verdachte] op 26 februari 2013?

A: Voor.

V: Waarom wachtte u een week met het versturen van de SMS?

A: Ik moest het even laten bezinken. Daarnaast wil ik melden dat ik een serieuze gesteldheid zag bij [verdachte] . Ik zag dat hij een hoge mate van gespannenheid toonde. Trillen, niet uit zijn woorden komen etc. Zijn gedrag viel mij op. Uit mijn ervaring

kan ik u zeggen dat hij zich uitermate gespannen gedroeg, veel meer dan welke

andere bewoner hier dan ook.

V: Wanneer heeft [verdachte] zich in 2013 bij [instelling] aangemeld?

A: [geboortedag] 2013.

32 Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris te

’s-Hertogenbosch, opgemaakt d.d. 11 april 2016, los opgenomen in het dossier, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik ben christen. Ik had contact gezocht met [instelling] omdat ik wat wilde betekenen voor drank- en drugsverslaafden. Men heeft mij toen gevraagd in [instelling] ( [adres] ) mijn werk te gaan doen. Ik ben daar nu iedere week op woensdag en op zondag; eens in de maand preek ik in de kerkdienst als voorganger.

Als ik daar op woensdag kom, heb ik gesprekken met de jongens. Als er nieuwe jongens binnen zijn, dan vraag ik of ze behoefte hebben aan een gesprek. Ik heb een gesprek van drie kwartier met die jongens. Dan vraag ik naar de reden waarom ze verslaafd zijn

geraakt en vraag ik naar hun achtergrond. In 2013 was ik zeker al twee jaar aan het werk.

Ik heb tijdens mijn verhoor bij de politie destijds verteld dat ik bij [verdachte] was en dat hij tegen mij zei dat hij met een groot probleem zat, wat hij gedaan had. Ik maak dat best veel mee, de jongens vertellen over inbraken.

Ik heb best een vertrouwensband met de jongens daar met wie ik spreek. Hij zei dat hij met iets zat. Ik ga dan beslist wel heel ver. Ik zei op een gegeven moment, die vraag stel ik wel meer jongens: heb je er een vermoord dan? Toen zei hij ja. Ik heb er niet met hem over gesproken wat de reden was van wat hij gedaan had. Hij maakte zich het meest druk over dat hij die persoon vervolgens had achtergelaten. Normaal praat ik met niemand over wat ik van de jongens in de vertrouwelijkheid van ons gesprek hoor, maar wat ik nu hoorde was daarvoor te zwaar. Ik heb dat aan [getuige] verteld, hij is daarmee verder gegaan. De reden dat ik het tegen [getuige] heb gezegd, als iemand zo’n daad gedaan heeft, dan moet ik daar ook wettelijk iets mee, ik mag dat niet vasthouden. Een levensdelict kan en mag je niet verzwijgen. In dat kader heb ik het aan mijn meerdere, [getuige] , verteld.

33 Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris te

’s-Hertogenbosch, opgemaakt d.d. 13 juli 2016, los opgenomen in het dossier, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van [getuige] :

U vraagt mij wat ik weet over [verdachte] . Toen ik in 2013 op [instelling] in [adres] zat, was ik naast bewoner alfa-begeleider. Mijn taak bestond eruit met mensen die net waren aangekomen en die voor twee weken op de alfa-afdeling waren geplaatst te praten en om te gaan. Zo kwam ook [verdachte] bij mij op de afdeling.

Ik had nog nooit iemand meegemaakt die zoveel berouw had als [verdachte] . Hij kon in de groep vrijwel niet spreken omdat hij voortdurend naar mijn indruk als een gebroken man erbij zat en in tranen was. Dat was op de eerste dag dat ik kennis maakte met hem. Ik heb toen aangeboden voor hem te bidden. Dat heb ik toen ook gedaan. In de dagen dat hij er is geweest, heb ik drie keer voor hem gebeden. Twee keer in de kapel en een keer in het bos. Hij was daar bij. In het bos heeft hij zelf ook gebeden. We zijn daarbij op een klimrek dat in het bos stond omhoog geklommen. Toen wij met zijn tweeën boven in dat klimrek zaten, hebben wij een gesprek gevoerd, heb ik voor hem gebeden en heeft hij zelf gebeden. In zijn gebed zei hij ‘vergeef mij voor het vermoorden’ of dergelijke woorden. Hij was continu aan het huilen en zei mij dat hij gruwelijke dingen had aangedaan. Ik weet niet precies meer wat hij verteld heeft. Ik weet wel dat ik bedacht dat ik daarvoor hulp moest vragen. Dat heb ik toen gedaan bij [getuige] .

Het is zo dat [verdachte] , toen hij vertelde dat hij iemand had vermoord, reuze aan het huilen was of aan het snotteren was. Ik weet dan ook niet precies meer welke woorden hij heeft gebruikt, maar wel is het zo dat wat hij mij vertelde reden was om naar [getuige] te gaan en hem in te lichten.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij zal worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging, bij gebrek aan voldoende bewijs. Daartoe is het volgende aangevoerd.

De verdachte stelt onschuldig te zijn. De rechtbank heeft zijn bekentenis, die vals is, ten onrechte als waarachtig en geloofwaardig aangemerkt. Mede gelet op de inhoud van het rapport van rechtspsycholoog R. Horselenberg zijn de bekennende verklaringen van de verdachte niet bruikbaar voor het bewijs. Er zijn teveel dingen die niet kloppen.

De overige onderzoeksresultaten, op zichzelf bezien, zijn onvoldoende voor een veroordeling, aldus de raadsman.

De raadsman heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het slachtoffer [slachtoffer] op 9 januari 2013 op een tijdstip vóór 17.02.07 uur is doodgeschoten. Het tijdstip van overlijden kan niet, dan wel met volstrekt onvoldoende mate van precisie worden vastgesteld. Daardoor hebben de andere onderzoeksbevindingen geen redengevende betekenis, zo stelt de raadsman.

Het gegeven dat uit het politieonderzoek blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] tussen 17.02 uur en 17.08 uur zes gemiste oproepen heeft, bewijst niet dat hij op dat moment al dood was. De omstandigheid dat de getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op

9 januari 2013 omstreeks 18.30 uur bij de JOP was en het slachtoffer toen niet heeft zien liggen, duidt erop dat daar op dat moment nog geen stoffelijk overschot aanwezig was. Voor zover het hof bij zijn beraadslagingen onverhoopt tot het oordeel zou komen dat het lichaam van het slachtoffer in de JOP aanwezig was terwijl de getuige [getuige] daar ook was, heeft de verdediging bij pleidooi (voorwaardelijk) verzocht om een reconstructie in de JOP met de getuige [getuige] , om vast te stellen of hij het lichaam destijds had kunnen en/of moeten zien.

De verdachte ontkent op 9 januari 2013 op de plaats delict te zijn geweest. Het tegendeel wordt niet bewezen door de bewijsmiddelen die de rechtbank daartoe heeft gebruikt, te weten een schoenspoor, een dopje van een parfumfles en de resultaten van het onderzoek telecommunicatie. Wat betreft de schoensporen stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet vaststaat dat de schoensporen op de plaats delict zijn veroorzaakt door schoenen van het merk Converse, dat deze zijn veroorzaakt door de Converse schoenen van de verdachte, laat staan dat deze sporen zijn ontstaan op de pleegdatum. De verklaringen die de getuige c.q. medeverdachte [getuige 2] over de schoenen en het schoonmaken daarvan heeft afgelegd zijn niet geloofwaardig, aangezien hij daarover nogal wisselend heeft verklaard.

De verdachte ontkent dat hij voorafgaand aan het delict heeft beschikt over een vuurwapen. Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , die daarover hebben verklaard, is behoedzaamheid geboden. Deze getuigen waren destijds verslaafd aan harddrugs, kennen elkaar goed en kunnen hun verklaren op elkaar hebben afgestemd. Bovendien bevatten de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] tegenstrijdigheden op cruciale onderdelen; zij spreken zowel zichzelf als elkaar tegen in de diverse verklaringen die zij hebben afgelegd. Zo verklaart [getuige 1] eerst dat verdachte het pistool opborg in een leren bruine tas en vervolgens dat hij dat deed in een plastic Albert Heijn tas. [getuige 2] heeft het in dit verband over een tas die verdachte altijd bij zich droeg; pas tijdens zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris spreekt hij over een plastic tas. Wat betreft de schietsporen in de tas van verdachte is er volgens de raadsman geen bewijs dat die sporen in relatie staan tot het onderhavige delict.

Ook met de verklaringen van de getuigen [getuige] , [getuige] en [getuige] moet behoedzaam worden omgegaan, nu het om verslaafde mannen gaat. Zij hebben verklaard dat verdachte tijdens zijn verblijf in [instelling] in 2013 zou hebben gezegd dat hij iemand heeft vermoord. De verdachte betwist evenwel dat hij tegenover hen een dergelijke uitlating zou hebben gedaan. De verklaringen van genoemde getuigen zijn onvoldoende specifiek en ook daarom niet bruikbaar voor het bewijs, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Betrouwbaarheid verklaringen verdachte

Het hof heeft kennis genomen van het rapport van prof. dr. R. Horselenberg, rechtspsycholoog, d.d. 27 maart 2017 verbonden aan The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI). De uiteindelijke conclusie is:

‘De omstandigheden tijdens de verhoren in 2014 geven meer aanleiding wijzen meer op een gebrek aan validiteit van de bekennende verklaringen van [verdachte] dan de ook al niet zo gunstige omstandigheden in 2013. Het gehele proces in aanloop tot zijn verklaringen zijn dusdanig ongunstig dat dat leidt tot meer steun aan het scenario dat de bekentenissen van [verdachte] onjuist zijn dan aan het scenario dat ze juist zijn’.

Zoals uit de bovenstaande weergave van de bewijsmiddelen blijkt, zijn door het hof wel de bekennende verklaringen van [verdachte] tot het bewijs gebezigd. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van valse bekentenissen. Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol.

In 2013 is [verdachte] zestien keer verhoord en heeft hij enkele maanden in voorlopige hechtenis verbleven. In deze verklaringen heeft [verdachte] ontkend [slachtoffer] om het leven te hebben gebracht. Op 1 februari 2014 meldde [verdachte] zich bij de politie. Hij is toen direct op 1 februari kort gehoord en daarna nog driemaal verhoord in een bestek van enkele dagen. In drie van deze verhoren heeft hij een bekennende verklaring afgelegd. Op 31 maart 2014 ontkent hij wederom de moord gepleegd te hebben.

Op 1 februari 2014 meldt de verdachte zich bij de politie en legt onmiddellijk een verklaring af, onder andere inhoudend:

‘Hij is door mij om het leven gekomen. Ik heb hem met een pistoolschot gedood. Dat schot is van mij afkomstig. (…) Na de moord heb ik het pistool weg gegooid, volgens mij kwam het aan de overkant van de vijver terecht.’

In de literatuur omtrent valse bekentenissen wordt bij de totstandkoming van valse verklaringen een belangrijke betekenis toegekend aan druk die uitgaat van de verhoorsituatie. Zo betoogt prof. mr. E. Rassin in Trema in een artikel waarin een overzicht wordt gegeven van het wetenschappelijk onderzoek naar valse bekentenissen dat (sociale) druk die wordt uitgeoefend tijdens het politieverhoor een rol speelt bij het ontstaan van valse bekentenissen (Trema, juni 2013, p. 203). Uit dit artikel komt naar voren dat verhoortechnieken, zoals het doen van beloftes of het minimaliseren van de feiten, tot gevolg heeft dat het aantal valse bekentenissen stijgt (Trema, juni 2013, p. 205).

In 2013 is er sprake geweest van het veelvuldig verhoren over een langere periode. Het kan niet anders zijn dan dat er alleen al door het aantal verhoren door de verdachte daarbij een druk is ervaren. Dit heeft er echter niet toe geleid dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd met betrekking tot de dood van [slachtoffer] . De verdachte werd op 3 juni 2013 in vrijheid gesteld.

Op 1 februari 2014 wendt de verdachte zich tot de politie en legt onmiddellijk een bekentenis af. Druk van de zijde van de verhoorders kan daarbij volgens het hof dus geen rol hebben gespeeld. Ook kan daarbij geen rol hebben gespeeld het al dan niet voorhouden van aanwezig bewijsmateriaal, of de wijze van vraagstelling, dan wel andere verhoortechnieken. Wat niet in de overwegingen van de deskundige Horselenberg wordt meegenomen maar wat zich wel kan voordoen, is het feit dat een persoon niet kan leven met hetgeen er is voorgevallen en zich daarom tot de politie wendt om schoon schip te maken.

Het zich tot de politie wenden om een verklaring af te leggen omdat de betrokkene niet meer kan leven de dood van een ander op zijn geweten, is niet uniek en komt vaker voor in zeer ernstige strafzaken. Het hof heeft daarom geen reden om te twijfelen aan de verklaring die de verdachte ‘spontaan’ en duidelijk en ondubbelzinnig tegenover de politie aflegt, nu dit optreden daar het gevolg van kan zijn geweest, te meer nu verdachte in de daarop volgende dagen de bekentenis heeft herhaald.

Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking. In 2013 was de verdachte opgenomen in [instelling] . [instelling] is een laagdrempelige en christelijke woon- en leefgemeenschap in [adres] en is een locatie van ggz-instelling [instelling] . De verdachte is eind januari 2013 bij [instelling] gekomen. Vanuit deze leefgemeenschap heeft een tweetal personen onafhankelijk van elkaar contact opgenomen met de leiding van de leefgemeenschap in verband met uitlatingen die door de verdachte zijn gedaan. De eerste persoon die hierover heeft verklaard is [getuige] . Hij is een gepensioneerd ondernemer die als vrijwilliger naar [instelling] gaat om contact te leggen met de bewoners. [getuige] is onder ede door de raadsheer-commissaris gehoord, waarbij hij zijn eerdere verklaring bij de politie bevestigde, zijnde dat hij van [verdachte] had gehoord dat hij een groot probleem had, dat hij iemand had vermoord en hij die persoon had achtergelaten. De getuige [getuige] bracht naar voren dat hij normaal de vertrouwelijkheid van de bewoners niet wilde schenden, maar dat hij dit zodanig ernstig vond dat hij dit gemeld had aan de heer [getuige] . De tweede getuige die hierover bij de politie heeft verklaard is [getuige] . Onder ede is deze verklaring bij de raadsheer-commissaris bevestigd en heeft hij verklaard dat [verdachte] vertelde dat hij iemand had vermoord en daarbij reuze aan het huilen of aan het snotteren was.

Naar het oordeel van het hof zijn deze twee verklaringen om tweeërlei redenen van belang. Uit deze verklaringen komt naar voren dat de verdachte worstelde met het feit dat hij een moord had gepleegd. Het zich een jaar later tot de politie wenden om van deze last bevrijd te zijn, past binnen deze gewetensnood. Ten tweede zijn deze verklaringen van belang omdat hieruit naar voren komt dat verdachte niet alleen jegens de politie, maar ook jegens anderen een levensdelict heeft erkend.

Dat een verdachte na bekentenissen te hebben afgelegd weer ontkent, is ook geen onbekend gegeven. Een ander aspect waarom het hof geen acht slaat op de ontkennende verklaringen van verdachte is het feit dat hij stelt in de namiddag van de dag waarop [slachtoffer] is overleden een persoon te hebben ontmoet, dan wel met een of meer personen een afspraak te hebben gehad, maar vervolgens de naam of namen van die persoon of personen niet wil noemen. Het gaat daarbij om de cruciale tijd waarin het slachtoffer om het leven is gekomen en om de cruciale vraag of de wegen van de verdachte en [slachtoffer] zich hebben gescheiden voor het overlijden van [slachtoffer] . Het hof gaat ervan uit dat wanneer de verdachte daadwerkelijk onschuldig zou zijn hij deze gegevens – die hem immers een alibi zouden kunnen verschaffen – aan het hof zou meedelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de betrokkene er niets mee te maken heeft dan wel dat hij die persoon of personen niet in moeilijkheden wil brengen. Dit antwoord overtuigt het hof niet. Het hof ziet niet in hoe de enkele vraag aan de betrokkene(n) of zij de verdachte die middag hebben getroffen, deze persoon of personen in moeilijkheden zouden kunnen brengen. Ook het feit dat de betrokkene(n) niets met deze zaak te maken hebben overtuigt niet als verklaring van het niet willen noemen van de namen, maar zou eerder een reden zijn om dat juist wel te doen. Het hof is dan ook van oordeel dat de persoon of personen die verdachte getroffen zou hebben, dan wel waarmee hij een afspraak had, niet bestaan. Er ligt een aanklacht van een levensdelict jegens verdachte, het hof gaat ervan uit dat onder die omstandigheden, wanneer de verdachte daadwerkelijk onschuldig zou zijn, hij op dit punt openheid van zaken zou geven. Het deskundigenrapport betrekt dit punt naar het oordeel van het hof ten onrechte niet in de beoordeling.

In de algehele conclusie van de deskundige is het volgende opgenomen:

‘In zijn bekennende verklaringen ging [verdachte] steeds dichter naar het verhaal van de politie. De verhoorders moedigen hem daar ook toe aan door hem veelvuldig feedback te geven op de inhoud van zijn verklaringen. Hetgeen hij uiteindelijk inhoudelijk verklaarde, is waarschijnlijk tot stand gekomen op basis van die feedback, in combinatie met informatie uit het dossier, dat [verdachte] zowel in 2013 als in 2014 tot zijn beschikking had. Alle informatie die [verdachte] in zijn bekennende verklaringen gaf, kan op andere plaatsen – het dossier of de verhoren – worden teruggevonden.’

Het hof deelt deze conclusie met betrekking tot de bekennende verklaringen niet en wijst daarbij bijvoorbeeld op het volgende onderdeel.

In de bekennende verklaringen van verdachte wordt gesproken over het weggooien van een tas en van een wapen, hetgeen een aantal malen terugkomt; het ene zou links, het ander rechts zijn weggegooid en allebei in het water.

Op p. 330 van deeldossier A staat hierover:

‘Aan [verdachte] wordt een foto van een luchtopname getoond met daarop de diverse vijvers gelegen langs het looppad waarover [verdachte] zou zijn weggelopen.

[verdachte] tekent vervolgens in dat hij in het water aan de rechterzijde van het pad het wapen heeft weggegooid. [verdachte] zegt verder: Hier ligt ook water (…), maar als je dan verder loopt heb je aan de linkerkant ook water meen ik. Dat weet ik zeker. Aan de linkerkant moet ook water zijn. En daar heb ik die tas gegooid. (…)

En hier zo vooraan vrij vooraan heb ik het wapen gegooid. Ik wilde het in de plomp gooien maar het kwam op de kant. Ik wilde teruglopen maar was bang dat iemand het zag, dus ik dacht, nee, loop maar door. Ik had die tas ook nog in mijn hand en daar zat allemaal rotzooi in. Ik heb ook nog handschoenen weggegooid. Die zaten in de tas. Die heb ik ook weg gegooid. (…)

En toen had ik die tas van [slachtoffer] en die heb ik daar weggegooid aan de linkse kant in het water.

V: In welke volgorde heb je de spullen weggegooid. Weet je dat nog?

A: Ja, eerst het wapen en toen de handschoenen. Die heb ik in elk geval aan de rechter kant weggegooid. Die zaten in de tas. Die heb ik ook weggegooid.

En toen had ik die tas van [slachtoffer] en die heb ik daar weggegooid aan de linkse kant van het water.

V: In welke volgorde heb je de spullen weggegooid. Weet je dat nog?

A: Ja eerst het wapen en toen de handschoenen. Die heb ik in elk geval aan de rechterkant weggegooid. Eén is volgens mij in het water terecht gekomen. Ik weet het niet meer. Die heb ik dezelfde kant uitgegooid als het wapen maar dan misschien ietsjes verder op. Daarna heb ik de tas weggegooid in elk geval aan de linkerkant. Daar moet ook ergens een vijvertje zijn of een water. Daar heb ik die tas zo in geflikkerd.

V: Daar waar ik de tas weg heb gegooid was aan twee kanten water. Zeg ik dat zo goed?

A: Dat weet ik niet meer zeker maar links was in elk geval water en daar heb ik die tas gegooid. Dat weet ik zeker. Aan de linkse kant. Niet aan de rechterkant waar ik dat wapen en die handschoenen heb gegooid.

V: Ik heb hier nog een klein stukje uitvergroot voor me liggen, maar dan van een andere hoek uit.

Opmerking verbalisant: [verdachte] kijkt mee op de luchtopname en zegt: Aan de linkse kant moet ook water zijn. Als je hier loopt moet er aan de linkerkant ook water zijn. Dat weet ik zeker. Vooraan heb ik dat wapen gegooid maar verderop aan de linker ook zo’n slootje of zo waar water was. Of ben ik nu gek aan het worden. Nee dat weet ik zeker. Aan de linkerkant moet je ook water hebben.’

Het verhoor gaat verder over andere kwesties maar komt later terug op het weggooien van de goederen, op p. 334 van deeldossier A:

‘V: Ik heb nog een luchtfoto. We zijn aan het kijken of we de plek kunnen zien waar aan twee kanten water is. Maar dat kunnen we op deze foto niet zien.

(Opmerking verbalisant: [verdachte] kijkt mee op de foto.)

A: Ik ben echt in de veronderstelling [naam] , dat ik aan de linkse kant die tas heb gegooid en aan de rechterkant het wapen.

Het kan niet zijn, dat ik zeg maar zo of is hier nog een pad tussen het waar daar en? Als ik van het Job af kom ligt aan de rechtse kant water waar ik het wapen heb gegooid, niet direct aan het begin, maar verder door, daar is aan de linkerkant ook water.

V: Dat is op deze kaarten niet te zien.

A: Dat weet ik zeker dat daar water is. Daar heb ik hem ingegooid. Jawel, weet ik zeker. Ik ben toch niet gek.

V: Ben je het wapen ooit gaan zoeken?

Nee, Ik zeg toch, toen ik het wapen gooide en aan de kant kwam wou ik eigenlijk, [naam] , terug, maar omdat ik dan helemaal terug moest lopen, dacht ik nee laat maar, ik loop door. Want voor hetzelfde geld, het was schemerig dit en dat, mensen kunnen je zien of wat dan ook, ben ik door gelopen. De afstand was niet zo groot, dus in paniek gooide ik het wapen weg, Ik dacht die komt in die plomp, maar hij kwam aan de zijkant. Maar als ik hier zo dinge, moest ik helemaal terug lopen. Maar hier moet ook water zijn. Hier zo.

Opmerking verbalisant: [verdachte] wijst op een luchtopname naar een gebied aan het einde van de drie driehoekige vijvers. Hij is er stellig van overtuigd dat daar aan de linkerkant ook water moet zijn.

[verdachte] wijst aan en zegt:

A: Hier zo, hier moet aan de linkerkant ook water hebben gestaan. Maar jullie kunnen toch na kijken waar jullie die tas hebben gevonden.

V: Ja daar zijn foto’s van maar die moeten we nog nakijken.

A: Ja moet aan de linkse kant gevonden zijn. Of ik moet me zo vergissen dat ik die ook aan de rechtse kant heb gegooid. Nee. Ik heb die aan de linkse kant gegooid.’

Uit deze verklaring van verdachte komt niet naar voren dat hij gesouffleerd wordt door de verbalisanten of uit eerdere kennis uit het dossier citeert. Hij vraagt nog aan de verbalisanten om het na te kijken waar de tas gevonden is. De verbalisanten merken op dat de bekeken luchtfoto’s zich niet eerder in het dossier hebben bevonden. Wanneer de verbalisant samenvat dat er dus aan beide kanten water was, wordt dat door de verdachte niet beaamd. Hij stelt: ‘ik weet zeker, dat er links water was.’

Uit een opmerking van de verbalisanten in het proces-verbaal blijkt dat het inderdaad klopt wat de verdachte naar voren brengt. Er wordt namelijk opgemerkt dat als het pad eerst gevolgd wordt aan de linkerzijde van de drie driehoekige vijvergedeelten, het pad daarna over een duiker verder loopt en zich vervolgens vervolgd aan de rechterzijde van het water. Het water bevindt zich dan dus links van de verdachte, gezien zijn looprichting.

Met betrekking tot het rapport merkt het hof het volgende op:

In het rapport van Horselenberg wordt niet alleen een oordeel gegeven over de verklaringen van verdachte, maar wordt ook een oordeel gegeven over het optreden van de politie en de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Niet alleen strekt de vraagstelling zoals deze aan de deskundige is gesteld, zich daar niet toe uit, de expertise van de deskundige ligt ook niet op het vlak van de beoordeling van deze bewijsmiddelen of het al dan niet juist functioneren van de politiefunctionarissen. Het lijkt erop dat de deskundige zich gaandeweg het rapport meer tot zijn taak heeft gezien aan te tonen dat de politie in het onderzoek van deze zaak broddelwerk heeft verricht, dan zich te concentreren op de vraagstelling van het gevraagde onderzoek.

Het hof geeft hiervan een – niet uitputtend – overzicht van enkele in het rapport genoemde punten. Hierbij moet in het achterhoofd worden gehouden dat de opdracht van het onderzoek, zoals door de raadsheer-commissaris geformuleerd is: “te rapporteren over de geloofwaardigheid c.q. betrouwbaarheid van de door verdachte afgelegde verklaringen, zowel de bekennende als de ontkennende”.

Door de deskundige Horselenberg wordt kritiek geleverd op het optreden van de politie in 2013. Zoals gezegd de verdachte heeft in 2013 steeds ontkend.

In het rapport staat op p. 20 met betrekking tot de verklaring van de getuige [getuige] het volgende:

‘De politie gaat er van uit dat het verhaal van de getuigen klopt. Het verhoor van [getuige] , de bron van polities kennis over [verdachte] daderschap, verliep echter als volgt:

“V: Wat zei [verdachte] tegen jou toen hij bij je kwam?

A: Hij zei dat hij niet kon bidden. Toen zat hij daar en toen hoorde ik dat in mijn geest. Zo helder als u tegen mij praat.

V: Wat hoorde jij?

A: ‘Hij heeft iemand vermoord.’

V: Is hetgeen jij gehoord hebt eerder besproken in woorden?

A: Met niemand.”

Die verklaring vergt veel additionele vragen die door de politie niet zijn gesteld. Blijkbaar hoorde de getuige stemmen in zijn hoofd en legde [verdachte] niet daadwerkelijk een bekentenis tegen hem af. Dat was voor de politie geen probleem. Ze beoordeelden de getuige zelfs als eerlijk. Dat is wederom een aanwijzing dat de verhoorders ervan overtuigd zijn dat belastende getuigen de waarheid spreken en [verdachte] liegt.’

De getuigenverklaring van [getuige] wordt daarmee enigszins in het belachelijke getrokken en de mening dat de politie toch wel erg dom is om dit te geloven, komt duidelijk naar voren. Echter uit de weergave van het verhoor p. 419 tot 421 (deeldossier B) van [getuige] komt naar voren dat wel degelijk is doorgevraagd en is op p. 420 het volgende opgenomen:

“Toen brak hij en begon te huilen. En dat ik tegen hem zij “Zullen we bidden” en dat hij had beleden. Ik hoorde dat hij zei: “Vader vergeef me dat ik die persoon heb vermoord”. Toen begon hij te huilen en brak hij nog meer. Ik heb hem niet meer vragen daarover gesteld, behalve dat ik daarna met hem heb gebeden.”

Bovendien is de stelling van de deskundige dat verdachte niet daadwerkelijk een bekentenis jegens [getuige] heeft afgelegd gezien bovenstaande tekst, niet juist. Deze verklaring heeft [getuige] bovendien onder ede bij de raadsheer-commissaris bevestigd.

Daarnaast lag er nog de hierboven aangehaalde verklaring van [getuige] , dat verdachte in een gesprek tegenover hem eveneens tijdens het verblijf in [instelling] had meegedeeld dat hij een moord had gepleegd. Een verklaring die eveneens onder ede tegenover de raadsheer-commissaris is herhaald.

Over het optreden van de politie wordt vervolgens op p. 20 van het rapport gezegd:

‘De overtuiging van de verhoorders blijkt ook uit hoe ze omgaan met het andere bewijs in de zaak. Ze presenteren de belastende waarde van het bewijs te stellig. Zo zeggen ze tegen [verdachte] dat collega’s uit Weert hem met 100% zekerheid op camerabeelden hebben herkend. Uit het proces-verbaal van bevindingen van die herkenning blijkt echter een meer genuanceerde formulering:

“Aan collega [naam] werd gevraagd of hij de persoon die in gezelschap was van [slachtoffer] kende. Collega [naam] verklaarde daarop dat hij de persoon die in gezelschap was van [slachtoffer] niet herkende. Na het bekijken van de beelden verklaarde [naam] dat hij wel kon zeggen dat de bedoelde persoon op de beelden vermoedelijk een Aziatisch uiterlijk had en dat hij 1 persoon uit het Weert kende uit de drugscene met een Aziatisch uiterlijk. [naam] noemde daarbij de naam van [verdachte] . [naam] kon echter niet zeggen of de bedoelde persoon op de camerabeelden [verdachte] was omdat hij [verdachte] al bijna een jaar niet meer gezien had en hem ook niet meer goed voor de geest kon halen.”

Ik heb ik zelf de betreffende camerabeelden bekeken en daarbij gezien dat het lastig is om daarop een persoon te herkennen, zelfs als van tevoren een signalement bekend is. De vermeende herkenning van de agenten uit Weert is derhalve eerder gebaseerd op het feit dat [verdachte] de enige bij de politie bekende Aziatische persoon in Weert is, dan op een daadwerkelijke herkenning.’

Waar het echter voor wat betreft het onderzoeksrapport en het beoordelen van de afgelegde verklaringen door de verdachte om gaat, is de vraag of de politie de verdachte door het presenteren van het bewijsmateriaal al dan niet op het verkeerde been heeft gezet en vervolgens de vraag of die wijze van verhoren de verdachte bij het afleggen van zijn verklaringen heeft beïnvloed en al dit al dan niet heeft geleid tot een valse bekentenis. Het is niet de taak van de deskundige om te beoordelen of het koppelen van de beelden aan een persoon al dan niet terecht is en of de wijze waarop dat proces-verbaal wordt voorgehouden aan de verdachte wel op een juiste wijze is geschied nu deze niet overeenkomstig de tekst is van het proces-verbaal.

Het gaat erom dat wordt voorgehouden aan de verdachte dat hij op het station in Venlo op de camerabeelden staat samen met [slachtoffer] . Dit is juist. Uit het gehele procesdossier weet het hof dat die mededeling van de politie juist is geweest. Verdachte heeft samen met [slachtoffer] in Venlo een kaartje gekocht en is naar Weert gereisd. Daar hebben zij samen een taxi genomen. Dit is door de verdachte ook bij de politie verklaard en ter terechtzitting in hoger beroep herhaald.

Ook in de volgende passage gaat de deskundige in op de kwaliteit van het politie onderzoek en de conclusies die de politieambtenaren trekken:

‘De politie had kennelijk geen probleem met de matige kwaliteit van de camerabeelden en meende daarop te zien welke schoenen [verdachte] die dag aanhad. De verhoorders gaan er op basis van de beelden vanuit dat [verdachte] die dag schoenen van het merk Converse aan had. Ze proberen [verdachte] dat te laten toegeven door hem te confronteren met een foto van de zool van zijn Converse schoen. Die zool is echter niet op de camerabeelden te zien. Dat het Converse-schoenen zijn, kan alleen worden afgeleid uit een witte rand op de beelden. De verhoorders gaan daarbij voorbij aan de mogelijkheid dat andere (sport)schoenen ook een dergelijke witte rand hebben.’

Het hof benadrukt nogmaals: het is niet de taak van de deskundige om het politieonderzoek over te doen en zelf te gaan speuren of datgene wat de politie opschrijft wel klopt met hetgeen op de beelden te zien is. Het is niet de bedoeling dat de deskundige al het bewijsmateriaal nog eens onder de loep neemt. Het dient blijkens de opdracht van de raadsheer-commissaris in het rapport te gaan om de beoordeling van de verklaringen van de verdachte.

In de verklaring van de verdachte bij de politie d.d. 28 februari 2013 staat hierover het volgende (p. 69 van deeldossier A).

‘V: [verdachte] , jij hebt ons verklaard dat jij op woensdag 9 januari 2013 schoenen droeg. Wij hebben schoenen bij jou in beslag genomen van het merk Converse. Droeg jij die schoenen op woensdag 9 januari 2013?

A: Ik weet zeker dat die ik die dag die schoenen niet aanhad. U laat mij een foto zien en ik weet niet of dat mijn schoen is. Ik heb zeker schoenen van het merk Converse.

V: Waar zijn jouw Converse schoenen?

A: Weet ik niet. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht. Zoek het maar allemaal uit.

V: Ik deel jou mede dat die schoenen bij jou in beslag genomen zijn? Wat heb jij daarop te zeggen?

A: Als het mijn schoenen zijn dan zijn het mijn schoenen. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht.

V: Jij gaf gisteren aan dat jij een keer van de zomer bent geweest bij de Jongeren opvang plek (JOP), klopt dat?

A: Ik ben het niet geweest bij [slachtoffer] . Ik heb daarop niets toe te voegen. Ik heb niets te doen met de moord van [slachtoffer] . Gisteren heb ik verklaard dat ik maar een keer bij het Job ben geweest. Misschien ben ik er vaker geweest. In bijzin van [naam] en noem maar op. Ik maak gebruik van mijn zwijgrecht. Andere mensen kunnen dat ook bevestigen.

M: Deze schoenen worden op het laboratorium onderzocht. Ook vindt er een vergelijkend schoenspoor onderzoek plaats.

Jij hebt ons ook verklaard dat jij niet meer hebt omgekleed die middag. Jij hebt ons ook verklaard dat je slechts een keer in het Job in Weert bent geweest, alwaar het stoffelijk overschot is gevonden van [slachtoffer] Cremers en dat dit in de zomer was.

Op de plaats waar [slachtoffer] is gevonden heeft uitgebreid sporenonderzoek plaats gevonden. Uit dit onderzoek is vast komen te staan dat zich in het bloedspoor wat zich bij het hoofd van [slachtoffer] bevond een schoenspoor staat afgedrukt

Uit de eerste optische onderzoeken lijkt het hier te gaan om een schoenafdruk gelijkend op de schoenen die jij op dat moment droeg. Ik toon je nu een foto van de onderzijde van jouw schoen. Je kan hierop duidelijk het profiel zien. Ik toon je nu ook een foto van het schoenspoor wat gevonden is in het bloedspoor van [slachtoffer] .

V: Wat kan jij daarop verklaren?

A: Mooi maar het kan niet mijn schoen zijn geweest. Ik ben daar niet geweest. Het kan niet van mij zijn. Ik ben het niet geweest.

V: Jij zegt als deze schoen onderzocht wordt dan is het onmogelijk dat die gelijkend is aan de afdruk gevonden op de plaats waar [slachtoffer] dood aangetroffen werd? Wat heb jij daarop te zeggen?

A: Ik zou niet weten hoe dat kan. Nee dat kan gewoon echt niet.’

De stelling van de onderzoeker is dat de conclusies door de verbalisanten te snel zijn genomen en zij niet zorgvuldig met het bewijs omspringen. Daarom rijst de vraag of de mededeling van de verbalisant met betrekking tot de schoenen juist is geweest. Het hof is van oordeel dat uit het voorhanden zijnde procesdossier inderdaad kan worden afgeleid dat verdachte de betreffende schoenen droeg op de bewuste dag.

Uit het proces-verbaal van verhoor (p. 145 van deeldossier A) komt naar voren dat verdachte een beperkt aantal schoenen bezat.

‘V: Wij tonen jou een foto van 3 paar schoenen. Deze foto wordt als bijlage 8 bij dit proces-verbaal gevoegd. Deze schoenen stonden onder jouw bed. Van wie zijn deze schoenen?

A: Er moet nog een paar schoenen zijn toch? Alle drie de paren zijn van mij.

V: En welke schoenen mis je hier dan op?

A Zwarte bergschoenen. Die stonden onder het bed of in de kast.

V: We laten jou even bijlage 20 zien. In die kast zien we ene paar bergschoenen staan. Bedoel je deze?

A: Ja die bedoel ik. En die hebben jullie ook niet leeggehaald?

V: Welke andere schoenen heb je nog meer?

A: Die ik aan had, maar die hebben ze toch ook? Zwart met groene strepen. Nike airmax of zo.’

Door de verdachte is niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat hij op de betreffende dag een paar schoenen van een andere persoon zou hebben gedragen. De vraag is dus niet of een willekeurig paar sportschoenen er op de camera eveneens zo uitziet, maar of je uitgaande van de vijf paren schoenen die de verdachte had, de conclusie kan trekken dat verdachte deze schoenen droeg, mede in het licht van het overige bewijsmateriaal zoals hierboven aan de orde gekomen.

De vraag of de deskundige vindt dat de politie op basis van het beschikbare materiaal al dan niet een bepaalde conclusie mag trekken, is geen onderdeel van de onderzoeksvraag en bovendien wordt de conclusie naar het oordeel van het hof door de deskundige op bovenstaande gronden ten onrechte getrokken.

Dit geldt ook voor het volgende onderdeel van het rapport. De deskundige (p. 21 van het rapport) heeft het volgende opgenomen:

‘Een ander bewijsmiddel dat de verhoorders wel erg stellig presenteren, zijn de telecomgegevens. Tijdens een confrontatie met de gebeurtenissen van de bewuste middag zeggen ze tegen [verdachte] dat zijn telefoon zich onder de mast van de plaats delict bevond. Daarmee wordt geïmpliceerd dat hij op de plaats delict is geweest. [verdachte] beweert echter dat hij op een andere plaats in Weert was. Uit een plattegrond die het bereik van de verschillende zendmasten rondom de plaats delict weergeeft met cirkels, blijkt dat de plaats delict onder twee verschillende cirkels valt, waarvan één meer dan drie keer zo groot is als de andere vier cirkels op de kaart. Daarnaast blijkt uit een onderzoek dat op de plaats delict via alle op de kaart weergegeven masten een gesprek gevoerd kon worden. De aanstraling, die de politie gebruikt als ondersteuning voor de aanwezigheid van [verdachte] op de plaats delict, lijkt niet aan te duiden waar [verdachte] zich daadwerkelijk bevond. De stelligheid waarmee die bevinding aan [verdachte] wordt gepresenteerd, kan niet worden verantwoord en past niet bij de conclusies in het proces-verbaal van bevindingen van de technische recherche. Daar valt het volgende te lezen:

“Tijdens de door mij gehouden test en uit de opgevraagde verkeersgegevens van deze test is gebleken dat op de plaats delict (A) er via cell id 49712, 12747, 12746 en 12740 een gesprek gevoerd kon worden. Kortom rondom deze plaats delict is sprake van kleine overlappingen van cellen waarover een verbinding ontvangen kan worden of worden opgebouwd.”

Zoals reeds hiervoor opgemerkt: het gaat er in het rapport niet om of de politie wel of niet uit het proces-verbaal bepaalde conclusies mocht trekken, maar om de vraag van de waardering van de verklaringen van [verdachte] . In het kader daarvan kan een rol spelen of de politie de verdachte al dan niet van onjuiste informatie heeft voorzien, of daar onzorgvuldig mee is omgegaan. Vandaar dat op deze passage van de deskundige wordt ingegaan.

Het proces-verbaal onderzoek telecommunicatie ( [verdachte] ), opgenomen op p. 466 en verder van deeldossier C, is veel uitgebreider dan de enkele zinnen die de rapporteur hieruit aanhaalt. Met betrekking tot de plaatsbepaling in relatie tot het gebruik van een mobiele telefoon wordt op p. 466 en 467 het volgende opgemerkt.

“Het signaal van een mobiele telefoon wordt opgevangen door een zendmast. Een zendmast bestaat hoofdzakelijk uit drie antennes. Een antenne wordt Cell id genoemd. Een Cell id bestrijkt over het algemeen een gebied van 120 graden, de drie Cell id’s samen zijn altijd 360 graden. Het gebied dat een Cell id bestrijkt wordt een sector genoemd. De richting van de Cell id is bepalend welk gebied (sector) deze cel lid bedekt. De drukte van het te verwachten telefoonverkeer in een gebied is bepalend hoe groot deze sector is. In een stedelijk gebied is dat vaak enkele honderden meters en in een landelijk gebied enkele kilometers. De zendmasten staan zodanig opgesteld dat de sectoren van de Cell id’s elkaar overlappen zodat er altijd sprake is van een dekking.

Per provider heeft elke Cell id een uniek nummer. De nummers zijn opgeslagen bij het ULI (Unit Landelijke Interceptie) zodat naar aanleiding van een Cell id nummer de plaats van de zendmast bekend is en de richting van de Cell id.“

Er is onderzoek gedaan naar de zendmastgegevens van het GSM-nummer dat destijds werd gebruikt door [verdachte] . Voor zover relevant is hierover het volgende in het dossier opgenomen (p. 468 en verder van deeldossier C):

  • -

    dat [verdachte] op 9 januari 2013 te 15.30 uur belde naar een telefoonnummer in gebruik van [naam] (taxichauffeur) met een gespreksduur van 52 seconden. [verdachte] bevond zich toen onder bereik van een cell id te Roermond.

  • -

    dat [verdachte] op 9 januari 2013 te 16.06.26 belde naar het telefoonnummer [nummer] met een gespreksduur van 22 seconden. (..) [verdachte] was toen in Weert, onder bereik van cell id 12746.

  • -

    dat [verdachte] op 9 januari 2013 te 16.07.09 uur belde naar het telefoonnummer [nummer] met een gespreksduur van 11 seconden. (..) [verdachte] wast toen in Weert, onder bereik van cell id 49712.

  • -

    dat [verdachte] op 9 januari 2013 te 16.07.40 gebeld wordt door een telefoonnummer dat in gebruik is bij [naam] , met een gespreksduur van 11 seconden. [verdachte] was toen in Weert, onder bereik van Cell id 49712.

  • -

    dat [verdachte] op 9 januari 2013 te 16.32.05 gebeld wordt door een vaste telefoonaansluiting die op naam staat van [naam] doch waarvan bekend is dat [naam] ook dit telefoonnummer gebruikt. [verdachte] was toen in Weert onder bereik van cell id 12746.

  • -

    dat [verdachte] op 9 februari 2013 (het hof begrijpt: 9 januari 2013) te 16.32.27 uur een sms-bericht heeft ontvangen doch onbekend van wie. [verdachte] was toen in Weert onder bereik van cell id 12746.

  • -

    dat [verdachte] op 9 februari 2013 (het hof begrijpt: 9 januari 2013) te 16.39.04 gebeld werd door het vaste telefoonnummer van diens moeder en dat er een gesprek plaatsvond met een duur van 59 seconden. [verdachte] was toen in Weert, onder bereik van cell id 12747.

[verdachte] verplaatste zich nadat hij samen met [slachtoffer] was uitgestapt, te voet. Uit de bijlage bij het proces-verbaal is op p. 482 van deeldossier C een kaart opgenomen waarop is ingetekend onder andere de plaats delict en de plaats waarop verdachte en [slachtoffer] uit de taxi zijn gestapt. Op deze kaart is te zien dat de plaats delict zich bevindt op een plaats die kan worden aangestraald met een Cell id met de nummers 12747, 12746 en 49712.

Uit het bovenstaande komt naar voren dat binnen een tijdsbestek van één minuut (16.06/16.07) de telefoon van verdachte de mast 12746 heeft aangestraald en de mast met Cell id 49712. Op de kaart is tevens te zien dat het gebied waarop de telefoon zowel de mast met Cell id 12746 en 49712 kan hebben aangestraald, maar een beperkt gebied is, waarbinnen de plaats delict valt. Gezien het tijdsbestek tussen beide telefonische contacten kan de verdachte zich in dat korte tijdsbestek en te voet niet over een groot gebied hebben verplaatst. Om 16.32 uur straalt de telefoon de mast met cell id 12746 aan en om 16.39 uur de mast met cell id 12747. De plaats delict valt in het gebied dat door beide masten kan worden aangestraald. Duidelijk is dat de telefoon zich in ieder geval moet bevinden in het grensgebied dat door beide masten wordt bestreken.

De politie houdt de verdachte voor (p. 228 van deeldossier A):

‘De plaats delict. Jij bent bekend met die plek. Jouw telefoon komt onder de mast van de plaats delict voor.’

Uit het bovenstaande kunnen we concluderen dat deze mededeling juist is. De deskundige merkt op dat de verdachte heeft verklaard dat hij op een andere plaats in Weert was (p. 82 van deeldossier A). Uitgaande van de telefoongegevens kan worden geconcludeerd dat hetgeen verdachte daar over verklaart, inderdaad niet te verenigen is met de mastgegevens zoals hierboven vermeld; in het bijzonder is het aanstralen van de mast met cell id 49712 dan niet begrijpelijk. Deze cell idd straalt in het bijzonder het buitengebied aan en voor wat betreft de gemeente Weert, slechts een klein gebied, waarin de plaats delict is gelegen, en niet de plekken waar verdachte op p. 82 zegt te zijn geweest.

Ook hier merkt het hof op dat het beoordelen van de bewijsmiddelen niet een taak is van de deskundige. Ook hier is het hof van oordeel dat het oordeel dat de deskundige hierover velt, niet juist is.

Met betrekking tot het bezigen tot het bewijs van de bekennende verklaringen van verdachte overweegt het hof voorts nog het volgende:

In 2013 heeft de verdachte ontkennende verklaringen afgelegd. Verdachte heeft op de 9de januari 2013 opgetrokken met [slachtoffer] , ze hebben elkaar gesproken, ze hebben met elkaar gereisd, ze hebben samen een taxi genomen.

Wanneer verdachte onschuldig zou zijn geweest, zou het naar het oordeel van het hof in de rede hebben gelegen dat verdachte naar de politie zou zijn gestapt en de politie zou hebben geïnformeerd over het verloop van de dag. Niets is minder waar. De verdachte wordt op 26 februari 2013 aangehouden. Voor die datum heeft hij niet het initiatief genomen om aan de politie mee te delen dat hij degene is geweest die met [slachtoffer] op de dag van zijn overlijden heeft opgetrokken en wanneer hij is aangehouden liegt hij in zijn eerste verklaringen op onderdelen aantoonbaar over de gang van zaken. De deskundige verwijt de politie dat de verdachte is meegedeeld dat hij in zijn verklaringen van 2013 op onderdelen liegt. Maar het is juist dat hij liegt. Wanneer verdachte zegt dat zij op het station in Weert uit elkaar zijn gegaan en achteraf blijkt dat er een gezamenlijke taxirit is geweest, dan is die eerdere verklaring inderdaad gelogen. De opstelling van de verdachte waarbij hij de politie tijdens de verhoren van 2013 herhaaldelijk op het verkeerde been heeft gezet, past niet in het scenario van een onschuldige verdachte. Een onschuldige verdachte zou de politie juist hebben geïnformeerd en hebben meegedeeld wanneer en waar hij het slachtoffer voor het laatst in levende lijve had gezien.

Dat het hof uitgaat van de bekennende verklaring van verdachte, hangt tenslotte in het bijzonder samen met het feit dat deze verklaring steun vindt in de hierboven gegeven bewijsmiddelen.

Ook hetgeen de verdediging overigens heeft aangevoerd ten aanzien van de bekennende verklaringen van de verdachte vormt voor het hof geen reden om deze geheel terzijde te stellen. Het hof bezigt de verklaringen van de verdachte d.d. 1 en 4 februari 2014 voor het bewijs, op de wijze zoals hierboven bij het bewijs is weergegeven.

Het verweer wordt verworpen.

Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

Het hof acht de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] voldoende betrouwbaar en bezigt deze tot het bewijs. De verklaringen zijn betrekkelijk kort na 9 januari 2013 afgelegd en stemmen in de kern overeen. Beiden verklaren dat verdachte vóór 8 januari 2013 een pistool aan hen liet zien, dat hij uit zijn tas haalde. De omstandigheid dat [getuige 1] en [getuige 2] drugsverslaafd zijn, maakt niet dat hun verklaringen niet gebezigd kunnen worden tot het bewijs. Het hof heeft in het dossier ook geen aanwijzingen aangetroffen dat [getuige 1] en [getuige 2] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. De door de verdediging aangehaalde verschillen op detailniveau pleiten juist tegen deze suggestie van de raadsman.

Het hof betrekt bij zijn oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] de omstandigheid dat die verklaringen niet alleen steun vinden in elkaar, maar ook worden ondersteund door ander bewijs, te weten de bevindingen van de politie ten aanzien van de camerabeelden op het station te Venlo – waarop onder meer is waar te nemen dat verdachte zwarte schoenen met een witte rand en een schoudertas over zijn linkerschouder draagt – de resultaten van het schietsporenonderzoek aan de in beslag genomen tas en ook de verklaringen van verdachte d.d. 1 en 4 februari 2014.

Wat betreft de verklaringen over de tas waarin verdachte het wapen bewaarde, overweegt het hof nog als volgt. De raadsman heeft er op gewezen dat er bij het tonen van de foto van de tas sprake is geweest van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Het hof merkt op dat het hierbij niet gaat om een fotoconfrontatie ten aanzien van een persoon, maar een gebruiksvoorwerp.

Bovendien was het een tas die [getuige 2] en [getuige 1] blijkens hun verklaringen goed kenden, omdat verdachte die altijd bij zich had. [getuige 2] heeft op 21 februari 2013 ook verklaard over een specifiek detail, namelijk dat er een snee in de tas zat.

Wat betreft de tas die de getuigen bij het wapen beschrijven, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van een tegenstrijdigheid. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat verdachte het pistool haalde uit zijn bruine schoudertas. Bij de raadsheer-commissaris hebben zij op 7 april 2016 hun verklaring nader verduidelijkt en te kennen gegeven dat verdachte het wapen na het tonen in een plastic tas stopte en op de kast in de woning van [getuige 1] legde. Weliswaar heeft [getuige 1] op 7 april 2016 verklaard dat verdachte het wapen in zijn herinnering ook haalde uit een plastic tas, maar hij sluit niet uit dat hij het wapen in beide tassen heeft gezien.

Voorts acht het hof de (de auditu-) verklaringen van de getuigen [getuige] , [getuige] en [getuige] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige] en [getuige] blijkt dat zij, anders dan de verdediging stelt, geen verslaafden zijn. [getuige] is coördinator Wonen en Leven en geestelijk verzorger bij [instelling] , [getuige] is daar werkzaam als vrijwilliger en voorganger tijdens kerkdiensten. [getuige] betreft wel een verslaafde, maar dat gegeven maakt zijn verklaring niet per definitie onbetrouwbaar. De verklaring van deze drie getuigen stemmen overeen en vinden steun in elkaar.

Uit de verklaringen van deze aan [instelling] verbonden personen blijkt dat verdachte in januari 2013, dus niet lang na de dood van het slachtoffer [slachtoffer] , bij [instelling] is gekomen en in gewetensnood leek te verkeren. Zowel tegenover [getuige] als [getuige] heeft verdachte toen gezegd dat hij iemand heeft vermoord. Dat verdachte hen toen verteld zou hebben over de moord op een goede vriend en de getuigen zijn woorden verkeerd moeten hebben begrepen, zoals de verdediging stelt, acht het hof gelet op de inhoud van de verklaringen niet aannemelijk.

Het hof gebruikt de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige] , [getuige] en [getuige] voor het bewijs, op de wijze zoals hierboven bij het bewijs is weergegeven.

Het verweer wordt verworpen.

Schoensporen

Onder de verdachte zijn meerdere paren schoenen in beslag genomen, waaronder schoenen van het merk Converse All Stars, met witte rand. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij destijds dergelijke schoenen had, maar dat hij niet meer weet of hij die op 9 januari 2013 droeg.

Zoals hierboven ten aanzien van het rapport van rechtspsycholoog Horselenberg reeds is overwogen, is door de verdachte niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat hij op de betreffende dag een paar schoenen van een andere persoon zou hebben gedragen.

Uit de verklaring van [getuige 1] d.d. 21 maart 2013, de verklaring van [getuige 2] d.d.

4 april 2013 en de bevindingen ten aanzien van de camerabeelden van het station te Venlo leidt het hof af dat verdachte op 9 januari 2013 zijn schoenen van het merk Converse All Stars droeg.

Op de plaats delict zijn verse schoensporen aangetroffen. Door de verdachte is niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat hij in de dagen vóór 9 januari 2013 daar heeft rondgelopen en dat de sporen ook toen kunnen zijn ontstaan, dan wel dat een ander zijn schoenen heeft gedragen.

Op grond van het vergelijkend schoensporenonderzoek is ten aanzien van de schoenspoor met nummers 2, 3 en 5 geconcludeerd dat deze mogelijk zijn veroorzaakt met de schoenen van verdachte. Uit bovenstaande weergave van het onderzoek van deze schoensporen komt naar voren dat er overeenkomsten zijn zowel qua vorm, maat als slijtage van de schoenen.

Het verweer wordt verworpen.

Bespreking overige verweren

Terecht heeft de raadsman opgemerkt dat bij het forensisch technisch onderzoek het tijdstip van overlijden van het slachtoffer [slachtoffer] niet meer kon worden vastgesteld. Evenwel blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] op 9 januari 2013 in de namiddag, toen het begon te schemeren, heeft doodgeschoten. Deze verklaring wordt ondersteund door de resultaten van het onderzoek telecommunicatie ( [verdachte] ), opgenomen op p. 466 en verder van deeldossier C. Gelet op hetgeen ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting en overigens uit het procesdossier aan de orde is gekomen, staat voor het hof vast dat verdachte op 9 januari 2013 de gebruiker was van de GSM met nummer [nummer] . Uit het onderzoek telecommunicatie blijkt dat dit GSM nummer van verdachte zich aan het einde van de middag/begin van de avond in de omgeving van de plaats delict bevond en dat verdachte op de tijdstippen 16.51.54, 16.52.22, 18.16.53 en 18.25.26 niet heeft gereageerd op oproepen. Na 10 januari 2013 heeft verdachte dit GSM nummer niet meer gebruikt. Uit het onderzoek telecommunicatie naar de GSM van het slachtoffer [slachtoffer] (p. 484 en verder van deeldossier C) blijkt dat de door hem gebruikte GSM zich op 9 januari 2013 te 17.04.58 uur in de omgeving van de plaats delict bevond en dat hij vanaf 9 januari 2013 te 17.02.07 uur tot 07.08.50 uur zes keer is gebeld, maar niet heeft opgenomen.

De verklaring van de verdachte wat betreft het tijdstip van overlijden vindt ook steun in de verklaring van [getuige 2] , die heeft verklaard dat verdachte op 9 januari 2013 omstreeks 18.00 uur aankwam bij de woning van [getuige 1] in Weert en hem vroeg zijn schoenen, die vies waren, schoon te maken.

Het hof bezigt de resultaten van het DNA-onderzoek naar de sporen op de dop van de parfumfles niet tot het bewijs, nu het om een verplaatsbaar spoor gaat. Het verweer daaromtrent behoeft geen nadere bespreking.

Hetgeen de raadsman overigens nog heeft aangevoerd doet aan al hetgeen hiervoor is overwogen niet af. De verweren, voor zover die overigens zijn gevoerd, vinden hun weerlegging in de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen.

Voorwaardelijk verzoek

De door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep geuite onderzoekswens, geformuleerd als een voorwaardelijk verzoek, wordt afgewezen. Gelet op hetgeen de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep ter onderbouwing ervan heeft aangevoerd, acht het hof een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk. Het hof gaat uit van de bekennende verklaring van verdachte, waaruit de tijdstip van het overlijden naar voren komt. Nader onderzoek hieromtrent is dus niet noodzakelijk.

Ten overvloede overweegt het hof nog dat de getuige [getuige] heeft verklaard (pagina 75 van deeldossier B) dat de verlichting ter plaatse bij de bunker kapot was, althans niet brandde. De politie heeft gedurende het onderzoek op 10, 11 en 12 januari 2013 vastgesteld dat de verlichting van de lantaarnpaal inderdaad niet brandde (pagina 37 van deeldossier D).

Overige bewijsoverwegingen

Onder de verdachte zijn een vijftal paren schoenen in beslag genomen. Een van deze paren schoenen is van het merk Converse All Stars. Dit zijn hoge schoenen die met veters kunnen worden gesloten en tot aan de kuit reiken. Dit paar schoenen is afgebeeld op p. 338 en verder van deeldossier D van het procesdossier.

Gezien de beschrijving van de camerabeelden van het station in Venlo, waarin gesproken wordt van het door verdachte kort voor het gepleegde strafbare feit dragen van zwarte schoenen met een witte rand, in combinatie met de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , gaat het hof ervan uit dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde delict deze schoenen heeft gedragen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het opsporingsonderzoek naar voren komt dat de verdachte slechts de beschikking had over een vijftal paar schoenen waarvan de beschreven kenmerken slechts met deze schoenen overeenkomen en gesteld noch gebleken is dat hij schoenen van een andere persoon heeft gedragen.

In de woning van [getuige 1] is een tas aangetroffen. Gezien de bovenstaande als bewijsmiddel gehanteerde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] behoorde deze tas aan de verdachte toe. In de tas zijn schotresten aangetroffen. Op de camerabeelden, gemaakt op het station in Venlo, is te zien dat de verdachte kort voorafgaande aan het ten laste gelegde feit een soortgelijke tas droeg. Uitgaande van deze bewijsmiddelen gaat het hof ervan uit dat de verdachte op de dag van het gepleegde strafbare feit deze tas heeft gedragen en voorafgaande aan het delict het gehanteerde wapen daarin heeft verborgen.

Op grond van de bij het bewijs vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en de bewijsoverwegingen komt het hof tot de conclusie dat verdachte als dader moet worden aangemerkt van de subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag. De bewijsmiddelen houden immers in dat verdachte op 9 januari 2013 omstreeks 15.00 uur samen met het latere slachtoffer [slachtoffer] in Venlo op de trein is gestapt. Verdachte had op dat moment reeds een vuurwapen bij zich. Van Venlo zijn ze per trein naar Weert gereisd. Vervolgens zijn ze door taxichauffeur [naam] vanaf het station naar de wijk Graswinkel in Weert gereden en naar de JOP gelopen. Daar heeft verdachte [slachtoffer] opzettelijk een kogel door het hoofd geschoten, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Verdachte had geld nodig; hij heeft vervolgens een geldbedrag van € 1.600,00 of € 1.700,00 uit de beurs van het slachtoffer weggenomen en de plaats van het delict verlaten. De beurs van verdachte is aangetroffen met slecht 20 eurocent. Dit ondersteunt de verklaring van verdachte dat na het neerschieten van het slachtoffer een beroving heeft plaatsgevonden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft het hof bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 9 januari 2013 aan [slachtoffer] het leven ontnomen, om hem vervolgens van een aanzienlijk geldbedrag te beroven. Verdachte en het slachtoffer kenden elkaar uit het Limburgse drugsverslaafden circuit. Met de rechtbank overweegt het hof dat verdachte met een doorgeladen vuurwapen op uiterst laffe wijze een kogel door het achterhoofd van [slachtoffer] heeft geschoten terwijl deze met zijn rug naar verdachte toestond. Aan het slachtoffer is daarmee het meest fundamentele recht dat er bestaat, het recht op leven, ontnomen. Voorts heeft verdachte door zijn handelen een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht dat diep heeft ingegrepen in het leven van de nabestaanden van [slachtoffer] , zoals ook ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken uit het door [zus slachtoffer] uitgeoefende spreekrecht. Er is aan de nabestaanden onherstelbaar leed en verdriet berokkend. Door wisselende verklaringen af te leggen, zowel bekennend als ontkennend, heeft verdachte de nabestaanden bovendien in het ongewisse gelaten over wat het slachtoffer precies is overkomen. Aldus heeft hij hen na de daad nog extra leed berokkend.

Door te handelen zoals bewezen verklaard, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. Het opzettelijk een ander mens van het leven beroven behoort tot de zwaarste categorie van strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Door dergelijke misdrijven wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt en het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 augustus 2017. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld ter zake van een vermogens- en geweldsdelicten, zij het langer geleden. Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de diverse rapportages omtrent de persoon van de verdachte, in het bijzonder de rapportage psychologisch onderzoek d.d. 30 april 2014, opgemaakt door I.J.C. Weijnen, MSC, GZ-psycholoog.

De psycholoog meldt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van poli-middelenafhankelijkheid c.q. chronische verslaving en van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een ernstige persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale, paranoïde en theatrale trekken.

Zowel de chronische verslaving als de persoonlijkheidsstoornis bestonden volgens de psycholoog ook ten tijde van het ten laste gelegde. Evenwel kan door de deskundige vanwege de ontkennende procespositie geen uitspraak worden gedaan over de vraag of deze stoornis verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedde. Gelet daarop beschouwt het hof verdachte als volledig toerekeningsvatbaar ten aanzien van het bewezen verklaarde. Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel omtrent de aard en omvang van de op te leggen straf dat de rapportage psychologisch onderzoek inhoudt dat bij verdachte sprake is van een hoog recidive risico.

Bij de straftoemeting heeft het hof ten slotte acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het bovenstaande alsmede de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor zeer lange tijd met zich brengt. Ook het hof acht het van het grootste belang dat de maatschappij beschermd wordt tegen deze verdachte, die er blijk van heeft gegeven zeer weinig respect te hebben voor het menselijk leven en andermans eigendommen. Evenals de rechtbank acht het hof het passend en geboden aan de verdachte de straf op te leggen zoals die is gevorderd door het openbaar ministerie, te weten van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Beslag

Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 23 januari 2013 afstand gedaan van de op de beslaglijst onder 11 genoemde doos van Van Gils (beslagnummer 398369). Evenals de rechtbank zal het hof daarom omtrent dat voorwerp geen beslissing meer nemen.

Wat betreft de onder nummer 413544 in beslag genomen en nog niet teruggegeven envelop met wit poeder (nummer 2 op de beslaglijst) zal op grond van artikel 13a van de Opiumwet de onttrekking aan het verkeer worden bevolen.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, die toebehoorden aan het slachtoffer [slachtoffer] , zal de teruggave aan diens nabestaanden worden gelast.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] – nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer] –

heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van schade ter hoogte van € 2.250,00 (kosten crematie), te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de kosten van lijkbezorging, die zijn veroorzaakt door verdachtes bewezen verklaarde handelen, ten laste zijn gekomen van [benadeelde] . De benadeelde partij [benadeelde] heeft derhalve schade geleden in de zin van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering integraal toewijsbaar is. Evenals de rechtbank zal het hof bepalen dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 16 januari 2013, nu deze ingangsdatum door de procespartijen ter terechtzitting in hoger beroep niet is weersproken. Het hof zal de verdachte voorts veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 288 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13a van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

2. 1 stuk papier, envelop met wit poeder, 413544.

Gelast de teruggave aan nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. simkaarten, 413506;

3. 3 beeldplaten EMTEC, 413467;

4. 2 foto’s, 413527;

5. geluidsapparatuur SWEEX VICI, 413480;

6. 3 simkaarten, 413517;

7. 1 stuk papier, 413485;

8. 1 bankpas ING, 413519;

9. 2 flessen CAMPINA, 413533;

10. 1 stuk papier, 413490;

12. diverse goederen, 413535;

13. 1 stuk papier, 413522;

14. 1 stuk papier, 413539 (map met bescheiden);

15. 1 doos NOKIA, 355854;

16. papieren uit rugzak [slachtoffer] , 413413.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 15 september 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.T.F.M. van Krieken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 In de hierna opgenomen voetnoten wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het eindproces-verbaal van de Politie Eenheid Limburg, Onderzoek 23TG1301, dossiernummer PL2300-2013003155, gesloten op 28 mei 2014 en op ambtseed opgemaakt door [verbalisant] , inspecteur van politie, samengesteld uit deeldossiers A t/m E, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften.