Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3987

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
200.221.078_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling nu sanieten een of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomen en door hun doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmeren dan wel frustreren en trachten hun schuldeisers te benadelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 14 september 2017

Zaaknummer : 200.221.078/01

Zaaknummers eerste aanleg : C/03/15/380-379 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant]

en

[appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] respectievelijk [appellante] ,

advocaat: mr. B.H.S. Brinkman te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 augustus 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 augustus 2017, hebben [appellant] en [appellante] ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet en de zaak te verwijzen naar de rechtbank Limburg ter verdere uitvoering van de schuldsaneringsregeling, althans een voorziening te treffen die het hof rechtens juist acht.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 september 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] en [appellante] , bijgestaan door mr. Brinkman,

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder (van zowel [appellant] als [appellante] ).

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 27 juli 2017;

- de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 17 augustus 2017 en 4 september 2017;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 21 augustus 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 2 juni 2015 is ten aanzien van [appellant] en [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en e Faillissementswet (Fw) ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 2 juni 2017 tussentijds beëindigd, nu [appellant] en [appellante] een of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomen en door hun doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmeren dan wel frustreren en trachten hun schuldeisers te benadelen.

Aangezien er baten zijn voor uitdeling verkeren [appellant] en [appellante] van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, aldus de rechtbank.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.3. Vast staat dat er een boedelachterstand is ter hoogte van € 3.537,55. Deze achterstand is ontstaan doordat er pensioenen zijn afgekocht die sanieten op hun eigen bankrekening hebben ontvangen. (…)

Conform de bij toelating tot de schuldsanering ondertekende regels hadden de afgekochte pensioengelden afgedragen dienen te worden aan de boedel. Sanieten hadden tijdig stukken moeten voorleggen aan de rechter-commissaris indien zij, zoals gesteld, noodzakelijke uitgaven hadden. Door het zonder voortijdig overleg met de bewindvoerder besteden van een groot bedrag, noch het vragen van toestemming aan de rechter-commissaris, is er een substantiële achterstand ontstaan in de afdrachtverplichting, hetgeen sanieten kan worden toegerekend. Voorts hadden sanieten in overleg dienen te treden over de ontstane boedelachterstand. De bewindvoerder heeft de boedelachterstand reeds vanaf haar tweede verslaglegging vermeld waarbij zij nadrukkelijk te verstaan gaf dat sanieten met betrekking tot het inlopen van deze boedelachterstand een plan van aanpak dienden op te stellen, hetgeen evenwel nimmer is geschied. Ook de rechter-commissaris heeft in een waarschuwingsbrief van 11 juli 2016 sanieten hierop gewezen.

Voorts is er een nieuwe schuld ontstaan van € 369,- met betrekking tot het eigen risico. Voor deze schuld is een betalingsregeling getroffen die is gestart in april 2017 en waarvan nu twee termijnen zijn voldaan.

2.4.

Verder hebben sanieten over 2015 geen aangifte inkomstenbelasting gedaan, ondanks herhaald verzoek van de Belastingdienst en de bewindvoerder. Ter zitting heeft saniet (dhr. [appellant] ) verklaard dat de Belastingdienst op de hoogte is van het inkomen van sanieten en dat hij in afwachting is van een reactie op de aangifte over 2016 alvorens de aangifte over 2015 te doen. Hierover is reeds discussie geweest met de Belastingdienst, aldus saniet. De Belastingdienst heeft vervolgens ambtshalve een aanslag over 2015 opgelegd, waarna er een verzoek tot kwijtschelding is gedaan door sanieten en de aanslag is kwijtgescholden. Afgezien van het feit dat de bewindvoerder over deze gang van zaken niet is geïnformeerd en enige toelichting ontbreekt omtrent de kwijtschelding, heeft dit verregaande gevolgen voor de afdrachtplicht van sanieten. Na bekendwording heeft de bewindvoerder sanieten verzocht direct de aangifte over 2015 alsnog te (laten) doen en de daadwerkelijke inkomsten over 2017 door te geven aan de Belastingdienst.-Door het tot op heden nalaten hiervan gaat de Belastingdienst uit van een (te hoog) geschat inkomen over 2017, waardoor de huurtoeslag per 2017 is vervallen en de zorgtoeslag minimaal is, namelijk € 37,- per maand. Volgens een proefberekening door de bewindvoerder zouden sanieten over 2017 recht hebben op € 259,- huurtoeslag en € 141,- zorgtoeslag per maand, waardoor maandelijks bijna € 400,- aan toeslagen wordt mis gelopen. Door dit nalaten is er geen afdrachtcapaciteit meer en is er sprake van benadeling van de schuldeisers.

Saniet (dhr. [appellant] ) heeft ter zitting verklaard geen contact meer met de bewindvoerder te hebben opgenomen.”

3.4.

[appellant] en [appellante] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] en [appellante] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De rechtbank concludeert dat er sprake is van een boedelachterstand ter hoogte van € 3.537,55 en dat deze achterstand is ontstaan doordat er pensioenen zijn afgekocht. [appellant] en [appellante] zijn van mening dat er sprake is van een uitkering van gelden van € 2.500,- , doch niet van een bedrag van € 3.537,55. Zij hebben de gelden gebruikt voor de aanschaf van een matras, spiraalbodem, computer en een aangepaste stoel.

Zij kwalificeren de uitgaven als noodzaak -doch zien in dat zij dit hadden moeten melden- en zij hebben er bij het verstrekken van de bankafschriften ook geen geheim van gemaakt.

Verder zijn [appellant] en [appellante] van mening dat als zij wel tijdig stukken hadden voorgelegd aan de rechter-commissaris en de noodzaak duidelijk hadden kunnen toelichten, dat er dan wel degelijk toestemming was verleend door de rechter-commissaris, danwel dat er toestemming verleend had moeten worden. Met betrekking tot het eigen risico is duidelijk dat ten gevolge hun gezondheidstoestand er ieder jaar rekening mee moet worden gehouden dat zij het volledige eigen risico dienen te voldoen aan de zorgverzekering. Zij hebben hier, net zoals in de afgelopen jaren, steeds een regeling voor weten te treffen, weshalve deze nieuwe schuld geen beletsel zou moeten opleveren en niet tot een tussentijdse beëindiging zou moeten leiden. Over 2015 is door hen geen aangifte inkomstenbelasting gedaan. [appellant] , op wie eigenlijk alle regelzaken neerkomen nu [appellante] tot tweemaal toe een herseninfarct heeft gehad, heeft de bewindvoerder benaderd met betrekking tot het doen van de aangifte over 2015. [appellant] heeft zich bij de bewindvoerder gemeld en kenbaar gemaakt dat hij zich geen raad wist, doch de bewindvoerder heeft letterlijk kenbaar gemaakt dat zij geen sociale instelling was en verder is er geen hulp of advies gekomen. In het verleden heeft een bekende van [appellant] en [appellante] de belastingaangifte ingevuld, doch deze bekende is overleden. Nadien heeft een tussenpersoon van de verzekering hen hierbij geholpen, doch deze is gestopt op enig moment. [appellant] moet toegeven dat hij altijd alles zelf heeft proberen te regelen, doch hij merkt dat ook hij op sommige punten overvraagd wordt, nu alle regelzaken bij hem terecht komen. [appellant] ziet in dat hij de hulp van derden dient in te schakelen op momenten dat hij zelf het overzicht niet heeft of niet weet op welke wijze hij dingen precies moet doen. Hij heeft overigens wel ervoor gezorgd dat de belastingdienst de aanslag heeft kwijtgescholden, weshalve op dit punt geen nieuwe schuld is ontstaan. Met betrekking tot het doorgeven van de actuele gegevens bij de Belastingdienst erkennen [appellant] en [appellante] dat dit niet tijdig is gebeurd, doch [appellant] heeft gemeend dat eerst de aanslag over 2016 afgewacht diende te worden, alvorens nieuwe gegevens door te geven om de toeslagen te laten wijzigen. Zij hebben op 10 augustus 2017 de actuele gegevens ingevuld en de toeslagen laten wijzigen, doch zijn bang dat als hier fouten bij gemaakt worden, dat hen dan verweten wordt dat er nieuwe schulden ontstaan ten gevolge van eventuele terugvorderingen van de Belastingdienst. Mocht het zo zijn, dat er daadwerkelijk recht is op hogere bedragen terzake de toeslagen, dan kunnen de nabetalingen nog worden aangewend om aan de boedel af te dragen. Dit punt zou dan ook niet van doorslaggevend belang moeten zijn bij de beoordeling van de tussentijdse beëindiging. Zij hebben familie van [appellante] bereid gevonden om een bedrag ad € 3.537,55 aan hen te schenken opdat zij aan hun afdrachtverplichting zullen kunnen voldoen.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] en [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] en [appellante] erkennen dat het fout was om de uitgaven die zij hebben gedaan met de gelden welke zij verworven hadden uit de afgekochte pensioenen niet vooraf aan de bewindvoerder voor te leggen. Desondanks blijven zij bij hun standpunt dat het hier uitsluitend dan wel overwegend noodzakelijk uitgaven betrof welke alle te maken hadden met de medische situatie van [appellant] dan wel met de mogelijkheid om aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling te kunnen voldoen. Daarbij erkennen zij overigens niet te beschikken over een medische verklaring of rapportage waaruit de actuele medische situatie van [appellant] kan worden herleid. Voorts verklaren zij dat hun kwijtscheldingsverzoek over 2015 door de Belastingdienst is gehonoreerd en dat zij inmiddels ook aangifte over datzelfde jaar hebben gedaan, hetgeen heeft geresulteerd in een kleine teruggave. Voorts geven [appellant] en [appellante] aan bereid te zijn om afstand te doen van hun auto. Deze auto vertegenwoordigt weliswaar een kleine (dag)waarde, naar eigen inschatting ongeveer € 200,00, maar levert wel een besparing op ten aanzien van brandstof, verzekeringen en onderhoud. Tot slot geven [appellant] en [appellante] aan dat de huidige boedelachterstand -welke zij inmiddels toch erkennen tot een bedrag van € 3.537,55- zelfs binnen een daartoe maximaal verlengde schuldsaneringsregeling alleen middels schenkingen van een derde kan worden ingelopen.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De uitkeringen die [appellant] heeft ontvangen staan vermeld in de tabel boedelbijdrage. Het bedrag dat [appellant] op eigen rekening kreeg bedroeg minimaal € 3.764,-.

Het is onduidelijk waarvoor zij deze tegoeden hebben gebruikt. Er is nergens toestemming voor gevraagd, een deel van het geld is contant gepind en er zijn geen nota's overgelegd.

Ook nu zijn bij de bewindvoerder nog steeds geen stukken aanwezig waaruit zou blijken dat toentertijd de volgens [appellant] noodzakelijke uitgaven zijn gedaan inzake ziektekosten. Wel geeft hij aan in zijn mail dat hij recht heeft op een normaal leven en dat daarvoor wel eens regeltjes moeten wijken. Ten tijde van het huisbezoek (2015) was er geen sprake van een ziekelijke situatie die deze extra uitgaven doen onderbouwen. [appellant] deed zelfs tot halverwege 2016 nog PGB-werkzaamheden voor zijn zoon. Meerdere malen is [appellant] én door de Belastingdienst én door de bewindvoerder gemaand de belastingaangifte over 2015 te (laten) doen. De bewindvoerder is inderdaad geen sociale instelling en kan ook geen belastingaangifte doen. Wel is [appellant] verwezen naar de Belastingdienst, maar zoals ook te lezen is in het proces-verbaal (hof: van de mondelinge behandeling in eerste aanleg) wilde hij geen aangifte doen, want hij weet dat hij moet betalen.

Mochten er nog nabetalingen komen in de toeslagen 2017, dan zal het VTLB 2017 worden aangepast en kunnen de bedragen niet volledig worden aangewend om de achterstand in te lopen. Het is in de schuldsaneringsregeling voorts niet toegestaan schenkingen te gebruiken voor het inlopen van achterstanden, de schenking zou de boedel toebehoren. De bewindvoerder is het niet eens met de stelling dat [appellant] en [appellante] alles in het werk hebben gesteld om de tekortkomingen te corrigeren. De aangifte 2015 is nog steeds niet gedaan en het is evident dat hiervan nog een behoorlijke vordering gaat komen, die dan wel deels meegenomen kan worden in de schuldsaneringsregeling, maar waarvan zij een deel zelf dienen te betalen. Ook een mogelijke verzuimboete die kan oplopen tot € 2.600,00 is voor rekening van henzelf. [appellant] en [appellante] geven al aan de huidige achterstand niet in te kunnen lopen. Als daar de vordering van de Belastingdienst 2015 nog bij gaat komen wordt het bedrag dat nog betaald moet worden alleen maar hoger. Het is de mening van de bewindvoerder dat ook in een mogelijke verlenging van de schuldsanering de achterstand niet kan worden ingelopen en zij verzoekt daarom om de beslissing van de rechtbank te bekrachtigen.

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder benadrukt dat van een aantal grote uitgaven, zoals deze zonder haar medeweten door [appellant] en [appellante] zijn gedaan, niet gezegd kan worden dat deze enige medische noodzaak kennen. Zij doelt hierbij met name op de aanschaf van een nieuwe televisie en laptop. Ook heeft zij nooit enig bewijs van de door [appellant] en [appellante] gestelde medische noodzaak gezien. Voorts acht de bewindvoerder een besparing van

€ 1.500,00 per jaar indien de auto wordt verkocht niet reëel en is het naar haar idee niet toegestaan om een boedelachterstand middels een schenking van een derde in te lopen.

De bewindvoerder heeft haar verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen dan ook gehandhaafd.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en e Fw, te beoordelen of er bij [appellant] en [appellante] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door hun doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het trachten hun schuldeisers te benadelen.

3.8.2.

Vast staat, temeer nu zij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nadrukkelijk hebben erkend, dat [appellant] en [appellante] , zonder de bewindvoerder hiervan in kennis te stellen, pensioenen hebben afgekocht en de hierdoor ontvangen gelden vervolgens zonder overleg met de bewindvoerder en/of verzoek daartoe aan de rechter-commissaris hebben aangewend voor de aanschaf van een groot aantal roerende zaken waaronder een matras, een relaxfauteuil, een televisie en een laptop. De bewindvoerder had van de afkoop en de daardoor ontvangen gelden op de hoogte moeten worden gebracht. Deze gelden hadden conform de regels van de schuldsaneringsregeling ook aan de boedel toe dienen te komen. Dat deze uitgaven, geheel dan wel gedeeltelijk, een medische noodzaak zouden kennen, zoals door [appellant] en [appellante] is gesteld, maakt dit in ieder geval voor wat betreft het niet voldoen aan de informatieverplichting niet anders, daargelaten nog het feit dat deze door [appellant] en [appellante] gestelde medische noodzaak door hen op geen enkele wijze, middels bewijstukken dan wel anderszins, wordt onderbouwd. Indien [appellant] en [appellante] van mening zijn dat bepaalde uitgaven een medische noodzaak kenden hadden zij dit voorafgaand aan het doen van deze uitgaven ter goedkeuring voor dienen te leggen aan de bewindvoerder en/of rechter-commissaris, hetgeen evenwel niet is geschied. Het hof is dan ook van oordeel dat de thans ontstane boedelachterstand [appellant] en [appellante] geheel valt toe te rekenen. Daarbij komt bovendien dat [appellant] en [appellante] , ondanks herhaalde aanwijzingen van zowel de bewindvoerder als de rechter-commissaris hiertoe, lange tijd verzuimd hebben om met hun bewindvoerder aangaande de boedelachterstand in overleg te treden dan wel om een realistisch plan van aanpak teneinde deze boedelachterstand in te lopen te overleggen.

3.8.3.

Het hof stelt, temeer nu dit bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook door [appellant] en [appellante] is erkend, voorts vast dat de actuele boedelachterstand, zelfs gedurende een daartoe maximaal verlengde schuldsaneringsregeling, alleen kan worden ingelopen middels een schenking door een derde. Het hof is evenwel van oordeel dat de ontstane boedelachterstand in beginsel niet middels (een) schenking(en) van (een) derde(n) kan worden ingelopen. Uit artikel 295 lid 1 in samenhang met lid 4, onder a, Fw vloeit immers voort dat schenkingen in beginsel in de boedel vallen. Daarenboven verdragen schenkingen voor inlossing van de boedelachterstand zich in principe niet met de in lid 2 van het hiervoor genoemde artikel opgenomen verplichting van de schuldenaar zelf van zijn inkomen maandelijks afdrachten te doen tot de grens van het in deze te bepalen vrij te laten bedrag. Deze verplichting kan naar het oordeel van het hof in beginsel niet worden “afgekocht” door derden daargelaten nog, dat zodoende in de schuldsaneringsregeling een ongewenste tweedeling zou ontstaan doordat de ene saniet wél maar de andere saniet niét op schenkingen kan rekenen. Nu derhalve onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] en [appellante] op eigen kracht de door hun eigen toedoen ontstane boedelachterstand, binnen de termijn van een daartoe (eventueel zelfs maximaal) verlengde schuldsaneringsregeling, geheel zullen kunnen inlopen acht het hof een verlenging van de schuldsaneringsregeling dan ook geenszins in de rede liggen.

3.8.4.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling van [appellant] en [appellante] tussentijds dient te worden beëindigd. Daarbij stelt het hof met eerder de rechtbank nog vast dat [appellant] en [appellante] op de hoogte zijn van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling. Zij hebben namelijk bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling een formulier met de regels daarvan ondertekend (hetgeen in hoger beroep overigens ook niet is ontkend). Desalniettemin is er, zoals reeds blijkt uit hetgeen hierboven werd overwogen, sprake van tekortkomingen. Deze tekortkomingen kunnen, reeds nu zij bekend zijn dan wel geacht worden bekend te zijn met de op elk van hen beiden rustende (kern-)verplichtingen uit de wettelijke schuldsanering, zowel [appellant] als [appellante] worden aangerekend en zijn van dien aard dat een tussentijdse beëindiging op de voet van artikel 350 lid 3 sub c en e Fw gerechtvaardigd is en een verlenging van de looptijd ex artikel 349a – een overigens discretionaire bevoegdheid van de rechter – niet aan de orde is (daargelaten nog dat, zoals hierboven al werd overwogen in r.o. 3.8.3) [appellant] en [appellante] ook bij maximaal verlengde schuldsaneringsregelingen de ontstane boedelachterstand niet op meer eigen kracht kunnen inlopen).

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en F. Kooijman en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2017.