Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3979

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
200.219.742_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gesloten uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 14 september 2017

Zaaknummer : 200.219.742/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/321877 / JE RK 17-781

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. H. Sanli,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [belanghebbende] (hierna te noemen: de moeder);

- [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), thans verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp Almata te [verblijfplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 juni 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juli 2017, heeft de vader verzocht voormelde beschikking geheel te vernietigen althans voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - te bepalen dat de machtiging voor gesloten jeugdhulp in duur wordt beperkt in een door het hof in goede justitie te bepalen termijn.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 augustus 2017, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de beschikking van de rechtbank in stand te laten.

2.3.

Bij verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl met producties, ingekomen op
14 augustus 2017, heeft [minderjarige] verzocht om de bestreden beschikking geheel te vernietigen althans de bestreden beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - te bepalen dat de machtiging voor gesloten jeugdhulp in de duur wordt beperkt in een door het hof in goede justitie te bepalen termijn.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Sanli;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en mw. [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • -

    [minderjarige] , bijgestaan door mr. B.G.M. Frencken.

2.4.1.

[minderjarige] is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ook afzonderlijk door het hof gehoord in aanwezigheid van zijn advocaat. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.2.

De raad en de moeder zijn, alhoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 24 juli 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van de ouders is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.

Het ouderlijk gezag berust bij beide ouders.

3.2.

[minderjarige] is bij beschikking van 9 januari 2014 onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 22 december 2016 heeft de kinderrechter van de rechtbank Oost-Brabant de ondertoezichtstelling verlengd en een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend tot 31 december 2017.

3.3.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 mei 2017 een eerder verzoek van de GI om aan haar een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen, afgewezen.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] met ingang van 23 juni 2017 tot uiterlijk 23 december 2017 uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp.

3.5.

De vader en [minderjarige] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

Er wordt een verkeerd beeld gegeven van de gehele situatie, er wordt onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [minderjarige] en er is niet gekeken naar alternatieve mogelijkheden. Vanaf het begin van de uithuisplaatsing van [minderjarige] is de insteek van de GI geweest om [minderjarige] te begeleiden naar zelfstandig wonen. Hoewel [minderjarige] zich aan alle afspraken heeft gehouden en zijn ontwikkelingen op de groep STEK positief waren, is er door de GI niet toegewerkt naar begeleid wonen. Sinds maart 2017 laat [minderjarige] wegloopgedrag zien. Dit wegloopgedrag houdt verband met het gegeven dat [minderjarige] op de praktijkschool in [vestigingsplaats 1] is mishandeld door een groep jongeren en er vervolgens door de GI onvoldoende is gedaan om de veiligheid van [minderjarige] te garanderen. Vanaf dat moment heeft [minderjarige] enige malen wegloopgedrag vertoont.

Tijdens een eerdere zitting heeft de GI aan [minderjarige] toegezegd dat hij terug kon gaan naar de groep van Idris in [vestigingsplaats 2] , maar vervolgens bleek [minderjarige] in een groep in [vestigingsplaats 3] te zijn geplaatst. Hierdoor is de neiging tot weglopen alleen maar versterkt.

De vader heeft het kunnen regelen dat [minderjarige] naar een andere school in [vestigingsplaats 4] kon gaan, maar de GI heeft hier niets van willen weten. Door de plaatsing in [vestigingsplaats 3] werd [minderjarige] belemmerd in het volgen van onderwijs.

Door de GI wordt steeds verder afgeweken van de doelen die in 2013 zijn gesteld. De vader wenst dat [minderjarige] alsnog in september 2017 kan aanvangen met de school in [vestigingsplaats 4] en dat hij open wordt geplaatst. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat aan het wettelijk criterium voor gesloten jeugdhulp is voldaan. Door de machtiging gesloten jeugdhulp is er tevens sprake van een schending van artikel 9 van het IVRK en van artikel 8 van het EVRM.

3.7.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vader hieraan - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

[minderjarige] is vanaf 2013 uithuisgeplaatst en totdat het incident op school plaatsvond, waren er nooit problemen en hield [minderjarige] zich aan alle afspraken. Al vanaf 2015 is aan [minderjarige] toegezegd dat er toegewerkt zou worden naar een trainingshuis, maar dit is nooit van de grond gekomen, hetgeen de vader frustreert. Het trainingshuis lijkt nu verder weg te zijn dan ooit.
verblijft nu enige tijd in Almata en hij doet het hier goed. Het wordt tijd dat de GI haar afspraken en toezeggingen gaat nakomen. [minderjarige] krijgt iedere keer te maken met een andere gezinsvoogd en hij wordt steeds weer weggeduwd.

Het is voor [minderjarige] van belang dat er heldere doelen worden gesteld en de in het verleden gedane beloftes op korte termijn worden nagekomen.

[minderjarige] is gemotiveerd om een opleiding tot automonteur te volgen. Hij kan nog steeds op de school in [vestigingsplaats 4] worden toegelaten, mits de GI kan bevestigen dat [minderjarige] daar voor langere tijd blijft. Het begeleid wonen (trainingshuis) zit bij deze school in de buurt.

3.8.

De GI voert in het verweerschrift - kort samengevat - het volgende aan.

Weliswaar heeft [minderjarige] bij Idris in [vestigingsplaats 2] prille, positieve ontwikkelingen laten zien, maar vanaf januari 2017 ging het bergafwaarts.

In maart 2017 zijn er diverse gesprekken geweest met [minderjarige] en zijn ouders dan wel de vader om afspraken te maken en om meer duidelijkheid te krijgen omtrent het wegloopgedrag van [minderjarige] . De GI heeft zich bovendien ingespannen om de veiligheid op school te waarborgen. De GI heeft aangegeven dat de school in [vestigingsplaats 4] geen optie was gelet op het verblijf van [minderjarige] in [vestigingsplaats 3] en het feit dat ook de moeder daartoe toestemming moet geven.

Het is correct dat de GI tijdens een eerdere zitting in de veronderstelling verkeerde dat [minderjarige] kon terugkeren bij Idris in [vestigingsplaats 2] , maar dit bleek niet mogelijk. De GI heeft voor een tussenoplossing in [vestigingsplaats 3] gezorgd en [minderjarige] zou hier maximaal 6 weken verblijven en onderwijs op papier volgen. Op de open groep in [vestigingsplaats 3] kon [minderjarige] laten zien dat een gesloten plaatsing niet nodig was en kon er naar een goede vervolgplek worden gezocht nu [minderjarige] niet meer geplaatst kon worden bij STEK. Kort na de plaatsing is [minderjarige] weer weggelopen, waardoor Idris het standpunt heeft ingenomen dat een open groep op dit moment niet haalbaar is. Gezien het hardnekkige patroon van weglopen, onttrekken aan gezag, onbereikbaar zijn in aansturing accepteren en ontlopen van problemen/confrontatie blijkt een open behandelgroep volgens Idris onvoldoende de structuur en aansturing te kunnen bieden om met [minderjarige] een behandeling neer te kunnen zetten; een gesloten plaatsing lijkt op dit moment dan ook de beste optie.

Sinds 30 juni 2017 verblijft [minderjarige] bij Almata. De GI heeft vernomen dat [minderjarige] in het begin verdrietig was, maar nu meestal vrolijk en rustig aanwezig is. Over het algemeen gaat het goed, maar er zijn nog enige aandachtspunten, aldus de terugkoppeling vanuit de groep.

Het is van belang dat [minderjarige] werkt aan de gestelde behandeldoelen.

De behandeldoelen van [minderjarige] zijn erop gericht dat hij zijn emoties kan uiten, zodat anderen kunnen aansluiten bij hetgeen hij nodig heeft, hij op een positieve manier aandacht vraagt, waardoor er ruimte komt voor zijn identiteit, hij gezag accepteert van zijn ouders, hij weet hoe zijn vrije tijd moet invullen en hij zich aan afspraken kan houden en kan omgaan met conflicten. De GI verwijst hiertoe naar het bij het verweerschrift gevoegde plan van aanpak in het kader van de ondertoezichtstelling d.d. 4 april 2017. Thans is [minderjarige] nog niet klaar voor een stap naar een open groep of voor een meer zelfstandig traject.

3.9.

Ter zitting in hoger beroep heeft de GI hieraan - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

Het is altijd de bedoeling geweest om met [minderjarige] naar zelfstandigheid te werken en dat doel is er nog steeds, maar [minderjarige] dient nog wel enige stappen te zetten. Op 29 augustus 2017 vindt er een gesprek plaats op Almata met [minderjarige] en de ouders; besproken zal worden wat er voor [minderjarige] nodig is om tot gedragsverandering te komen.

De GI betreurt het dat zij [minderjarige] en de vader niet duidelijk heeft kunnen maken waarom het traject naar zelfstandigheid zo lang duurt en zij begrijpt dat er op dit vlak nog een taak voor haar ligt.

De GI acht het thans niet in het belang van [minderjarige] om de duur van de gesloten plaatsing te verkorten. Er moet door [minderjarige] nog aan diverse doelen worden gewerkt en ook de ouders dienen het te volgen traject beiden te ondersteunen. Uitgangspunt daarbij is wel dat de machtiging niet langer zal worden gebruikt dan noodzakelijk.

De komende tijd dient te worden benut om de nodige vervolgstappen te zetten. [minderjarige] gaat op dit moment naar de interne school van Almata en doet het daar goed.

Er is bovendien een wachtlijst voor het trainingshuis in [vestigingsplaats 4] . [minderjarige] is hiervoor nog niet aangemeld.

3.10.

[minderjarige] voert in zijn verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - het volgende aan.

[minderjarige] is het eens met hetgeen zijn vader in het beroepschrift heeft gesteld en hij handhaaft daarbij zijn verweer in eerste aanleg.

[minderjarige] is in het verleden letterlijk weggelopen van zijn problemen en hij ziet nu in dat dit niet de juiste oplossing is. Het lukt [minderjarige] inmiddels wat beter om over zijn problemen te praten.

Met betrekking tot zijn verzoek brengt [minderjarige] naar voren dat het op Almata nu goed gaat. Derhalve trekt hij zijn (primaire) verzoek om de gehele bestreden beschikking te vernietigen, in.

[minderjarige] vindt het wel van belang dat het traject wordt verkort. [minderjarige] laat een enorme positieve gedragsverandering zien, hetgeen door Almata wordt bevestigd. Het is van belang dat er nu op zo kort mogelijke termijn wordt teruggepakt naar de doelen die eerder waren gesteld. Er moet worden gekeken naar de mogelijkheden en het behandelplan moet hierop zo snel mogelijk worden aangepast, zodat [minderjarige] weer kan toewerken naar zelfstandigheid en er geen onnodige tijd wordt verspild. Alle neuzen moeten dezelfde kant op, waarbij het niet zo kan zijn dat de moeder hierin een probleem vormt. Het moet voor [minderjarige] bovendien helder zijn welke voorwaarden er aan hem worden gesteld.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden.

Op die grond komt aan [minderjarige] mede een zelfstandig recht van hoger beroep toe.

3.11.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.

Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:

  • -

    er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;

  • -

    de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

3.11.3.

Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.

3.11.4.

Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het College van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.

Tot slot behoeft het verzoek op grond van artikel 6.1.2 lid 6 Jw de instemming van een gedragswetenschapper die de minderjarige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

3.11.5.

Het hof is van oordeel dat voldaan is aan de formele vereisten van artikel 6.1.2 lid 3 aanhef en sub a, lid 5 en lid 6 Jw.

3.11.6.

Het hof is voorts, op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten voor het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp.

3.11.7.

Gelet op de voorhanden gegevens en het verhandelde ter zitting overweegt het hof daarnaast het volgende.

[minderjarige] is een kwetsbare, angstige en door zijn verstandelijke beperking beïnvloedbare jongen die bovendien gevoelig is voor status. [minderjarige] heeft daarnaast een beperkte stressbestendigheid en een gebrek aan zelfwaardering en hij heeft geen zicht in zijn eigen aandeel in gebeurtenissen.

[minderjarige] is enige jaren geleden uithuisgeplaatst en verbleef geruime tijd in een groep bij Idris te [vestigingsplaats 2] , waar hij zich begeleidbaar opstelde en hij zich in beginsel hield aan de afspraken.

Vanaf januari 2017 laat [minderjarige] in toenemende mate zelfbepalend gedrag zien, hetgeen met name lijkt ingeven door een incident op school, waardoor [minderjarige] zich op school niet meer veilig voelde.

[minderjarige] is bij Idris herhaaldelijk weggelopen. [minderjarige] was daarnaast ook in emotionele zin steeds minder aanwezig en gaf geen openheid van zaken.

Alhoewel [minderjarige] in mei 2017 nog een laatste kans heeft gekregen om te laten zien dat een plaatsing in een gesloten setting niet noodzakelijk is, heeft hij deze kans niet gegrepen. Het wegloopgedrag van [minderjarige] heeft zich nadien onverminderd voortgezet.

Uit dit gedrag komt naar voren dat het [minderjarige] nog niet lukt om zich aan zijn afspraken te houden, zijn emoties te uiten en het gezag te accepteren. Hij kiest ervoor om te vluchten of de weg van de minste weerstand te kiezen.

Gezien het hardnekkige patroon van weglopen, het onttrekken aan gezag en aansturing en zijn vermijdende copingstijl is het hof van oordeel dat een open groep thans niet haalbaar is. Een open behandelgroep biedt [minderjarige] nu onvoldoende de structuur en de aansturing om hem de behandeling te kunnen bieden die hij nodig heeft. [minderjarige] stond bij Idris niet (langer) open voor behandeling en was niet gemotiveerd. Daarnaast ging [minderjarige] bijna nooit meer naar school. Voorts kon de veiligheid van [minderjarige] in een open groep niet gewaarborgd worden, nu [minderjarige] geen inzicht gaf in wat hij buiten de groep deed, waar hij verbleef en met wie. Daar komt nog bij dat de vader van [minderjarige] nog steeds onvoldoende inzicht lijkt te hebben in de problematiek van [minderjarige] en de rol die hij hierin zelf speelt.

Gelet op de forse zorgen die er bestaan over de sociaal-emotionele en de cognitieve ontwikkeling van Sylvana is het hof - evenals de rechtbank - van oordeel dat het van belang is dat [minderjarige] in de gestructureerde en veilige opvoedingsomgeving van een gesloten accommodatie verblijft. Daar kan aan hem de behandeling en de begeleiding worden geboden die hij nodig heeft, zonder dat hij zich daaraan onttrekt.

3.11.8.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [minderjarige] zich bij Almata goed ontwikkelt. [minderjarige] verblijft sinds 30 juni 2017 bij Almata en naar eigen zeggen vindt hij ook dat het goed gaat. Ter zitting heeft [minderjarige] derhalve te kennen gegeven dat zijn verzoek enkel nog ziet op de duur van de machtiging.

[minderjarige] heeft een goede klik met zowel de leiding als de overige jeugdigen.

Inmiddels is [minderjarige] beter in staat om zijn eigen aandeel in het geheel te zien en is hij meer open in het uiten van zijn emoties.

Deze prille positieve ontwikkelingen betekenen naar het oordeel van het hof echter nog niet dat de duur van de machtiging kan worden bekort. De GI heeft uitdrukkelijk verklaard dat [minderjarige] op zijn weg naar zelfstandigheid nog enkele stappen dient te zetten.

Het hof acht het noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] dat hij binnen Almata verder werkt aan zijn behandeldoelen en dat vanuit Almata wordt toegewerkt - en indien mogelijk de overstap wordt gemaakt - naar een trainingshuis. Het is daarbij van groot belang dat er voor [minderjarige] op afzienbare termijn duidelijkheid komt over een vervolgplaatsing. In dit traject moeten ook de ouders worden betrokken.

Daarbij dient de GI zich ten volle in te spannen om op een zo kort mogelijke termijn een geschikte (vervolg)plaats voor [minderjarige] te vinden en hem hiertoe ook op een wachtlijst te plaatsen.

3.11.9.

Het beroep van de vader op het EVRM en het IVRK maakt het bovenstaande niet anders. Wat het beroep op het EVRM betreft, overweegt het hof dat het recht op respect voor het familie- en gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM, inperking toestaat indien noodzakelijk en voor zover daarin bij wet is voorzien. Aan beide voorwaarden is in deze voldaan. Ten aanzien van het beroep op het IVRK overweegt het hof dat in dit verdrag het belang van het kind voorop staat en het hof van oordeel is dat de beslissing die het hof neemt in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.

3.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 juni 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, H. van Winkel en M.L.F.J. Schyns en is op 14 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen, griffier.