Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3969

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
200.211.517_01 200.211.517_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind

Het hof heft met ingang van de datum van de beschikking het bewind over de goederen van appellant op.

Naar het oordeel van het hof bestaan er geen noodzaak tot bewind meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 14 september 2017

Zaaknummers: 200.211.517/01 en 200.211.517/02

Zaaknummers eerste aanleg: 5341893 OV VERZ 16-6609, 5403351 OV VERZ 16-7118 en 5561721 OV VERZ 16-8485

in de zaak in hoger beroep van:

[rechthebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. M. Özgül.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] ,

allen handelend onder de naam [VOF] v.o.f.,

adres houdende te [postcode] [vestigingsplaats] , Postbus [postbus] ,

hierna (zowel ieder afzonderlijk als tezamen) te noemen: de bewindvoerder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 december 2016.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.211.517/01

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 maart 2017, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking (naar het hof begrijpt: gedeeltelijk) te vernietigen en:

I primair te bepalen dat het bewind over de rechthebbende met ingang van 13 december 2016 wordt opgeheven;

II subsidiair te bepalen dat het verzoek van de rechthebbende tot de aanschaf van (naar het hof begrijpt:) een zeilboot voor een bedrag van € 2.700,- met ingang van de in deze te wijzen beschikking wordt toegewezen.

2.2.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier van mr. Özgül van 28 maart 2017 met als bijlage het procesdossier eerste aanleg;

  • -

    de brief van de bewindvoerder van 22 maart 2017;

  • -

    de brief van de bewindvoerder van 20 juli 2017 met bijlagen;

  • -

    de brief van mr. Özgül d.d. 18 augustus 2017 met één bijlage.

Inzake het verzoek ex artikel 223 Rv (met zaaknummer 200.211.517/02)

2.3.

Bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen, ingekomen ter griffie op 19 juni 2017, heeft de rechthebbende verzocht om vervangende toestemming te geven tot het beschikbaar stellen van € 2.700,- hangende de bodemprocedure met ingang van de in deze te nemen uitspraak, dan wel te bepalen hetgeen het hof juist acht.

2.4.

De bij dit verzoekschrift behorende producties zijn, op verzoek van het hof, per emailbericht van 15 augustus 2017 (opnieuw) naar het hof gezonden.

2.5.

De zaak met zaaknummer 200.211.517/01 en het verzoek ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met zaaknummer 200.211.517/02 zijn gezamenlijk ter terechtzitting behandeld.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de rechthebbende, bijgestaan door mr. Özgül;

  • -

    de bewindvoerder.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 30 juli 2012 heeft de kantonrechter in de rechtbank Breda over alle goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld, met benoeming van [belanghebbende 1] , [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] , allen handelend onder de naam [VOF] v.o.f., tot bewindvoerder.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, het verzoek tot aanschaf van een zeilboot afgewezen. Tevens is daarbij het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen. Daarnaast is rechthebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om toestemming voor het aanvaarden van de functie van voorzitter in een stichting in oprichting.

3.3.

De rechthebbende kan zich met deze beschikking niet verenigen voor zover het de eerste twee beslissingen betreft. Hij is hiervan in hoger beroep gekomen, welk hoger beroep bij het hof bekend is onder zaaknummer 200.211.517/01. Tevens heeft hij een afzonderlijk verzoek voorlopige voorzieningen ingediend, welk verzoek bij het hof bekend is onder zaaknummer 200.211.517/02.

Inzake het verzoek ex artikel 223 Rv (met zaaknummer 200.211.517/02)

3.4.

Ter zitting van het hof heeft de rechthebbende zijn verzoek ex artikel 223 Rv ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de gronden van dit verzoek niet worden gehandhaafd. Dit brengt mee dat de rechthebbende niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek ex artikel 223 Rv.

In de zaak met zaaknummer 200.211.517/01

3.5.

De rechthebbende voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, met betrekking tot zijn primaire verzoek tot opheffing van het bewind - kort samengevat - het volgende aan.

De noodzaak voor de voortzetting van het bewind bestaat niet meer. De kantonrechter heeft ten onrechte deze noodzaak nog wel aanwezig geacht. De psychische gesteldheid van de rechthebbende is thans zodanig dat hij het bewind over zijn eigen goederen kan voeren zonder tussenkomst van een bewindvoerder. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de rechthebbende een verklaring van zijn huisarts van 3 januari 2017 overgelegd, alsook een verklaring van psychiater [psychiater] van 2 februari 2017.

De rechthebbende heeft in het verleden thuishulp aangevraagd (en gekregen) in verband met de nazorg wegens een brandongeval. Hij heeft nadien de thuishulp aangehouden voor onvoorziene gebeurtenissen alsmede gelet op het feit dat hij geen naaste familieleden heeft. Op dit moment komt er om de twee weken een medewerkster die dan een kort gesprek met de rechthebbende voert en hem adviezen geeft.

Ten aanzien van de hoge telefoonkosten voert de rechthebbende aan dat deze mede zijn ontstaan door telefonisch contact met diverse instanties. Ook heeft hij intensief contact met zijn (ernstige zieke) vriendin in België met wie hij regelmatig belt. Hij ontkent dat hij, zoals de bewindvoerder heeft aangegeven, hoge telefoonkosten heeft gemaakt door het bellen met een sekslijn. Hij stelt dat het een servicelijn vanuit een datingsite betrof.

Er is volgens de rechthebbende inmiddels sprake van financiële ruimte om incidentele betalingen te doen en er zijn geen openstaande schulden meer.

De rechthebbende heeft tot slot aangevoerd dat hij Wijnmaalen Financieel Advies bereid heeft gevonden om hem gedurende de eerste periode, na het einde van het bewind, bij te staan. Dit adviesbureau zal hem eveneens van dienst kunnen zijn in verband met het door hem te starten juridisch adviesbureau.

3.6.

Indien het hof besluit om niet over te gaan tot het opheffen van het bewind, verzoekt de rechthebbende subsidiair om zijn verzoek tot aanschaf van een zeilboot voor een bedrag van € 2.700,- toe te wijzen. Dit stelt hem in staat om samen met voornoemde vriendin te gaan zeilen en om zeillessen te geven aan derden, en daarmee extra inkomsten te genereren.

3.7.

De bewindvoerder voert in de stukken, zoals aangevuld ter zitting, met betrekking tot het primaire verzoek van de rechthebbende - kort samengevat - het volgende aan.

De rechthebbende heeft perioden waarin hij verkwistend bezig is. Zo ook nog in 2016 toen hij hoge telefoonkosten heeft gemaakt vanwege onder meer het bellen met een sekslijn. De rechthebbende doet voorts regelmatig verzoeken voor extra geld (naast het leefgeld). Bovendien maakt de rechthebbende geen gebruik meer van de voor hem noodzakelijke zorg en begeleiding.

Er zijn van de zijde van het maatschappelijk werk in februari 2016 en oktober 2016 zorgen geuit over de psychische toestand en het zorg mijdend gedrag van de rechthebbende.

De door de huisarts en de psychiater afgegeven verklaringen zijn volgens de bewindvoerder eenzijdig. Zij hebben nagelaten om bij de bewindvoerder te informeren of sprake is van een stabiel budget en of er verkwisting in het spel is.

De bewindvoerder vraagt zich verder af waarom de rechthebbende een financieel adviesbureau wil inschakelen om hem bij te staan, nu rechthebbende stelt weer in staat te zijn om zelf zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen.

De bewindvoerder is, hoewel het minnelijke traject van schuldhulpverlening met succes is afgesloten en de schulden zijn afgelost, bang dat de rechthebbende na een opheffing van het bewind in zijn oude patroon vervalt en weer schulden zal laten ontstaan. De bewindvoerder adviseert om het bewind niet op te heffen, maar respecteert de beslissing die het hof zal geven.

3.8.

Ten aanzien van de aanschaf van een zeilboot heeft de bewindvoerder aangevoerd dat de rechthebbende regelmatig verkwistend gedrag vertoont en dat een dergelijke aanschaf extra kosten met zich brengt omdat een zeilboot onderhoud nodig heeft, daarvoor een verzekering dient te worden afgesloten en liggeld moet worden betaald.

3.9.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.10.1.

Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432, eerste en tweede lid, BW, dan wel ambtshalve.

3.10.2.

De rechthebbende heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het bewind in 2012

- op eigen verzoek - is ingesteld vanwege de verwarde toestand waarin hij toen verkeerde als gevolg van diverse gebeurtenissen in de privésfeer. Het hof stelt vast dat volgens de verklaring van de huisarts van 3 januari 2017 de rechthebbende, die de afgelopen jaren regelmatig op het spreekuur is verschenen, gezien zijn huidige functioneren weer in staat zou moeten zijn om zelf zijn financiële belangen waar te nemen en dat momenteel van psychiatrie in engere zin geen sprake meer is. Ook volgens de verklaring van de psychiater van 2 februari 2017 is bij de rechthebbende geen sprake van psychiatrische problematiek in engere zin. De psychiater acht hem adequaat in het contact en goed in staat om zelf zijn eigen belangen te behartigen. Het hof kent aan deze beide, relatief recente verklaringen een zwaarder gewicht toe dan aan de twee door de bewindvoerder overgelegde emailberichten van het maatschappelijk werk van 5 februari 2016 en 31 oktober 2016. Uit het eerste emailbericht kan het hof slechts afleiden dat de rechthebbende destijds door het maatschappelijk werk als zorg mijdend werd ervaren en dat daarover zorgen bestonden. Uit het tweede bericht valt niet meer af te leiden dan dat toen volgens het maatschappelijk werk sprake leek te zijn van manisch gedrag bij de rechthebbende.

Met betrekking tot de gemaakte belkosten overweegt het hof dat de rechthebbende weliswaar omstreeks oktober 2016 zeer hoge belkosten heeft gemaakt door het bellen naar één bepaald nummer (volgens de bewindvoerder een sekslijn, volgens de rechthebbende een servicelijn vanuit een datingsite), maar dat er volgens de verklaring van de bewindvoerder ter zitting van hoge belkosten na oktober 2016 geen sprake meer is geweest; de betaling van een zeer groot bedrag aan KPN in februari 2017 zag op de in oktober 2016 gemaakte belkosten.

De rechthebbende heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij sinds begin 2017 niet meer met het bewuste nummer heeft gebeld nadat hem via informatie op het internet was gebleken dat hem met het bellen naar dit nummer geld wordt ontfutseld.

De verzoeken om extra gelden (naast het leefgeld) ter dekking van reiskosten vinden volgens de rechthebbende onder meer hun oorzaak in de regelmatige bezoeken aan zijn ernstig zieke vriendin in België en het academisch ziekenhuis in [vestigingsplaats] vanwege lichamelijke klachten als gevolg van een ongeval in augustus 2016. Deze verklaring acht het hof niet onaannemelijk. Bovendien heeft de rechthebbende, gelet op zijn inkomsten uit zijn pensioen en zijn AOW-uitkering van in totaal ruim € 3.000,- netto per maand, de financiële ruimte om deze kosten te maken.

Vast staat dat het minnelijke traject tot afbetaling van de in het verleden ontstane schulden rond januari 2017 met succes is afgerond. Er zijn geen schulden meer. De rechthebbende heeft inmiddels een spaarsaldo van bijna € 15.000,-.

3.10.3.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat er geen noodzaak tot bewind meer bestaat. Het feit dat de rechthebbende ervoor kiest in de beginfase na de opheffing van het bewind een financieel adviseur in te schakelen, ziet het hof – anders dan de bewindvoerder – niet als een contra-indicatie voor opheffing. Het is begrijpelijk, en verstandig, dat de rechthebbende bij het weer zelfstandig oppakken van de financiële administratie, in de beginfase een financieel deskundige wil laten meekijken en adviseren.

3.10.4.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind, vernietigen en dit verzoek alsnog toewijzen, zoals hierna in het dictum omschreven. Het hof komt daarmee niet meer toe aan de beoordeling van het door de rechthebbende in hoger beroep gedane subsidiaire verzoek.

3.10.5.

Het hof zal hierna voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, in verband met aantekening in het Centraal Curatele- en bewindregister.

4 De beslissing

Het hof:

inzake het verzoek ex artikel 223 Rv (met zaaknummer 200.211.517/02)

verklaart de rechthebbende niet-ontvankelijk in dit verzoek;

in de zaak met zaaknummer 200.211.517/01

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 13 december 2016 voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

heft op, met ingang van de dag na de datum van deze beschikking, het bij beschikking van

30 juli 2012 uitgesproken bewind over de goederen van:

[curandus] , geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] 1950, wonende aan de [adres] te [postcode] [woonplaats] ;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, in verband met aantekening in het Centraal Curatele- en bewindregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, H. van Winkel, P.P.M. van Reijsen en is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.