Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3967

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
200.195.190_01 200.195.204_01 200.195.206_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie;

Verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.195.190/01, 200.195.204/01 en 200.195.206/01

zaaknummer rechtbank : C/01/302429 / FA RK 15-6878

beschikking van de meervoudige kamer van 14 september 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J. Zeegers te ‘s-Hertogenbosch,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.J.M.P. Hoppers te Horst.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 april 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 13 juli 2016 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2.

De vrouw heeft op 12 oktober 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een V6-formulier van de zijde van de vrouw van 7 juli 2017 met bijlagen, ingekomen op 7 juli 2017;

- een V6-formulier van de zijde van de man van 7 juli 2017 met bijlagen, ingekomen op 10 juli 2017.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 19 juli 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting een pleitnota met daaraan gehecht een draagkrachtberekening overgelegd.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de navolgende feiten.

3.2.

Partijen zijn op 9 juli 1998 te Weert na het opstellen van huwelijkse voorwaarden (op 1 juli 1998) gehuwd. De huwelijkse voorwaarden bevatten, kort gezegd, een uitsluiting van iedere vermogensrechtelijke gemeenschap en een verrekenbeding.

3.3.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. Ten tijde van de huwelijkssluiting bezat de man de Macedonische nationaliteit. De vrouw stelt dat de man thans, naast de Nederlandse, de Joegoslavische en de Macedonische nationaliteit bezit.

3.4.

Partijen zijn de ouders van:

- [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] en

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] .

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang:

- tussen partijen de echtscheiding uitgesproken;

- bepaald dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] , [postcode] [woonplaats van de vrouw] (hierna ook: de woning) te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot aan de levering c.q. eigendomsoverdracht van de woning doch niet langer dan zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

- bepaald dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan de overdracht van de woning aan de vrouw voor een bedrag ter hoogte van € 350.000,--, waarbij de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypotheek zal worden ontslagen;

- bepaald dat als de man niet zijn medewerking zal verlenen aan de overdracht van de woning, deze beschikking in de plaats zal treden van de voor de levering c.q. eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaringen zijdens de man;

- bepaald dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt.

4.2.

De man kan zich niet verenigen met deze beslissing voor zover het betreft de toedeling van de woning aan de vrouw tegen een waarde van € 350.000,--. De man verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek een onafhankelijk makelaar te benoemen die de onderhandse verkoopwaarde van de woning voor partijen bindend vaststelt, waarna de woning tegen de door de makelaar vastgestelde onderhandse verkoopwaarde aan de vrouw toegedeeld wordt.

Voorts verzoekt de man bij wijze van zelfstandig verzoek te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand € 4.000,-- bruto per maand aan partneralimentatie aan de man dient te betalen.

De vrouw verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen, behoudens het verzoek tot het benoemen van een onafhankelijk taxateur.

4.3.

In het beroepschrift wordt vernietiging van de gehele bestreden beschikking verzocht (‘vol appel’). Nu evenwel, zoals ter zitting is gebleken, de echtscheiding op 4 oktober 2017 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en de man geen grieven heeft aangevoerd tegen de bij de bestreden beschikking uitgesproken echtscheiding en de andere beslissingen dan die ter zake de onderhandse verkoopwaarde van de woning, zal het hof het verzoek van de man als ingetrokken beschouwen, zodat daar niet op behoeft te worden beslist.

5 De motivering van de beslissing

Echtelijke woning

5.1.

Partijen zijn het erover eens dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld. De man is het niet eens met de door de rechtbank toegekende waarde van de woning.

Ter zitting van het hof is na bespreking van hetgeen partijen in deze procedure verdeeld hield, de mondelinge behandeling enige tijd geschorst geweest teneinde partijen in de gelegenheid te stellen in onderling overleg een regeling te bereiken.

Na hervatting van de mondelinge behandeling hebben partijen aan het hof verklaard dat zij zijn overeengekomen [Makelaars & Taxateurs] Makelaars & Taxateurs te [vestigingsplaats] te benaderen ter vaststelling van de onderhandse verkoopwaarde van de woning, waarna zij op basis van de uitkomst daarvan met elkaar in overleg gaan over de afwikkeling van de woning en de inboedel waarbij als vertrekpunten gelden:

- de eigendomsverhouding met betrekking tot de woning van 40% (man)/60% (vrouw);

- de vordering van de vrouw op de man ad € 81.103,--.

5.2.

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigen. Het hof zal nu het verzoek van de man tot betaling van partneralimentie beoordelen.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.3.1.De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en de man heeft (naar de stelling van de vrouw) zowel de Nederlandse nationaliteit als de Joegoslavische en de Macedonische nationaliteit. Dit brengt met zich de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is van de zaak kennis te nemen.

5.3.2.

Ingevolge art. 3 sub c van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen) is de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie.

5.3.3.

Op dit verzoek is ingevolge artikel 15 van de Alimentatieverordening jo. art. 3 van het Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is Nederlands recht van toepassing, nu de man in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft.

Behoefte man

5.4.1.

De vrouw komt op tegen de door de man op basis van de hofformule vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte ad € 6.600,--. Zij betwist primair dat de behoefte van de man op grond van de hofformule vastgesteld dient te worden, waartoe zij aanvoert dat de vaststelling van de behoefte maatwerk is waarbij volgens de jurisprudentie alle relevante omstandigheden in aanmerking dienen te worden genomen. De vrouw stelt dat de man zijn behoefte onvoldoende heeft onderbouwd en op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt wat zijn huidige lasten zijn. Subsidiair stelt zij dat de man bij de vaststelling van de behoefte volgens de hofnorm geen rekening heeft gehouden met de kosten van de kinderen ad € 1.455,-- per maand.

5.4.2.

Het hof stelt voorop dat, naar de vrouw met juistheid betoogt, volgens vaste jurisprudentie bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

Het hof verwerpt evenwel het betoog van de vrouw dat het verzoek van de man moet worden afgewezen omdat hij zijn huwelijksgerelateerde behoefte niet voldoende heeft onderbouwd. Vast staat dat de vrouw gedurende het huwelijk inkomen verwierf als gynaecoloog en dat de man een WIA uitkering had. Partijen en hun kinderen leefden van deze inkomens.

Ook staat vast dat de man thans een WIA uitkering geniet. Het hof is van oordeel dat de vrouw, gelet op deze omstandigheden, onvoldoende concreet heeft gemotiveerd waarom in de onderhavige zaak de huwelijksgerelateerde behoefte niet dient te worden berekend overeenkomstig de hofnorm. De enkele stelling van de vrouw dat het bij het vaststellen van de behoefte om maatwerk gaat is hiertoe onvoldoende.

Gelet op het voorgaande zal het hof de hofnorm in deze zaak tot uitgangspunt nemen, waarbij het hof uitgaat van het zijdens de vrouw gestelde en door de man niet betwiste gezinsinkomen van € 6.000,-- netto per maand. Rekening houdend met de evenmin door de man betwiste hiervóór (rov. 5.6.) genoemde kosten van de kinderen, becijfert het hof de huwelijksgerelateerde behoefte van de man aldus op (6.000 minus 1.455 x 60% =) € 2.727,-- netto per maand.

Per 1 januari 2017 bedraagt de naar analogie van artikel 1:402a lid 1 BW geïndexeerde huwelijksgerelateerde behoefte van de man € 2.820,46 per maand.

Aanvullende behoefte man

5.5.1.

De vrouw stelt dat de man (gedeeltelijk) in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, waarbij zij onder meer verwijst naar neveninkomsten van de man uit handel en het feit dat de man in aanmerking komt voor toeslagen.

5.5.2.

Het hof overweegt als volgt. Blijkens de van de zijde van de man overgelegde betaalspecificatie over januari 2017 ontvangt de man een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 1.026,82 netto per maand. Hoewel uit de zijdens de man overgelegde bankafschriften blijkt dat de man daarnaast in de maanden februari en maart 2017 inkomsten uit handel heeft gegenereerd, is het hof ter zitting in hoger beroep genoegzaam gebleken dat de man (thans) de vaardigheden mist om structureel inkomsten uit handel te genereren. De man heeft voorts aannemelijk verklaard dat hij niet in staat is toeslagen aan te vragen. Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat de man twee huizen in Macedonië bezit en ook aldaar, een bank- en spaarrekening heeft, heeft zij daarvan geen bewijzen overgelegd en er overigens ook geen gevolgen aan verbonden, zodat het hof daar nu dan ook geen rekening mee zal houden.

Gelet op het voren overwogene becijfert het hof de aanvullende behoefte van de man aldus op (2.820,46 minus 1.026,82 =) € 1.793.64 netto per maand.

Draagkracht vrouw

5.6.1.

De vrouw stelt dat haar draagkracht niet toereikend is om enige alimentatie te betalen, Ter onderbouwing van haar stelling heeft de advocaat van de vrouw ter zitting van het hof een draagkrachtberekening (aangehecht aan de pleitnota) overgelegd.

De man heeft met betrekking tot deze draagkrachtberekening slechts de reiskosten van de zoon van partijen ad € 156,-- per maand (post 134) betwist.

5.6.2.

Het hof concludeert dat, gezien de uitkomst van de draagkrachtberekening zoals zijdens de vrouw overgelegd (waarbij de vrouw een draagkracht heeft voor partneralimentatie van minus € 1.202,--), óók indien met de reiskosten van de zoon van partijen geen rekening wordt gehouden, de vrouw niet de draagkracht heeft om enig bedrag te betalen ter voorziening in het levensonderhoud van de man. Het hof zal het daartoe strekkend verzoek van de man dan ook afwijzen.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, (gedeeltelijk) vernietigen en beslissen als hieronder aangegeven.

6.2.

Het hof zal voorts de proceskosten in hoger beroep /beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de echtelijke woning en de bijdrage in het levensonderhoud van de man betreft.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 april 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend voor zover het (de waarde van) de echtelijke woning betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat partijen zich wenden tot [Makelaars & Taxateurs] Makelaars & Taxateurs te [vestigingsplaats] ter vaststelling van de onderhandse verkoopwaarde van de woning;

verstaat dat partijen op basis van de uitkomst van voornoemde taxatie met elkaar in overleg gaan over de afwikkeling van de woning en de inboedel waarbij als vertrekpunten gelden:

- de eigendomsverhouding met betrekking tot de woning van 40% (man)/60% (vrouw);

- de vordering van de vrouw op de man ad € 81.103,--;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep/beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.R. Autar en is op 14 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.