Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3962

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
200.196.180_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; schulden; draagplicht schulden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 14 september 2017

Zaaknummer: 200.196.180/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/03/201784 FA RK 15-290 en C/03/210603/FA RK 15-2954

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.C. van Heerd,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S. Smeets.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 29 april 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, tevens vermeerdering van verzoek, met producties, ingekomen ter griffie op 19 juli 2016, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen als volgt:

1. dat partijen beiden voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de schuld bij de vader van de vrouw van € 60.112,12, alsmede ten aanzien van schuld bij de ouders van de man van € 40.654,--;

2) dat de vrouw de schuld aan haar vader van € 60.112,12 dient te voldoen;

3) dat de man de schuld aan zijn ouders van € 40.654,-- dient te voldoen;

4) dat vanaf het moment dat de vrouw de volledige schuld aan haar vader heeft voldaan, de man gehouden is, tegen een deugdelijk bewijs van finale kwijting, aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 9.729,06;

5) te bepalen dat de man uit hoofde van regres c.q. op basis van art. 6:212 BW aan de vrouw dient te voldoen een bedrag groot € 401,-- in verband met de door de vrouw betaalde aanslag IB 2013;

6) met compensatie van proceskosten.

2.2.

Bij verweerschrift tevens houdende vermeerdering van eis, met producties, ingekomen ter griffie op 5 september 2016, heeft de man verzocht de vrouw in haar grieven niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen als zijnde ongegrond en ongemotiveerd.

Tevens heeft de man – naar het hof begrijpt – incidenteel appel ingesteld, waarbij hij zijn verzoek in eerste aanleg heeft vermeerderd in die zin dat hij verzoekt:

primair

1. te bepalen dat de vrouw de woning, staande en gelegen te [postcode] [woonplaats van de vrouw] aan de [adres 1] , binnen zeven dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, met personen en zaken te verlaten en te ontruimen en met afgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van de man moet stellen met een machtiging om bij gebreke daarvan de ontruiming te bewerkstelligen door een deurwaarder, desnoods met behulp van de sterke arm en op kosten van de vrouw;

2) te bepalen dat, indien de vrouw niet voldoet aan het voorgaande, zij een dwangsom verbeurt van € 500,-- per dag, met ingang van de achtste dag na betekening van het vonnis;

3) de man te machtigen tot het te gelde maken van de voormalige echtelijke woning, staande en gelegen te [postcode] [woonplaats van de vrouw] aan de [adres 1] ;

4) de man te machtigen om alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van de woning staande en gelegen te [postcode] [woonplaats van de vrouw] aan de [adres 1] ;

5) te bepalen dat de onderhavige beschikking van het hof in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van het onroerende goed noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw;

6) de in dezen te wijzen beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

subsidiair

1. te bepalen dat de vrouw de woning, staande en gelegen te [postcode] [woonplaats van de vrouw] aan de [adres 1] , dient te onderhouden, alsmede dat de woning aan een derde dient te worden verkocht in dezelfde staat als volgt uit de foto’s van de makelaar;

2) de vrouw te veroordelen om binnen 5 dagen na datum beschikking haar medewerking te verlenen aan een verlaging van de vraagprijs naar € 289.000,--, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,--;

3) de vrouw te veroordelen om iedere drie maanden haar medewerking te verlenen aan een verlaging van de vraagprijs met € 10.000,-- per drie maanden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag voor iedere dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,--;

4) de in dezen te wijzen beschikking voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 18 oktober 2016, heeft de vrouw verzocht het incidenteel appel van de man af te wijzen als zijnde rechtens ongegrond en onbewezen, kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 mei 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Van Heerd;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Smeets.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 26 november 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 23 september 2016

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 21 april 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 24 april 2017.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 12 september 2014 te Venlo met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

3.2.1.

Op 30 januari 2015 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Limburg.

3.2.2.

Bij (tussen)beschikking van 30 juli 2015 heeft de rechtbank Limburg onder meer de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 14 augustus 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking heeft de rechtbank de beslissing ten aanzien van de partnerbijdrage en de verdeling aangehouden.

3.2.3.

Bij (tussen)beschikking van 26 november 2015 heeft de rechtbank – voor zover in hoger beroep van belang – de vrouw toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden, waaruit het bestaan van de door haar gestelde leningen van haar vader aan haar (respectievelijk groot € 58.000,--- en € 3.114,--) komt vast te staan. Ten aanzien van de echtelijke woning aan de [adres 1] te [woonplaats van de vrouw] hebben partijen overeenstemming bereikt als in rov. 2.4 van die beschikking weergegeven.

3.3.

Bij de bestreden (eind)beschikking van 29 april 2016 heeft de rechtbank:

- de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vastgesteld:

  • -

    conform hetgeen waarover partijen overeenstemming hebben bereikt, zoals opgenomen in de (tussen)beschikking van de rechtbank Limburg van 26 november 2014 onder punt 2.4;

  • -

    vastgesteld dat partijen beiden voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld bij de ouders van de man (totaal € 40.654,--), waarbij de man deze schuld aan zijn ouders dient te voldoen, onder vrijwaring van de vrouw, terwijl de vrouw aan de man een bedrag van € 20.327,-- dient te voldoen, welk bedrag zal worden verhoogd met een rente van 8% over € 18.827,-- vanaf 30 januari 2015 tot het moment waarop zij dit bedrag van € 18.827,-- aan de man heeft voldaan;

  • -

    bepaald dat elke partij de eigen kosten van de procedure draagt;

  • -

    het meer of anders verzochte afgewezen.

3.4.

Partijen kunnen zich (op onderdelen) met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vrouw heeft in haar principaal appel vier grieven gericht tegen de bestreden beschikking. Voorts heeft zij haar verzoek vermeerderd, zoals hiervóór weergegeven in rov. 2.1 onder punt 5. De man heeft in zijn incidenteel appel geen grieven gericht tegen de beschikking waarvan beroep, maar zijn verzoek vermeerderd zoals hiervóór in rov. 2.2 weergegeven. De grieven van de vrouw zien op de volgende onderwerpen.

  • -

    de schuld bij de vader van de vrouw (grief 1 en 2 principaal appel);

  • -

    de schuld bij de ouders van de man (grief 3 en 4 principaal appel);

  • -

    aanslag IB 2013 (vermeerdering verzoek van de vrouw);

De vermeerdering van het verzoek van de man ziet op de verkoop van de echtelijke woning.

3.6.

Het hof zal de onderwerpen hierna bespreken.

3.7.

De schuld bij de vader van de vrouw (grief 1 en 2 principaal appel)

3.7.1.

De grieven 1 en 2 van de vrouw zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat ter zake van de bedragen van € 58.000,-- en € 3.114,-- geen sprake is van een lening met een terugbetalingsverplichting, maar van het ter beschikking stellen van gelden als een voorschot op de erfenis. Ter toelichting op haar grieven voert de vrouw – kort samengevat – het volgende aan.

De afgelopen jaren heeft de vrouw een bedrag van in totaal € 58.694,60 van haar vader geleend in verband met de aanschaf, renovatie en het later kunnen aanhouden/overnemen van de woning aan de [adres 2] te [woonplaats van de vrouw] . Er is wel degelijk sprake van een overeenkomst van geldlening en niet van een schenking. Dit blijkt onder andere uit de bewoordingen van de overeenkomst van geldlening (overgelegd als productie 7 bij het verweerschrift van de vrouw in eerste aanleg), alsook uit de in eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen.

De vrouw en haar vader hebben de verschillende geleende bedragen in eerste instantie bijgehouden op een lijst (overgelegd als productie 24 bij de conclusie na enquête van de vrouw in eerste aanleg). Later in 2011 – dat wil zeggen nadat nog een bedrag van € 30.000,-- was bij geleend – hebben de vrouw en haar vader een en ander nader vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij is gebruik gemaakt van een standaard leningsovereenkomst van internet. Omdat de vader van de vrouw geen rente wilde vragen, is ook geen rente overeengekomen. Om in ieder geval duidelijk te hebben dat het bedrag zou moeten worden terugbetaald – in het laatste geval bij het overlijden van de vader – is opgenomen dat in ieder geval verrekening plaats vindt bij de erfenis. Dit neemt niet weg dat zowel de vrouw alsook haar vader hebben verklaard dat was overeengekomen dat zou worden terugbetaald als daartoe de mogelijkheid bestond.

3.7.2.

De man voert hiertegen – kort samengevat – het volgende verweer. Er is geenszins sprake van een overeenkomst van geldlening. Naar aanleiding van de in eerste aanleg gehouden getuigenverhoren constateert de man dat de artikelen 1 en 2 van de leningsovereenkomst niet overeenstemmen met de feitelijke uitvoering die de vrouw en haar vader aan de overeenkomst hebben gegeven. Uit de getuigenverklaringen van de vrouw en haar vader volgt onder meer dat zij niet eenduidig kunnen verklaren omtrent de tijdstippen, doelen en de wijze van ter beschikkingstelling van de bedragen. Verder ontbreekt in de leningsovereenkomst iedere aflossingsverplichting aan de zijde van de vrouw en is zij met haar vader nadrukkelijk overeengekomen dat er geen rente zal worden gevorderd. Derhalve kan de leningsovereenkomst niet worden gekwalificeerd als een geldleningsovereenkomst, maar slechts als een overeenkomst tot kapitaalverschaffing/schenking. De gestelde betalingen kunnen ook niet bewezen worden. Op geen enkele wijze is namelijk onderbouwd c.q. bewezen dat de betalingen daadwerkelijk door de vrouw ontvangen zijn.

3.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

De lening van € 58.000,-- (grief 1)

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en na eigen beoordeling tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een lening met een terugbetalingsverplichting, maar van het ter beschikking stellen van gelden als een voorschot op de erfenis.

De vader van de vrouw heeft ter gelegenheid van het in eerste aanleg gehouden getuigenverhoor (proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 november 2015) verklaard dat het juist is dat hij in 2011 ernstig ziek is geweest en dat dat mede aanleiding is geweest om in 2011 de geldleningsovereenkomst op te stellen met betrekking tot de door hem aan de vrouw verstrekte geldbedragen in de jaren daaraan voorafgaand, met de bedoeling dat wanneer de vader zou komen te overlijden bij het openvallen van de erfenis de drie kinderen de lening van de vrouw bij de verdeling zouden betrekken.

Ook de verklaring van de vader van de vrouw ten aanzien van het uitdrukkelijk niet van toepassing verklaren in de geldleningsovereenkomst van de bepaling met betrekking tot het vervroegd aflossen van de geldlening (art. 9 van de leningsovereenkomst) duidt er op dat de gelden zijn verstrekt als voorschot op de erfenis. De vader van de vrouw heeft immers verklaard dat hij bij voormeld art. 9 ‘niet van toepassing’ heeft gezet omdat hij er “zelf niet in geloofde dat zij (de vrouw, hof) op korte termijn zou kunnen aflossen gelet op de financiële problemen” en “gelet op mijn ziektebeeld en levensverwachting ga ik er ook van uit dat een aflossingsverplichting niet relevant is. Ik ga ervan uit dat bij erfenis verrekend wordt.”

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, maakt dan ook dat het hof het oordeel van de rechtbank deelt dat de vrouw niet is geslaagd in het leveren van het bewijs van haar stelling dat er ten aanzien van het door haar vader ontvangen geldbedrag van in totaal € 58.000,-- sprake is van een lening. Het door de vrouw als productie 20 bij haar beroepschrift in het geding gebrachte testament van haar vader, verleden op 27 juni 2016, waarin melding wordt gemaakt van de door de vrouw gestelde lening van € 58.000,--, doet daaraan niet af, nu het testament pas achteraf is opgemaakt, ver nadat de geldverstrekkingen aan de vrouw hebben plaatsgevonden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 1 van de vrouw faalt.

De lening van € 3.114,-- (grief 2)

Met betrekking tot de door de vrouw gestelde lening van € 3.114,--, welk bedrag de vrouw in eerste aanleg heeft verminderd tot een bedrag van € 1.417,52, nadat haar vader als getuige had verklaard dat de door hem betaalde kosten aangaande de bruiloft van partijen een gift was geweest, is het hof van oordeel dat de vrouw ook in hoger beroep er niet in is geslaagd aan te tonen dat laatstgenoemd bedrag van € 1.417,52 een lening betreft. In eerste aanleg heeft de vader van de vrouw als getuige verklaard dat hij zijn dochter en de man financieel wilde uithelpen vanwege financiële problemen rondom hun huwelijk, alsmede ten aanzien van het voldoen van hypotheekverplichtingen. Ook heeft hij verklaard dat hij tegen partijen heeft gezegd dat hij er altijd voor hen zou zijn, indien er sprake zou zijn van “financiële problemen rondom de hypotheek en het wonen.” Naar het oordeel van het hof, duiden deze verklaringen er veeleer op dat de vader van de vrouw voormeld bedrag van € 1.417,52 aan partijen heeft geschonken. Het hof concludeert aldus, evenals de rechtbank, zij het op andere gronden, dat niet gesproken kan worden van een lening. Mitsdien faalt ook grief 2 van de vrouw.

3.8.

De schuld bij de ouders van de man (grief 3 en 4 principaal appel)

3.8.1.

De grieven 3 en 4 van de vrouw houden in dat de rechtbank ten onrechte:

(1) de schuld bij de ouders van de man heeft aangemerkt als een lening waaraan de vrouw dient mee te betalen;

(2) heeft bepaald dat de vrouw ter zake van de schuld bij de ouders van de man, aan de man een bedrag van € 20.327,-- moet voldoen;

(3) heeft bepaald dat voormeld bedrag van € 20.327,-- moet worden vermeerderd met 8% rente over € 18.827,--, te berekenen vanaf 30 januari 2015 tot het moment waarop dit bedrag door de vrouw aan de man is betaald.

Ter toelichting op haar grieven voert de vrouw – kort samengevat – het volgende aan.

Ad (1) Het is juist dat de man bij zijn ouders een bedrag heeft geleend van € 40.654,--, welk bedrag bestaat uit twee afzonderlijke leningen van respectievelijk € 37.654,-- (lening 1) en € 3.000,-- (lening 2). Ten aanzien van schuld 1 bestaat blijkens de overeenkomst van geldlening geen aflossingsverplichting. Immers, de man kan aflossen, maar is hiertoe niet verplicht (zie art. 3.1 en 3.2 van de overeenkomst van geldlening). Feitelijk wordt er door de man ook niet op deze lening afgelost. Ook lening 2 is, ondanks het verstrijken van de uiterste betalingstermijn, niet betaald. Nu de rechtbank ten aanzien van de lening van de vrouw bij haar vader heeft overwogen dat deze niet als een lening valt te kwalificeren nu er geen terugbetalingsverplichting geldt, geldt dit onverkort ook ten aanzien van de schuld van de man aan zijn ouders, althans in ieder geval voor lening 1. Of er is sprake van een lening – ongeacht een termijn waarbinnen moet worden terugbetaald – en in dat geval moet de lening van de vrouw bij haar vader op dezelfde manier worden gekwalificeerd als de lening van de man zijn ouders. Of er is geen sprake van een lening van de man bij zijn ouders – in dat geval bestaat er ook geen verplichting voor de vrouw daaraan mee te betalen.

Ad (2) Indien beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de lening van de man bij zijn ouders, geldt overeenkomstig art. 6:10 lid 2 BW dat pas op het moment dat de man meer dan zijn aandeel in de schuld heeft voldaan, er een regresvordering op de vrouw ontstaat voor het meerdere. Er is echter geen enkele wettelijke grondslag om – voordat de situatie als bedoeld in art. 6:10 lid 2 BW zich voordoet – al te bepalen dat de vrouw gehouden is een (mogelijke) toekomstige regresvordering aan de man te voldoen.

Ad (3) Nu de vrouw niet gehouden is op basis van een (nog) niet bestaande regresvordering enig bedrag aan de man te voldoen, is zij ook niet gehouden de door de rechtbank genoemde rente van 8% per jaar te voldoen. Zelfs indien een regresvordering zou bestaan, is de vrouw niet gehouden om aan de man 8% rente te voldoen over € 20.327,--. Enerzijds niet omdat de man feitelijk minder rente betaalt, omdat hij altijd de rente voor een deel terugkrijgt van zijn ouders en anderzijds omdat de lening van € 3.000,-- (lening 2) niet rentedragend is. De man betaalt over deze lening ook geen rente. Niet valt in te zien waarom de vrouw wel 8% rente zou moeten betalen.

3.8.2.

De man voert hiertegen – kort samengevat – het volgende verweer. De vrouw komt terug van haar eerdere standpunt, inhoudende dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de schuld aan de ouders van de man. Aangezien het feit dat de vrouw zelf heeft verzocht om de helft van de schuld bij de ouders van de man aan de man te voldoen, dient de grief reeds om die reden al te worden verworpen. Anders dan door de vrouw wordt betoogd, wordt er wel degelijk door de man afgelost op de lening bij zijn ouders. De ouders van de man hebben nadrukkelijk te kennen gegeven dat de lening terugbetaald dient te worden en dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat zij bij de erfenis wordt verrekend. Er is dan ook wel degelijk sprake van een terugbetalingsverplichting. Ter zake van de rente stelt de man zich nadrukkelijk op het standpunt dat een rente is overeengekomen, dat deze rente ook is betaald, alsmede dat er geen sprake is van een andere afspraak voor de toekomst. Dat de ouders van de man hebben besloten om de man een gift toe te kennen van € 127,-- per maand, doet niet af aan de renteverplichting die op de man rust.

3.8.3.

Het hof overweegt als volgt.

Ad (1) Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de tussen de man en zijn ouders gesloten geldleningsovereenkomst niet kan worden aangemerkt als een geldlening.

Anders dan de vrouw betoogt, blijkt uit artikel 1.2. van de tussen de man en zijn ouders gesloten geldleningsovereenkomst (productie 20 bij het aanvullend verzoekschrift van de man in eerste aanleg) dat er sprake is van een aflossingsverplichting. Het feit dat in de overeenkomst geen datum is bepaald waarop de lening moet zijn afgelost alsmede de stelling van de vrouw dat de man niet op de lening zou aflossen (hetgeen door de man voldoende gemotiveerd is weersproken), doet aan het bestaan van die aflossingsverplichting echter niet af. In zoverre faalt de grief van de vrouw.

Ad (2) Tussen partijen is niet in geschil dat de hoogte van de schuld bij de ouders van de man in totaal € 40.654,-- bedraagt Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat het verzoek van de man tot veroordeling van de vrouw om aan hem de helft van de schuld aan zijn ouders te voldoen niet kan worden toegewezen. Vast staat slechts dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld en dat de man regres heeft op de vrouw voor zover hij meer dan helft van deze schuld, zijnde een bedrag van € 20.327,- aantoonbaar aan zijn ouders heeft voldaan (of dit bedrag voor hem anderszins wordt gedelgd) en de schuld dientengevolge in zoverre daadwerkelijk teniet is gegaan. Het hof zal aldus bepalen.

Ad (3) Het hof is van oordeel dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende heeft aangetoond dat hij de netto maandelijkse rente van € 127,-- in de verhouding tot zijn ouders daadwerkelijk voor zijn rekening dient te nemen. De redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen ex-echtgenoten beheersen brengen met zich dat van de vrouw niet verwacht kan worden dat zij wel gehouden is tot het betalen van rente aangaande de schuld bij de ouders van de man. In zoverre slaagt dan ook de grief van de vrouw.

3.9.

Aanslag IB 2013 (vermeerdering verzoek van de vrouw)

3.9.1.

Bij wijze van vermeerdering van verzoek heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man uit hoofde van regres c.q. op basis van art. 6:212 BW aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 401,-- in verband met de door de vrouw betaalde aanslag IB 2013 van € 802,--.

Aangezien partijen in 2013 fiscaal partner waren en gezamenlijk belastingaangifte hebben gedaan en ook gezamenlijk de eerdere belastingteruggaaf over 2013 hebben ontvangen, zijn partijen ook gezamenlijk gehouden deze schuld te voldoen.

3.9.2.

De man stelt zich op het standpunt dat de door de vrouw gestelde aanslag IB 2013 mag worden verrekend met het bedrag van € 20.327,-- dat de vrouw aan de man verschuldigd is.

3.9.3.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het verweer van de man leidt het hof af dat hij het eens is met de vrouw dat hij ter zake van de door de vrouw betaalde aanslag IB 2013 aan haar nog een bedrag dient te voldoen van € 401,--, zijnde de helft van het totaalbedrag van de door de vrouw betaalde aanslag van € 802,--. Aldus zal het hof bepalen.

3.10.

Verkoop echtelijke woning (vermeerdering verzoek van de man)

3.10.1.

Bij wijze van vermeerdering van verzoek, verzoekt de man primair te bepalen dat de vrouw tot ontruiming van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats van de vrouw] over dient te gaan. Tevens verzoekt hij om de woning zelfstandig te mogen verkopen. Voor zover het primaire verzoek niet kan worden toegewezen, verzoekt de man subsidiair te bepalen dat de vrouw gehouden is de woning te onderhouden, alsmede dat de woning aan een derde dient te worden verkocht in dezelfde staat als volgt uit de foto’s van de makelaar. Tevens verzoekt hij om de vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan een verlaging van de vraagprijs, onder verbeurte van een dwangsom.

Ter toelichting op zijn primaire en subsidiaire verzoek voert de man – kort samengevat – het volgende aan.

De vrouw houdt de verkoop van de woning tegen. Zo weigert zij haar medewerking te verlenen aan het maken van nieuwe foto’s door de makelaar. De man is echter gebaat bij een spoedige verkoop van de woning. Immers, de man wordt thans geconfronteerd met dubbele hypothecaire lasten. Verder stelt de man zich op het standpunt dat gezien het feit dat er thans nog geen kijkers voor de woning zijn geweest, de vraagprijs voor de woning te hoog is. Derhalve dient de vrouw haar medewerking te verlenen aan het verlagen van de vraagprijs van de woning, eens per drie maanden en telkens met een bedrag van € 10.000,--, onder verbeurte van een dwangsom.

3.10.2.

De vrouw voert hiertegen verweer. Zij stelt zich op het standpunt dat zowel de primaire als de subsidiaire verzoeken van de man moeten worden afgewezen. De vrouw ontkent uitdrukkelijk dat zij de verkoop van de woning tegenwerkt. Ook de vrouw heeft belang bij een spoedige verkoop van de woning, maar niet tegen iedere prijs. Aangezien de vrouw mede draagplichtig is ten aanzien van een eventuele restschuld, heeft zij er belang bij dat de woning wordt verkocht voor een zo hoog mogelijke prijs. Daarnaast woont de vrouw samen met haar kinderen in de woning. Zij heeft er, mede gelet op het belang van haar kinderen aan stabiliteit, alle belang bij om tot de verkoop van de woning in die woning te kunnen blijven wonen.

3.10.3.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof constateert dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg bij vonnis in kort geding van 20 december 2016 (door de man in het geding gebracht als productie 14 bij V6-formulier d.d. 21 april 2017), eerder al heeft beslist op de hiervóór in rov. 2.2 weergegeven primaire als subsidiaire verzoeken van de man aangaande de woning. Kortheidshalve verwijst het hof daarnaar. Gesteld noch gebleken is dat zich sedertdien feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, die aanleiding geven thans anders te oordelen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan. Derhalve zal het hof de verzoeken van de man afwijzen.

3.11.

Proceskosten

De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 april 2016, doch uitsluitend voor zover daarbij is beslist dat de vrouw aangaande de schuld aan de ouders van de man, aan de man dient te voldoen een bedrag van € 20.327,--, te verhogen met een rente van 8% over € 18.827,-- vanaf 30 januari 2015 tot het moment waarop zij dit bedrag van € 18.827,-- aan de man heeft voldaan,

en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn met betrekking tot de schuld aan de ouders van de man van in totaal € 40.654,-- ;

bepaalt dat, voor zover de man meer dan de helft van de hier bedoelde schuld aan zijn ouders heeft voldaan, hij tot het bedrag van dat meerdere regres heeft op de vrouw;

veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 401,--, zijnde de helft van de door de vrouw betaalde aanslag IB 2013 van € 802,--;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en C.M.E. de Koning en is op 14 september 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. A.C. Kaemingk, griffier.