Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3960

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
11-10-2017
Zaaknummer
200.174.123_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4205
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2717
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; huwelijkse voorwaarden; verrekening; vergoedingsrechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 14 september 2017

Zaaknummer: 200.174.123/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/275198 / FA RK 13/8088

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. R. Zwamborn, thans geen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.A.M. van Dooren.

5 De beschikking d.d. 22 september 2016

Bij die beschikking heeft het hof de man toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij gelden heeft onttrokken aan zijn vermogen ten behoeve van de onderneming van de vrouw (als nader omschreven in rov. 3.7.4 van die beschikking).

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- de akte na tussenbeschikking tevens houdende overleggen producties van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 5 oktober 2016;

- de antwoordakte, tevens houdende overleggen van producties van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 21 oktober 2016;

- het faxbericht van de man, ingekomen ter griffie op 8 mei 2017, met het opschrift “Antwoordakte, reactie op ingebrachte stukken advocaat van Doorn”;

- het V2-formulier d.d. 16 mei 2017 zijdens de man (onttrekking mr. Zwamborn);

- de brief van de advocaat van de vrouw van 18 mei 2017 (reactie op onttrekking mr. Zwamborn).

7 De verdere beoordeling

7.1.

In de tussenbeschikking van 22 september 2016 heeft het hof in rov. 3.4 overwogen welke onderwerpen ter beslissing aan het hof zijn voorgelegd. Voor een aantal onderwerpen geldt dat in de tussenbeschikking reeds een eindbeslissing is gegeven. Het betreft de volgende geschilpunten:

  • -

    de verrekening conform artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden (grief 1);

  • -

    het gemeenschappelijk vermogensbestanddeel (grief 3);

  • -

    de inboedelgoederen (grief 4).

Ten aanzien het geschilpunt aangaande vergoedingsrechten (grief 2) heeft het hof de beslissing aangehouden teneinde de man bewijs te laten leveren van zijn stelling dat hij gelden heeft onttrokken aan zijn vermogen ten behoeve van de onderneming van de vrouw (als nader omschreven in rov. 3.7.4 van voormelde tussenbeschikking).

7.2.1.

De vrouw heeft onder punt 11 van haar antwoordakte erop gewezen dat in de tussenbeschikking in rov. 3.6.4 (waarin het hof heeft beslist op grief 1) onder het kopje ‘De woning’ een omissie is geslopen daar waar in de slotzin:

“Het hof zal bepalen dat de verkoopopbrengst van de woning in de verrekening wordt betrokken in die zin dat de vrouw gehouden is de verkoopopbrengst na aftrek van de hypotheekschuld en de verkoopkosten en vermeerderd met het spaargedeelte van de Spaarhypotheek bij ASR (over- dan wel onderwaarde) met de man te verdelen”

ten onrechte geen melding wordt gemaakt van het feit dat: (i) de verdeelsleutel 50-50 dient te zijn, en wel (ii) met uitzondering van het spaardeel dat op deze polissen is opgebouwd vanaf de peildatum 1 januari 2014. De premie voor het spaardeel is namelijk uitsluitend door de vrouw voldaan, en daarom komt het spaardeel dat op deze polissen vanaf 1 januari 2014 is gerealiseerd ook alleen haar toe. De vrouw verzoekt het hof deze omissie te herstellen.

7.2.3.

Het hof heeft op 13 april 2017 een brief aan de advocaat van de man gezonden om te reageren op het verzoek van de vrouw. Daarop is, ook na verleend uitstel, geen reactie ontvangen. Ook de man zelf heeft in zijn faxbericht van 8 mei 2017 niet meer gereageerd op het verzoek van de vrouw.

7.2.4.

Het hof heeft in rov. 3.6.4, zoals hiervóór aangehaald, een geschilpunt tussen partijen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist. In beginsel is het hof hieraan in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. Het hof ziet aldus aanleiding tot heroverweging, althans nadere verduidelijking, waar het de verdeelsleutel betreft. De verkoopopbrengst zal gelijkelijk moeten worden gedeeld. Aldus zal het hof beslissen.

7.2.5.

Partijen hebben geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het spaargedeelte een vermogensbestanddeel is dat aan beide partijen toekomt (rov. 4.17 van de bestreden beschikking), zodat dit vaststaat. Met haar opmerking thans dat het spaardeel dat vanaf 1 januari 2014 is gerealiseerd haar alleen toekomt, formuleert de vrouw een nieuwe grief. Dit is in strijd met de twee conclusieregel, zodat het hof die opmerking verder terzijde moet laten. Uit de wet volgt overigens wel dat, voor zover de vrouw na 1 januari 2014 méér dan de helft van de verschuldigde premie heeft voldaan, zij voor dat meerdere regres heeft op de man (omdat beide partijen draagplichtig zijn voor de aan de bank verschuldigde premie).

7.3.

Bewijs door de man van zijn stelling dat hij gelden heeft onttrokken aan zijn vermogen ten behoeve van de onderneming van de vrouw

Alvorens in te gaan op de boordeling van het door de man bijgebrachte bewijs, dient het hof in te gaan op de verzoeken van de man tot heroverweging (waarover reeds rov. 7.2.4).

7.3.1.

In rov. 3.7.4 heeft het hof voorop gesteld dat de man ter zitting in hoger beroep (nogmaals) heeft erkend dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft van € 43.399,83. Daarop kan de man niet zomaar terugkomen. Zijn verklaring dat het een “misvatting” (akte man, pt. 1) betreft, is daartoe onvoldoende. Bovendien maakt, anders dan de man meent, de enkele omstandigheid dat de vrouw een bedrag van € 43.399,83 heeft “voorgeschoten” of “voor hem heeft betaald” (akte man, pt. 1), nog niet dat géén sprake is van een vergoedingsrecht; het duidt veeleer juist op het bestaan daarvan. De man laat ook na duidelijk te maken welke voorgeschoten bedragen al dan niet tot een vergoedingsrecht aanleiding geven. Van het bestaan van het vergoedingsrecht moet daarom worden uitgegaan. Voor heroverweging van zijn tussenbeschikking op dit punt bestaat voor het hof dus geen grond.

7.3.2.

De man heeft nog aangevoerd dat partijen zijn overeengekomen dat de man de voorgeschoten bedragen zou terugbetalen door voor de vrouw allerlei betalingen te verrichten (en die betalingen door hem ook zijn gedaan), waardoor het vergoedingsrecht teniet is gegaan. De vrouw heeft deze “verrekeningsafspraak” (akte man, pt. 2) echter voldoende gemotiveerd betwist en bewijs van deze afspraak heeft de man, anders dan hij meent (akte man, pt. 2), niet aangeboden (zie rov. 3.7.4). In zijn beroepschrift (pt. 30) biedt de man bewijs aan “van het bestaan van de transacties”, dat wil zeggen de betalingen die hij voor de vrouw zegt te hebben gedaan, maar niet van het bestaan van de verrekeningsafspraak. De door de man gestelde betalingen maken op zichzelf niet dat het vergoedingsrecht van de vrouw (deels) teniet is gegaan. Voor heroverweging van zijn tussenbeschikking op dit punt bestaat voor het hof dus evenmin grond.

De vraag in hoeverre de man zelf een vergoedingsrecht heeft op de vrouw is voorwerp van de aan de man gegeven bewijsopdracht als omschreven in rov. 3.7.4, hiervóór.

7.3.3.

Ter uitvoering van de aan hem gegeven bewijsopdracht, heeft de man rekeningafschriften overgelegd die ten grondslag liggen aan het eerder door hem als productie 7 bij zijn beroepschrift overgelegde overzicht van “betalingen”. Hij stelt zich op het standpunt dat daaruit ontegenzeggelijk blijkt dat hij uit zijn ondernemingsvermogen een bedrag van € 32.860,92 ten behoeve van de onderneming van de vrouw heeft betaald.

Nog daargelaten de vraag of dit gehele bedrag ziet op betalingen die zijn gedaan tijdens de huwelijkse periode, zoals de vrouw in haar antwoordakte heeft opgeworpen, zijn de rekeningafschriften ontoereikend om te kunnen concluderen dat de man gelden heeft onttrokken aan zijn vermogen ten behoeve van de onderneming van de vrouw.

Weliswaar kan uit de in het geding gebrachte rekeningafschriften worden afgeleid dat er door de onderneming van de man betalingen zijn verricht; tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, kan echter niet worden vastgesteld dat het gaat om betalingen ten behoeve van de onderneming van de vrouw die tot een vergoedingsrecht aanleiding kunnen geven. De man is dus niet geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Dit betekent dat ook dit onderdeel van grief 2 faalt.

8 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 29 april 2015, doch uitsluitend voor zover daarbij:

  • -

    de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (finaal verrekenbeding) is veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 46.373,41,

  • -

    de verdeling is gelast van het spaardeel van de op naam van partijen staande Spaarhypotheek bij de Directbank met lening(deel)nummer [leningsnummer] op de wijze zoals vermeld in rov. 4.17 van de bestreden beschikking,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat bij verkoop van de aan de vrouw in eigendom toebehorende woning aan de [adres] te [woonplaats] , de verkoopopbrengst van deze woning in de verrekening dient te worden betrokken, in die zin dat de vrouw gehouden is de verkoopopbrengst na aftrek van de hypotheekschuld en de verkoopkosten en vermeerderd met het spaargedeelte van de Spaarhypotheek bij ASR (over- dan wel onderwaarde) gelijkelijk met de man te verdelen;

bepaalt dat de contante waarde van de ‘ABN AMRO Vermogen Opbouw Polis’ verrekend moet worden zoals nader bepaald in rov. 3.6.4;

bepaalt conform rov. 3.6.4 onder het kopje ‘Saldo spaarrekening vrouw’ dat het saldo op de spaarrekening van de vrouw per de peildatum bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld, zodat de vrouw aan de man dient te voldoen de helft van € 11.438,61, zijnde € 5.719,30;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, M.J. van Laarhoven en

T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2017 in tegenwoordigheid van mr. A.C. Kaemingk, griffier.