Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3950

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
13-09-2017
Zaaknummer
20-004067-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004067-13

Uitspraak : 23 augustus 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Limburg van 12 december 2013 in de strafzaak met parketnummer

82-178352-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte is bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Limburg van 12 december 2013 integraal vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal veroordelen tot een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 80 uur, subsidiair 40 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Door en namens verdachte is betoogd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 21 maart 2011 in de gemeente Helden en/of Leudal en/of Echt-Susteren, althans in Limburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk een of meer geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, immers heeft hij een pachtcontract of een Pachtvertrag tussen hemzelf en [medeverdachte 2] in strijd met de waarheid ondertekend en bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat de grond, vermeld in dat pachtcontract of Pachtvertrag, niet door hem werd gepacht (maar werd gebruikt om (ongehygiëniseerde) mest op te verwerken).

2.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 30 september 2009 in de gemeente Helden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk, dierlijke bijproducten, te weten (onverwerkte) (varkens)mest, in strijd met artikel 8, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1774/2002 naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft/hebben verzonden, terwijl de lidstaat van bestemming de ontvangst van dat materiaal niet had toegestaan.

3.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 30 september 2009 in de gemeente Helden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk, dierlijke bijproducten, te weten (onverwerkte) (varkens)mest, in strijd met artikel 8, derde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002 naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft/hebben verzonden, immers ging die mest niet vergezeld van een gezondheidscertificaat.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 21 maart 2011 in de gemeente Helden en/of Leudal en/of Echt-Susteren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk hebben opgemaakt, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken, immers heeft hij een pachtcontract of een Pachtvertrag tussen hemzelf en [medeverdachte 2] in strijd met de waarheid ondertekend en bestaande die valsheid hierin dat de grond, vermeld in dat pachtcontract of Pachtvertrag, niet door hem werd gepacht (maar werd gebruikt om ongehygiëniseerde mest op te verwerken).
2.
hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 30 september 2009 in de gemeente Helden, opzettelijk, dierlijke bijproducten, te weten onverwerkte varkensmest, in strijd met artikel 8, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1774/2002 naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft verzonden, terwijl de lidstaat van bestemming de ontvangst van dat materiaal niet had toegestaan.

3.
hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 30 september 2009 in de gemeente Helden, opzettelijk, dierlijke bijproducten, te weten onverwerkte varkensmest, in strijd met artikel 8, derde lid, van verordening (EG) nr. 1774/2002 naar een andere lidstaat (Duitsland) heeft verzonden, immers ging die mest niet vergezeld van een gezondheidscertificaat.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte (organisatie)] een pachtovereenkomst hebben opgesteld ten behoeve van [verdachte] en [medeverdachte 2] . Daarmee werd bewerkstelligd dat [verdachte] werd aangemerkt als zogenaamde grensboer in het kader van de in artikel 87 lid 1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet uitgewerkte grensboerenregeling en kon hij zonder toestemming van de Duitse autoriteiten en zonder aanwezigheid van een gezondheidscertificaat onverwerkte/ongehygiëniseerde varkensmest uitrijden op het land van [medeverdachte 2] in Duitsland.

Volgens de advocaat-generaal was de pachtovereenkomst echter niet geregistreerd in Duitsland, waardoor niet is voldaan aan artikel 87 lid 1 sub f van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.

Voorts had [verdachte] niet de feitelijke beschikkingsmacht over de percelen in Duitsland zoals artikel 87 lid 1 onder sub 6 vereist. [medeverdachte 2] had de betreffende percelen in gebruik en heeft daarvoor ook de landbouwsubsidies ontvangen, terwijl de Duitse autoriteiten hebben geoordeeld dat dit laatste op goede gronden plaatsvond. De in de pachtovereenkomst opgenomen pachtprijs is bovendien geen reële prijs voor de pacht van 45,44 hectare grond, maar voor de afname van mest. Daar komt bij dat de datum van ondertekening van de pachtovereenkomst niet kan kloppen. De opgestelde pachtovereenkomst is gelet op het voorgaande dan ook vals.

Ook de door [medeverdachte 3] opgemaakte facturen tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] en vice versa zijn volgens de advocaat-generaal vals. [medeverdachte 2] heeft op de percelen in Duitsland geen werkzaamheden verricht voor [verdachte] , maar voor zichzelf, terwijl [medeverdachte 2] niet eens van het bestaan van de betreffende facturen wist.

De Gecombineerde Opgave 2009 stemde evenmin overeen met de werkelijkheid nu [medeverdachte 2] de feitelijke beschikkingsmacht had over zijn percelen in Duitsland en niet [verdachte] .

De advocaat-generaal heeft, resumerend, gesteld dat sprake was van een papieren constructie die niet overeen stemde met de werkelijkheid en dat de betreffende mest niet zonder toestemming van de Duitse autoriteiten en zonder gezondheidscertificaat over de percelen van [medeverdachte 2] in Duitsland had mogen worden uitgereden. Het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde kan om die reden worden bewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de inhoud van de processen-verbaal niet op juistheid gecontroleerd kunnen worden nu de NVWA aanvankelijk een papieren kladversie naar het openbaar ministerie heeft verzonden, die nadien – op verzoek van het openbaar ministerie – is uitgetypt zonder dat de verdachte de verklaringen die hij zou hebben afgelegd heeft kunnen nalezen. Die verklaringen zijn om die reden ook niet ondertekend door de verdachte, zodat daaraan niet veel waarde dient te worden toegekend. Aan de verklaringen die [medeverdachte 2] heeft afgelegd dient voorts in het bijzonder geen geloof te worden gehecht, omdat de strafzaak dermate veel impact op [medeverdachte 2] had dat hij maar wat verklaarde waardoor zijn verklaringen niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

Voorts is betoogd dat geen sprake was van een papieren constructie, maar van een samenwerking tussen pachter en verpachter. Ten behoeve daarvan is een pachtovereenkomst opgesteld die aanvankelijk was gericht op langere samenwerking tussen de partijen. Volgens de verdediging is voldaan aan alle eisen die de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in artikel 87 lid 1 stelt. Ook is voldaan aan sub f, nu uit het door de advocaat-generaal overgelegde e-mailbericht van 4 juni 2012 volgt dat [medeverdachte 2] bij de Landwirtschaftskammer Nordrhein-Westfalen was met de betreffende pachtovereenkomst. Daaruit volgt dat de Duitse autoriteiten van die overeenkomst op de hoogte waren.

[verdachte] had de feitelijke beschikkingsmacht over de grond zoals de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in artikel 87 lid 1 onder sub d vereist, terwijl de in de pachtovereenkomst opgenomen pachtprijs een redelijke prijs is. Er was derhalve geen sprake van een schijnconstructie en de opgemaakte pachtovereenkomst was niet vals.

Volgens de verdediging zijn de opgemaakte facturen alsmede de Gecombineerde Opgave 2009 niet vals, maar betreffen deze stukken de uitwerking van de pachtovereenkomst.

Ten slotte is betoogd dat verdachte geen opzet had op het plegen van valsheid in geschrift. Verdachte heeft een adviseur ingeschakeld ter behartiging van zijn belangen en de adviseur heeft vervolgens geopperd dat gebruik zou kunnen worden gemaakt van de grensboerenregeling. Gelet daarop dient verdachte eveneens te worden vrijgesproken.

Overwegingen hof

Feiten en omstandigheden

Uit het dossier blijken de volgende feiten en omstandigheden:

[medeverdachte 3] is mede eigenaar van de onderneming [medeverdachte (organisatie)] Ook medeverdachte [medeverdachte 4] is mede-eigenaar van deze onderneming.

[medeverdachte 2] vormde ten tijde van de tenlastegelegde feiten samen met zijn vrouw een maatschap waarvan de activiteiten bestonden uit akkerbouw: teelt van aardappels, suikerbieten en overige wortel- en knolgewassen. Het grootste deel van de percelen van [medeverdachte 2] is gelegen in Duitsland. [medeverdachte (organisatie)] verzorgde voor [medeverdachte 2] de mestboekhouding en de Gecombineerde Opgave.

[verdachte] had ten tijde van de tenlastegelegde feiten een varkens- en een vleeskuikenbedrijf en hij besteedde de mestboekhouding en de mei-telling daarvan uit aan [medeverdachte (organisatie)] Namens [medeverdachte (organisatie)] heeft [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] en [verdachte] geadviseerd met elkaar een pachtovereenkomst aan te gaan.

In het dossier bevindt zich een pachtovereenkomst die volgens de daarin vermelde datum op 5 januari 2009 is ondertekend door [verdachte] en [medeverdachte 2] en die inhoudt dat [medeverdachte 2] percelen die zijn gelegen in Duitsland ter grootte van 45,44 hectare verpacht aan [verdachte] . De pachtprijs is vastgesteld op een bedrag van € 6.600,00 per jaar.

In de pachtovereenkomst is opgenomen dat de pachtprijs op 30 november 2009 van het jaar betaald dient te zijn. Door [verdachte] is op 2 maart 2010 een bedrag van € 6.600,00 overgemaakt naar [medeverdachte 2] .

Van het bedrijf van [verdachte] is een geschatte hoeveelheid van 1021 ton (onverwerkte) drijfmest afgevoerd naar die percelen in Duitsland.

Uit het digitale dossier zijn twee vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM) gegenereerd en als bijlage in het dossier gevoegd, een van 10 augustus 2009 en een van 3 september 2009, steeds met onder 4. Opmerking: vermelding van (code) 13. Opmerkingscode 13 ziet op – verklaring eigen gebruik – en is van toepassing als grensboeren op hun bedrijf geproduceerde mest naar hun eigen, in het buitenland gelegen percelen willen vervoeren en aanwenden.

Voor de transporten is geen toestemming verleend door de Duitse autoriteiten en ook zijn voor de transporten geen gezondheidscertificaten afgegeven.

In de Gecombineerde Opgave 2009 van zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] is vermeld dat 45,44 hectare grond in Duitsland in gebruik is.

In het dossier zijn voorts twee facturen aanwezig. Bij factuur van 15 december 2009 heeft [verdachte] aan [medeverdachte 2] een bedrag van € 34.300,00 in rekening gebracht voor “levering van gewassen op stam in Duitsland”.

Bij factuur van 20 december 2009 heeft [medeverdachte 2] een bedrag van € 31.000,00 in rekening gebracht bij [verdachte] voor loonwerk, gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest dat door [medeverdachte 2] is geleverd ten behoeve van 45 hectare akkerbouwgewassen in Duitsland.

Beoordeling

Ten aanzien van de in het dossier gevoegde verklaringen

Met de raadsman stelt het hof vast dat uit het dossier volgt dat de aanvankelijk naar het openbaar ministerie ingezonden processen-verbaal handgeschreven waren, waarna deze op verzoek van het openbaar ministerie zijn uitgetypt. Het hof ziet daarin echter geen reden om te twijfelen aan de inhoud van het huidige proces-verbaal (waarin de verklaringen van de verdachten zijn opgenomen). Aangevoerd is weliswaar dat bepaalde formuleringen niet zijn gebruikt door de verdachte, maar gesteld noch gebleken is dat (concrete delen van) de inhoud van het op schrift gestelde proces-verbaal onjuist zijn, dat wezenlijk anders is verklaard dan is geverbaliseerd of dat het proces-verbaal gelezen moeten worden in een andere context. Het hof zal die verklaringen dan ook bezigen voor het bewijs.

De grondslag van het verwijt

In de Verordening (EG) 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (hierna verder aangehaald als ‘de Verordening’) is, voor zover thans van belang, ten aanzien van de handel in niet-verwerkte mest in bijlage VIII, hoofdstuk III, bepaald:

1. Niet-verwerkte mest

A. Handelsverkeer (ingevolge artikel 2 Definities sub K) van de Verordening: de handel tussen lidstaten in goederen (…)

1. a) Handelsverkeer in niet-verwerkte mest van andere soorten dan pluimvee en paardachtigen is verboden, tenzij deze mest:

i) afkomstig is uit een gebied waarvoor geen beperkingen gelden in verband met een ernstige overdraagbare ziekte, en

ii) bestemd is om, onder controle van de bevoegde autoriteit, te worden uitgereden op de gronden van eenzelfde bedrijf, gelegen aan weerzijden van de grens tussen twee lidstaten.

b) De bevoegde autoriteit mag echter via een specifieke goedkeuring toestaan

dat op haar grondgebied:

i) (…)

ii) mest wordt binnengebracht die bestemd is om op een bedrijf te worden uitgereden. Dit type van handelsverkeer is slechts toegestaan na instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en van de lidstaat van bestemming. Bij het overwegen van deze goedkeuring houden de bevoegde autoriteiten met name rekening met de herkomst van de mest, de bestemming van de mest en overwegingen in verband met de bescherming van de diergezondheid.

In voornoemde gevallen moet de mest vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat waarvan het model is vastgesteld volgens de procedure van artikel 33, lid 2.

Voorts bepaalt artikel 7 lid 2 van de Verordening:

Tijdens het vervoer moeten de dierlijke bijproducten en de verwerkte producten vergezeld gaan van een handelsdocument of, indien deze verordening dit vereist, een gezondheidscertificaat. Handelsdocumenten en gezondheidscertificaten moeten voldoen aan de eisen en gedurende de periode die in bijlage II wordt vermeld worden bewaard. Zij bevatten in het bijzonder informatie over de hoeveelheid en een beschrijving van het materiaal en de merktekens ervan.

Artikel 8 lid 3 van de Verordening bepaalt, voor zover thans van belang:

De dierlijke bijproducten en de in lid 2 bedoelde verwerkte producten moeten:

a. vergezeld gaan van een handelsdocument of, wanneer deze verordening dat voorschrijft, een gezondheidscertificaat.

Op grond van voormeld artikel 1A lid 1 onder a ii mag niet-verwerkte varkensmest derhalve zonder voorgaande toestemming en zonder gezondheidscertificaat worden verhandeld wanneer deze bestemd is om te worden uitgereden op gronden van eenzelfde bedrijf, gelegen aan weerzijden van de grens tussen twee lidstaten en onder controle van de bevoegde autoriteit.

In andere gevallen mag niet-verwerkte varkensmest slechts worden verhandeld na instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en lidstaat van bestemming en, op grond van artikel 7 lid 2 en artikel 8 lid 3 van de Verordening, mits de mest vergezeld gaat van een gezondheidscertificaat. Dit wordt wel de ‘grensboerenregeling’ genoemd.

Indien toestemming en/of een gezondheidscertificaat wel is/zijn vereist is bij gebreke daarvan het verzenden van onbewerkte mest naar andere lidstaten ten tijde van het tenlastegelegde strafbaar op grond van artikel 2.8 lid 1 onder a van de Regeling dierlijke bijproducten 2008 in relatie tot artikel 8 lid 2 en 3 van de Verordening.

De valselijk opgemaakte geschriften

[medeverdachte 2] heeft op 16 november 2010 over de reden van het opmaken van de pachtovereenkomst verklaard: “Het pachtcontract was er alleen om de mestaanvoer geregeld te krijgen. Hiermee was ik geholpen en diegene die mij de mest leverde.” Nadien, bij het afleggen van zijn aanvullende verklaring op 17 maart 2011 heeft [medeverdachte 2] zijn verklaring op dat punt bevestigd. Hij heeft onder meer verklaard:

“In de aanvang van het mestseizoen 2009, zo rond februari-maart, heb ik [medeverdachte (organisatie)] benaderd hoe ik mest op mijn percelen in Duitsland kon krijgen, omdat ik te laat was om de levering daarvan in Duitsland aan te vragen. Toen heeft [medeverdachte (organisatie)] gezegd dat zij een manier wisten hoe dat in orde gemaakt kon worden. Dat het mogelijk was door het opstellen van pachtcontracten. Ik zou de grond verpachten en de pachter zou er dan de mest op kunnen brengen. Dit is enkel zo gebeurd om de mest op de percelen te krijgen. Buiten de aanvoer van de mest hebben we niets besproken, dus ook niet over aanvraag bedrijfstoeslag.

Alle werkzaamheden met betrekking tot die grond zijn door mij gebeurd. Het enige wat [verdachte] heeft gedaan is zijn mest hier naar toe laten afvoeren. Met het bemesten heb ik helemaal niets te maken gehad. Alle overige werkzaamheden die op de percelen gebeurd zijn, zijn allemaal door mij uitgevoerd. Alles wat gedaan is was met rekening en risico voor mij. Ik heb bepaald welke gewassen er geteeld werden. De constructie was enkel en alleen voor de levering van de mest.”

Uit het door de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 augustus 2017 overgelegde e-mailbericht van 4 juni 2012 van [naam] , werkzaam bij de Landwirtschaftskammer Nordrhein-Westfalen, blijkt dat [medeverdachte 2] tegenover [naam] eveneens heeft bevestigd dat hij de overeenkomst enkel vanwege de levering van drijfmest is aangegaan en dat hij de percelen in Duitsland steeds zelf heeft bewerkt.

In dat verband is eveneens relevant dat de bij wijze van rechtshulp bevraagde Directeur van het Landbouwschap Nordrhein-Westfalen in zijn brief van 9 december 2011 na kennisneming van het pachtcontract heeft medegedeeld, samengevat, dat [medeverdachte 2] in verband met subsidieaanvraag over 2008-2011, als bezitter en bewerker van de in het pachtovereenkomst genoemde percelen is aangemerkt en de subsidie heeft verkregen. Bij brief van 5 april 2012 is nog medegedeeld dat door de Duitse autoriteiten is onderzocht of de subsidie op goede gronden is toegekend, en is geconcludeerd dat de landbouwsubsidies in 2009 terecht aan [medeverdachte 2] zijn uitgekeerd.

[verdachte] heeft op 2 maart 2011 verklaard dat hij met betrekking tot de percelen in Duitsland drijfmest heeft laten afvoeren van zijn bedrijf naar die percelen nadat hij op advies van [medeverdachte (organisatie)] een pachtovereenkomst was aangegaan met [medeverdachte 2] .

[verdachte] heeft derhalve bevestigd dat hij de pachtovereenkomst met [medeverdachte 2] aanging in verband met het afvoeren van mest. Ook heeft [verdachte] verklaard de percelen in Duitsland enkel te hebben gebruikt voor de afvoer van mest en dat het juist is dat [medeverdachte 2] al het werk heeft uitgevoerd op die percelen, inclusief de oogst en de verkoop van de gewassen.

Voorts heeft [medeverdachte 3] op 16 november 2010 verklaard dat hij de pachtovereenkomst heeft opgesteld voor de betrokken partijen om zaken met betrekking tot mestleveringen te kunnen regelen. Ook heeft hij toen verklaard dat hij de Gecombineerde Opgave 2009 voor [verdachte] heeft opgesteld en dat hij voor partijen over en weer facturen heeft opgesteld.

Nadien heeft [medeverdachte 3] verklaard (gezamenlijke verklaring van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] van 21 maart 2011) dat de pachtovereenkomst is opgemaakt om de mest op de percelen van [medeverdachte 2] te krijgen en dat niet is gesproken over het gebruik van die grond of over teeltwerkzaamheden.

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de reden dat [verdachte] en [medeverdachte 2] op initiatief van [medeverdachte 3] een pachtovereenkomst hebben opgesteld enkel was gelegen in de omstandigheid dat [medeverdachte 2] te laat was met het aanvragen van de levering van mest in Duitsland en [verdachte] drijfmest kon afvoeren. De percelen in Duitsland zijn bewerkt door [medeverdachte 2] , die ook de zeggenschap heeft behouden over hetgeen op die percelen werd geteeld. Gelet daarop kan niet worden gesteld dat het daadwerkelijk ging om ‘eenzelfde bedrijf’ als bedoeld in bijlage VIII, hoofdstuk III van de Verordening en is het pachtcontract kennelijk slechts opgesteld om de schijn te wekken dat dit wel het geval was. Uit het voorgaande vloeit eveneens voort dat de Gecombineerde Opgave 2009 valselijk is opgemaakt voor zover het gaat over het gebruik van 45,44 hectare grond in Duitsland, nu daarin is opgenomen dat [verdachte] 45,44 hectare grond in Duitsland in gebruik had, terwijl die grond daadwerkelijk in gebruik was bij [medeverdachte 2] .

Het hof ziet zich in het oordeel gesterkt, nu de Gecombineerde Opgave 2009 van [verdachte] niet vermeldt dat hij op 15 mei 2009 tuinbouw of landbouw bedrijft, maar enkel vermeldt dat sprake is van bedrijfsactiviteiten met betrekking tot varkens en kippen. Bovendien heeft [verdachte] pas op 2 maart 2010, na aanvang van het onderzoek door de NVWA, de pachtprijs betaald aan [medeverdachte 2] , terwijl dit volgens de pachtovereenkomst al op 30 november 2009 gebeurd had moeten zijn.

Daarnaast overweegt het hof nog het volgende.

Voor wat betreft het tijdstip van de totstandkoming van de pachtovereenkomst heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij zich in de aanvang van het mestseizoen, rond februari-maart 2009, heeft gewend tot [medeverdachte (organisatie)] nadat hij te laat was met het aanvragen van de levering van mest in Duitsland. De pachtovereenkomst, waarvan het ondertekende exemplaar pas na de eerste controle op 23 februari 2010, op 12 maart 2010 tezamen met het betalingsbewijs voor de pacht van 2 maart 2010 per e-mail door [medeverdachte 3] is overgelegd, is echter gedateerd op 5 januari 2009, hetgeen is gelegen vóór [medeverdachte 2] zich tot [medeverdachte (organisatie)] zou hebben gewend. Tegen de achtergrond van de reden van het opmaken van een pachtovereenkomst volgt uit het voorgaande dat de pachtovereenkomst geantidateerd is.

Voor wat betreft de facturen die [verdachte] en [medeverdachte 2] over en weer zouden hebben opgemaakt geldt dat [medeverdachte 2] op 17 maart 2011 heeft verklaard dat hij die facturen niet kende. [verdachte] heeft op 2 maart 2011 verklaard dat hij de facturen wel kende, maar dat deze nooit zijn betaald.

Bovendien volgt uit het dossier dat deze facturen tijdens de controle bij [verdachte] op 23 februari 2010, tijdens de controle bij [medeverdachte (organisatie)] op 23 februari 2010 en tijdens de controle bij [verdachte] op 18 augustus 2010 niet aanwezig waren bij [verdachte] , maar nadien, op 28 september 2010, per e-mail door [medeverdachte 3] zijn toegestuurd aan de NVWA. [medeverdachte 3] heeft vervolgens op 21 maart 2011 verklaard dat het misschien inderdaad niet juist was dat beide partijen van het bestaan van de facturen op de hoogte waren. Het hof is van oordeel dat op grond van de verklaring van [medeverdachte 2] , de omstandigheid dat de facturen niet in de boekhouding van [verdachte] aanwezig waren en de verklaring van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 3] deze facturen heeft opgesteld enkel om te bemantelen dat de overgelegde pachtovereenkomst een schijnovereenkomst is.

Het betoog van de verdediging dat de verklaringen van [medeverdachte 2] niet voor het bewijs gebezigd zouden moeten worden, omdat die verklaringen niet betrouwbaar zouden zijn, verwerpt het hof. Uit het voorgaande volgt immers dat de verklaringen van [medeverdachte 2] op essentiële onderdelen worden ondersteund door onder meer de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 3] , zodat geen reden bestaat aan de verklaringen van [medeverdachte 2] te twijfelen. Dat [medeverdachte 2] zich die strafzaak erg heeft aangetrokken doet daaraan niet af.

Het hof is dan ook van oordeel dat uit die omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de pachtovereenkomst en, ter uitwerking daarvan: de facturen en de Gecombineerde Opgave 2009 valselijk zijn opgemaakt door [medeverdachte 3] en ondertekend door [verdachte] en [medeverdachte 2] en deze aan de Nederlandse voedsel en warenautoriteit als echt en onvervalst zijn overgelegd.

Dat, zoals de verdediging stelt, voldaan zou zijn aan de eisen die de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in artikel 87 lid 1 stelt maakt dit, nog daargelaten de vraag of deze bepaling wel het juiste toetsingskader vormt, niet anders.

Het hof is derhalve van oordeel dat bewezen kan worden dat [medeverdachte 3] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het onder 1 tenlastegelegde.

Daarnaast heeft [verdachte] onverwerkte varkensmest van zijn bedrijf naar de percelen van [medeverdachte 2] in Duitsland verzonden, terwijl daarvoor geen toestemming was gegeven door de Duitse autoriteiten en evenmin gezondheidscertificaten aanwezig waren, derhalve zonder inachtneming van de formaliteiten die normaliter gelden, in de gevallen dat geen sprake is van ‘eenzelfde bedrijf’ als bedoeld in bijlage VIII, hoofdstuk III van de Verordening.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift.

Het onder 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 81c van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opmaken van een valse pachtovereenkomst, door deze te ondertekenen terwijl hij wist dat het gebruik van de percelen in Duitsland niet tot de normale bedrijfsvoering van zijn onderneming behoorde, zoals wel is vereist onder artikel 87 lid 1 sub d van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, en de pachtovereenkomst enkel is opgesteld om mest van zijn onderneming te transporteren naar de percelen van [medeverdachte 2] . Daarnaast is bewezenverklaard dat [verdachte] transporten onverwerkte mest naar Duitsland heeft verzonden zonder inachtneming van de formaliteiten die gelden wanneer de grensboerenregeling niet van toepassing is.

Met het medeplegen van opmaken van de valse bescheiden heeft verdachte bewerkstelligd dat hij ten onrechte werd aangemerkt als grensboer en zich een voordeliger positie kon verschaffen dan zijn concurrenten. [verdachte] kon immers onverwerkte mest naar Duitsland verzenden zonder toestemming te vragen van de Duitse autoriteiten en zonder dat de desbetreffende transporten vergezeld gingen van een gezondheidscertificaat. Daarmee is niet alleen de overheid misleid, maar tevens te kort gedaan aan hetgeen met de Verordening (EG) Nr. 1774/2002 wordt beoogd: onder meer het tegengaan van verspreiding van ziekteverwekkers.

Ten voordele van de verdachte is meegewogen dat de verdachte, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 juni 2017, niet eerder met politie of justitie in aanraking is geweest. Eveneens ten voordele van de verdachte is meegewogen dat de verdachte niet de initiator van de strafbare feiten is geweest.

Het hof is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel het opleggen van een taakstraf van 160 uur, subsidiair 80 dagen hechtenis, rechtvaardigt. Het hof heeft echter vastgesteld dat in hoger beroep de redelijke termijn is geschonden. Het hoger beroep is ingesteld door het openbaar ministerie op 12 december 2013. Het hof wijst arrest op 23 augustus 2017, zodat de redelijke termijn is overschreden met één jaar en ruim 7 maanden. Gelet daarop zal het hof volstaan met het opleggen van een taakstraf van 140 uur, subsidiair 70 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 7 en 8 van Verordening (EG) nr. 1774/2002 en artikel 1 van bijlage VIII, hoofdstuk III van die Verordening, artikel 81c van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 2.8 van de Regeling dierlijke bijproducten 2008, de artikelen 22c, 22d, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. N.J.M. Ruyters, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. F.P.E. Wiemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 23 augustus 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.