Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3932

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
16/00051
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijstaande villa/landhuis met aangebouwde garage, carport en overkapping en 2.750 m² grond.

1. Is de WOZ-waarde per 01-01-2011 van € 720.000 te hoog?

Het Hof stelt, nu noch de Heffingsambtenaar noch belanghebbende de door hen verdedigde waarde aannemelijk hebben gemaakt, de waarde in goede justitie vast op € 700.000.

2. Heeft de Rechtbank aan belanghebbende voor de twee over de jaren 2012 en 2013 aanhangige WOZ- en OZB zaken terecht slechts één bedrag aan immateriële schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn toegekend?

Het Hof is – net als de Rechtbank – van oordeel dat sprake is van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. De schadevergoeding heeft de Rechtbank op de juiste wijze berekend en terecht vastgesteld op een bedrag van in totaal € 2.000. De Rechtbank heeft echter ten onrechte niet aan elke zaak een gedeelte toegerekend van het in totaal toegekende bedrag.

3. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de wettelijke rente over de te ontvangen immateriële schadevergoeding?

Het Hof veroordeelt de Heffingsambtenaar en de Staat tot vergoeding van de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding.

4. Primair: heeft belanghebbende recht op vergoeding van zijn integrale proceskosten en subsidiair: heeft hij recht op de forfaitaire proceskostenvergoeding met toepassing van de factor 1 voor het gewicht van de zaak?

Zowel voor het beroep bij de Rechtbank als voor het hoger beroep bij het Hof wordt volstaan met een proceskostenveroordeling overeenkomstig de forfaitaire bedragen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht met toepassing van factor 1.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-09-2017
FutD 2017-2381

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00051

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 22 december 2015, nummer SHE 15/1667, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bladel,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te melden beschikking en aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij beschikking van 29 februari 2012, vervat in een op dezelfde datum gedagtekend aanslagbiljet, heeft de Heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] 10 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2011, voor het kalenderjaar 2012, vastgesteld op € 1.033.000. In dit geschrift is tevens de aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het kalenderjaar 2012 bekendgemaakt (hierna: de aanslag OZB).

1.2.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 februari 2015 het bezwaar gegrond verklaard, de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar een bedrag van € 720.000 en tevens de daarop gebaseerde aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd en de kosten van het bezwaar vergoed tot een bedrag van € 488.

1.3.

Tegen de uitspraken op bezwaar is beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen, de Heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen aan belanghebbende van een schadevergoeding tot een bedrag van € 1.500, de Staat veroordeeld tot het betalen aan belanghebbende van een schadevergoeding van € 500, de Heffingsambtenaar opgedragen aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 45 te vergoeden en de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 490.

1.4.

Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende géén griffierecht geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Bij het Hof is onder kenmerk 16/00050 eveneens aanhangig het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 december 2015, nummer SHE 15/790, betreffende de bij beschikking op grond van de Wet WOZ ter zake van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2012, voor het kalenderjaar 2013 vastgestelde waarde en de daarbij bekendgemaakte aanslag OZB 2013.
In die uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard, het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen en de Heffingsambtenaar opgedragen aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 45 te vergoeden.

1.6.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en - door tussenkomst van de griffier - aan de wederpartij. Die pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 juli 2017 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de heer [A] , verbonden aan [B] te [C] , als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mevrouw [D] , alsmede, de Heffingsambtenaar, de heer [E] , bijgestaan door mevrouw [F] , taxateur bij [G] .

1.8.

Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

De onroerende zaak betreft een vrijstaande villa / landhuis met drie dakkapellen, een aangebouwde garage, een carport en een overkapping. De inhoud van de woning bedraagt ongeveer 836 m³ en van de garage 297 m³. De woning en de garage zijn gebouwd in 2001 en de carport in 2011. Het perceel waarop de woning is gelegen heeft een oppervlakte van ongeveer 2.750 m².

2.2.

Bij zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft de Heffingsambtenaar een taxatie in de vorm van een vergelijkingsmatrix overgelegd, opgemaakt door de heer [H] , taxateur bij [G] . Uit deze vergelijkingsmatrix blijkt dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak op 1 januari 2011 is bepaald op € 720.000. In de vergelijkingsmatrix is
– naast de onroerende zaak - gebruik gemaakt van de volgende drie vergelijkingsobjecten:

adres

bouwjaar

kavel

woning

garage

bijgebouw

overig

transactiedatum

transactieprijs

[adres 1] 10 [woonplaats]

2001

2750 m²
€ 227.250

836 m³
€ 499.928
€ 598 p/m³

297 m³
€ 27.850
€ 94 p/m³

carport
€ 2.500

Dakkapellen € 7.500
Overkapping€ 1.000

-

-

[adres 2] 8 [woonplaats]

2005

1050 m²
€ 188.750

715 m³
€ 529.100
€ 740 p/m³

240 m³
€ 25.000
€ 104 p/m³

Berging schuur
137 m³
€ 15.910

zwembad
45 m³
€ 11.250
dakkapel
€ 1.250

03-05-2010

€ 825.000

[adres 3] 5 [J]

2003

614 m²
€ 153.350

710 m³
€ 404.700
€ 570 p/m³

205 m³
€ 23.250
€ 113 p/m³

Berging schuur
25 m³
€ 4.500

-

22-03-2011

€ 575.000

[adres 4] 1 [woonplaats]

2001

3050 m²
€ 233.250

665 m³
€ 475.475
€ 715 p/m³

210 m³
€ 23.500
€ 112 p/m³

Berging schuur
54 m³
€ 9.720

Serre 15 m³
€ 3.750

01-02-2012

€ 745.000

De vergelijkingsmatrix is per object voorzien van één kleine foto van de betreffende woning.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. is de voor de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2011 vastgestelde WOZ-waarde van € 720.000 te hoog?

  2. heeft de Rechtbank aan belanghebbende voor de twee over de jaren 2012 (nummer 15/1667) en 2013 (15/790) aanhangige WOZ- en OZB zaken terecht slechts één bedrag aan immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend?

  3. heeft belanghebbende recht op vergoeding van de wettelijke rente over de te ontvangen immateriële schadevergoeding?

  4. heeft belanghebbende primair recht op vergoeding van zijn integrale proceskosten en subsidiair op de forfaitaire proceskostenvergoeding waarbij het gewicht van de zaak wordt vastgesteld op 1 (gemiddeld)?

Belanghebbende beantwoordt de vragen 1, 3 en 4 bevestigend en vraag 2 ontkennend. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.
Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert in hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en

  • -

    tot het vaststellen van de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2011 op € 500.000 en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag OZB,

  • -

    tot het in beide hoger beroep zaken met de kenmerken 16/00050 (WOZ en OZB 2013) en 16/00051 (WOZ en OZB 2012) afzonderlijk vaststellen van een immateriële schadevergoeding, met vergoeding van de wettelijke rente over het te ontvangen bedrag,

  • -

    tot het toekennen primair van een integrale proceskostenvergoeding voor het beroep bij de Rechtbank en het Hof en subsidiair van een forfaitaire vergoeding voor de proceskosten voor het beroep bij de Rechtbank en het Hof, waarbij het gewicht van de zaak wordt gesteld op 1 (gemiddeld), en

  • -

    tot vergoeding van het griffierecht bij de Rechtbank en in hoger beroep.

De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1 De waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2011

4.1.

Ingevolge artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ moet de waarde van de onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan de zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4.2.

Ingevolge artikel 4, lid 1, onderdeel a van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken, wordt de in artikel 17, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde waarde voor woningen onder meer bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.

4.3.

Nu belanghebbende de juistheid van de vastgestelde waarde heeft betwist, rust op de Heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum door hem niet te hoog is vastgesteld.

4.4.

De Heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde van € 720.000 naar de in 2.2 vermelde taxatie in de vorm van een vergelijkingsmatrix, opgemaakt door de heer [H] , taxateur bij [G] . Uit deze vergelijkingsmatrix blijkt dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak op 1 januari 2011 is bepaald op € 720.000. In de vergelijkingsmatrix is – naast de onroerende zaak - gebruik gemaakt van de in 2.2 vermelde drie vergelijkingsobjecten.

4.5.

Belanghebbenden betwist de vergelijkbaarheid van de in de vergelijkingsmatrix genoemde referentieobjecten en stelt voorts dat de Heffingsambtenaar heeft miskend dat de onroerende zaak gelegen is in een industriezone of daarmee gepaard gaande activiteiten, terwijl de vergelijkingsobjecten zijn gelegen in villawijken. De daarvoor gehanteerde correctie van € 45.450 (20% van de kavelwaarde) is disproportioneel en onevenredig laag in verhouding tot de verschillen in ligging.

4.6.

Het Hof overweegt ten aanzien van de door partijen ingenomen stellingen als volgt.

4.7.1.

De onder 2.2 vermelde door de Heffingsambtenaar in geding gebrachte taxatie is niet vervat in een taxatierapport maar neergelegd in een vergelijkingsmatrix. De vergelijkingsmatrix is niet voorzien van een naam van de taxateur, is niet gedagtekend en is niet ondertekend. Daarom kan naar het oordeel van het Hof aan deze matrix niet de status van een deskundigenrapport worden toegekend. De vergelijkingsmatrix is per object slechts voorzien van één foto van de voorzijde van de betreffende woning.
De Heffingsambtenaar heeft noch met de vergelijkingsmatrix noch anderszins aannemelijk gemaakt dat de objecten [adres 2] 8 te [woonplaats] , [adres 3] 5 te [J] en [adres 4] 1 te [woonplaats] voldoende vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak om ter onderbouwing van de waarde van de onroerende zaak te dienen.

4.7.2.

Het Hof is reeds op grond van het vorenstaande van oordeel dat de Heffingsambtenaar er niet in is geslaagd het van hem verlangde bewijs te leveren ter zake van de waarde van de woning. Dit klemt temeer in het licht van

- de verklaring van de taxateur ter zitting dat bij het object [adres 4] 1 te [woonplaats] ten onrechte geen rekening is gehouden met de marktontwikkeling tussen de waardepeildatum en de verkoopdatum,

- de uiterst summiere motivering van de taxateur van de correctie van 20% op de kavelwaarde vanwege de ligging van de onroerende zaak op een industrieterrein (bedrijfsbestemming), en

- de door de taxateur ter zitting gegeven verklaring voor het niet in de vergelijkingsmatrix betrekken van een waarde voor de dakkapel van het object [adres 4] 1 te [woonplaats] , terwijl dit wél is gebeurd bij de onroerende zaak.

4.8.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende de door hem verdedigde waarde evenmin aannemelijk heeft gemaakt. Hij heeft de door hem verdedigde waarde immers slechts gesteld, maar die stelling is niet op enige wijze nader onderbouwd. Die onderbouwing is voor aannemelijkheid noodzakelijk, aangezien in de van de Heffingsambtenaar afkomstige stukken een weerspreking van die waarde ligt besloten.

4.9.

Nu zowel de Heffingsambtenaar als belanghebbende de waarde van de onroerende zaak niet aannemelijk heeft gemaakt, zal het Hof de waarde in goede justitie vaststellen. Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, stelt het Hof de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2011 in goede justitie vast op € 700.000.

Vraag 2 Het verzoek om immateriële schadevergoeding

4.10.

De Rechtbank heeft in haar uitspraak ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn het volgende overwogen:

‘18. Uit het arrest van de HR van 10 juni 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO5046) volgt dat in een belastinggeschil als het onderhavige in het midden kan blijven of een dergelijke procedure binnen het bereik van artikel 6 van het EVRM valt. Het rechtszekerheidsbeginsel, als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, noopt er immers toe dat ook belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht.

19. Gelet op de vaste jurisprudentie van de HR (zie bijvoorbeeld het arrest van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006 en het arrest van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666) mag de behandeling van het bezwaar en beroep tezamen ten hoogste twee jaar duren. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, geldt voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechterlijke macht als regel dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen.

20.
Voorts moet volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991), in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is geweest van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat.

21.
Ten slotte wijst de rechtbank op vaste jurisprudentie van de HR (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540), waaruit volgt dat in het geval dat meerdere zaken van een eiser gezamenlijk zijn behandeld, in dit verband dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per halfjaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.

22. Gelet op de datum van de onderhavige uitspraak, 22 december 2015, stelt de rechtbank vast dat de onderhavige procedure vanaf 16 maart 2012 (de datum van het indienen van het pro forma bezwaarschrift) drie jaar en iets meer dan negen maanden heeft geduurd. De redelijke termijn is derhalve met een jaar en negen maanden overschreden. Het bedrag van de schadevergoeding dient te worden berekend op € 500,00 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding per half jaar naar boven wordt afgerond.

23.
Dit betekent dat de door eiser geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van vier maal € 500,-, dat is € 2.000,-.

24.
De rechtbank overweegt dat eiser niet alleen in onderhavige zaak, maar ook in de zaak SHE 15/790 heeft verzocht om schadevergoeding geleden ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn. Ook in die zaak is naar het oordeel van de rechtbank sprake van overschrijding van de redelijke termijn, te weten een overschrijding van negen maanden, aangezien het pro forma bezwaarschrift in die zaak dateert van 4 maart 2013 en de uitspraak in die zaak, evenals die in onderhavige zaak, op 22 december 2015 is gedaan. In beide zaken is de WOZ-waarde van de woning van eiser en de OZB-belasting aan de orde over het belastingjaar 2012 (onderhavige zaak) en het belastingjaar 2013 (SHE 15/790). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Voor die zaken zal de rechtbank dan ook gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per halfjaar hanteren. Omdat het bezwaarschrift in onderhavige zaak het eerst aangewende rechtsmiddel is, dient deze ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn in beide zaken. Het standpunt van eiser dat hij recht heeft op schadevergoeding in beide zaken, volgt de rechtbank dan ook niet. Anders dan eiser heeft betoogd, volgt uit het arrest van de HR van 20 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1461) niet dat eiser in beide procedures een schadevergoeding toekomt. Dit standpunt geeft blijk van een onjuiste lezing van het arrest. Daarin wordt juist bevestigd hetgeen omtrent schadevergoeding bij schending van de redelijke termijn in samenhangende zaken in het arrest van de HR van 21 maart 2014 is overwogen. Indien de rechtbank eisers verwijzing naar het arrest van 20 juni 2014 zo moet begrijpen, dat hij stelt dat hij in beide procedures spanning en frustratie heeft ervaren, merkt de rechtbank op dat de aanwezigheid van spanning en frustratie bij schending van de redelijke termijn op zich bezien wordt aangenomen, maar dat dit in dit geval, gelet op het gelijke onderwerp van de zaken, geen dubbele schadevergoeding rechtvaardigt. De in onderhavige zaak toegekende schadevergoeding ziet dus op de geleden immateriële schade ten gevolge van de overschrijding van de redelijke termijn in zowel onderhavige zaak, als in de zaak met het nummer SHE 15/790.

25. De rechtbank wijst er daarbij op dat een aanspraak op vergoeding van immateriële schade niet kan worden afgewezen of beperkt op grond van de omstandigheid dat eiser niet heeft aangedrongen op een spoedige behandeling van zijn zaak teneinde overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen (zie het arrest van de HR van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666). Het hieromtrent gestelde door verweerder kan aldus niet slagen.

26. Vervolgens is de vraag aan de orde aan wie de overschrijding van de redelijke termijn toegerekend kan worden. De eerste behandeling van het beroep van eiser tegen het besluit op bezwaar van 30 mei 2012 heeft geduurd van 24 juni 2012, datum van het pro forma beroepschrift, tot 6 juni 2014, datum van de eerste uitspraak van deze rechtbank, derhalve bijna twee jaar. Dit betekent dat de rechterlijke behandeling bijna zes maanden langer heeft geduurd dan is gerechtvaardigd. De hernieuwde behandeling van het beroep van eiseres tegen het onderhavige bestreden besluit van 11 februari 2015 heeft geduurd van 17 maart 2015, de datum van het beroepschrift, tot de datum van deze uitspraak, derhalve (iets meer dan) negen maanden. Deze hernieuwde, rechterlijke behandeling heeft niet te lang geduurd. Gelet op de hiervoor onder 20 aangehaalde jurisprudentie dient in beginsel deze overschrijding volledig aan het bestuursorgaan te worden toegerekend. De rechtbank ziet echter, gelet op de overschrijding van zes maanden in de beroepsfase, aanleiding om deze overschrijding aan de Staat toe te rekenen en niet het geheel op verweerder af te wentelen. Gelet hierop zal de rechtbank de Staat veroordelen tot vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500,- en verweerder opdragen tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.500,-.

27. De rechtbank heeft bij het voorgaande de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935 over het voeren van verweer in procedures bij een bestuursrechtelijk college waarin verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter (Staatscourant nr. 20210), betrokken. Het standpunt van eiser, dat recente jurisprudentie van de HR de werking van deze beleidsregel doorkruist, zodat de rechtbank ten onrechte de Staat der Nederlanden niet in de procedure heeft betrokken, kan niet worden gevolgd. In de door eiser bedoelde jurisprudentie wordt gesteld dat indien er in beginsel aanleiding bestaat om de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) te veroordelen tot vergoeding van de schade, de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid moet worden gesteld als partij aan het geding deel te nemen. De beleidsregel is daarmee niet in tegenspraak. Op basis van deze beleidsregel kan de rechter die het verzoek krijgt om een immateriële schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn met toepassing van artikel 8:73 (oud) of titel 8:4 Awb (al naar gelang welk regime conform het overgangsrecht in artikel IV, eerste lid, van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding van toepassing is), daarover direct in de hoofdzaak uitspraak doen. De Minister ziet immers op voorhand, behoudens uitzonderingsgevallen, af van het voeren van verweer.

27. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat eisers verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegewezen. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot betaling aan eiser van een bedrag van € 1.500,- en de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie) veroordelen tot betaling van aan eiser van een bedrag van € 500,- als vergoeding voor de door eiser als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade.’.

4.11.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden heeft beslist dat aan belanghebbende enkel een schadevergoeding toekomt voor overschrijding van de redelijke termijn in de procedure onder nummer SHE 15/1667 (Hof 16/00051), omdat sprake is van zaken die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (zie HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461). De schadevergoeding heeft de Rechtbank op de juiste wijze berekend en terecht vastgesteld op een bedrag van in totaal € 2.000 (€ 1.500 te betalen door de Heffingsambtenaar en € 500 door de Staat).

4.12.

Hoewel de Rechtbank in haar uitspraak terecht overweegt (rechtsoverweging 24, laatste volzin), dat de in de onderhavige zaak toegekende schadevergoeding dus ziet op de geleden immateriële schade ten gevolge van de overschrijding van de redelijke termijn in zowel de zaak met het nummer SHE 15/1667, als in de zaak van belanghebbende met het nummer SHE 15/790, heeft zij niet aan elk van die zaken een gedeelte toegerekend van het bedrag van in totaal € 2.000.
Het Hof acht het juist om dat wél te doen en zal het dictum van de uitspraken daarom corrigeren in die zin dat in de zaak SHE 15/1667 (Hof 16/00051) een bedrag aan te betalen schadevergoeding wordt vastgesteld van in totaal € 1.000 (€ 500 te betalen door de Heffingsambtenaar en € 500 door de Staat) en in de zaak SHE 15/790 (Hof 16/00050) een bedrag aan te betalen schadevergoeding van € 1.000 te betalen door de Heffingsambtenaar.

Vraag 3 Wettelijke rente over de te ontvangen immateriële schadevergoeding

4.13.

Belanghebbende stelt dat de Heffingsambtenaar rente is verschuldigd over de bedragen van de door het Hof toe te kennen immateriële schadevergoeding. Hij verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, nr. 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315, BNB 2016/94, waarin is overwogen:

“(…)

3.3.

Het tegen dit oordeel gerichte middel slaagt. De verplichting tot betaling van een vergoeding ter zake van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld bij uitspraak, waarbij tevens de omvang van de vergoeding wordt vastgesteld. Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet ervan worden uitgegaan dat de uiterste datum waarop deze betaling moet plaatsvinden is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen in het openbaar is gedaan, en dat de wettelijke rente eerst gaat lopen de dag na die uiterste datum (vgl. CBb 29 november 2013, nr. 10/1301, ECLI:NL:CBB:2013:257, en CRvB 30 januari 2014, nr. 13/2399, ECLI:NL:CRVB:2014:296). Dit uitgangspunt geldt ook indien deze verplichting is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend en evenzeer wanneer de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel is verstreken of, indien dat rechtsmiddel is ingesteld, daarop is beslist.
(…)”

4.14.

Partijen hebben ter zitting verklaard niet te weten of de immateriële schadevergoeding al is betaald. Wat daarvan ook zij, de Hoge Raad heeft in het hiervoor aangehaalde arrest van
26 februari 2016 geoordeeld dat de uiterste datum, waarop de betaling van een bij een uitspraak vastgestelde immateriële schadevergoeding moet plaatsvinden, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak, waarin de veroordeling is opgenomen, in het openbaar is gedaan. Voorts heeft de Hoge Raad bij dit arrest geoordeeld dat de wettelijke rente begint te lopen de dag na die van de uiterste betaaldatum van de immateriële schadevergoeding, ook indien tegen voornoemde uitspraak een rechtsmiddel kan worden aangewend.

Het Hof zal in deze zaak overeenkomstig het aangehaalde arrest ECLI:NL:HR:2016:315 de Heffingsambtenaar en de Staat veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 22 december 2015 tot aan de dag van algehele voldoening.

Vraag 4 De proceskostenvergoeding voor het beroep bij de Rechtbank en voor het
hoger beroep bij het Hof

4.15.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Integrale proceskostenvergoeding

4.16.

Belanghebbende verzoekt primair om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding, omdat hij door de Heffingsambtenaar opzettelijk en ten onrechte in een gerechtelijke procedure zou zijn betrokken. Hij verwijst daartoe naar zogenaamde ‘tegen beter weten in’-jurisprudentie. De Heffingsambtenaar heeft echter toegelicht dat bij de WOZ-beschikking abusievelijk is uitgegaan van een te groot perceel en dat dit is hersteld bij de uitspraak op bezwaar.

4.17.

Het Hof ziet – evenals de Rechtbank – geen aanleiding om te twijfelen aan het aldus gemotiveerde standpunt van de Heffingsambtenaar dat van een opzettelijk te hoge vaststelling van de waarde in de WOZ-beschikking geen sprake was. Bovendien is in bezwaar alsnog van de juiste oppervlakte uitgegaan en is daarbij de waarde verlaagd. Ook overigens zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigen.

4.18.

Het Hof is dan ook van oordeel dat zowel voor het beroep bij de Rechtbank als voor het hoger beroep bij het Hof kan worden volstaan met een proceskostenveroordeling overeenkomstig de forfaitaire bedragen uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb).

Forfaitaire proceskostenvergoeding

4.19.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Bpb, op
2 (punten voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak: gemiddeld), dat is op € 990 voor het beroep bij de Rechtbank; en op 2 (punten voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak: gemiddeld), dat is op € 990 voor het hoger beroep bij het Hof; derhalve in totaal op € 1.980.

Hierbij zal het Hof in aanmerking nemen dat de zaak met kenmerk 16/00050 met deze zaak samenhangt en daarom wordt in iedere zaak de helft van het totaalbedrag toegekend.

4.20.

Gesteld nog gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Bpb heeft gemaakt.

Ten aanzien van het griffierecht

4.21.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.22.

Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten bestaat geen aanleiding, aangezien deze reeds tot een bedrag van € 488 zijn vergoed bij de uitspraak op bezwaar.

Slotsom

4.23.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat beslist moet worden zoals hierna in onderdeel 5 is vermeld.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken op bezwaar van de Heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar van de Heffingsambtenaar, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van de kosten van het bezwaar;

  • -

    stelt de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum 1 januari 2011 vast op een bedrag van € 700.000 en gelast dat de aanslag OZB dienovereenkomstig wordt verminderd;

  • -

    wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar tot het betalen aan belanghebbende van een vergoeding voor immateriële schade tot een bedrag van € 500 en tot vergoeding van wettelijke rente over dat bedrag, vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 22 december 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid van Justitie) tot het betalen aan belanghebbende van een vergoeding voor immateriële schade van € 500 en tot vergoeding van wettelijke rente over dat bedrag, vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 22 december 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van
    € 45 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal
    € 990.

Aldus gedaan op 14 september 2017 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.A.G.M. Cools en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.