Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3847

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
16/00257 en 16/00258
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:893, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aftrek zorgkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-09-2017
FutD 2017-2235

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00257 en 16/00258

Uitspraak op de hoger beroepen van

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbenden,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland - West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 3 april 2015 en 19 februari 2016, nummers AWB respectievelijk BRE 14/208 en 14/209, in het geding tussen

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur

betreffende de hierna te vermelden aanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbenden zijn met dagtekening 6 december 2013 voor het jaar 2011 de volgende aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd:

  • -

    Aan [belanghebbende 1] (hierna: [belanghebbende 1] ) een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.171. Gelijktijdig met de aanslag is bij beschikking een bedrag van € 842 heffingsrente in rekening gebracht (Hof: zaaknummer 16/00257).

  • -

    Aan [belanghebbende 2] (hierna: [belanghebbende 2] ) een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.837. Gelijktijdig met de aanslag is bij beschikking een bedrag van € 246 heffingsrente in rekening gebracht (Hof: zaaknummer 16/00258).

1.2.

Belanghebbenden hebben ingevolge artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rechtstreeks beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank in de zaak van [belanghebbende 1] een griffierecht geheven van € 45.

1.3.

De Rechtbank heeft op 3 april 2015 tussenuitspraak gedaan, het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld met elkaar in overleg te treden en nadere afspraken met elkaar te maken.

1.4.

Bij brief van 12 november 2015 heeft de Inspecteur aan de Rechtbank laten weten dat het partijen niet is gelukt om tot een compromissoire oplossing te komen.

1.5.

De Rechtbank heeft op 19 februari 2016 (eind)uitspraak gedaan en het beroep van [belanghebbende 2] ongegrond verklaard en het beroep van [belanghebbende 1] gegrond verklaard, de aanslag van [belanghebbende 1] verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.979, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd en gelast dat de Inspecteur aan [belanghebbende 1] het door hem betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

1.6.

Tegen de tussenuitspraak (zie 1.3) alsmede tegen de uitspraak (zie 1.5) hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van [belanghebbende 1 en 2] elk een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb hebben belanghebbenden vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 1 juni 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [belanghebbende 1] en de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbenden, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] , , [C] en de heer [D] (taxateur). De hoger beroepen met kenmerk 16/00257 en 16/00258 zijn te dezer zitting met toestemming van partijen gezamenlijk behandeld. Tijdens het onderzoek ter zitting hebben partijen toestemming gegeven om de uitspraken in beide zaken in één geschrift te verenigen.

1.9.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbenden bezitten een eigen woning aan de [adres] 9 te [woonplaats] (hierna: de woning). [belanghebbende 2] leidt aan de ziekte multiple sclerose, secundair progressief.

2.2.

Vanwege de ziekte van [belanghebbende 2] hebben belanghebbenden overwogen te verhuizen naar een nieuwe rolstoelgeschikte woning. In dat verband heeft revalidatiecentrum [E] een algemeen eisenpakket samengesteld waar die woning aan zou moeten voldoen. Daarin staat – voor zover van belang – het volgende:

‘Toegankelijkheid

Algemeen

 Deuren, ramen, CV-thermostaat, deurbel, klepramen, lichtschakelaars en wandcontactdozen, welke door betrokkene gebruikt worden, moeten vanuit de rolstoel bediend kunnen worden.

Verkeer naar de woning

  • -

    Verhard toegangspad min. 900 mm. breed. Geen drempels bij de toegangsdeuren van de woning, alleen waterkeringen van max. 20 mm.

  • -

    maximale helling 1:20

  • -

    ter plaatse van de toegangsdeur een bordes van 1500 mm.

  • -

    vrije ruimte aan de slotzijde van de toegangsdeur min. 350 mm.

  • -

    terras achter de woning dient rolstoeltoegankelijk en rolstoelgeschikt te zijn.

  • -

    doorgang poort minimaal 850mm.

  • -

    Bijvoorkeur elektrische deuropener.

Verkeer binnen de woning

  • -

    drempelvrij

  • -

    gangbreedte min. 1100 mm.

  • -

    vrije doorgang deuren min. 850 mm.

  • -

    deuren waar mogelijk uitvoeren als schuifdeuren

  • -

    Draaicirkel 1500mm.

Keuken (..)’

2.3.

Belanghebbenden hebben besloten niet te verhuizen maar de woning aan te passen. In 2009 is de bovenverdieping van de woning verbouwd, waarbij onder meer de badkamer is aangepast. De woning is in 2011 ingrijpend verbouwd en uitgebreid met een erker en een tuinkamer.

2.4.

In maart 2011 heeft mevrouw [F] , ergotherapeut van het [G-ziekenhuis] te [H] , een advies voor aanpassing van de woning gegeven. Daarin staat – voor zover van belang – het volgende:

‘Samen hebben we bekeken welke aanpassingen op de benedenverdieping noodzakelijk zijn. Er is een eisenpakket opgesteld t.b.v. een rolstoelgeschikte woning. Het is noodzakelijk dat er meer ruimte gecreëerd wordt in de woning i.v.m. het manoeuvreren met een rolstoel. De woning dient volledig rolstoel toe- en doorgankelijk te zijn.

Toe- en doorgankelijkheid:

Algemeen

Deuren, ramen, CV-thermostaat, deurbel, klapramen, lichtschakelaars en wandcontactdozen, welke door mevrouw gebruikt worden, moeten vanuit de rolstoel bedient kunnen worden.

Verkeer naar de woning

Geen drempels bij de toegangsdeuren van de woning en bij voorkeur een elektrische deuropener.

Verkeer binnen de woning

Drempelvrij, doorgang deuren +/- 1000 mm., deuren waar mogelijk uitvoeren als schuifdeuren.

Keuken:

Algemeen

Uitgegaan wordt van zittend werken in een trippelstoel.

Aanrechtblad

Onderrijdbaar

Spoelbak

Onderrijdbaar, diepte maximaal 120 mm, onderzijde isoleren.

Waterafvoer

Sifon tegen de achterzijde van de wand wegwerken.

Bovenkasten

300 mm. diep

Een rolstoel toe- en doorgankelijke woning biedt meer veiligheid en zelfstandigheid.’

2.5.

In augustus 2012 heeft mevrouw [J] , revalidatiearts van het [G-ziekenhuis] te [H] , – voor zover van belang – geschreven:

‘Patiënt maakt op de benedenverdieping veel gebruik van trippelstoel of loopt met rollator. Er zijn diverse voorzieningen op de begane grond medisch noodzakelijk.’

2.6.

De gemeente Roerdalen heeft in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) met dagtekening 5 april 2011 een beschikking woningaanpassing afgegeven. De beschikking is afgegeven naar aanleiding van een op 24 januari 2011 door [belanghebbende 2] ingediend verzoek om een financiële tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing. De gemeente Roerdalen heeft daarop advies ingewonnen bij [K] . Dit advies heeft zij op 9 februari 2011 ontvangen. Uit het advies blijkt , – voor zover van belang – het volgende:

‘Ten aanzien van het wonen worden door cliënt onder meer problemen ervaren inzake:

  • -

    het gebruik van de keuken

  • -

    rolstoeltoegankelijkheid en doorgankelijkheid

Bij [belanghebbende 2] is rolstoelgebruik binnenshuis (nog) niet aan de orde. Naar verwachting zullen haar beperkingen in de toekomst wel toenemen. Bij de oordeelsvorming c.q. woningaanpassing hoeft hier in het kader van de Wmo geen rekening mee gehouden te worden.’

[K] heeft voorgesteld om een bedrag van € 3.000 toe te kennen, hetgeen de gemeente Roerdalen heeft opgevolgd.

2.7.

Belanghebbenden hebben op 7 maart 2012 gezamenlijk aangifte inkomstenbelasting 2011 gedaan, waarin zij een bedrag van € 70.058 - waarvan € 70.719 betrekking heeft op uitgaven voor woningaanpassingen - hebben opgevoerd als uitgaven voor specifieke zorgkosten. Daarvan is een bedrag van € 19.837 toegerekend aan [belanghebbende 2] en een bedrag van € 50.221 toegerekend aan [belanghebbende 1] . Van deze kosten zijn door belanghebbenden totaalfacturen van de aannemer overgelegd, zonder onderliggende specificaties.

2.8.

Bij de aanslagregeling is de Inspecteur afgeweken van de door belanghebbenden opgevoerde kosten van de woningaanpassingen. Hij heeft zich bij de in aanmerking te nemen kosten gebaseerd op een taxatierapport van [L] , Register Taxateur Bedrijfsmatig Vastgoed, opgesteld op 1 november 2012 en heeft een bedrag van € 7.015 in aftrek toegestaan.

2.9.

De Rechtbank heeft in een tussenuitspraak (zie 1.3) haar visie uiteengezet of bepaalde kosten worden opgeroepen door de ziekte/invaliditeit van [belanghebbende 2] en partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld met elkaar in overleg te treden en nadere afspraken met elkaar te maken. Bij brief van 12 november 2015 heeft de Inspecteur aan de Rechtbank laten weten dat het partijen niet is gelukt om tot een compromissoire oplossing te komen.

2.10.

De Rechtbank heeft in haar (eind)uitspraak (zie 1.5) een bedrag van € 11.207 in aftrek toegestaan en de additionele aftrek ad € 4.192 (€ 11.207 -/- € 7.015) geheel toegerekend aan [belanghebbende 1] en het inkomen uit werk en woning verminderd tot € 46.979 (€ 51.171 -/- € 4.192).

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de Rechtbank in haar tussenuitspraak van 3 april 2015 een definitief oordeel geveld dat de met de uitbouw van de erker gepaard gaande uitgaven kwalificeren als specifieke zorgkosten in verband met de aanpassing van de woning, waaraan zij was gebonden in de einduitspraak?

II. Zijn de aanslagen IB/PVV voor het jaar 2011, na de vermindering bij uitspraak op beroep, juist vastgesteld? Meer in het bijzonder is in geschil tot welk bedrag belanghebbenden recht hebben op aftrek van specifieke zorgkosten in verband met de aanpassing van de woning.

3.2.

Belanghebbenden zijn van mening dat de onder 3.1 opgenomen vraag I bevestigend en vraag II ontkennend beantwoord moet worden. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbenden concluderen tot gegrondverklaring van de hoger beroepen, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en tot vaststelling van de aan belanghebbenden voor het jaar 2011 op te leggen aanslagen IB/PVV overeenkomstig de door hen ingediende aangifte. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

4 Gronden

Vraag I: Definitief oordeel tussenuitspraak Rechtbank inzake kosten uitbouw erker?

4.1.

Belanghebbenden stellen dat de Rechtbank met haar oordeel over de fiscale kwalificatie van de kosten van de erker in de tussenuitspraak een definitief oordeel heeft gegeven en dat de Rechtbank daar in haar uitspraak niet op kan terugkomen. Volgens de Inspecteur heeft de Rechtbank, op verzoek van partijen met het oog op een compromissoire oplossing, in de tussenuitspraak een voorlopige gedachtebepaling uiteengezet. Van een definitief oordeel is volgens de Inspecteur geen sprake.

4.2.

De Rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 3 april 2015 met betrekking tot de erker – voor zover in hoger beroep van belang - als volgt overwogen:

‘‘2.15. Belanghebbenden heeft de woning uitgebreid met een erker om daar een bed te kunnen plaatsen voor [belanghebbende 2] . De inspecteur heeft niet betwist dat het vanwege de ziekte nodig was om beneden een bed te plaatsen (…). De plaatsing in de erker berust volgens de inspecteur op een persoonlijke voorkeur. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Bij de genoemde uitbreiding is het de vraag of in de oude situatie redelijkerwijze een bed kon staan in de woonkamer waarbij de rolstoeltoegankelijkheid niet belemmerd werd. Naar het oordeel van de rechtbank zou het plaatsen van het bed in de woonkamer in de oude situatie bijna niet dan wel geheel onmogelijk zijn zonder het belemmeren van de rolstoeldoorgankelijkheid. De kosten die hiermee samenhangen komen derhalve voor aftrek in aanmerking. (…).’’

4.3.

In de (eind)uitspraak van 19 februari 2016 heeft de Rechtbank, voor zover te dezen van belang, als volgt overwogen:

‘2.18. De rechtbank realiseert zich dat zij hiermee afwijkt van hetgeen is opgenomen in de tussenuitspraak van 3 april 2015.’

4.4.

Het Hof overweegt als volgt. Gelet op de bewoordingen die door de Rechtbank in de tussenuitspraak van 3 april 2015 zijn gebezigd is het Hof van oordeel dat de Rechtbank in de tussenuitspraak ten aanzien van een aantal (beslis)punten definitieve oordelen heeft gegeven. Elk voorbehoud dat het hier zou gaan om voorlopige oordelen ontbreekt in de tussenuitspraak, terwijl ook de tekst er geen misverstand over laat bestaan dat het gaat om definitieve oordelen. Ook uit het proces-verbaal van de zitting op 20 november 2014 blijkt dat partijen hebben gevraagd om definitieve oordelen te geven over een aantal (beslis)punten, en dat de Rechtbank hiermee heeft ingestemd.

4.5.

De Rechtbank was niet gehouden in een tussenuitspraak (definitieve of voorlopige) oordelen te geven (Hoge Raad 17 december 2004, 38831, ECLI:NL:HR:2004:AR7741), maar nu zij dat wel heeft gedaan, stond het haar niet meer vrij van de in de tussenuitspraak gegeven definitieve oordelen in de einduitspraak af te wijken.

4.6.

De stelling van belanghebbenden dat de Rechtbank niet kon terugkomen op de in de tussenuitspraak gegeven definitieve oordelen is derhalve juist, maar kan hen niet baten. In hoger beroep staat de volledige herkansing van partijen voorop. Het Hof is in ieder geval niet gebonden aan de door de Rechtbank in de tussen- of einduitspraak gegeven oordelen. Het Hof dient in hoger beroep de zaak aan een geheel hernieuwde beoordeling te onderwerpen en kan de uitspraak van de Rechtbank bevestigen of vernietigen, al naar gelang daartoe naar het oordeel van het Hof aanleiding is.

4.7.

Gelet op het vorenoverwogene dient vraag I bevestigend te worden beantwoord.

Vraag II: Omvang aftrek specifieke zorgkosten in verband met de aanpassing van de woning.

4.8.

In geschil is in hoeverre de door belanghebbenden uitgevoerde aanpassingen van de woning, in het bijzonder de aanbouw van de erker en de tuinkamer, geheel op grond van medisch voorschrift hebben plaatsgevonden. Belanghebbenden zijn van mening dat alle kosten gemaakt zijn ten behoeve van de medisch noodzakelijke aanpassing van de woning. Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat ergotherapeut [F] (zie 2.4) heeft bedoeld dat het vloeroppervlak van de woning diende te worden vergroot, zodat de aanbouw van de erker en de tuinkamer op medisch voorschrift zijn geschied.

4.9.

De Inspecteur is van mening dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

4.10.

De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – in de (eind)uitspraak het volgende geoordeeld:

‘2.10. In artikel 6.17 van de Wet IB 2001 (tekst 2011) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“1 Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

(…)

d. andere hulpmiddelen, met uitzondering van (…),

2. Als ander hulpmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt mede aangemerkt een middel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. Hiertoe worden gerekend:

a. aanpassingen van een woning, (…) of aanhorigheid daarvan, die vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht, voorzover de aanpassingen niet leiden tot een waardevermeer-dering van de woning, (…) of aanhorigheid daarvan welke uitgaat boven tien procent van de op belastingplichtige drukkende aanpassingskosten.

(…)”

2.11.

In de tussenuitspraak van de rechtbank is ingegaan op de vraag welke aanpassingen redelijkerwijs noodzakelijk waren in verband met de fysieke beperkingen van mevrouw. Thans spitst het geschil zich toe op de vraag welk deel van de aanpassingen is aangebracht op medisch voorschrift.

2.12.

De rechtbank is van oordeel dat onder ‘medisch advies’ kunnen worden verstaan zowel de adviezen van revalidatiecentrum [E] als die van ergotherapeut [F] en revalidatiearts [J] .

2.13.

Belanghebbenden zijn van mening dat ergotherapeut [F] heeft bedoeld dat het vloeroppervlak van de woning diende te worden vergroot, zodat de aanbouw van de erker en tuinkamer op medisch voorschrift zijn geschied. De inspecteur is van mening dat aan het medisch voorschrift is voldaan door de deuren breder te maken, schuifdeuren te installeren en de vloer op de benedenverdieping te egaliseren. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van de verbouwing van de keuken van € 6.015 in elk geval op medisch voorschrift zijn gemaakt en dat de legeskosten van € 657,35 die in verband met de verbouwing zijn betaald evenredig moeten worden toegerekend aan het deel van de verbouwingskosten dat tot de aftrekbare zorgkosten behoort.

2.14.

De rechtbank is van oordeel dat uit de medische voorschriften blijkt dat een verbouwing van de woning noodzakelijk is om deze rolstoel toe- en doorgankelijk te maken en dat daarvoor (naast de verbouwing van de keuken) nodig is het weghalen van drempels, verbreden van de deuren, het vervangen van de deuren door schuifdeuren, het verharden van de toegang naar de woning en het verplaatsen van stopcontacten en andere bedienbare apparaten. De rechtbank kan uit de adviezen niet afleiden dat ook is bedoeld een uitbreiding van de woning met erker en/of tuinkamer. De enkele stelling in het advies van ergotherapeut [F] dat er meer ruimte moet worden gecreëerd acht de rechtbank daarvoor onvoldoende, nu ook ruimte wordt gecreëerd door het vervangen van deuren door schuifdeuren.

2.15.

Belanghebbenden hebben geen specificatie verstrekt van de gemaakte kosten zodat de rechtbank niet uit de stukken kan afleiden wat de op medisch voorschrift verrichte verbouwingen, als omschreven in 2.13, hebben gekost. De inspecteur heeft in de brief van 18 januari 2016 de aanvaardbare kosten primair berekend op € 11.207: aanpassing deur hal € 952, plus verbreding deur keuken € 952, plus verbreding buitendeur keuken € 1.190, plus aanleg hellingbaan/bordes van terras naar woning/berging € 595, plus keuken (niet in geschil) € 6.015, plus verbreding doorgang terras naar berging en garage € 1.428, plus een evenredig deel van de leges ad € 75. Rekening houdend met de van de gemeente Roerdalen ontvangen financiële tegemoetkoming van € 3.000 is dan een bedrag van € 8.207 aftrekbaar. Bij de aanslag is reeds een bedrag van € 7.015 in aftrek toegestaan, waardoor het belastbaar inkomen uit werk en woning in zijn visie nog met € 1.192 zou moeten worden verminderd. De door de inspecteur meegebrachte taxateurs hebben ter zitting gemotiveerd de door de inspecteur opgevoerde aangevoerde bedragen onderbouwd.

2.16.

Belanghebbenden hebben daar tegenover niets aangevoerd maar hebben gepersisteerd in volledige aftrek van alle kosten. De rechtbank zal dan ook bij haar uitspraak de berekening van de inspecteur als uitgangspunt nemen. Zij is echter van oordeel dat de inspecteur onvoldoende rekening heeft gehouden met kosten voor het verplaatsen van stopcontacten en andere zaken die voor mevrouw bedienbaar moesten blijven en evenmin met bijkomende kosten van de geaccepteerde verbouwingen zoals extra schilder- en stucwerk en dergelijke. De rechtbank stelt het bedrag van deze kosten in goede justitie van op € 3.000. Het totaal van de specifieke uitgaven voor zorgkosten in 2011 bedraagt dan € 11.207.

2.17.

Bij de aanslagregeling is € 7.015 aftrek geaccepteerd. Daar komt dus € 4.192 bij. Belanghebbenden hebben de zorgkosten ieder voor een deel in aftrek gebracht. De rechtbank begrijpt dat zij dat zo hebben uitgerekend dat het fiscaal zo voordelig mogelijk is. Nu mevrouw een lager marginaal tarief aan IB verschuldigd is dan meneer, is het voordeliger de verhoging van de aftrekpost van €4.192 geheel aan meneer toe te rekenen. De rechtbank zal dat doen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van meneer dient te worden verminderd tot € 51.171 minus € 4.192 is € 46.979.’

4.11.

Met haar hiervoor weergegeven oordeel heeft de Rechtbank, naar het oordeel van het Hof, op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt de desbetreffende overwegingen tot de zijne.

4.12.

Gelet op het vorenoverwogene dient vraag II bevestigend te worden beantwoord.

4.13.

Het Hof heeft kennis genomen van het verzoek van belanghebbenden om over te gaan tot een onderzoek ter plaatse (descente). Het Hof zal daartoe niet overgaan omdat het zich voldoende voorgelicht acht op basis van de overgelegde schriftelijke gegevens waaronder het fotomateriaal en de daarop tijdens het onderzoek ter zitting gegeven toelichting.

Slotsom

4.14.

De slotsom is dat de hoger beroepen ongegrond zijn en dat de uitspraken van de Rechtbank dienen te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

De grieven van belanghebbenden leiden niet tot een gegrond beroep. In de gang van zaken bij de Rechtbank en in het bijzonder de omstandigheid dat belanghebbenden de tussenuitspraak met betrekking tot de erker hebben kunnen opvatten als een definitief oordeel ziet het Hof aanleiding om te gelasten dat de griffier van het Hof het van [belanghebbende 1 en 2] ter zake van het hoger beroep geheven griffierecht op de voet van art. 8:114 van de Awb aan hen terugbetaalt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.15 ziet het Hof aanleiding voor een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbenden in verband met de behandeling van de hoger beroepen bij het Hof redelijkerwijs hebben moeten maken. Daarbij wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op: 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof à € 495 is totaal € 990.

4.17.

Het Hof zal in elk van de zaken 16/00257 en 16/00258 een proceskostenvergoeding toekennen van (€ 990 : 2 =) € 495.

5 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraken van de Rechtbank;

- gelast dat de griffier van het Hof aan [belanghebbende 1] het door hem in verband met de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 124 vergoedt;

- gelast dat de griffier van het Hof aan [belanghebbende 2] het door haar in verband met de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 124 vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van [belanghebbende 1] , vastgesteld op € 495; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van [belanghebbende 2] , vastgesteld op € 495.

Aldus gedaan op 7 september 2017 door P. Fortuin, voorzitter, P.C. van der Vegt en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.