Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3845

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
200.172.563_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

dwaling. Non conformiteit. Bouw carport onmogelijk.

Aanbouw verzakt? Nader onderzoek door deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.172.563/01

arrest van 5 september 2017

in de zaak van

[appellant 1] ,

en

[appellant 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. D.J. van den Bosch te Bilthoven,

tegen

[geïntimeerde 1] ,

en

[geïntimeerde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. B.F.M. Huijskens te Breda,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 9 augustus 2016 in het hoger beroep van

de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, handelsrecht, zittingsplaats Breda gewezen vonnissen van 25 september 2013, 26 maart 2014 en 4 maart 2015 tussen appellanten - [appellanten] - als eisers en geïntimeerden - [geïntimeerden] - als gedaagden. Het hof zal de nummering van voormeld tussenarrest voortzetten.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    voornoemd tussenarrest van 9 augustus 2016;

  • -

    de door [appellanten] genomen akte uitlatingen deskundigenbericht;

  • -

    de door [geïntimeerden] genomen akte na tussenarrest.

Het hof heeft bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

7 De beoordeling

7.1

In voornoemd tussenarrest heeft het hof, voor zover hier relevant, de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating zijdens beide partijen waarin zij zich kunnen uitlaten over aantal, deskundigheid en, bij voorkeur eensluidend, over de persoon van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen, met inachtneming van hetgeen in rov. 4.7.3 van het tussenarrest is vermeld.

7.2

[appellanten] en [geïntimeerden] zijn van mening dat het de voorkeur heeft om de ook door de rechtbank benoemde deskundige de heer R.J. van Drie van [Nederland B.V.] Nederland B.V. opnieuw te benoemen voor wat betreft het onderzoek naar de scheurvorming. Hij heeft op verzoek van de rechtbank de scheurvorming gemeten en kan wat dat betreft, aldus beide partijen, de resultaten van zijn op 14 mei 2014 (het hof begrijpt dat het jaartal 2013 in nr. 2.2 op pag. 8 van het rapport een vergissing is) en/of 17 juni 2014 (het hof begrijpt dat het jaartal 2013 in nr. 1.5 5 van het rapport een vergissing is) gehouden onderzoek dat is neergelegd in zijn rapport van 3 oktober 2014 goed vergelijken met de resultaten van het nieuwe door het hof te gelasten onderzoek. Het hof zal dan ook de heer R.J. van Drie benoemen.

Beide partijen stellen in de kern dezelfde vraag die aan Van Drie ter beantwoording moeten worden voorgelegd en wel:

is de door u in mei en/of juni 2014 geconstateerde scheurvorming in de woning van [appellanten] veranderd en zo ja, in welke mate?

Het hof zal hem ook de vraag voorleggen wat zijn verwachtingen als deskundige zijn omtrent mogelijke verdere ontwikkeling van de scheurvorming. Het hof zal hem ten slotte ook vragen of hij nog opmerkingen heeft die relevant kunnen zijn voor de onderhavige zaak.

7.3

Een (of de) oorzaak van de scheurvorming is volgens [appellanten] de volgens hen onvoldoende draagkracht van de grond onder de achteraanbouw. Bij rapport van 19 mei 2015, dus nadat de rechtbank in dit geschil op 4 maart 2015 eindvonnis heeft gewezen, heeft [derde] hieromtrent een rapportage geografisch veldwerk opgemaakt. De stelling van [geïntimeerden] dat zij niet zijn uitgenodigd om bij de boringen aanwezig te zijn (nr. 52 memorie van antwoord) is niet door [appellanten] betwist, hetgeen zij hadden kunnen doen in hun akte uitlating deskundigenbericht, zodat het hof ervan uitgaat dat [appellanten] [geïntimeerden] niet voor dat onderzoek hebben uitgenodigd. [geïntimeerden] hebben de uitkomst van die rapportage gelet op de mogelijkheden die zij daartoe hadden voldoende betwist (zie nrs. 82 en 91 van hun memorie van antwoord). Alleen al gelet hierop komt het het hof geraden voor om nogmaals een bodem-sonderingsonderzoek te laten doen. Op deze manier kunnen [geïntimeerden] in elk geval toezien op de plaatsen waar door de deskundige wordt geboord. Het hof gaat dus voorbij aan het bezwaar van [appellanten] om nogmaals zo’n onderzoek te laten doen, alleen al omdat zij hebben nagelaten om [geïntimeerden] tijdig uit te nodigen om bij het bodemonderzoek/sonderingsonderzoek aanwezig te zijn.

Het hof zal dan ook, zoals reeds is aangekondigd in rov. 4.7.3 van het tussenarrest, een deskundige verzoeken om een sonderingsonderzoek te doen aan de hand waarvan de vraag dient te worden beantwoord of de bodem voldoende draagkracht heeft voor de daarop gebouwde achteraanbouw.

7.4

Het hof blijft bij zijn voorshands uitgesproken oordeel dat het voorschot op de kosten van de deskundigen door [appellanten] dient te worden betaald.

7.5

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

8 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht en benoemt in deze tot deskundige:

R.J. van Drie,

werkzaam bij [Nederland B.V.] Nederland B.V.,

Postbus [Postbus] ,

[postcode] [plaats] ,

Telnr: [Telnr] ,

en

ir. J.M.C. Zoun,

werkzaam bij [Grondmechanica B.V.] Grondmechanica B.V.,

Postbus [Postbus] ,

[postcode] [plaats] ,

Telnr: [Telnr] ,

en

A. van der Sluis,

werkzaam bij [Funderingsherstel] Funderingsherstel,

[adres] ,

[postcode] [plaats] ,

Telnr: [Telnr] ;

A. verzoekt de deskundige Van Drie om gemotiveerd de volgende vragen te beantwoorden:

a. is de door u in mei en/of juni 2014 geconstateerde scheurvorming in de woning van [appellanten] veranderd en zo ja, in welke mate?

b. wat zijn dan uw verwachtingen omtrent de mogelijke verdere ontwikkeling van de scheurvorming?

c. heeft u verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor de onderhavige zaak?

B. verzoekt de deskundige Zoun om een bodemsonderingsonderzoek te doen ter plaatse van de achteraanbouw van de woning van [appellanten] aan de hand van welk onderzoek kan worden berekend althans aangegeven of de bodem voldoende draagkracht heeft voor de daarop gebouwde achteraanbouw;

C. verzoekt de deskundige Van der Sluis om gemotiveerd de volgende vragen te beantwoorden:

a. wilt u aan de hand van de uitkomsten van het hiervoor gelaste bodemsonderingsonderzoek berekenen althans gemotiveerd aangeven of de bodem al dan niet voldoende draagkracht heeft voor de daarop gebouwde achteraanbouw;

b. als de bodem niet voldoende draagkracht voor de daarop gebouwde achteraanbouw heeft, wat is daarvan de oorzaak?

c. als de bodem onvoldoende draagkracht heeft, kan dit worden verholpen en, zo ja, welke kosten zijn daarmee gemoeid?

d. heeft u verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor de onderhavige zaak?

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundigen toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundigen ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundigen eerst met het onderzoek beginnen nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundigen bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundigen een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundigen op het door de deskundigen begrote bedrag van in totaal € 18.333,55 inclusief btw (€ 2.758,80 als voorschot op de kosten van Van Drie, € 15.000,- als voorschot op de kosten van Zoun en € 574,75 als voorschot op de kosten van Van der Sluis), tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat [appellanten] genoemd voorschot van € 18.333,55 zullen overmaken binnen veertien (14) dagen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundigen, indien de kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

benoemt mr. J.R. Sijmonsma tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundigen zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

verwijst de zaak naar de rol van 30 januari 2018 in afwachting van het deskundigenbericht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, M.G.W.M. Stienissen en J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 september 2017.

griffier rolraadsheer