Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3842

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
16/03705
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof stelt de waarde van de onroerende zaak (een tussenwoning zonder garage) in goede justitie vast, nu geen van beide partijen de door hen verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03705

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 18 juli 2016, nummer SHE 16/476, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Reusel -De Mierden,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen beschikking en aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gezonden waarbij de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] 14 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2014, voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015, is vastgesteld op € 203.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelasting (hierna: OZB) 2015 bekend gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken, het bezwaar ongegrond verklaard en de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 2 juni 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , adviseur te [B] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [C] en de heer [D] .

1.5.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

De onroerende zaak betreft een tussenwoning, gebouwd in 1970. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 331 m3 en een vrijstaande berging/schuur van 20 m3. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 150 m2.

2.2.

Ter onderbouwing van de door hem bij beschikking vastgestelde waarde heeft de Heffingsambtenaar de onroerende zaak laten taxeren door mevrouw [C] (hierna: mevrouw [C] )), werkzaam bij [E] B.V.. Zij heeft ter zake op 19 april 2016 een matrix opgesteld.

2.3.

In de matrix, opgesteld door mevrouw [C] , is de waarde van de onroerende zaak bepaald op € 203.000. De onroerende zaak is vergeleken met vier in [woonplaats] gelegen referentieobjecten, te weten [adres 2] 3 (hoekwoning), verkocht op 31 januari 2014 voor € 212.500, [adres 2] 17 (tussenwoning), verkocht op 13 december 2013 voor € 200.000, [adres 2] 18 (tussenwoning), verkocht op 28 februari 2014 voor € 219.000 en [adres 1] 20 (hoekwoning), verkocht op 30 september 2013 voor € 199.500.

2.4.

In de bezwaarfase heeft belanghebbende ter onderbouwing van de toen door hem bepleite waarde van € 153.000 een taxatierapport met waardematrix laten opstellen door een taxateur van [F] B.V. te [B] . De onroerende zaak is hierbij inpandig opgenomen. In beroep bij de Rechtbank heeft belanghebbende ter onderbouwing van de toen door hem bepleite waarde van € 172.000 de waardematrix door een andere taxateur van [F] B.V. te [B] laten aanpassen. In hoger beroep is deze waardematrix op twee onderdelen aangepast en is de waarde van de onroerende zaak bepaald op € 173.000. De onroerende zaak is in deze matrix vergeleken met drie in [woonplaats] gelegen referentieobjecten, te weten de objecten [adres 1] 20 en [adres 2] 3, die ook door de taxateur van de Heffingsambtenaar zijn gehanteerd, en [adres 3] 9 (tussenwoning), verkocht op 2 maart 2015 voor € 166.000.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum te hoog heeft vastgesteld.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

De Heffingsambtenaar is de tegengestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daaraan het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende (gemachtigde):

- Ik betwist dat huizen uit de jaren ‘70 standaard scheuren en lekkages hebben. Dat is heus niet standaard bij dergelijke huizen.

- [adres 1] 20 heeft dezelfde ligging en dezelfde bouwoverlast als de onroerende zaak. Maar het betreft een hoekwoning en is dus gewilder dan de onroerende zaak.

- De bouwwerkzaamheden 50 meter verderop zijn weliswaar afgerond in 2010, maar op het grasveld ervoor staat nog steeds een groot bord op palen dat er (andere) nieuwbouw komt. Een potentiële koper houdt daar rekening mee.

- De Heffingsambtenaar heeft gesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij een familieverkoop eerder een te lage dan een te hoge koopsom wordt betaald. Ik betwist dat; er kunnen diverse omstandigheden zijn op grond waarvan de ene keer een te hoge koopsom en een andere keer juist een te lage koopsom wordt betaald. Verder staat in de notariële akte dat er 164 m2 grond is verkocht. De Heffingsambtenaar is uitgegaan van 144 m2 grond. Ook dat klopt dus niet.

- Ik zoek naar referentiepanden zonder garage. De Heffingsambtenaar vindt € 12.000 al te hoog bij [adres 2] 17, maar ik vind dat die garage wel € 17.000 waard is. De onroerende zaak heeft geen garage, daarom zoek ik ook naar referentiepanden zonder garage.

- De verschillen in onderhoud heb ik aangetoond en onderbouwd met foto’s. Mijn taxateur is bij belanghebbende binnen geweest, die van de Heffingsambtenaar niet.

- In de bezwaarfase heeft een inpandige opname plaatsgevonden en is in opdracht van belanghebbende een taxatierapport opgemaakt. Ik beroep mij voor de kostenvergoeding op de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven, Stcrt. 2012, 26039 (hierna: de Richtlijn). In de beroepsfase is een nieuwe waardematrix opgesteld, zie de nota van € 90. Reden voor die nieuwe matrix was dat de Heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar met andere referentiepanden kwam. Ik zie af van een kostenvergoeding voor het aanpassen van de matrix in hoger beroep.

De Heffingsambtenaar:

- De door mij gehanteerde referentiepanden zijn rond de waardepeildatum verkocht. De verkopen van twee van de drie referentiepanden die belanghebbende hanteert, zijn veel verder verwijderd van de waardepeildatum.

- Het onderhoud is bij alle panden gelijk. De kwaliteit van de onroerende zaak is hetzelfde als bij [adres 2] 3 en 18 en [adres 1] 20. [adres 2] 17 is wel van mindere kwaliteit; dat betreft een woning met oude elementen zoals bruine deuren en schroten. Dat pand is verkocht aan één van de kinderen maar heeft ook te koop gestaan. De koopprijs ligt in lijn met de andere panden. Er is zeker niet teveel betaald. Te weinig ook niet, want er zijn nog twee andere kinderen. Dit verkoopcijfer is dus wel degelijk bruikbaar. De kwestie van 144 m2 dan wel 164 m2 heb ik uitgelegd in mijn verweerschrift. Het is op een andere wijze verwerkt in de matrix. De waarde van het perceel, waarop de garagebox staat, is in de waarde van de garage zelf verdisconteerd en is dus niet in de kavelwaarde opgenomen. Daarom valt de garage daar wat hoger uit. Het perceel is dus 164 m2. Er is voor de garage gerekend met € 12.000 en dat is zeker niet te laag.

- Het verkoopcijfer van het pand [adres 3] 9 is te ver van de waardepeildatum gerealiseerd. We hebben betere referentiepanden om te hanteren. Dat pand heeft bovendien een vlizotrap naar de zolder. Het is een oudere variant van een rijtjeswoning, waarbij de zolder niet, dan wel minder, bruikbaar is. Ik acht dat pand derhalve niet geschikt als referentiepand en indien er wel rekening mee wordt gehouden, moet de mindere kwaliteit ook in ogenschouw worden genomen en dat gebeurt nu niet in de matrix van belanghebbende.

- [adres 1] 20 is een andere variant. Het heeft een L-vormige kamer en het toilet ligt achter de keuken. Dat is natuurlijk niet handig. De onroerende zaak van belanghebbende heeft het toilet in de hal en een doorzonkamer van voor tot achter. Net als [adres 2] 3, 17 en 18. Daarom ook zijn deze panden het best vergelijkbaar.

- Wij zijn wel degelijk bij belanghebbende binnen geweest. Weliswaar niet in het kader van de waardering voor de WOZ, maar in het kader van planschade. We kennen de staat van de onroerende zaak dus wel goed; er zijn geen verschillen met [adres 2] 3, 17 en 18.

- Ik ben van mening dat belanghebbende, bij een gegrond hoger beroep, geen recht heeft op vergoeding van de nota van € 90. Dat wordt geacht in die 4 uur, genoemd in de Richtlijn, te zitten.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken van de Heffingsambtenaar en vermindering van de waarde tot € 173.000.

De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde, die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

4.2.

Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ wordt de waarde voor woningen bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn (zogeheten referentieobjecten).

4.3.

De bewijslast met betrekking tot deze waarde rust op de Heffingsambtenaar. Hij beroept zich dienaangaande op de door zijn taxateur opgestelde matrix. In die matrix worden vier referentieobjecten genoemd, te weten [adres 2] 3, [adres 2] 17, [adres 2] 18 en [adres 1] 20.

4.4.

Belanghebbende heeft gesteld dat bij het referentieobject [adres 2] 17 sprake is geweest van een familietransactie (tussen ouders en één van de kinderen), waarbij geen marktwerking heeft plaatsgevonden en waarbij een deel van de koopsom is omgezet in een lening. Om deze reden acht belanghebbende dit referentieobject niet bruikbaar. De Heffingsambtenaar heeft dienaangaande gesteld dat het een feit van algemene bekendheid is dat bij een familieverkoop eerder een te lage dan een te hoge koopsom wordt betaald, zodat het hanteren van dit referentieobject alleen maar in het voordeel van belanghebbende zou zijn. Belanghebbende heeft betwist dat dit een feit van algemene bekendheid zou zijn. Ter zitting bij het Hof heeft de Heffingsambtenaar gesteld dat het referentieobject ook te koop heeft gestaan en dat het betreffende verkoopcijfer in lijn ligt met de overige verkoopcijfers en daarmee marktconform is.

In hetgeen partijen dienaangaande hebben aangevoerd en gelet op het feit dat niet is komen vast te staan dat marktwerking heeft plaatsgevonden (volgens belanghebbende niet, volgens de Heffingsambtenaar wel), ziet het Hof reden dit referentieobject buiten beschouwing te laten.

4.5.

De referentieobjecten [adres 2] 3 en [adres 1] 20 acht het Hof minder geschikt omdat het, in tegenstelling tot de onroerende zaak, hoekwoningen zijn. Op zich zou een hoekwoning als referentieobject kunnen dienen, mits met de verschillen in voldoende mate rekening wordt gehouden. Het Hof kan uit de matrix van de Heffingsambtenaar niet afleiden dat met het verschil in type woning rekening is gehouden. De in de matrix voor de onroerende zaak gehanteerde prijzen per m2 en m3 zijn hoger dan voor de beide hoekwoningen gehanteerde prijzen, terwijl dit verschil naar het oordeel van het Hof niet alleen kan worden verklaard door de zogenaamde wet van het afnemend grensnut.

Daar komt bij dat, naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld, de onroerende zaak lekkageplekken en scheurvorming vertoont. De Heffingsambtenaar heeft dienaangaande gesteld dat de referentieobjecten in nagenoeg hetzelfde jaar als de onroerende zaak zijn gebouwd en dat lekkageplekken en scheurvorming bij dergelijke woningen geenszins ongewoon zijn. Een eventueel waardedrukkend effect hiervan is volgens de Heffingsambtenaar derhalve verdisconteerd in de gerealiseerde verkoopcijfers. Het Hof volgt de Heffingsambtenaar niet in deze stelling. Dat de gehanteerde referentieobjecten in gelijke mate als de onroerende zaak lekkageplekken en scheurvorming vertonen, heeft de Heffingsambtenaar op geen enkele wijze inzichtelijk of aannemelijk gemaakt. Het enkel poneren van een algemene veronderstelling is hiertoe onvoldoende.

4.6.

Alsdan resteert als referentieobject [adres 2] 18. Het Hof acht één referentieobject echter onvoldoende ter onderbouwing van de waarde. Bovendien geldt ook hier hetgeen het Hof in punt 4.5 heeft overwogen ten aanzien van de lekkageplekken en scheurvorming. Voorts heeft het referentieobject [adres 2] 18, in tegenstelling tot de onroerende zaak, een garage, waarbij de standpunten van partijen over de daaraan toe te kennen waarde nogal uiteenlopen.

4.7.

Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat de Heffingsambtenaar niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd.

4.8.

Vervolgens dient het Hof te onderzoeken of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem verdedigde waarde van € 173.000 niet te laag is. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daarin niet geslaagd. In de matrix van belanghebbende worden drie referentieobjecten genoemd, namelijk [adres 1] 20, [adres 2] 3 en [adres 3] 9. Ten aanzien van de eerste twee genoemde referentieobjecten heeft het Hof onder 4.5 reeds geoordeeld deze minder geschikt te achten, nu dit hoekwoningen betreffen. Het referentieobject [adres 3] 9 is ruim 14 maanden na de waardepeildatum geleverd en beschikt, naar de Heffingsambtenaar ter zitting onweersproken heeft gesteld, over een vlizotrap, terwijl de onroerende zaak over een vaste trap naar de zolder beschikt, waardoor de zolder van [adres 3] 9 niet, dan wel minder, bruikbaar is. Dit leidt het Hof tot het oordeel dat ook dit referentieobject minder geschikt is.

4.9.

Uit het vorenoverwogene volgt dat beide partijen de door hen verdedigde waarde van de onroerende zaak niet aannemelijk hebben gemaakt. Het Hof ziet evenwel voldoende aanknopingspunten om zelf in de zaak te voorzien. Het Hof stelt, rekening houdende met hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd in de gedingstukken en tijdens het onderzoek ter zitting, de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak op 1 januari 2014 in goede justitie vast op € 185.000.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Het Hof zal het beroep tegen de uitspraken van de Heffingsambtenaar gegrond verklaren, de uitspraken van de Heffingsambtenaar vernietigen, de waarde van de onroerende zaak vaststellen op € 185.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar worden vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 46, respectievelijk € 124, in totaal € 170 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.13.

Het Hof stelt de te vergoeden kosten van de bezwaarfase, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 2 (punten) x € 246 (waarde per punt) x 1 (wegingsfactor) is € 492.

4.14.

Het Hof stelt de te vergoeden kosten van de beroepsfase, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (wegingsfactor) is € 990.

4.15.

Het Hof stelt de te vergoeden kosten van de hoger beroepsfase, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (wegingsfactor) is € 990.

4.16.

Voorts komen de kosten van de door belanghebbende ingeschakelde taxateur als kosten van een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onderdeel b, van het Besluit, voor vergoeding in aanmerking. Conform de Richtlijn wordt uitgegaan van een tarief van € 50 per uur en wordt voor een inpandige woningtaxatie 4 uur in aanmerking genomen voor het onder 2.4 vermelde taxatierapport, te vermeerderen met 21 procent omzetbelasting. Dit resulteert in een vergoeding van € 242. Het Hof ziet geen reden voor een aparte vergoeding voor het laten aanpassen van de waardematrix in de beroepsfase.

4.17.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

4.18.

De totale aan belanghebbende te vergoede kosten van bezwaar-, beroep- en hoger beroepsfase bedragen derhalve € 492 plus € 990 plus € 990 plus € 242, is € 2.714.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar,

- vermindert de voor de onroerende zaak vastgestelde waarde tot € 185.000,

- vermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig,

- gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 170 vergoedt;

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van bezwaar en van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.714.

Aldus gedaan op 7 september 2017 door J. Swinkels, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.