Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3808

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
200.182.304_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:4976, Overig
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 8 WAADI/artikel 22 CAO NBBU recht op “overeenkomstig loon”

Wetsverwijzingen
Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1076
JAR 2017/252
AR 2017/4636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.182.304/01

arrest van 29 augustus 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J.A.H.L. Liégeois te Heerlen,

tegen

[B.V.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. V.F.G. Nowak te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 september 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 10 juni 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3382536/CV EXPL 14-9555)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met één productie;

  • -

    de akten waarin partijen aangeven geen comparitie na aanbrengen te wensen;

  • -

    de memorie van grieven tevens akte houdende wijziging van eis met 8 producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de akte houdende overlegging producties en reactie met één productie;

  • -

    de antwoordakte.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellante] is met ingang van 30 mei 2011 een uitzendovereenkomst aangegaan met [geïntimeerde] voor de duur van één jaar (derhalve tot 1 juni 2012) voor 25,25 uur per week. In het kader van die uitzendovereenkomst is [appellante] door [geïntimeerde] voor voornoemd aantal uren per week ter beschikking gesteld als uitzendkracht aan [bedrijf] te [plaats] (hierna: [bedrijf] ) om werkzaamheden te verrichten als “medewerker financiële administratie”.

  2. In de uitzendovereenkomst is opgenomen dat het salaris € 10,96 bruto per uur bedraagt en dat aan reiskostenvergoeding een bedrag van € 5,36 per dag wordt betaald.

  3. Na ommekomst van voornoemde uitzendovereenkomst heeft [appellante] met ingang van 1 juni 2012 een proefaanstelling voor de duur van 12 maanden gekregen bij [bedrijf] voor 18 uren per week in dezelfde functie. In het daarop betrekking hebbende aanstellingsbesluit van 4 juni 2012, verzonden op 5 juni 2012, is over de salariëring het volgende bepaald: “Uw salariëring is vastgesteld op schaal 6 periodiek 6 (…).” Tegen dit aanstellingsbesluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

  4. Daarnaast werkte zij als uitzendkracht vanaf die datum nog 7,25 uur per week via [geïntimeerde] bij [bedrijf] , ook in eerdergenoemde functie.

  5. [appellante] heeft haar tijdelijke aanstelling niet volgemaakt; zij is eind december 2012 uit dienst getreden zowel bij [bedrijf] als bij [geïntimeerde] .

  6. Op de uitzendovereenkomst is de NBBU, CAO voor uitzendkrachten 30-03-2009 / 31-12-2013 (verder: CAO NBBU) van toepassing. Het loonverhoudingsvoorschrift, neergelegd in artikel 22 lid 1 de CAO NBBU, bepaalt:

“Het loon en de vergoedingen van de uitzendkracht zijn gelijk aan het loon en de vergoedingen die worden toegekend aan werknemers, werkzaam in gelijkwaardige functies in dienst van de inlener. Dit loonverhoudingsvoorschrift dient ter bescherming van de rust op de arbeidsmarkt en is opgenomen in artikel 8 Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi).”

In lid 2 van dit artikel is het volgende bepaald:

“Onder het loonverhoudingsvoorschrift vallen de volgende componenten:

- Uitsluitend het geldende periodeloon in de schaal;

-De van toepassing zijnde arbeidsduurverkorting. Deze kan - zulks ter keuze van de uitzendonderneming - gecompenseerd worden in tijd en/of geld;

-Toeslagen voor overwerk, verschoven uren, onregelmatigheid (waaronder feestdagentoeslag) en ploegendienst;

-Initiële loonstijging;

-Onbelaste kostenvergoedingen: reiskosten, pensionkosten en andere kosten noodzakelijk wegens de uitoefening van de functie;

-Periodieken.”

De arbeidsvoorwaarden voor de medewerkers van [bedrijf] staan beschreven in de CAR-UWO, de arbeidsvoorwaardenregeling voor gemeenten (hierna: CAR-UWO).

Bij e-mailbericht van 2 juni 2014 heeft [appellante] van [geïntimeerde] een nabetaling gevorderd, stellende dat zij recht heeft op uitbetaling van het op basis van schaal 7 en dat zij recht heeft op uitbetaling van een eindejaarsuitkering. [geïntimeerde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [appellante] in eerste aanleg een veroordeling van [geïntimeerde] - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - tot betaling van een bedrag van € 6.411,64 bruto ter zake achterstallig loon, € 143,00 ter zake de eigen bijdrage en € 3.205,87 bruto aan wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2014, zijnde de dag waarop [geïntimeerde] in verzuim is met de nakoming van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, dan wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, zulks over € 9.617,51 bruto, alsmede veroordeling in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] haar in strijd met de CAO NBBU, niet het loon en de vergoedingen heeft betaald die [bedrijf] aan haar werknemers, werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies, betaalde. [appellante] stelt dan ook dat zij te weinig loon heeft ontvangen gedurende de periode dat zij als uitzendkracht bij [bedrijf] tewerk was gesteld en dat zij hetzelfde loon als haar toenmalige twee collega’s betaald had moeten krijgen. [appellante] vordert dat [geïntimeerde] alsnog haar verplichtingen jegens haar nakomt, subsidiair vordert zij schadevergoeding op grond van wanprestatie en meer subsidiair op grond van onrechtmatige daad.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het vonnis van 10 juni 2015 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

[appellante] heeft in hoger beroep haar vorderingen bij memorie van grieven gewijzigd. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijzing. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis, inhoudende een veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van

- het achterstallig uurloon met vakantietoeslag zijnde een bedrag van primair
€ 4.417,90, subsidiair € 3.708,04, meer subsidiair € 2.128,86 en uiterst subsidiair
€ 2.015,24 bruto, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging van 50% alsmede de wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding tot het moment van algehele voldoening;

-een bruto eindejaarsuitkering van € 1.429,15 en een eenmalige uitkering van € 400,00 bruto, beide vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

Tot slot vordert zij terugbetaling van de proceskosten in eerste aanleg vermeerderd met de wettelijke rente en een veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten in beide instanties. [appellante] heeft zes grieven aangevoerd.

[appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het toewijzen van haar vorderingen.

3.4.1.

Door middel van de grief I betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat zij bij aanvang van het dienstverband een bruto uurloon ontving dat overeenkomt met inschaling bij [bedrijf] in schaal 6, periodiek 2. Onder overlegging van de salaristabel van de CAR-UWO per 1 januari 2011 bedraagt het bruto uurloon € 11,33. Aan haar is echter volgens haar salarisstrook een bedrag betaald op basis van een bruto uurloon van € 10,96.

[geïntimeerde] stelt dat [appellante] juist meer heeft ontvangen dan het uurloon op basis van schaal 6, periodiek 2. Bij het uurloon van € 10,96 moet, zo stelt [geïntimeerde] , de gebruteerde reiskostenvergoeding worden opgeteld. Het bruto uurloon bedraagt dan € 11,82.

3.4.2.

Het hof verwerpt het standpunt van [geïntimeerde] . Op grond van artikel 8 WAADI en artikel 22 lid 1 van de CAO NBBU heeft [appellante] recht op het loon en de vergoedingen die worden toegekend aan een werknemer, werkzaam in gelijkwaardige functies in dienst van de inlener. De salaristabel geeft aan op welk uurloon werknemers, in dienst van de inlener, zijnde in dit geval [bedrijf] , aanspraak kunnen maken. Het betreft hier het loon voor één uur werken en dit loon dient voor [appellante] gelijk te zijn aan dat van een werknemer van [bedrijf] die in dezelfde schaal met hetzelfde periodiek geplaatst is, ongeacht de vraag of een dergelijke werknemer reiskosten heeft en/of hij daarvoor een vergoeding ontvangt. Het hof merkt daarbij op dat [appellante] heeft aangegeven hoe het bedrag aan reiskostenvergoeding tot stand is gekomen, namelijk de dagelijkse reisafstand, retour 28,2 kilometer, vermenigvuldigd met
€ 0,19. Dit komt exact overeen met de dagelijkse reiskostenvergoeding van € 5,36 en dit bedrag is ook netto aan haar uitgekeerd, zoals uit de loonstrookjes blijkt. Uit de loonstrookjes volgt ook dat dit bedrag werd uitgekeerd per gewerkte dag, ongeacht het aantal gewerkte uren op die dag. Met andere woorden, het uitgekeerde bedrag is bedoeld als daadwerkelijke netto vergoeding voor te maken reiskosten en vormt geen onderdeel van het loon dat wordt betaald als tegenprestatie voor de verrichte arbeid.

3.4.3.

De grief slaagt en leidt tot toewijzing van een deel van het gevorderde, in ieder geval tot dat deel dat te weinig is betaald indien [appellante] op basis van schaal 6, periodiek 2, zou moeten worden betaald. Dit ziet dan op de periode tot 1 januari 2012. Het uurloon in schaal 6, periodiek 2, per 1 januari 2012 bedraagt € 11,44 terwijl [appellante] vanaf 1 januari 2012 tot 1 juni 2012 een uurloon ontving van (zie haar salarisstroken) € 11,54. Van 1 januari 2012 tot 1 april 2012 heeft [geïntimeerde] [appellante] dus niet te weinig betaald indien in rechte wordt vastgesteld dat zij kon worden ingedeeld in schaal 6, periodiek 2. Per 1 april 2012 diende [geïntimeerde] [appellante] een bruto uurloon van € 11,56 te betalen op basis van schaal 6, periodiek 2. In de periode 1 april 2012 tot 1 juni 2012 heeft [geïntimeerde] € 0,02 bruto per uur te weinig betaald indien in rechte wordt vastgesteld dat [appellante] kon worden ingeschaald in voornoemde schaal.

3.5.1.

Door middel van de grief II betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat zij per 1 juni 2012 een bruto uurloon ontving dat overeenkomt met inschaling bij [bedrijf] in schaal 6, periodiek 6. Onder overlegging van de salaristabel van de CAR-UWO per 1 januari 2012 bedraagt het uurloon € 13,54. Aan haar is volgens haar salarisstrook het loon betaald op basis van een uurloon van € 11,54.

Het hiertegen door [geïntimeerde] gevoerde verweer is gelijk aan het verweer tegen de eerste grief en wordt eveneens op dezelfde grond door het hof verworpen.

3.5.2.

De grief slaagt dan ook en leidt tot toewijzing van een deel van het gevorderde en, in ieder geval, tot dat deel dat te weinig is betaald indien [appellante] conform schaal 6, periodiek 6, zou moeten worden betaald over de periode van 1 juni 2012 tot 1 januari 2013.

3.6.1.

Door middel van de grieven III en IV betoogt [appellante] , zoals zij dat ook in eerste aanleg heeft gedaan, dat zij vanaf het begin van haar dienstverband, dus vanaf 31 mei 2011, in schaal 7 had moeten worden ingedeeld. Zij stelt dat de bezoldiging van de medewerkers van [bedrijf] wordt bepaald aan de hand van de schaalindeling en legt een functiebeschrijving over van [bedrijf] waarin is vermeld dat een medewerker financiële administratie wordt ingeschaald in schaal 7. Bovendien geeft [appellante] aan dat haar twee collega’s op de afdeling een uurloon verdienden op basis van schaal 7.

[geïntimeerde] bestrijdt dat [appellante] recht heeft op een uurloon op basis van schaal 7. Zij geeft aan het uurloon toe te passen dat zij van [bedrijf] heeft doorgekregen en aldus heeft gehandeld zoals zij dat op grond van artikel 22 van de CAO NBBU verplicht is. De inschaling heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de regeling van de CAR-UWO. Deze regeling kent een aanloopschaal, in dit geval schaal 6. Daarbij is rekening gehouden met de beperkte ervaring en opleiding van [appellante] . Een vergelijking met de twee andere collega’s op de afdeling gaat niet op nu deze vijftien respectievelijk zeventien jaren in dienst waren van [bedrijf] en zij eerst tot schaal 7 zijn bevorderd nadat zij ongeveer zes jaren in dienst waren van [bedrijf] . [geïntimeerde] verwijst naar de e-mail van de heer [PTO-adviseur] , PTO-adviseur van [bedrijf] van 9 juli 2014.

3.6.2.

De vraag ligt voor welk loon zou worden toegekend aan een werknemer van [bedrijf] , werkzaam in een functie die gelijkwaardig is aan de functie die [appellante] vervulde. Partijen zijn het erover eens dat ter bepaling daarvan [bedrijf] uitvoering moet geven aan de CAR-UWO. [appellante] heeft voorts als productie 5 bij dagvaarding de door [bedrijf] gehanteerde functiebeschrijving voor de functie van medewerker financiële dienstverlening uit het functieboek en de door [bedrijf] gehanteerde Salarisinpassingsregeling overgelegd.

In rechtsoverweging 4.2.1. van het vonnis waarvan beroep geeft de kantonrechter aan dat voor de betreffende functie de functieschaal 7 is aangegeven. Voorts geeft de kantonrechter aan dat op grond van genoemde Salarisinpassingsregeling de functiehouder, die enige jaren relevante werkervaring heeft en het voor de functie vereiste kennisniveau verkregen heeft, met ingang van de datum van infunctietreding een schaal beneden de functieklasseschaal wordt ingeschaald (artikel 3 aanhef en onder b). Inschaling vindt in de regel plaats in periodiek 0 van de desbetreffende schaal, tenzij naar het oordeel van de leidinggevende er reden is een hogere periodiek toe te kennen (artikel 3 onder d). De functiehouder wordt als regel ingepast in de functieschaal indien de toegewezen organieke functie in een van de schalen 1 tot en met 8 is ingedeeld en hij één jaar die functie heeft vervuld (artikel 4 lid 1 aanhef onder a). Op basis van de stellingen van partijen gaat de kantonrechter uit van de toepasselijkheid van voornoemde regeling.

Tegen deze overweging is geen grief gericht. Hetgeen daarin is overwogen staat dan ook tussen partijen in rechte vast.

3.6.3.

De stelling van [appellante] dat zij over voldoende werkervaring en over voldoende kennis beschikte ten tijde van de aanvang van haar werkzaamheden noch de stelling dat het hier een schaal 7-functie betreft, vormt in het licht van het vorenstaande een voldoende onderbouwing voor een loonaanspraak op grond van schaal 7. De indeling in schaal 6 is in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving. Het feit dat haar twee ex-collega’s in schaal 7 waren ingedeeld, doet daaraan niet af. Dat zij dezelfde functie uitoefenden, betekent immers niet dat (de aard van) hun verrichte arbeid gelijk is aan die van [appellante] . Het ging hier om werknemers die reeds vele jaren in dienst van [bedrijf] werkzaam waren. [geïntimeerde] heeft aangegeven dat zij, in tegenstelling tot [appellante] , een afgeronde en volwaardige financiële opleiding (moderne bedrijfsadministratie) hadden genoten, en dat zij veel zwaardere werkzaamheden verrichtten dan [appellante] . Er is hier dan ook geen sprake is van een gelijke situatie.

De stelling dat [appellante] vanaf de datum van aanvang van haar werkzaamheden bij [bedrijf] aanspraak kan maken op een uurloon overeenkomstig schaal 7, verwerpt het hof. De grieven voor zover daarop gericht, slagen niet en de vordering voor zover daarop gebaseerd, is met recht door de kantonrechter afgewezen.

3.6.4.

[appellante] betoogt subsidiair dat zij met ingang van de tweede uitzendovereenkomst aanspraak kan maken op een uurloon overeenkomstig schaal 7. Zij verwijst ter onderbouwing naar een e-mail van PTO-adviseur [PTO-adviseur] van [bedrijf] , verzonden op 28 mei 2014 waarin deze aangeeft dat [appellante] bij volledig en normaal/goed functioneren na een jaar, dus per 1 juni 2013, een vaste aanstelling zou verkrijgen en worden ingepast in schaal 7 op salarisnummer 4. [appellante] legt voorts een kopie over van een “verslagformulier jaargesprek” waarin is opgenomen dat het totale functioneren ruim voldoende wordt beoordeeld.

[geïntimeerde] betwist de gestelde schaalindeling per 1 juni 2012. Zij wijst op het feit dat [appellante] per 1 juni 2012 bij [bedrijf] is aangesteld in de functie van medewerker financiële administratie. Zij is daarbij ingedeeld in schaal 6. [geïntimeerde] legt ter onderbouwing een schrijven over van voormelde [PTO-adviseur] waarin deze verklaart dat inschaling overeenkomstig de Salarisinpassingsregels heeft plaatsgevonden en dat, na onderhandeling hierover met [appellante] , zij is ingedeeld in periodiek 6 van deze schaal. [geïntimeerde] stelt dat [appellante] tegen het aanstellingsbesluit met daarin de schaalindeling geen bezwaar heeft gemaakt, zodat deze in rechte is komen vast te staan.

3.6.5.

Het hof is van oordeel dat [appellante] ook na het verrichten van één jaar werk voor [bedrijf] , per 1 juni 2012 geen aanspraak kan maken op een inschaling in schaal 7. Er is immers bij [bedrijf] één werknemer aangesteld die exact dezelfde werkervaring en opleiding heeft, namelijk [appellante] zelf. Op basis van artikel 8 WAADI en artikel 22 CAO NBBU heeft [appellante] als uitzendkracht dan aanspraak op hetzelfde salaris namelijk dat van schaal 6 periodiek 6. Het enkele feit dat [bedrijf] aan haar als werknemer heeft aangegeven dat zij per 1 juni 2013 in aanmerking zou kunnen komen voor een salaris op basis van schaal 7 vormt geen onderbouwing voor enige aanspraak per 1 juni 2012. Ook de onderliggende toepasselijke regelgeving leidt er niet toe dat [appellante] recht heeft op een schaal 7-salaris. Zo blijkt uit de overgelegde Salarisinpassingsregeling dat een inpassing in de functieschaal alleen plaatsvindt als de functiehouder de functie volledig vervult en voldoet aan de gestelde eisen blijkens de personeelsbeoordeling. In dat kader heeft [geïntimeerde] onbetwist gesteld dat [appellante] de opleiding Moderne Bedrijfsadministratie nog niet had afgerond; zij heeft eerst na beëindiging van de aanstelling en het dienstverband bij [geïntimeerde] dit diploma behaald. In overeenstemming daarmee is in het eerder aangehaalde “verslagformulier jaargesprek” opgenomen dat [appellante] nog in opleiding is.

3.6.6.

De grieven III en IV slagen niet en de op de ingenomen stellingen gebaseerde vorderingen zijn terecht afgewezen.

3.7.1.

[appellante] betoogt met grief V dat de kantonrechter haar vordering met betrekking tot de eindejaarsuitkering en de eenmalige uitkering ten onrechte heeft afgewezen. Deze beide componenten vallen onder de vergoedingen zoals genoemd in artikel 8 WAADI en onder artikel 22 van de CAO NBBU. De eenmalige uitkering valt onder de “initiële loonstijging”, aldus [appellante] .

[geïntimeerde] stelt dat bij CAO is afgeweken van artikel 8 WAADI en dat de opsomming zoals gegeven bij artikel 22 lid 2 van de CAO een limitatieve opsomming betreft.

3.7.2.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze artikel 22 van de CAO moet worden uitgelegd. Als uitgangspunt voor de uitleg van de bepalingen van de CAO geldt dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de CAO, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, voor zover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

3.7.3.

Nu in lid 2 van artikel 22 wordt gesproken van “uitsluitend” het geldende periodeloon en in de daarop volgende componenten geen melding wordt gemaakt van een eindejaarsuitkering of een eenmalige uitkering, is het hof van oordeel dat de genoemde componenten niet dienen te worden meegenomen in de vergelijking. De stelling dat een eenmalige uitkering moet worden gezien als een initiële loonstijging is betwist en niet onderbouwd. Het hof verwerpt de grief zodat het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de onderhavige vorderingen wordt bekrachtigd.

3.8.

Samenvattend betekent het vorenstaande dat de loonvordering over de periode van 31 mei 2011 tot 1 januari 2012 toewijsbaar is in zoverre er minder aan uurloon is betaald dan € 11,33. Het gaat hier dan om 803,80 uren vermenigvuldigd met het tekort van € 0,37. Dit komt neer op € 297,40, hetgeen moet worden vermeerderd met 8% vakantietoeslag, resulterend in een toe te wijzen bedrag aan achterstallig loon van € 321,20 bruto. De loonvordering over de periode 1 januari 2012 tot 1 april 2012 is toewijsbaar in zoverre er minder aan uurloon is betaald dan € 11,56. Het gaat om 328,25 uur vermenigvuldigd met € 0,02, hetgeen neerkomt op € 6,57. Dit bedrag moet worden vermeerderd met 8% vakantietoeslag, hetgeen resulteert in een toe te wijzen bedrag van € 7,09 bruto. De loonvordering over de periode van 1 juni 2012 tot 1 januari 2013 is toewijsbaar in zoverre er minder aan uurloon is betaald dan € 13,54. Het gaat dan om 250,5 uren vermenigvuldigd met het tekort van € 2,00. Door [geïntimeerde] is aangevoerd dat [appellante] in deze periode slechts recht heeft op betaling van 178 uur, omdat [appellante] de laatste vier maanden niet heeft gewerkt, maar wel salaris heeft ontvangen. [geïntimeerde] heeft echter niet toegelicht waarom [appellante] in deze laatste vier maanden geen recht zou hebben op loon, wat in het licht van het feit dat [geïntimeerde] haar wel heeft doorbetaald, wel had gemoeten. Het hof gaat dan ook uit van 250,5 uur. Dit komt neer op € 501,00, welk bedrag moet worden vermeerderd met 8% vakantietoeslag, hetgeen neerkomt op een bedrag aan loon van € 541,08 bruto.

[appellante] vordert over dit achterstallig loon ter hoogte van, in totaal, € 869,37, de maximale wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2014. [geïntimeerde] verweert zich hiertegen stellende dat [appellante] zou hebben ingestemd met de salarisschaalindeling. Subsidiair vraagt zij om matiging. Zij leest de vordering overigens zo dat de wettelijke rente is gevorderd over zowel het achterstallig loon als de wettelijke verhoging.

Het hof acht beide nevenvorderingen toewijsbaar, nu daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. Het hof ziet in hetgeen is aangevoerd door [geïntimeerde] geen reden om de wettelijke verhoging te matigen.

3.9.

Nu [appellante] en [geïntimeerde] over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten in hoger beroep aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof ziet, gelet op de gewijzigde eis in hoger beroep, geen reden om de proceskostenveroordeling in eerste aanleg te vernietigen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis voor zover daarin alle vorderingen van [appellante] zijn afgewezen,

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 869,37 bruto te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50%, en het totaal te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2014 tot het moment van algehele voldoening,

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige,

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, J.M.H. Schoenmakers en F. Kooijman en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 augustus 2017.

griffier rolraadsheer