Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3805

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
04-09-2017
Zaaknummer
200.178.257_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Welke zorg dient accountant als goed opdrachtnemer in acht te nemen.

Klachttermijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4601
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.178.257/01

arrest van 29 augustus 2017

in de zaak van

[Beheer B.V.] Beheer B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. H.M.A. van den Boogaard te Uden,

tegen

de maatschap [de maatschap],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P. van Zwijndregt te Veghel ,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 september 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, kanton ‘s-Hertogenbosch van 25 juni 2015, gewezen tussen appellante - [appellante] - als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres in conventie en verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr 3175070/181/rolnr. 14-5632)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 26 februari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- de zijdens [appellante] genomen akte met producties;

- de zijdens [geïntimeerde] genomen antwoordakte.

Tenslotte is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. De door [geïntimeerde] opgestelde “Opdrachtbevestiging samenstellingsopdracht” van 24 maart 2009 is op 27 juli 2009 door [appellante] ondertekend en aan [geïntimeerde] geretourneerd (productie 1 dagvaarding in eerste aanleg). De overeenkomst houdt onder meer in, voor zover hier van belang:

“(…)

Naast de samenstelling van de jaarrekening zullen wij voor u onder andere nog de volgende werkzaamheden verrichten:

 het verzorgen van de fiscale aangiften;

 de behandeling van verzoek- en bezwaarschriften betreffende fiscale aangelegenheden;

 het inboeken van de administratie.

Op uw afzonderlijk verzoek zullen wij onderstaande werkzaamheden voor u verrichten:

 advisering over de administratieve systemen;

 advisering over economische, organisatorische en fiscale aangelegenheden;

 voeren van fiscale procedures. (…)”.

De als bijlage 2 bij deze “Opdrachtbevestiging samenstellingsopdracht” gevoegde algemene voorwaarden houden in, voor zover van belang:

“(…)

Artikel 11. Aansprakelijkheid en verwaringen

1. Opdrachtnemer is niet aansprakelijk voor schade van Opdrachtgever die ontstaan doordat Opdrachtgever aan Opdrachtnemer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt.

2. Opdrachtnemer is niet aansprakelijk voor enige gevolgschade, bedrijfsschade of indirecte schade die het gevolg is van het niet, niet tijdig of niet deugdelijk presteren door Opdrachtnemer.

3. Opdrachtnemer is jegens Opdrachtgever uitsluitend aansprakelijk voor schade die het rechtstreeks gevolg is van een (samenhangende serie van) toerekenbare tekortkoming(en) in de uitvoering van de Opdracht. Deze aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag dat volgens de aansprakelijkheidsverzekeraar van Opdrachtnemer voor het betreffende geval wordt uitgekeerd, (…)

4. Indien, om welke reden dan ook, de aansprakelijkheidsverzekeraar niet tot uitkering overgaat, is de aansprakelijkheid van Opdrachtnemer beperkt tot het bedrag van het voor de uitvoering van de Opdracht in rekening gebrachte honorarium. (…)”

b. [appellante] heeft in de periode 2006-2011 managementwerkzaamheden verricht voor [bedrijf] (hierna [bedrijf] ). Deze werkzaamheden zijn bij factuur van 31 januari 2008 in rekening gebracht voor € 75.000,- te vermeerderen met € 14.250,- omzetbelasting. [appellante] heeft verder voor overig voor [bedrijf] verrichte werkzaamheden bij factuur van 28 maart 2008 € 5.000,- in rekening gebracht, te vermeerderen met € 950,- omzetbelasting. De bedragen zijn niet door [bedrijf] betaald. [appellante] heeft de betreffende btw, in totaal € 15.200,- aan de fiscus afgedragen.

c. De creditnota van 28 april 2010 van [appellante] aan [bedrijf] (productie 4 bij conclusie van antwoord, alsmede conclusie van eis in reconventie) houdt in, voor zover relevant:

“(…)

Creditnota

(…)

Factuurdatum: 28-4-2010

Datum Omschrijving Aantal Prijs Bedrag

15-apr Managementvergoeding 1 € 75.000,00 € 75.000,00

Totaal exclusief BTW € 75.000,00

BTW 0.00% € 14.250,00

Totaal inclusief BTW € 89.250,00

(…)”.

d. Een tweede creditnota van 28 april 2010 van [appellante] aan [bedrijf] (productie 5 bij conclusie van antwoord, alsmede conclusie van eis in reconventie) houdt in, voor zover relevant:

“(…)

Creditnota

(…)

Factuurdatum: 28-4-2010

Datum Omschrijving Aantal Prijs Bedrag

15-apr Managementvergoeding 1 € 5.000,00 € 5.000,00

Totaal exclusief BTW € 5.000,00

BTW 19% € 950,00

Totaal inclusief BTW € 5.950,00

(…)”.

e. Bij het stuk “Suppletie Omzetbelasting” (productie 6 bij conclusie van antwoord, alsmede conclusie van eis in reconventie), gedateerd op 23 augustus 2010, dient [appellante] een correctie in op eerder ingediende aangiften (hierna: het suppletieverzoek). Het stuk vermeldt dat de suppletie betrekking heeft op de aangifte over het tweede kwartaal 2010, dat het bedrag waarover de omzetbelasting wordt berekend € 77.000 bedraagt en de omzetbelasting - € 14.630 is. Het terug te vragen bedrag is € 15.200,-. Het suppletieverzoek is bij brief van 31 januari 2011 (productie 12 akte overleggen stukken) door [appellante] aan de Belastingdienst gestuurd. De brief van 31 januari 2011 is in concept opgesteld door [geïntimeerde] (nr. 6 antwoordakte [geïntimeerde] d.d. 9 april 2015).

f. Op 18 november 2010 is aan [bedrijf] voorlopige surseance verleend. Op 10 december 2010 is [bedrijf] in staat van faillissement verklaard.

g. De brief van 10 augustus 2011 van [geïntimeerde] aan de belastingdienst (productie 7 conclusie van antwoord, alsmede conclusie van eis in reconventie) houdt in, voor zover relevant:

“(…)

Onderwerp

Suppletieaangifte 2010 (…)

Zoals reeds eerder aan de belastingdienst uitgelegd is de correctie voornamelijk gelegen in het feit dat in 2006 gedeclareerde managementfee in 2010 is gecrediteerd aangezien de opdrachtgever [bedrijf] B.V. wegens liquiditeitsproblemen niet in staat was om te betalen. (…)”.

h. De brief van 13 oktober 2011 van [geïntimeerde] aan de belastingdienst (productie 8 conclusie van antwoord, alsmede conclusie van eis in reconventie) houdt in, voor zover relevant:

“(…)

Onderwerp

Verzoek om teruggaaf omzetbelasting over 2008 ad € 15.200 t.n.v. (…) [appellante] (…)

Wij verzoeken u om teruggaaf omzetbelasting over 2008 ad € 15.200,- op grond van artikel 29, lid 1, onderdeel b van de Wet op de omzetbelasting (…)”.

i. Bij brief van 13 februari 2013 (productie 11 bij conclusie van antwoord, alsmede conclusie van eis in reconventie) deelt de belastingdienst [geïntimeerde] mee, voor zover van belang:

“(…)

Op 14 oktober 2011 ontving ik uw verzoek om teruggaaf, gedagtekend 13 oktober 2011, over de periode 2008 ten bedrage van € 15.200,-. Uw verzoek is ingediend namens cliënt (…) [appellante] (…).

Ik wil u er op wijzen dat uw cliënt op 1 februari 2011 zelf een verzoek om teruggaaf heeft ingediend over het 2e kwartaal 2010. Daarbij werd verzocht om een teruggaaf tot een bedrag van € 15.200,- vanwege liquiditeitsproblemen bij de opdrachtgever. Dit verzoek om teruggaaf is op 14 mei 2011 door mij afgewezen. (…) Uw cliënt heeft verzocht om een teruggaaf gebaseerd op artikel 29, lid 1, letter a Wet OB.

Uw brief van 13 oktober 2012 is echter gebaseerd op artikel 29, lid 1, letter b Wet OB.

(…)

Beslissing op uw verzoek

Ik kom niet aan uw verzoek tegemoet. (…) “.

j. [geïntimeerde] heeft negen, tussen 17 oktober 2010 en 27 januari 2014 gedateerde facturen aan [appellante] gestuurd voor door [geïntimeerde] verrichte werkzaamheden voor in totaal € 12.629,82. De facturen zijn niet betaald.

4.2.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

A. de hoofdsom van € 12.629,82;
B. de (wettelijke handels)rente zijnde 8,25% per jaar over de hoofdsom vanaf 14 dagen na de factuurdata tot aan de dag der algehele voldoening;

C. de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.262,98, subsidiair de kosten op grond van art. 6:96 BW (conform de WIK en het besluit normering incassokosten);

D. de kosten van het geding, waaronder salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente, thans zijnde 8,25% vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis.

4.2.2

[appellante] heeft in reconventie gevorderd veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een schadevergoeding van € 18.257,60 (€ 15.200,- misgelopen btw-teruggave, € 1.286,54 onnodige werkzaamheden, € 939,87 buitengerechtelijke kosten en € 831,19 rente vanaf 5 februari 2014) tegen behoorlijk bewijs van kwijting met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

4.2.3

De kantonrechter heeft het gevorderde in conventie toegewezen, met dien verstande dat de incassokosten zijn gematigd tot € 1.090,57. De vordering in reconventie is afgewezen omdat, samengevat, niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten omtrent de gang van zaken betrekking hebbende op de btw-teruggave. [appellante] is veroordeeld tot betaling van de proceskosten in conventie en reconventie en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.3

Bij memorie van grieven heeft [appellante] vijf grieven aangevoerd en gevorderd dat het hof het vonnis van 25 juni 2015 zal vernietigen en de vordering in conventie zal afwijzen en in reconventie [geïntimeerde] zal veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 18.257,60 tegen behoorlijk bewijs van kwijting en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van dit hoger beroep inclusief het salaris van de gemachtigde/advocaat.

[geïntimeerde] voert verweer.

4.4

De grieven één tot en met vier richten zich met name tegen het vonnis in reconventie. In grief 1 voert [appellante] aan dat [geïntimeerde] hem wel heeft geadviseerd om creditnota’s te sturen. In grief 2 voert [appellante] aan dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de risico’s van het indienen van creditnota’s. In de grieven 3 en 4 voert [appellante] aan dat hij de betaalde omzetbelasting wel zou hebben terugontvangen indien [geïntimeerde] haar taak goed zou hebben uitgevoerd. Grief vijf is alleen gericht tegen het vonnis in conventie.

4.5

Voor zover de grieven 1 tot en met 4 het vonnis in reconventie aanvallen, stelt het hof daarbij voorop dat [geïntimeerde] ingevolge art. 7:401 BW bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moeten nemen. Voor [geïntimeerde] , die als beroepsbeoefenaar is opgetreden, geldt dat zij tegenover [appellante] als opdrachtgever de zorg moeten betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot/vakgenoot mag worden verwacht. Wat in concreto de gehoudenheid om als goed opdrachtnemer te handelen meebrengt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval (Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 323), waaronder de aard en inhoud van de opdracht, de positie van de opdrachtnemer en de aard en ernst van de betrokken belangen.

[geïntimeerde] heeft hierbij als zelfstandig beroepsbeoefenaar op het gebied van in elk geval belastingen in zekere mate een onafhankelijke positie voor zover zij opdrachten krijgt die specifiek zien op het terrein waar zij deskundig is, dus het terrein van het belastingrecht, een terrein waarvan het moet worden gehouden dat juist [appellante] daarop inzicht mist. Wat dit betreft kan niet zonder meer worden verlangd dat [geïntimeerde] voldoet aan door [appellante] aan haar gegeven opdrachten. In dit verband kan op de toelichting bij art. 7:402 BW worden afgeleid dat aard en inhoud van de overeenkomst kunnen meebrengen dat binnen het kader van de opdracht geen nadere aanwijzingen mogen worden gegeven of dat nadere aanwijzingen niet door de opdrachtnemer behoeven te worden opgevolgd (Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 324). Blijkens diezelfde pag. 324 is volgens de M.v.T. de opdrachtnemer normaal gesproken gehouden aanwijzingen van de opdrachtgever te volgen, mits deze verantwoord zijn gezien de inhoud en aard van de overeenkomst. Indien dat niet het geval is, is de opdrachtnemer bevoegd de aanwijzing naast zich neer te leggen, daarvan af te wijken dan wel de opdracht te beëindigen.

4.6.1

De door [appellante] allereerst aan haar vordering ten grondslag gelegde stelling dat [geïntimeerde] het advies heeft gegeven om creditnota’s op te stellen (nrs. 5-6 conclusie van antwoord, alsmede conclusie van eis in reconventie), is door haar genuanceerd tijdens de comparitie na antwoord. Blijkens het van de comparitie in eerste aanleg opgemaakte proces-verbaal heeft [appellante] aldaar verklaard dat [medewerker van geïntimeerde] (noot hof: medewerker van [geïntimeerde] ) tijdens een overleg heeft gezegd “faillissement afwachten of creditnota sturen” waarbij hij niet speciaal één van beiden heeft geadviseerd. Nadat [appellante] vervolgens zou hebben gezegd dat zij dan voor de creditnota wilde kiezen, heeft [medewerker van geïntimeerde] niets gezegd, aldus [appellante] blijkens het proces-verbaal. In de pleitnotitie die in eerste aanleg door [appellante] is overgelegd is nog vermeld dat mag worden verwacht dat [geïntimeerde] op de risico’s wijst (nr. 7). Daarmee heeft [appellante] aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten omdat [geïntimeerde] [appellante] niet uitdrukkelijk heeft afgeraden en/of [appellante] niet uitdrukkelijk heeft gewezen op de risico’s van het opmaken van creditnota’s.

4.6.2

Het overleg tussen [appellante] en [medewerker van geïntimeerde] moet hebben plaatsgevonden vóór of op 28 april 2010, omdat de creditnota’s van 28 april 2010 zijn (zie rov. 4.1 sub c en d). Indien dit overleg de inhoud heeft gehad zoals door [appellante] is vermeld, is [geïntimeerde] blijkens de hiervoor in rov. 4.5 genoemde maatstaf, toerekenbaar tekortgeschoten. In het kader van dit gesprek had [medewerker van geïntimeerde] als deskundige namelijk niet mogen zwijgen na de opmerking van [appellante] dat zij dan zou kiezen voor een creditnota. [medewerker van geïntimeerde] had in dat geval als deskundige [appellante] moeten afraden om creditnota’s op te stellen. Blijkens eigen zeggen wist [geïntimeerde] bij monde van [medewerker van geïntimeerde] immers dat een dergelijke terggave alleen lukt in geval van relatief kleine bedragen. Het hof begrijpt dat de onderhavige bedragen geen relatief kleine bedragen zijn. [geïntimeerde] betwist echter dat dit gesprek zich aldus heeft afgespeeld. [geïntimeerde] voert aan dat zij heeft gezegd dat de meer voor de hand liggende procedure is om na een faillissement een verzoek tot teruggave btw op oninbare facturen aan de belastingdienst te doen (nr. 6 conclusie van antwoord in reconventie). Het is dan aan [appellante] , die aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat [geïntimeerde] haar niet uitdrukkelijk heeft afgeraden en/of haar niet uitdrukkelijk heeft gewezen op de risico’s van het opmaken van creditnota’s, om die stelling op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv te bewijzen. Indien [appellante] wordt toegelaten tot deze bewijslevering en daarin slaagt, dienen de andere verweren van [geïntimeerde] te worden beoordeeld. Het hof zal om proces-economische redenen allereerst nog twee verweren van [geïntimeerde] beoordelen.

4.7

[geïntimeerde] heeft als bevrijdend verweer aangevoerd dat de klachttermijn van 1 jaar van art. 14 van haar algemene voorwaarden is verstreken. [appellante] heeft volgens haar te laat geklaagd, waarmee [geïntimeerde] niet meer schadeplichtig is.

[appellante] heeft in elk geval geklaagd bij brief van 5 februari 2014 (productie 6 inleidende dagvaarding). Om te kunnen beoordelen of met die brief te laat is geklaagd, dient allereerst te worden vastgesteld op welk moment [appellante] wist of had moeten weten dat in haar ogen [geïntimeerde] wanprestatie had gepleegd. Het is wat dit betreft aan [geïntimeerde] , die het bevrijdende verweer voert, om allereerst te verfeitelijken wanneer, waarom en op welke wijze [appellante] voor 5 februari 2013 moeten hebben geweten van het in de ogen van [appellante] onjuiste advies van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft dergelijke feiten niet aangevoerd, zodat niet is gesteld op welk moment [appellante] bekend werd of bekend had moeten zijn met het feit dat, kort gezegd, het volgens [appellante] door [geïntimeerde] gegeven advies onjuist was. Daarmee faalt het beroep op art. 14 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] , evenals het beroep op art. 6:89 BW.

4.8.1

[geïntimeerde] heeft reeds in haar dagvaarding in eerste aanleg aangevoerd dat zij de klacht van [appellante] heeft voorgelegd aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en dat deze de klacht heeft beoordeeld en heeft afgewezen. Dit blijkt uit de door [geïntimeerde] bij die dagvaarding overgelegde productie 7, een ongedateerd en niet-ondertekend schrijven van [medewerker verzekeraar] , [verzekeraar] . Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft zij in de nrs. 34 tot en met 37 aangevoerd dat de algemene voorwaarden ook van toepassing zijn op een opdracht als thans in geschil en in de nrs. 38 en verder een beroep gedaan op art. 11 van haar algemene voorwaarden en aangevoerd dat haar verzekeraar de claim van [geïntimeerde] heeft afgewezen.

4.8.2

[geïntimeerde] is terecht van mening dat haar algemene voorwaarden ook van toepassing zijn op de onderhavige opdracht. In haar “Opdrachtbevestiging samenstellingsopdracht” is onder het hoofd “Geldigheidsduur en Algemene voorwaarden” immers vermeld dat dat de opdrachtbevestiging van kracht zal blijven totdat de opdracht wordt beëindigd, hetgeen niet het geval is geweest.

4.8.3

Uit het proces-verbaal van comparitie blijkt niet dat [appellante] heeft betwist dat art. 11 van de algemene voorwaarden met zich brengt dat zijn schadevergoedingsvordering zoals door hem is ingesteld, moet worden afgewezen. In zijn memorie van grieven heeft hij zich hierover evenmin uitgelaten, hetgeen in het kader van de devolutieve werking van het appel noodzakelijk was. De twee conclusieregel laat niet toe dat [appellante] zich hierover alsnog uitlaat. Daarmee slaagt het beroep van [geïntimeerde] op art. 11 van de algemene voorwaarden als niet weersproken. Nu [appellante] met de toegelichte grieven 1 tot en met 4 overigens niets aanvoert dat tot een ander oordeel leidt, betekent dit dat de reconventionele vordering in ieder geval moet worden afgewezen. Omdat de uitkomst van de hiervoor in rov. 4.6.2 bedoelde bewijslevering al hierom uiteindelijk niet tot een toewijzing zal kunnen leiden, zal het hof [appellante] niet toelaten tot dat bewijs.

4.9.1

In de vijfde grief voert [appellante] aan dat van het door [geïntimeerde] aan [appellante] in rekening gebrachte bedrag, een bedrag van € 1.286,54 in rekening is gebracht voor werkzaamheden die zien op het onjuist ingediende suppletieverzoek (zie rov. 4.1, sub e). Dat zijn nutteloze werkzaamheden geweest, waarvan ook [geïntimeerde] volgens [appellante] heeft opgemerkt dat de afwijzing van dit suppletieverzoek van de omzetbelasting een logisch gevolg was van de wijze waarop dit verzoek zou zijn uitgevoerd.

4.9.2

De betreffende werkzaamheden zijn allen door [appellante] gedetailleerd vermeld (zie nr. 13 van haar conclusie van antwoord in conventie, alsmede conclusie van eis in reconventie) en zijn allen terug te vinden op de door [geïntimeerde] bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde notaspecificaties. [appellante] heeft zich in haar opsomming op twee punten vergist. Bij “nr. [nr.] , 03-09-2013 bespreking BTW-spec” vermeldt zij een bedrag van € 146,70, maar de notaspecificatie vermeldt € 75,30. Verder dateert zij de werkzaamheden “brief belastingdienst” op 25 juni 2014, maar uit de notaspecificatie blijkt dat dit 25 juni 2013 moet zijn. Dit betekent dat het in het kader van deze grief gaat om een bedrag van € 71,40 minder (€ 146,70 min € 75,30), dus € 1.215,14 (€ 1.286,54 min € 71,40).

[geïntimeerde] heeft niet betwist dat de in nr. 13 conclusie van antwoord in conventie, alsmede conclusie van eis in reconventie door [appellante] vermelde in 10 onderdelen opgesomde werkzaamheden allen in relatie staan tot het ingediende suppletieverzoek. De betreffende werkzaamheden zijn allen verricht ver nadat het suppletieverzoek bij de fiscus is ingediend, en wel tussen 1 mei 2013 en 22 november 2013. [geïntimeerde] voert zelf aan dat de belastingdienst suppletieverzoeken bij dit soort grote bedragen niet accepteert (zie onder meer nr. 51 memorie van antwoord). Gelet op de hiervoor in rov. 4.5 vastgestelde norm had [geïntimeerde] , ervan uitgaande dat de werkzaamheden tussen 1 mei 2013 en 22 november 2013 door [appellante] aan haar zijn opgedragen, die werkzaamheden niet zonder meer mogen uitvoeren. [geïntimeerde] als deskundige wist immers naar eigen zeggen dat dergelijke verzoeken niet plegen te worden geaccepteerd. Het hof wijst er op dat [geïntimeerde] voor die werkzaamheden waarvan zij zich in elk geval had moeten afvragen of deze wel zouden kunnen lonen, in verhouding tot het mogelijke bedrag dat kon worden teruggeven (in totaal € 15.200,-) een fors bedrag, namelijk € 1.215,14 in rekening heeft gebracht. De conclusie van dit alles is dat [geïntimeerde] dus werkzaamheden heeft uitgevoerd waarvan zij wist in elk geval serieus het vermoeden had moeten hebben dat deze geen nut hadden. Die opdracht had zij moeten weigeren of zij had de overeenkomst moeten beëindigen. Dergelijke nutteloze werkzaamheden mag een redelijk bekwaam en redelijk handelend accountant & belastingadviseur niet zonder meer uitvoeren, in elk geval niet zonder meer in rekening brengen. Dit betekent dat grief vijf slaagt.

4.10

Al met al slaagt het beroep voor zover gericht tegen het vonnis in conventie en faalt het tegen het vonnis in reconventie. Gelet daarop hebben partijen te gelden als partijen die over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld en zal het hof de kosten van dit beroep daarom compenseren.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussen partijen op 25 juni 2015 in conventie gewezen vonnis, doch enkel voor zover [appellante] daarin is veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen € 12.629,82 en doet opnieuw recht als volgt:

veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] te betalen € 11.414,68 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 14 dagen na de factuurdata tot aan de dag der voldoening;

bekrachtigt het tussen partijen op 25 juni 2015 in reconventie gewezen vonnis;

compenseert de kosten van dit hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en J.M.H. Evers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 augustus 2017.

griffier rolraadsheer