Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:3793

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
200.216.940_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 31 augustus 2017

Zaaknummer : 200.216.940/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/327988 JE RK 17-442

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W.H.J.W. de Brouwer,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader);

- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 maart 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 mei 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad (tot ondertoezichtstelling van de hierna genoemde minderjarige [minderjarige] ) af te wijzen.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. C.C.J.L. Huurman (waarnemend voor mr. De Brouwer);

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de vader.

2.3.1.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 14 december 1996 gehuwd in El Salvador.

Uit het huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

De vader is niet de biologische vader van [minderjarige] .

Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn voorts zeven kinderen geboren die allen ouder zijn dan [minderjarige] . De vader en de moeder zijn ontheven van het gezag over deze kinderen.

3.1.1.

De moeder en [minderjarige] verblijven sinds begin maart 2016 in een ‘moeder-kind’-project van [zorgorganisatie] .

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift – kort samengevat – het volgende aan.

De rechtbank overweegt ten onrechte dat er forse zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] , dat de moeder onvoorspelbaar en impulsief kan zijn en dat de moeder wegens pedagogische onmacht geen gezag meer heeft over haar andere kinderen. Er zijn ook sterke punten te benoemen over de opvoeding van [minderjarige] door de moeder, die niet van pedagogische onmacht getuigen. De ouders zijn van hun gezag over de andere kinderen ontheven omdat zij niet de financiële middelen hadden om voor de kinderen te zorgen.

De moeder heeft duidelijk de wens uitgesproken om na haar verblijf in de voorziening van [zorgorganisatie] in [plaats 1] te gaan wonen.

Op termijn wil de moeder [minderjarige] inlichten over wie haar biologische vader is. De moeder bestrijdt de zorgen over de relatie tussen haar en de vader.

Hoewel de rechtbank stelt dat de moeder geen probleeminzicht heeft, dat de ouders de noodzakelijke hulp niet accepteren en het de ouders onvoldoende is gelukt om de zorgelijke situatie te verbeteren, komt uit de stukken juist naar voren dat de moeder stuurbaar is en zich aan afspraken kan houden als haar wordt verzocht meer en tijdig ‘thuis’ te zijn.

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] onvoldoende gewaarborgd is. Dat de moeder over voldoende opvoedvaardigheden beschikt blijkt uit het feit dat zij tot het negende jaar van haar oudste kind voor alle kinderen heeft gezorgd, terwijl de omstandigheden destijds problematischer waren.

De moeder ontkent dat zij zich suïcidaal heeft uitgelaten.

De moeder erkent dat zij zorgen heeft gehad over eventueel misbruik van [minderjarige] door de vader, maar die hadden niet de omvang en de strekking zoals die nadien door de kinderrechter in diens beoordeling is meegenomen.

3.4.1.

In aanvulling op het voorgaande is namens de moeder ter zitting het volgende naar voren gebracht.

Op dit moment zijn er geen concrete ontwikkelingsbedreigingen of veiligheidsrisico’s die een ondertoezichtstelling noodzakelijk maken.

Op het consultatiebureau wordt een betrokken moeder gezien, die afspraken nakomt en het inloopspreekuur bezoekt als zij tussentijds vragen heeft.

De advocaat van de moeder betoogt dat ten onrechte aannames worden gedaan op basis van het verleden. Daardoor heeft de moeder geen vertrouwen meer in de hulpverlening. Zij zou het liefst een nieuwe start maken met ambulante hulpverlening, waarbij de begeleiders haar het gevoel geven dat zij bevooroordeeld zijn. Een ondertoezichtstelling kan ook contra-producties werken.

Met behulp van Stichting [stichting] wordt bij [samenwerkingsverband van woningcorporaties] voor de moeder en [minderjarige] een woning gezocht in [plaats 2] , aansluitend op haar verblijf bij [zorgorganisatie] . Het is bij [stichting] duidelijk dat de situatie urgent is. Uiteindelijk wenst de moeder met [minderjarige] in [plaats 1] te gaan wonen.

3.5.

De vader heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht.

De relatie met de moeder is goed. De vader en de moeder ‘zorgen voor elkaar’. De vader zorgt ook voor [minderjarige] als zij bij hem is. Hij wilde niet dat de moeder en [minderjarige] bij [zorgorganisatie] verbleven en heeft hen daar weggehaald. De vader vertrouwt de hulpverlening van [zorgorganisatie] niet. De moeder werd daar bedreigd, hetgeen de vader zelf ook heeft meegemaakt.

De moeder is niet ter zitting aanwezig omdat zij met [minderjarige] ondergedoken is bij een goede vriendin. De moeder is bang, omdat de GI heeft verzocht om een machtiging

uithuisplaatsing ten behoeve van [minderjarige] . De moeder is getraumatiseerd doordat haar het gezag over de andere kinderen is afgenomen.

De moeder wil zelfstandig wonen met inzet van ambulante begeleiding en ondersteuning van de vader.

3.6.

De raad heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht.

Voor de geconstateerde ontwikkelingsbedreigingen verwijst de raad naar diens rapportage.

De zorgen zijn terecht mede gebaseerd op het verleden. De ouders zijn in het verleden immers onmachtig gebleken hun plicht om de kinderen te verzorgen en op te voeden te vervullen. Problemen werden gezien in de verstandelijke beperking van de moeder, de relatie tussen de ouders en de verzorging van de kinderen. De problematiek werd niet erkend door de ouders en zij verzetten zich tegen de hulpverlening. Uit een deskundigenonderzoek is gebleken dat de moeder niet in staat is voor kinderen boven de peuterleeftijd te zorgen. Het gaat nu nog goed met [minderjarige] , maar zij is dan ook nog erg jong.

De moeder is een kans gegeven om in een beschermde omgeving te laten zien dat zij voor [minderjarige] kan zorgen. Gezien wordt echter dat het patroon van zich aan de hulpverlening en het toezicht onttrekken, zich herhaalt. De moeder zegt wel dat zij hulpverlening accepteert, maar tot op heden heeft zij enkel laten zien dat zij de hulpverlening nauwelijks toelaat in de woning en dat, als zij dat wel doet, er niet gepraat mag worden over de opvoeding.

De moeder is vanaf de aanvang van het verblijf in de [zorgorganisatie] voorziening veel op stap geweest met [minderjarige] . De moeder is niet graag thuis. Het belang van [minderjarige] zou echter centraal moeten staan. Een kind heeft veel structuur en rust nodig. Het altijd ‘op sjouw’ zijn creëert veel onrust, onveiligheid en onvoorspelbaarheid.

Op dit moment zijn de moeder en [minderjarige] volledig uit het zicht van de hulpverlening. [minderjarige] is op een onbekende plek alleen met de moeder die bekend is met problematiek en die thans bovendien gebukt gaat onder de angst en spanning die de dreigende uithuisplaatsing met zich brengen.

Gezien de bij de moeder geconstateerde beperkingen en het feit dat de moeder niet adequaat meewerkt aan de hulpverlening is sprake van een ontwikkelingsbedreiging die het gedwongen kader rechtvaardigt. Maatregelen zijn nodig om toezicht te krijgen op de wijze waarop de moeder invulling geeft aan de zorg voor [minderjarige] .

3.7.

De GI heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht.

Vanaf de aanvang van de ondertoezichtstelling is sprake van een moeizame samenwerking met de moeder. Bovendien onttrekt zij zich aan de begeleiding van [zorgorganisatie] . Slechts een derde van de afspraken met de begeleiding van [zorgorganisatie] is doorgegaan. De GI heeft een schriftelijke aanwijzing gegeven met daarin basisafspraken. Dat heeft niet geholpen. De moeder is de hulpverlening nog meer buiten de deur gaan houden. Op 14 juli heeft [zorgorganisatie] aangegeven dat zij niet kunnen instaan voor de veiligheid van [minderjarige] , omdat zij onvoldoende zicht op haar hebben. De GI heeft toen ook geconstateerd dat zij niet kunnen instaan voor de veiligheid van [minderjarige] . De GI heeft om een spoedmachtiging uithuisplaatsing verzocht. Gezien de eerdere wanhoopsacties van de moeder, werd gevreesd dat zij zou onderduiken op het moment dat zij kennis zou nemen van het verzoek. Het spoedverzoek is echter afgewezen. Bij de reguliere zitting was de moeder niet aanwezig. Sinds haar kennisname van het spoedverzoek is de moeder ook niet meer in de [zorgorganisatie] -voorziening geweest. In de eerste week was er nog wel contact met de moeder, maar sinds het weekend van 5 en 6 augustus 2017 is er helemaal geen contact meer. De GI heeft grote zorgen over [minderjarige] . De GI is nog in afwachting van een beslissing van de rechtbank op het verzoek om de machtiging uithuisplaatsing.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het BW/Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW.

3.8.3.

Het hof is van oordeel dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] ziet het hof in het feit dat het noodzakelijke toezicht op haar opvoedingsomgeving ontbreekt, terwijl de zorgen daarover fors zijn. Het hof overweegt daartoe het volgende.

3.8.4.

Genoegzaam is komen vast te staan dat de moeder en de vader in het verleden pedagogisch onmachtig zijn gebleken om op een verantwoorde wijze invulling te geven aan de verzorging en opvoeding van de oudere broers en zussen van [minderjarige] . Daarbij is op basis van deskundigenonderzoek komen vast te staan dat de moeder gezien haar verstandelijke beperking c.q. problematiek niet in staat is kinderen boven de peuterleeftijd te verzorgen en op te voeden. Dat [minderjarige] zich tot op heden, voor zover men dat op dit moment kan overzien, goed ontwikkelt, maakt niet dat de zorgen over de opvoedingscontext ongegrond zijn.

De belaste voorgeschiedenis en de persoonlijke problematiek van de moeder zijn – gezien de ernst daarvan – naar het oordeel van het hof terecht meegewogen bij het inschatten van de risico’s in de opvoedingssituatie van [minderjarige] .

3.8.5.

De moeder is, ondanks de zorgen van de raad, een kans geboden om te laten zien dat zij in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. Gezien het verleden is daarbij – naar het oordeel van het hof terecht – de voorwaarde gesteld dat zij in de [zorgorganisatie] -voorziening zou verblijven in het kader van een ‘moeder-kind’-traject en dat zij hulp zou accepteren, zodat er zicht zou komen op het opvoeders handelen van de moeder en (daarmee) het pedagogische klimaat waarin [minderjarige] opgroeit.

3.8.6.

Gedurende het verblijf van de moeder en [minderjarige] in de [zorgorganisatie] -voorziening is echter gebleken dat het patroon van zich onttrekken aan de hulpverlening (ditmaal van het ‘moeder-kind’-traject) zich herhaalt. De begeleiding in het kader van het traject houdt onder meer in een tweemaal daags contact met de begeleiding. De moeder is slechts op één derde van die contactmomenten verschenen. Een schriftelijke aanwijzing van de GI heeft geen verandering ten goede teweeg gebracht. De moeder is nadien zelfs nog verder uit zicht van de hulpverlening verdwenen. Tijdens de gesprekken die de hulpverlening wel met de moeder heeft kunnen voeren, liet de moeder het niet toe om op de opvoeding in te gaan.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat de moeder, hoewel zij stelt dat zij open staat voor hulpverlening, de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging van [minderjarige] noodzakelijk is, niet of onvoldoende accepteert. Hierbij doelt het hof niet op de periodieke controle van het consultatiebureau, waar de moeder – zoals ter zitting is aangevoerd – wel verschijnt, maar op hulpverlening gericht op het in kaart brengen en vergroten van de pedagogische vaardigheden van de moeder.

3.8.7.

Daar komt bij dat de moeder, om maar niet thuis c.q. in de voorziening van [zorgorganisatie] te hoeven zijn, veel met [minderjarige] op pad is. Een kind in de leeftijd van [minderjarige] heeft behoefte aan veel rust, regelmaat en structuur. Het is niet in haar belang om steeds maar van huis te zijn. De moeder toont (ook) hiermee aan niet in staat te zijn de belangen van [minderjarige] te laten prevaleren en haar een veilig en voorspelbaar opvoedingsklimaat te bieden.

3.8.8.

Recent zijn de zorgen rondom [minderjarige] toegenomen. [zorgorganisatie] kon niet langer voor de veiligheid van [minderjarige] instaan, nadat de moeder zich nog verder aan het zicht van de begeleiding had onttrokken door veel afwezig te zijn. De GI heeft om die reden een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verzocht. De moeder is vervolgens met [minderjarige] ‘ondergedoken’. De vader heeft ter zitting van het hof verklaard dat de moeder en [minderjarige] bij een goede vriendin van de moeder verblijven. [zorgorganisatie] en de GI zijn niet op de hoogte van de verblijfplaats van de moeder en [minderjarige] . Zij hebben geen enkel contact meer met de moeder. De moeder is ook niet ter zitting van het hof verschenen. Ook de (waarnemend) advocaat van de moeder heeft van de huidige stand van zaken, voor zover bekend, eerst ter zitting kennisgenomen, zodat zij het hof ook niet kon informeren over de verblijfplaats van [minderjarige] en de omstandigheden aldaar.

Met de raad en de GI heeft het hof dan ook ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige] .

3.8.9.

Het hof acht een ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van één jaar noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreigingen af te wenden.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 maart 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.D.M. Lamers en C.A.R.M. van Leuven en is op 31 augustus 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.